(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Biodiversity Heritage Library | Children's Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Slaven en vrijen onder de nederlandsche wet"

3 T1S3 DnS7DtS b 



.•^r^ 



k^ 






h.> 



y «.'■,.) 



,<^ 



, ,., rp^ 

ft i>.»i- V,.»^'^ 



i» 



»> 



/ 



Digitized by the Internet Archive 

in 2009 with funding trom 

Boston Library Consortium IVIember Libraries 



http://www.arcliive.org/details/slavenenvrijenonOOho 



• i^^V 



L 



;r^ \^ 



^ 






öê] 



a#*! 






Ö.NDKI! I)K 
NEÜERLANDSCHK WKT ; 

LUTGEGKVliN DOOIt 






Zie/-, hl/ /i'"?i '/(■/' irn-klicilfH . du' ini'i- liniiliii 
CfiliKKlitl liflihiii , 'I ivilk- dooi' II Vii'L-ur'l is . roi'jd ; 
en het ijesrlipei di'i'ij('iii>ri, dit gecoij,il lii'hhcii , is ye, 
.kowen lot iii de oortniies Jleei^en Sehaoth. Jak.V 4. 



EKHSTE ÜEEI,. IIKT FLATKN. 




rii/..(i2. 
u;:. 1. 



Jlceniirv.PWMTnip 



i., 



AAX 



DE STAATSKOMMISSIE, 



BENOEMD BIJ KONINKLIJK BESLUIT VAN 19 NOVEMBER 1853. 



MIJNE HEEREV! 

Met rjroote belangstelling nam zeker het geTieele vaderland 
met Vlij kennis van liet besluit des Ko?iings, waarbij eene 
Staatskommissie wordt ingesteld .• // ten einde te onderzoeken , 
welke maatregelen , met het oog op den tegenwoordigen toe- 
stand der slaven-hevolking in de koloniën en bezittingen van 
het rijk in andere iverelddeelen , door de regering kunnen en 
hehooren te worden genomen ;" met opdragt tevens aan die 
Staatskommissie^ n om va^i hare bevindingen verslag te doen, 
onder bijvoeging van de voorstellen, waartoe dat onderzoek 
mogt aanleiding geven." 



Op het oogenhlik der instelling dier Kommissie, hield ik 
Vlij reeds sedert geruimen tijd bezig met het verzamelen 
der bouwstoffen voor het werk, dat ik thans de vrijheid 
neem TI hierbij aan te bieden. 

Tot die aanbieding gevoel ik mij om verschillende redenen 
gedrongen. In de eerste plaats toch is TI door den Koning 
opgedragen, om het oog te vestigen op den toestand der 
slavenbevolking in de koloniën en bezittingen van het rijk m 
andere werelddeelen. 't Is Tliue gewigtige taak dien toestand 
bovenal te leeren hennen, gelijk hij werkelijk is. Als eene 
bijdrage tot die kennis, verzoek ik TI dezen mijnen arbeid 
wel te willen beschouiven. 

Als Gij mij de eer wilt bewijzen van dit werk te lezen ^ 
dan zal TI blijken , dat ik in eenige hoofdstukken het lot der 
negers in Suriname heb trachten voor te stellen , de algemeene 
denkwijze der vrijen omtrent de slaven heb loillen doen ken- 
nen , en eenig begrip zocht te geven van den aard der Ne- 



derlandsche wetgeving aldaar ten opzigte dier slaven, 't Is 
mijn streven geiveest., om den vorm zoodanig te mahen, dat 
zeer velen mijner landgenooten te meer opgeioekt mogten 
toorden, om deze bladen te lezen. Van daar dat ik mij eenige 
vrijheden heb veroorloofd., waarop het mij vergund zij Uwé 
aandacht te vestigen. 

In dit hoeh komt., naar mijne overtuiging., alléén waarheid 
en niets dan waarheid voor ; dat wil zeggen .- van den toe- 
stand der maatschappij in Suriname, voor zooveel de sla- 
vernij betreft, heb ik een waarachtig en getrouw tafereel 
trachten op te hangen. De indruk, dien de lezer in dit ge- 
schrift van dien toestand ontvangt, is niet het gevolg van 
eenzijdige en overdreven voorstellingen, maar van hetgeen daar ' 
in werkelijkheid bestaat. Ook do verhalen, die er in voorko- 
men, zijn geene verdichtselen, maar berigten omtrent feiten. 
Slechts in de wijze, loaarop ik die feiten U onder de oogen 
breng, heb ik mij eenige vrijheden veroorloofd. Zoo heb ik 



sommige , zonder eénige bijvoeging of versiering, eenvoudig ver- 
haald , gelijk zij werkelijk zijn voorgevallen. Van anderen 
behoort alleen de hoofdzaak tot het gebeurde, en is de vorm 
geheel verzonnen en verdicht, maar toch ook weer niet anders 
dan als eene blinkende lijst, waarin de getrouw naar de na- 
tuur geteekende schilderij is gevat. Somtijds zijn twee of 
drie voorvallen tot één verhaal in een geweven, zoodat hetgeen 
op onderscheiden tijden en met verschillende personen is ge- 
schied tot zamenhang en éénheid werd gebragt. 

Of het mij gelukt zij, mag ik niet beoordeelen, maar ik 
meende daardoor de lektuur van het werk belangivekkender 
te maken. Er ivas echter nog eene tweede bedoeling bij. 
Daardoor vermeed ik de onaangename noodzakelijkheid van, 
hij het blootleggen van eenen maatschappelijken toestand, die 
eiken Nederlander moet doen blozen , tevens bepaalde personen 
te moeten kwetsen of ten toon stellen. Niet anders dan ver- 
dichte namen treft gij in deze bladen aan, zoodat niemand 



zich persoonlijk kan heleedigd rekenen. Verre was van mij 
de hedoeliwj van te grieven en wonden, maar [waarom zou 
ik het verzioijgen?) ik reke)ide het mij tot pUgt, zoo moge- 
lijk eene algemeene verontwaardiging op te ivekken tegen de 
slavernij; ik wensch een nationalen kruistogt tegen haar voort' 
durend bestaan in 'i leven te roepen; ik wensch zulk een af- 
schuw voor die instellhig hij het Nederlandsche volk te iveeg 
te brengen, dat hare instandhouding niet meer mogelijk zij. 
In zeker opzigt ben ik niet de schrijver van dit boek, 
maar slechts de verzamelaar, de kompilateur. Toen ik in 
1848 mijne Verhandeling over de Emancipatie der slaven 
in Nederlandscli Indië had uitgegeven , en later toen mij 
de eer te beurt viel tot volksvertegenwoordiger te worden 
gekozen , wendden zich , gedurende een geruim tijdsverloop , 
onderscheiden personen tot mij, die Suriname hij eigen aan- 
schouioing kennen. Sommigen bevinden zich op dit oogenblik 
nog in die kolonie, anderen hebben haar verlaten, maar allen 



zijn zij vervuld van droefheid over 't geen zij daar zagen of 
nog dagelijks bijwonen. Van hen., onbeivust van elkander., 
ontving ik eene talrijke menigte herigten omtrent de slavernij. 
Zij spoorden mij aan, om te doen wat in mijn vermogen 
is, in 't belang der 40,000 ongelukkige menschen, die in 
Suriname nog slavenketenen dragen. En aan die opwek- 
king en aan die berigten heeft dit boek zijnen oorsprong te 
danken. 

Ik heb dus inderdaad niet veel anders gedaan , dan het 
water der verschillende beekjes, rivieren en stroomen in één 
groot meer bijeen te brengen. Voeg daar de poging bij , 
07n aan dat meer zulk een afwisselend voorkomen te geven, 
dat het vélen tot nadere beschouwing en onderzoek tot zich 
trekt, met den tvensch en bede, om iets bij te dragen tot het 
tijdelijk en eeuwig heil van zoo vele slaven en vrijen — en 
Gij helt mijne gansche taak opgenoemd. 

Bij het volbrengen van die taak ondervond ik de krach- 



tige ondersteuning van een man, loiens naam ik hier veilig 
mag uitspreken , omdat hij sedert jaar en dag zich openlijk 
een moedig strijder voor de vrijverHaring der arme negers 
heeft betoond; een man, die lij elke gelegenheid het geweten 
der natie tracht wakker te schudden en haar ivijst op de 
groote zonde der slavernij^ nog altoos in haren naam en on- 
der hare toelating gepleegd; een man, die, bij de inhuldi- 
ging van onzen tegenivoordigen Koning, het wapenschild van 
Suriname aan het volk voorstelde op eene wijze, dat de aan- 
blik van dit blazoen eiken Nederlander het bloed in 't aan- 
gezigt moest jagen. De hoogleeraar H. c. millies, die 
onder zijne uitgebreide en grondige studie ook onze kolonië7i 
en speciaal het ongelukkige Suriname heeft begrepen , had 
de goedheid mij , bij het nazien van dit werk , vele juiste 
en ti^effende opmerkingen te maken, menige fout iveg te ne- 
men, en mij zijne levendige belangstelling in alle opzigten te 
bewijzen, Tenoijl ik daarvoor mijnen hartelijken dank be- 



tuig, deel ik ook U deze btjzondei'heid mede, omdat Gif er 
van overtuigd zult zijn, dat dit boek door zijne medewer- 
king, niet tveinig is verbeterd, en daarom te meer Uive 
aandacht verdient. 

Onder mijne bronnen beJiooreJi ook eenige der merkwaar- 
digste geschriften over Suriname, in den laat sten tijd uitge- 
geven , en wel in de eerste plaats de Verslagen door den 
Minister van Koloniën aan de Tweede Kamer, volgens art. 
60 der Grondwet, ingediend. Het laatste, dat over 1852, 
is tot mijn leedwezen echter eerst bekend geworden, toen dit 
werk reeds grootendeels was afgedrukt. Die bronnen heb ik 
opgegeven, maar de overigen mag ik niet noemen. Deed ik 
het, menigeen der edele mannen^ die mij uit 2'>ligibesef 
hunne wetenschap mededeelden, zou zich aan tallooze on- 
aangenaamheden bloot stellen en misschien voor zijn tijdelijk 
welzijn in de grootste gevaren ivorden gebragt. 

Ik weet , dat de openlijke en geheime tegenstanders der 



emancipatie en anderen , die^ om loelke redenen dan ook, 
gaarne den waarachtigen toestand van Suriname bedekken^ 
van deze omstandigheid een gretig gebruik zullen maken. 
II Kunt gij uwe zegslieden niet noemen^'' zullen zij mij toe- 
roepen^ iiioat maakt gij dan aanspraak, dat wij de gru- 
welen , die gij verhaalt , gelooven zullen /" 

En toch y Mijne Heer en, er is gelegenheid, om die geloof- 
waardigheid te bewijzen, en Gij zijt het, die dat bewijs kunt 
leveren. Ik bid U, doe niet gelijk zoo menigeen^ die op geen 
onafhankelijk standpunt staat en, door zijne verhouding tot 
de slaven of zijne maatschappelijke betrekking, bevooroor- 
deeld is. Tracht niet met eene enkele magtspreuk den in- 
houd van dit boek te verwerpen, door er zonder onder- 
zoek het merk der onwaarheid op te drukken, wanneer het 
in Uive magt is, om alles wat ik geschreven heb te beves- 
tigen en bezegelen. Maar Gij zult dien inhoud niet blin- 
deling ter zijde slellen. Gij hebt een te levendig besef van 



de gewigtige taah, die U is opgedragen. Het lot van veer- 
tig duizend menschen is in Uwe handen gelegd! Gij zijt 
er van overtuigd, dat een ligtvaardig veriverpen als logen 
en bedrog van de feiten, die U worden aangewezen, voor 
God en meiiscJien onverantwoordelijk zou zijn. Zonder per- 
soonlijke vooringenomenheid, zult Gij elke bijzonderheid, hoe 
ook in strijd met de beweringen en de verklaringen der sla- 
venhouders , aan een naauwgezet onderzoek onderwerpen. 
Alles zult Gij doen, om den tegenwoordigen toestand der 
slavenhevolking van Suriname te leeren kennen, gelijk die in 
werkelijkheid is, niet gelijk zoo velen dien trachten te be- 
mantelen en te verbloemen. 

Gij kunt het bewijs leveren der geloofwaardigheid van 
mijn boek ! Wijst mij daarom niet af, door eenvoudig U 
te beroepen op de Verslagen der Begering, en op de rap- 
porten der verschillende autoriteiten in W^st-Indië. Ik voor 
mij verklaar onbewimpeld — en ik geloof niét dat de re- 



denen, die ik daarvoor heb opgegeven *), voor tegenspraak 
vatbaar zijn — de officiële waarheid is en kan , waar het 
den toestand der slaven in Suriname betreft , uit den aard 
der zaak geene waarheid zijn. Niet slechts dat de Re- 
gering zelve in eene slavenholonie niet onafhankelijk is, maar 
ook het toezigt over de uitvoering der voorschriften, die rege- 
len stellen omtrent de wijze, waarop de slaven moeten be- 
handeld worden , is in Suriname toevertrouwd , niet aan 
Gouvernements-beambten , maar aan de eigenaren, adminis- 
trateurs en direkteurs der plantages. TA] , die gekontroleerd 
moeten worden , kontroleren zich zelven ! Alle mededee- 
lingen, verslagen en rapporten, die ü van Gouvernements- 
wege worden aangeboden, komen uit diezelfde bron. Boven- 
dien , de algemeene geest in die kolonie is tegen de slaven 
en voor de slavernij ; ook de mindere ambtenaren zijn in 



*) Zie het Hoofdstuk getiteld: 'Het toezigt, op bldz. 80 enz. van 
het 2e deel. 



den regel daarvan niet uitgezonderd. De maatschappij is 
er in twee groote af deelingen geplitst: slaven en vrijen, 
wier belangen Ujnregt tegen elkander inloopen. De ofjidële 
waarheid spruit slechts uit één dezer partijen voort ; hoe 
is het mogelijk, dat zij een onpartijdig getuigenis zal ajleg- 
gen omtrent de andere? 

Gij , Mijne Heeren , kunt het bewijs leveren der geloof - 
ivaardigheid van mijn boek! Weet Gij hoe? Tracht door 
de Tweede Kamer eene enquête te doen houden. Verlangt 
Gij het, dan zal zulk een onderzoek niet geweigerd wor- 
den. De mannen kunnen aangewezen worden, die onder eede 
moeten worden gehoord — maar geen plantage-eigenaren of 
administrateurs of direkteurs, geen slavenhouders of belang- 
hebbenden — en ik sta er U borg voor, dat aan U en de 
vertegenwoordiging en de geheele natie de overtuiging zal wor- 
den gegeven , dat de inhoud van dit boek waarachtig is en den 
toets van een naauwkeurig onderzoek heeft kunnen doorstaan. 



Ooh de tiveede reden, waarom ik de vrijheid neem dit 
boek U aan te bieden, mag ik niet verzwijgen, 'i Is reeds 
bijna een jaar geleden , dat Gij door den Koning tot de 
gewigtige taak zijt geroepen, die op Uive schouders rust. 
Verre zij het van mij U eenig verioijt te doen, verre van 
mij uwen ijver en rustelooze werkzaamheid in twijjel te 
trekken. En toch gevoel ik mij gedjvngen U bescheiden te 
herinner e7i, hoeveel lijden veertig duizend menschen nog al- 
toos te dragen hebben, hoe de zweep dagelijks op hunne 
ligchamen ten bloede toe klemt, hoe het weeklagen en de 
zuchten van die duizenden sedert gedurig ten hemel rijzen, 
hoe veel leed en ellende en smarten steeds onafscheidelijk 
aan de slavernij verbonden zijn. Gij zijt geroepen, om 
zulke voorstellen aan den Koning te doen, als waartoe Uwe 
navorschingen aanleiding zullen geven, o Mogt de overtui- 
ging in U geboren ivorden, dat geen ander voorstel, door 
godsdienst, menschelijkheid en staatkunde even dringend ge- 



eischt , van U mag uitgaan , dan de eerlijke , onverwijlde 
emancipatie der slaven; ivant de vrijheid is voor die onge- 
lukkigen het eenige middel, dat hen van hun leed kan ver- 
lossen! Indien dit boek iets bijdroeg, om Uwe overtuiging te 
versterken, dat het volstrekt niet meer de vraag kan we- 
zen, of de vrijverklaring moet plaats hebben, maar alleen 
hoe ' zij moet geschieden , met de geringste schokken , zonder 
de belangen van bijzondere personen al te zeer te krenken, 
en bovenal in waarheid binnen den kortst mogelijken tijd, 
dan zou ik mij gelukkig rekenen. 

Vóór Gij Uwe taak hebt volbragt, wordt er niets voor 
de arme negers van Suriname gedaan — en elke dag^ 
dat die taak vertraagd wordt, is voor velen hunner een dag 
van nameloos wee! Zoolang Gij werkzaam zijt wordt alles 
wat men aanvoert, om ''t lot der slaven te verbeteren of om 
hunne vrijheid te bepleiten, eenvoudig met een j' Er is eene 
Kommissie"" beantwoord — en zóó blijft dat lot steeds het- 



zelfde en breeJct de dag der vrijheid niet aan vóór Gij 
Uwen arbeid geëindigd hebt. 

Neen! Gij duidt het mij niet ten kwade., dat ik de 
vrijheid neem, ü dit alles, bij het toezenden van dit werk, 
op eene bescheiden wijze herinner. Moge , onder Hooger 
zegen , Uio arbeid heilrijke gevolgen hebben voor de onge- 
lukkigen, in wier belang dit boek is geschreven — maar 
dat vooral ook die arbeid spoedig moge volbragt worden, 
zullen zeker duizenden met mij in Nederland tvenschen. 

Ontvangt , mijne heeren , de verzekering mijner bijzondere 
hoogachting. 

's GeaVENHAGE , VAJJ HOËVELL. 

31 October 18 54. 



INHOUD VAN HET EERSTE DEEL. 



Bladz. 
I. EE>f BLIK OP SURINAME 1. 

II. MOEDER EN KIND • . 50. 

UI. HET KAPITAAL ES DE RENTE 65. 

IV, HUISSELIJKE TUCHT 79. 

V. HET PIKET DER JUSTITIE 89. 

VI. VOEDSEL EN KLEEDING TE PARAMARIBO , .113. 

VII. DE PLANTAGES 138. 

Vni. DE PLANTAGE-SLAVEN 153. 

IX. VOEDING EN KLEEDING OP DE PLANTAGES. . 173. 

X. DE ARBEID 200. 



EEK BLIK OP SURINAME. 



— '-^5'fö.a.r^ 



Nederland is een rijk land. Wandel langs de Heeren- en 
Keizersgracht van Amsterdam, en bewonder de prachtige 
gebouwen, die hunne tinnen fier verheffen. Elke woning is 
een paleis — maar de schatten , waardoor die paleizen wer- 
den opgetrokken, zijn voor een deel de uitgeperste levens- 
sappen, het zweet en bloed van onder knellende geesselsla- 
gen zich krommende slaven. 

Nederland is een land van handel en vertier. Zie die 
trotsche zeekasteelen hunne rijke ladingen in den schoot 
der hoofdstad uitstorten — maar een deel dier ladingen is 
het produkt van negers , die , voortgedreven door de nimmer 
rustende zweep van den bastiaan, beroofd van ieder genot 
en elke vreugde des levens, gedwongen worden, om als 
lastdieren voor hunne meesters rusteloos te werken, tot de 
dood hen verlost. 

Nederland is een vrij land. Het heeft met onbezweken 
moed door stroomen bloeds zijne vrijheid gekocht. Maar 
thans, in de negentiende eeuw, is het met Turkye, Rus- 

I. 1 



land en Spanje het eenige rijk van Europa, dat de slaven- 
ketenen zijner onderdanen niet lieeft verbroken. 

Nederland is een Christenland — maar het doemt dui- 
zenden zijner kinderen, onder zijne vlag geboren , aan zijne 
bescherming toevertrouwd, tot een toestand, rampzaliger dan 
het lot van het redelooze schepsel. De geringste aanran- 
ding zijner godsdienst doet het gansche volk rillen van 
angst en verontwaardiging — maar het schaamt zich niet, 
om door zijn gezag menschen te laten vernederen tot het 
laagste peil van stoifelijke en zedelijke ellende. Eiken zon- 
dag weergalmen zijne tempels van gebeden en lofzangen tot 
den Koning der eeuwen — maar eiken dag klimmen, in 
een deel zijner bezittingen, tot den God der barmhartig- 
lieid, de zuchten en angstkreten en het gegil der wanhoop 
van mannen en vrouwen, die, schuldeloos voor den zedelij- 
ken regter, door beulshanden worden gefolterd. Eiken dag 
wordt het brutale geweld in bescherming genomen tegen 
weerlooze lijdzaamheid en het zegel der wettigheid gedrukt 
op handelingen, waarvan het Euangelie een gruwel heeft, 
op het koopen en verkoopen van wezens, die Christus onze 
broeders heeft genoemd. Nederland is een Christenland ! 
maar het laat toe, dat menschen , door Christus bestemd tot 
zijne leerlingen, door dwang in onwetenheid worden gehou- 
den en tot verdierlijking gebragt, met geweld door hunne 
meesters in elke christelijke vorming en ontwikkeling wor- 
den belemmerd en verhinderd. 

Suriname heet een deel van Neêrlands bezittingen, waar 
deze nationale zonde nog dagelijks wordt gepleegd. Suri- 
name is de kolonie, die een onuitwischbaren smet werpt op 
den rijkdom en den handel en de vrijheid en den Christen- 
zin van Nederland! Suriname is eene donkere bladzijde in 
de geschiedenis van Nederland en vernedert en onteert het 
tegenwoordige geslacht, omdat het de schandelijke erfenis 



zijner vaderen, de gevloekte slavernij, niet opheft en ver- 
nietigt. Suriname is door de natuur gevormd tot een der 
schoonste, rijkste en gelukkigste plekjes tusschen de keer- 
kringen — maar het wordt door de mensehen herschapen 
in een land van jammer en lijden, in een hel op aarde! 

Toen Europa het eerst met Amerika bekend werd, waren 
Suriname, geheel Guijana, waarvan Suriname een gedeelte 
is, en de omliggende landen door onderscheiden Indiaansche 
volkstammen bewoond. Vooral de Caraïben onderscheidden 
zich onder hen door hun aantal en de koenheid en onver- 
schrokkenheid van hunnen aard. 

Tegen 't midden der zeventiende eeuw, nadat men de 
binnenlanden te vergeefs had doorzocht, om er goud te 
vinden, zetten zich Europesche planters aan de kusten ne- 
der, om zulke produkten te teelen, die men langs eenen 
gevaarlijken weg slechts uit Oost-Indië kon verkrijgen. 
Door de vruchtbaarheid van den bodem en de gemakkelijk- 
heid van den overtogt aangemoedigd, trokken vele onder- 
nemende Europeanen naar het nieuwe land, en in weinig 
jaren vormden er zich Fransche, Engelsche en Nederland- 
sche vestigingen. 

De oorspronkelijke inboorlingen waren niet krachtig ge- 
noeg voor den arbeid, maar wilden zich bovendien niet 
krommen onder den wil der vreemde overheerschers. Eene 
gunstige omstandigheid kwam den ondernemers te gemoet. 
Tegenover Guijana lag Afrika. Daar leefden de tallooze 
kleine vorsten in gedurige veten en oorlogen. Europesche 
schepen, door hunne regeringen daartoe gemagtigd, steven- 
den naar Afrika, kochten van de vorsten, voor ruilartikelen, 
de wederzijds gemaakte gevangenen, en voerden ze naar 
Amerika, waar men hen tot den veldarbeid gebruikte. Zoo 
ontstond de slavenhandel. 

Daar het aankoopen van zulke slaven niet veel kostte, 



4 

en men zich van die waar altoos kou voorzien , lokte de 
winst menigeen naar deze heete en vochtige kustlanden, en 
vormden zich in Europa maatschappijen met aanzienlijke 
kapitalen, om de ondernemers krachtig te ondersteunen. 

Suriname zelf werd liet eerst door de Engelschen in bezit 
genomen , die zich aan de rivier Suriname vestigden en de 
stad Paramaribo stichtten. In 1664 zetten zich 't eerst 
eenige Nederlanders aan de Boven-Comewijne neder; maar 
ze werden door de Engelschen weldra weder van daar ver- 
dreven. In Eebruarij 1667 zeilde abraham krijnssen, een 
moedige zeeuw, de rivier Suriname op en veroverde de ko- 
lonie. Aan het fort, dat hij er vond, gaf gij den naam van 
//Zeelandia." Wel werd deze bezitting in October daaraan- 
volgende door een Engelschen zeekapitein met zeven oorlog- 
schepen weder heroverd, maar, bij den vrede van Breda, 
den 31 Julij van datzelfde jaar 1667 gesloten, was de ko- 
lonie bij verdrag aan de Nederlanders afgestaan ; zoodat zij 
kort daarna, in weerwil dezer herovering, weder aan de on- 
zen werd overgegeven. I)e stad bestond toen nog slechts 
uit eenige weinige huizen. 

Bij d(in vlijt der ondernemers en de groote vruchtbaarheid 
van den bodem, had Suriname der maatschappij in Neder- 
land groote rijkdommen kunnen afwerpen. Maar eerst maak- 
ten de gedurige oorlogen, waarin wij met Eranschen en 
Engelschen gewikkeld werden, dat de voordeden, die het 
Moederland van deze volkplanting trok , niet zeer aanzienlijk 
waren. Later, toen deze oorlogen ophielden, verhief zich 
Suriname wel voor een tijd lang en bragt de kolonie vele 
schatten op, maar toch bleven inwendige twisten haar dik- 
wijls verscheuren; toch ondervond zij gedurig de gewone 
gevolgen van den onnatuurlijken toestand harer maatschappij , 
aanhoudend verzet en oproeren der slaven. 

Diezelfde onnatuurlijke toestand is thans mede de oor- 



zaak van haar diep verval. De slavenbevolking heeft, door 
den ellendigen staat, waartoe zij gedoemd is, geeue kracli- 
ten genoeg om zich voortdurend staande te houden. Zonder 
onophoudelijken aanvoer van buiten, vermindert zij van 
jaar tot jaar en sterft dus eindelijk uit. Die aanvoer werd 
in 1824 verboden. Dat verbod gaf een geweldigen knak 
aan de welvaart der kolonie. Door de gestadige verminde- 
ring der krachten voor den arbeid, ijlt zij met rassche 
schreden haren ondergang te gemoet. Vele eenmaal bloei- 
jende plantages zijn verlaten; hare suiker- en koffij- velden, 
eens met zoo veel zorg beplant en onderhouden, zijn thans 
met eene ondoordringbare wildernis bedekt; de schoone la- 
nen van sierlijke palmen of hooge tamarinde-boomen, die 
naar de gebouwen der plantages geleidden, verheflen zich 
eenzaam en treurig uit de struiken en bosclikaadjes der in 
't wild opgroeijende vegetatie; en de landingsplaats, waar 
fraai gekleurde en bevallig gebouwde tentbooten af- en aan- 
voeren, liggen ledig en verlaten. Ziedaar, hoe de slavernij 
zelve de maatschappij straft, die haar beschermt; ziedaar 
het bewijs, dat zij de kiem harer eigen vernietiging met 
zich voert. 

De uitgestrekte landstreek, die, omgeven van de twee 
grootste stroomen van Amerika, de Amazonen-rivier en de 
Orinoko, van O' tot 9" N. B. en van 49" tot 67" W. L. 
zich uitbreidt, waarvan de Oost- en Noord-kust de Atlan- 
tische oceaan is, die in 't Zuiden door Brazilië, in 't Wes- 
ten door de republiek Columbia wordt begrensd , en welks 
kustlanden reeds sedert eeuwen aan Europa de kostelijkste 
produkten, maar door slavenarbeid geteeld, van hunnen bo- 
dem toezenden, is in Engelsch, Nederlandsch , Fransch en 
Portugeesch Guijana verdeeld. 

Gekoesterd door de keerkringzon, doorsneden van groote 
bevaarbare stroomen en talloozc natuurlijke kanalen, die met 



elkander in verbinding staan, maakt zijne geographische 
ligging, gevoegd bij de buitengewone vruchtbaarheid van 
zijnen bodem, dit land tot een waarachtig paradijs, 'twelk 
alleen door de slavernij al zijne bekoorlijkheid verliest, en, 
ofschoon nog rijkdommen afwerpende voor sommige indi- 
viduen en enkele afwezige eigenaren, inwendig ongelukkig 
en diep rampzalig is. Waar de slavernij in de laatste jaren 
is afgeschaft, als in Engelsch en Pransch Guyana, verheft 
het land zich langzamerhand uit zijne ellende; maar zulk 
eene verwoestende kracht heeft deze barbaarsche instelling, 
dat, al houdt zij op, opvolgende geslachten nog haren ver- 
woestenden invloed ondervinden. 

Op de 7000 vierkante mijlen groote oppervlakte van dit 
land leven, hier en daar verstrooid, de overblijfselen van 
verscheiden Indiaausche stammen, die, ruw en woest als ze 
zijn, zelfs de beschaving niet meer bezitten, die hunne 
voorvaderen schijnen gehad te hebben. Verscheiden dier 
stammen, gelijk het grootste gedeelte van het binnenland, 
zijn ons nog onbekend en slechts door de verhalen van 
andere en bevriende Indianen, die in deze binnenlanden 
reizen, en van de Boschnegers of slaven die zich hebben 
vrijgevochten (wij zullen hen straks leeren kennen) en die 
met hen handelsbetrekkingen onderhouden, weten wij dat 
ze bestaan. 

Dat gedeelte van Guyana, 'twelk aan Nederland behoort, 
draagt den bijzonderen naam van Suriname. Het ligt tus- 
schen 3° en 6" N. B. en tusschen 53" en 56" W. L. In 't 
Oosten grenst het aan Transch Guyana, waarvan het door 
de Marowyne, die de Franschen Maroni noemen, geschei- 
den is; in 't Westen scheidt de Correntijn de Nederlandsche 
kolonie van de vroeger Nederlandsche thans Engelsche be- 
zitting Berbice; in 't Noorden bespoelt de Atlantische Oce- 
aan hare kusten; in 't Zuiden, waar hare grenzen nog niet 



eens behoorlijk zijn vastgesteld, stoot zij aau het bergland 
der savannen, dat de waterscheiding der in de Amazonen- 
rivier vloeijende stroomen en der naar het Noorden zich 
ontlastende rivieren uitmaakt. Op deze onbekende bergen, 
in deze ontoegankelijke bosschen wonen slechts eenige rond- 
zwervende Indiaansche familiën, in tijdelijk opgeslagen dor- 
pen of kampen. Terwijl Suriname kennelijk dezelfde geo- 
logische formatie heeft als Brazilië, eu men. er na de alluviale 
gronden het deluvium vindt, gelijk de gerolde jaspis aan de 
Marowyne getuigt, behoort het grensgebergte der kolonie, 
mede eveneens als in Brazilië, tot de eerste formatie en 
beslaat het uit graniet, gneis, micaschiefer enz. Het bevat 
naar alle waarschijnlijkheid rijke aderen van edel metaal. 
Er is geen reden om dit te betwijfelen, maar niemand heeft 
het nog onderzocht. 

Er bestaan ook geene redenen , waarom in de uitgebreide 
savannen niet even goed de half wilde veeteelt zou kunnen 
worden ingevoerd, als in Brazilië, Buënosajres, de Mos- 
quito-kust en andere streken van Zuid-Amerika. Een voor- 
val, door den heer w. h. lans in zijne //Bijdrage tot de 
kennis der kolonie Suriname" verhaald, schijnt dit vermoe- 
den te bevestigen. In de Boven-Cottika en Para waren 
eenige ossen van plantagiën aan de dienstbaarheid in de 
bosschen ontvlugt. Men veronderstelde, dat zij door de 
tijgers moesten zijn verscheurd. Na verloop van eenige 
jaren werden zij ontdekt, van tijd tot tijd geschoten en 
eenigeu opgevangen. Ze waren allen in een uitmuntenden 
toestand. Waren die weinige beesten, in plaats van ossen, 
koeijen en stieren geweest, dan zou men hoogstwaarschijn- 
lijk, door het toeval, reeds het denkbeeld eener halfvrije 
veeteelt in de Suriuaamsche bovenlanden verwezenlijkt zien. 

Hoe gemakkelijk zoude eene proeve te nemen zijn, door 
eenige stukken vee uit Brazilië, van de Kaap de Goede 



8 

Hoop of van de Kaap-Verdische eilanden in de savannen 
over te plaatsen. Mogten die savannen, als de prairiën, van 
kudden verwilderd vee doortrokken worden , dan zou daaruit 
een rijke bron van welvaart voor de kolonie ontstaan. Ook 
in Suriname is groot gebrek aan eene genoegzame hoeveelheid 
dierlijk voedsel; wij zullen er van overtuigd worden als wij 
de voeding der slaven in oogenschouw nemen. De huiden 
konden, als in vele andere oorden van Zuid- Amerika, een 
belangrijk artikel van uitvoer worden. Men zou in Suriname, 
even goed als elders , het vleesch tegen bederf kunnen bewaren , 
door het op een koleuvuur te roosten, nadat men het eerst 
met zout en piment heeft ingewreven. In dien vorm zou het 
uitnemend geschikt zijn voor den uitvoer naar Nederland. 

Ondertusschen is het eene eigenschap van elke slaven- 
kolonie, dat er niets voor het algemeene toekomstige belang 
gedaan wordt; de eenige zaak, die men er op het oog 
heeft, is het voortbrengen van handelsgewassen, door mid- 
del van gedwongen arbeid. In geene enkele slavenkolouie 
heeft de nijverheid ooit een beduidende vlugt genomen noch 
kunnen nemen. Er is gelegenheid te over, om de kostbaarste 
produkten van den landbouw aan de wereldmarkt te leveren, 
en toch bepaalt men zich bij de stapelprodukten suiker, 
katoen, kofiij, en bovendien nog wat kakao en indigo. Guijana 
wordt waarschijnlijk door geen tropisch land in vruchtbaar- 
heid overtroffen. Door den heer i,ans worden verscheiden 
artikelen opgegeven, die er met zeer veel voordeel zouden 
te verbouwen zijn. Zoo noemt hij rijst, die thans slechts 
door eenige nijvere vrije lieden en door de Boschnegers in 
kleine hoeveelheid wordt voortgebragt ; de bromelia-hennep 
of vlas, aan het land oorspronkelijk eigen en van eene voor- 
treifelijke hoedanigheid, wordt zeer weinig geteeld en zou 
toch op de wereldhandel, als ze er eens was in gebragt, 
evenzeer eene plaats innemen als gelijksoortige vezelen van 



9 

andere tropische gewesten, b. v, de manilla-hennep. Het 
quassiehout, de balsem copaïva, de vanielje, de cortex si- 
marouba, de tonka-boonen, de caoutchouc, de bananen-hennep, 
de soda en zoo veel andere meer, te talrijk om op te noe- 
men, behooren er toe. Wij juichen de pogingen toe, door 
den laatst afgetreden Gouverneur, den baron tan kaders, 
in 't werk gesteld, om de kuituur te bevorderen — maarzoo 
lang Suriname eene slavenkolonie blijft ^oei^e^ ze mislukken. 

De kolonie Suriname is een kustland. Bergen heeft zij 
niet. De zoogenaamde //Blaauwe berg," twintig uren boven 
Paramaribo aan de Suriname, is de eenige, en nog is hij 
slechts driehonderd voet hoog. Maar het land is door tal- 
looze rivieren in alle rigtingen besproeid, waarvan de hoofd- 
stroomen zijn : de Maroni, Suriname, Saramaka, Coppename 
en Correntjn. 

Al deze rivieren staan, door natuurlijke kanalen, hier 
//kreken" genoemd, met elkander in verbinding; zoodat gij, 
bij voorbeeld, uit de Correntyn in de, 56 uren in regte 
lijn meer oostelijk gelegen, Maroni komen kunt, zonder u 
aau de bezwaren eener zeereis bloot te stellen. 

De gansche kust van Suriname is vlak en aangespoeld 
land, dat, bedekt met boomen en laag struikgewas, met el- 
ken vloed overstroomd wordt. Door deze lage ligging van 
den grond strekken zich banken, die eigenlijk slechts eene 
verlenging der kusten zijn, mijlen ver in zee uit; ze bestaan 
uit een weeken moddergrond, de alluviën der rivieren. 

Het zeestraud levert overal een eeiitoonig, treurig gezigt 
op. Duizenden doode, ontwortelde en aangespoelde boomen 
liggen in alle rigtingen verspreid. De bodem, een weeke 
modder, waarin men tot de knieën wegzinkt, wordt door 
millioenen krabben bewoond, en in de struiken, welke aan 
deze treurige kusten groeijen, wemelt het van tallooze zwer- 
men muskieten en andere stekende muggen. Geheele scha- 



10 

ren van watervogelen van allerlei soort vinden , als het ebbe 
is, hier in ongestoorde rust rijkelijk hun voedsel, terwijl 
bij vloedgetij haaijen en andere roofvisschen in de door het 
water bedekte struiken omdwalen. Even laag zijn de mon- 
dingen der rivieren, wier oevers echter door bosschen van 
mangrove-boomen , die met hunne wortelen ondoordringbare 
verschansingen vormen, tegen het geweld der brandingen 
beveiligd worden. 

Hoe verder gij u van de zee verwijdert, zoo veel te meer 
verandert het tooneel. De oevers tooijen zich met eene an- 
dere vegetatie; hooger boomen verhefien zich uit het lage 
struikgewas; de slanke pinapalmen, het zekere bewijs van 
eenen vruchtbaren bodem, vertoonen zich in menigte. Slin- 
gerplanten bedekken de boomen en vormen guirlandes, die 
de takken aan elkander verbinden. De oevers zijn door 
het digte loof, dat tot ver over het water hangt, niet te 
herkennen. Acht of tien uren van het zeestrand, wordt 
het rivierwater helder, en bespoelt het, niet meer door het 
zeewater brak gemaakt, de reeds hoogere oevers. 

Maar alles is nog vlak; slechts zelden breken kleine, met 
bosch begroeide, heuvels het eflen terrein. Overal in alle 
rivieren heerscht hetzelfde beeld der rijkste vegetatie, en de 
heldere stroom kaatst het prachtige landschap heerlijk terug. 
Slechts waar heuvels den loop der rivieren rigten, waar 
rotsen en klippen haar smaller maken en het transport der 
produkten zouden hinderen, daar is de grens der kuituur 
en de ingang tot het onbekende land. 

De oostelijke grensrivier der kolonie, de Marowyne, Maro- 
ni of Indiaansche Marauni, een groote, aan zijne monding 
één uur breede stroom, is door de menigte zandbanken 
bijna niet bevaarbaar. Waarschijnlijk is deze gevaarlijke 
ingang de oorzaak, dat, ofschoon de oevers hooger en 
even vruchtbaar zijn als die van de rivier Suriname, ze 



11 

evenwel nog geheel onbebouwd liggen en slechts in de na- 
bijheid der zee door Indianen en, in de bergachtige en 
boschrijke binnenlanden, door de Aucaner boschnegers, die 
wij later zullen leeren kennen, bewoond zijn. De monding- 
heeft niet dezelfde eenvormige mangrove- boom en, gelijk de 
andere stroomen, maar hooge zandoevers, waarop eene rijke 
vegetatie van palmen, kaktus en andere planten zich uit- 
strekt. Een kleine militaire post, aan de Nederlandsche 
zijde, laat, als schepen er voorbij varen, de Hollandsche 
vlag wapperen. 

Zonder bogt of kromming trekt de statige stroom, op 
dezelfde breedte, drie uren opwaarts, waar hij zich, bijeen 
groep van vijf lage, met palmen en ander houtgewas be- 
groeide, eilanden, naar 't Zuidwesten keert. 

Op den linkeroever van deze breede grensrivier ligt nabij 
de zee de militaire post //Prins Willem Frederik." Aan beide 
zijden is het land meestal boven den hoogsten vloed der 
zee gelegen, en bestaat uit een met zwarte aarde vermengd 
zand, dat voor het verbouwen van den maniok-wortel (ja- 
tropha) zeer geschikt is. Ongeveer een uur den vloed op- 
waarts van den post //Prins Willem Prederik" strekt een rif 
van sterk ijzerhoudende rotsen zich ver in de rivierbedding 
uit. Aan den hoek van het zandige strand , dat de monding 
van den stroom aan den regteroever vormt, worden vele 
kristalaardige, ronde steenen gevonden, die zeer hard zijn 
en, als ze geslepen worden, een helder water hebben en 
glinsteren; men noemt ze Marowyn-diamanten. 

Van de eerste eilanden, die van zandbanken omringd en 
van diepe kanalen doorsneden zijn, vaart men den stroom, 
in een ten minste tien uur langen bogt, zuidwestelijk op- 
waarts. Vele eilanden, gedeeltelijk laag en met palmen 
begroeid, gedeeltelijk hoog en steenachtig en met bosschen 
bedekt, vormen prachtige groepen op de breede water- 



12 

vlakte. De oevers zijn hooger, op verscheiden plaatsen heu- 
velachtig en digt begroeid , en schilderachtig vertoonen zich 
aan de steilten kleine Indiaansche dorpen, waarvan de 
hutten half zijn verscholen onder bananen- en papaja-boo- 
men en katoenstruiken. Groote zandbanken strekken zich 
midden in den vloed uit, afgewisseld door klippen en kleine 
watervallen. Het water is, vooral in de drooge saizoenen, 
kristalhelder, zoodat gij de steenen, tot twaalf voet diep, 
op den bodem kunt zien liggen. In de verte ziet gij de 
hooge gebergten van het binnenland blaauwen. Zoo nadert 
gij, met onophoudelijk, bij de onmerkbare krommingen van 
den stroom, een vergezigt van drie tot vier uren afstand 
voor u, de militaire post //Armina," die achttien uur van de 
monding is verwijderd. 

De vloed, die plotseling van 't Zuidoosten naar 't Noord- 
westen een halven cirkel vormt, stort met tallooze water- 
vallen, over klippenen zandbanken bruisend, naar beneden. 
Groote en zware granietblokken liggen in zijne bedding. 
Aan den Franschen oever, die door een onafgebroken keten 
van heuvelen wordt gevormd, stort de kleine rivier Armina, 
die aan^ de Nederlandsche post haren naam gaf, zich in den 
stroom. 

Aan beide oevers vermeerderen aanzienlijke kreeken of 
kleine stroomen, die meestal uit poelen en zwampen in het 
binnenland ontstaan, de watermassa der rivier aanmerkelijk. 
Zoo vindt gij aan den Pranschen kant, digt bij de monding, 
de groote Waragama of Zeekoek-kreek ; verder opwaarts de 
Maipoeribi of Tapirkreek. Daarop volgt de Baleta; vier 
uur beneden Armina stort zich de Siparawini-vloed in den 
stroom, die, van het Zuidoosten komende, in den regentijd 
dagen lang kan worden opgevaren; dan hebt gij de E,oea- 
roea en vervolgens de Armina. Aan den Nederlandschen 
kant zijn tot Armina de kreeken van minder belang, dewijl 



13 

liet, tusscheii de Marowyne en de Cottica gelegen land aan 
de Westzijde al vlakker wordt, zoodat ook het water uit 
de bosschen en poelen naar het Westen vloeit. 

Drie uur van de monding der Marowyne vindt gij, aan 
den Nederlandschen oever, de naauwelijks bemerkbare Wa- 
ne-kreek, die uit een meer ontspruit, dat zijn water zoowel 
naar de Marowyne als naar de Courmotibo zendt; daar deze 
in de Cottica vloeit, en de Cottica weder in de Comewyne 
zich ontlast, kunt gij in de regensaizoenen, als de zwampen 
van vier tot vijf voet waterhonden, met kleine vaartuigen in 
vijf tot zes dagen Paramaribo bereiken. Maar in den droo- 
gen tijd, zijn deze moerassen uitgedroogd, en dan is er 
geen ander middel van gemeenschap dan over zee. De 
overige kreeken van eenig aanbelang zijn : de Aramatta, 
Matoeri en Aroarica, die men echter slechts weinige uren 
kan opvaren. 

De Marowyne, die, door heuvels ingesloten, bij Armina 
slechts een vierde uur breed is , wordt boven dezen post aan- 
zienlijk breeder. Hare bedding, met klippen, zandbanken 
en eilanden opgevuld, strekt zich met weinig bogten bijna 
zuidelijk uit. Met zware bosschen bedekte heuvels van 400 
en 500 voet hoog verheffen zich digt aan den stroom. 

Vier dagreizen boven Armina verdeelt zich de Marowyne, 
na vele belangrijke watervallen gevormd te hebben, in twee 
takken, waarvan de een van het Zuid-Oosten stroomt en 
Lava heet, terwijl de andere, die uit het Zuiden komt, 
Tapanahoni genaamd wordt. Ook deze omstreken dragen 
de bewijzen van de jammeren; die de slavernij over de ko- 
lonie Suriname uitstort. Zoo wonen op den hoek, die door 
de vereeniging van beide deze stroomen gevormd wordt, de 
nakomelingen van negers, die als soldaten in het Nederland - 
sche leger dienden. In 1806 vermoordden ze hunne offi- 
cieren, liepen van de onderscheiden posten, waarop ze ge- 



14 

plaatst waren, weg, vlugtten naar deze ontoegankelijke 
rotsen, en verbonden zich met vrouwen en meisjes van de 
Boni- en Aucaner-boschnegers, mede weggeloopen slaven, 
die hunne vrijheid en eene schuilplaats in deze wildernissen 
hebben weten te verwerven, gelijk wij later zullen zien. Op 
deze plek, die door hare natuurlijke ligging beschermd en 
van rotsen en klippen omgeven is, schuimt een groote wa- 
terval, //Singa De" genaamd. De weggeloopen soldaten zijn 
hier tegen vervolgingen veilig. Zoo wonen aan den oever 
van de Lava de Boni-negers , mede nakomelingen van slaven, 
die in vroeger tijd van de plantages zijn weggeloopen. Ze 
hebben zich in deze ontoegankelijke bosschen teruggetrok- 
ken en worden van de Aucaner-boschnegers, voor wie ze 
kano's vervaardigen, van gereedschappen, dolken enz. voor- 
zien. Hoe ellendig ook hun toestand in deze wildernissen 
moge wezen, één voorregt hebben ze — de vrijheid! 

De Tapanahoni, die veel dieper is en minder klippen 
heeft dan de Lava, ontspruit waarschijnlijk in de nabijheid 
van den evennachtslijn, en kan als de eigenlijke Merowyne 
beschouwd worden. 

De zeekust ten Westen van de Merowyne bestaat , tot aan 
de, veertien uur verwijderde, militaire post //Oranje," bijna 
geheel uit zware moerassen, die met den vloed onder water 
staan, en waarin slechts struikgewas en klein geboomte 
groeit. Overal in de wildernissen van Suriname ziet gij de 
sporen van de kwellingen en wreedheden, die het grootste 
deel der bewoners dezer kolonie door het kleinere te lijden 
heeft. Ook hier zoeken slaven, die hunne meesters weten 
te ontvlugten, een schuilplaats. Sedert onheugelijke jaren 
leven er weggeloopen negers in kleine dorpen, vinden in 
den bijzonder vruchtbaren grond allerlei aard vruchten in 
overvloed, en hebben bovendien wild, visch en pluimvee in 
menigte. 



15 

Van de post //Oranje" tot de monding van de Motkreek , 
een arm van de Cottika, rekent men op een afstand van 
vier uur, en van daar tot de monding van het Matappica- 
kanaal eveneens vier uur. Een uur verder valt een andere 
arm van de Matappica, de Warappa-kreek , in zee. Van 
deze laatste kreek tot de monding van de Suriname ziet gij 
geen spoor van kuituur. Over elkander gestorte boomen, 
door de kracht der branding ontworteld, bedekken het zee- 
strand, en in het moerassige binnenland ziet gij drooge, 
halfverbrande boomen, de treurige overblijfselen van vroe- 
gere, door het vuur verteerde bosschen. 

Zes uur van de Warappa-kreek verwijderd is de monding 
van de rivier Suriname. //Braamspunt" heet de uiterste 
uithoek van het land. De monding is ongeveer een half 
uur breed. Het vaarwater, om haar binnen te zeilen, wordt 
den schepen door drie boeijen, die aan de hoeken der banken 
liggen, aangewezen. Vroeger was op Braamspunt eene vrij 
sterke redoute, die echter sedert geruimen tijd verlaten, en 
door het gestadig afnemen der kust vernietigd is. Dit on- 
herbergzaam oord wordt tegenwoordig slechts door visschers 
en door veroordeelde, in ketenen geklonken, slaven van het 
fort Nieuw- Amsterdam bezocht, die hier komen hout kappen. 

Bij het opvaren van de rivier Suriname weidt het oog met 
welgevallen over de majestueuse, met zwaar geboomte ver- 
sierde oevers, wier weelderige vegetatie aan de talrijke, door 
het digt begroeide bosch- en struikgewas kronkelende, ri- 
viertjes en kreken met moeite eene opening laat, om zich in 
den stroom te ontlasten. Daaronder bekleedt de Jonkmans- 
kreek eene eerste plaats, die een uur van de monding aan 
haren oostelijken oever in de Suriname valt; terwijl iets 
verder de schoone en vruchtbare suikerplantage //deEesolutie" 
met hare woonhuizen, fabriekgebouwen en schoorsteenen een 
schilderachtig gezigt oplevert. Nog iets verder, twee uren 



16 

van Braamspunt, verbindt zich de, van het Oosten vloei- 
jende, Comewyne, een statige, bijna even breede vloed , met 
de Suriname. Op den zuidelijken hoek, waar beide stroo- 
men te zamenvloeijen, ligt het sterke fort Nieuw-Amsterdam, 
dat met zijn geschut beide stroomen kan bestrijken. Twee 
kleine redouten, Purmerend en Leijden, die tegenover het 
fort aan den westelijken oever van de Suriname en den 
noordelijken oever van de Comewyne lagen, zijn tegen- 
woordig verlaten. 

Wij verlaten thans eerst voor eenige oogenblikken de 
Suriname, om een blik op de Comewyne te werpen, die zich 
hier met haar vereenigt. Zij stroomt, op bijna evenwijdi- 
gen afstand van de kust, van het Oosten naar het Westen. 
Van het fort Nieuw- Amsterdam houdt zij, zonder eenige 
belangrijke bogten, tot de vijf uur van daar verwijderde 
post Sommelsdijk eene oostelijke rigting. Aan hare beide 
oevers liggen de schoonste en rijkste suiker- en koffij -plan- 
tages. De vriendelijke witte gebouwen, de suikermolens 
met hunne hooge schoorsteenen , de lanen van palmen, ta- 
marinde- en andere tropische vruchtboomen, waaraan uitge- 
strekte suikerrietvelden grenzen, of de in den schaduw der 
bananen verborgen koffijboomen, met hunne malsche, don- 
kergroene bladeren, daarbij de hooge, donkere wouden van 
den achtergrond, — dat alles levert een prachtig vergezigt 
op. Yoor gij het fort Sommelsdijk bereikt, stort zich aan 
den regteroever de Matappika-kreek in den vloed. Ze ver- 
deelt zich in verscheiden armen, en in twee, in de zee zich 
ontlastende, kanalen, de kleine Matappika en de Warappa- 
kreek. Suiker-, koffij- en katoen-plantages liggen hier zoo 
digt bij elkander, dat al het bosch verdwenen is. Gij zoudt 
u verbeelden in een der rijkste streken van het vaderland 
te reizen , indien de tropische gewassen en de naakte negers 
deze illusie niet vernietisTden. 



17 

Bij het voormalig fort Sommelsdijk verdeelt zich de 
stroom in twee armen ; de zuid-oostelijk loopende tak heet 
de Boven-Comewyne, en de noordelijke, nabij de kust stroo- 
mende, rivier heet de Cottica. Gij vaart de Boven-Comewyne 
in vele krommingen opwaarts; gij ziet de kreek Casiwinica, 
waaraan de militaire post Gouverneraentslust gelegen is; gij 
komt, na vijftien uren varens, op de plaats, waar de Boven- 
Comewyne zich digt bij de post '/Oranjebo" in vier aanzienlijke 
kreken Peninica, Tainpati, Mapana en Comewyne verdeelt. 
Het bevaren van deze wateren, aan wier oevers vroeger be- 
langrijke plantagiën lagen, is zeer moeijelijk, dewijl over 
elkander gevallen boomstammen en rotsen den doorgang 
bolemmeren. Het land is hier heuvelachtig; aan zijne 
westzijde bevinden zich uitgestrekte zandsavannen, die van 
liier tot Essequebo in Engelsch-Guijana zich uitstrekken, 
en de scheiding uitmaken tusschen het efl'en, met bosschen 
bedekte, kustland en de boschrijke gebergten van het bin- 
nenland. 

De andere tak van de Comewyne, de Cottica, loopt in 
groote krommingen steeds parallel met de zeekust, en heeft 
op eene uitgestrektheid van acht uren suiker- en koffij- 
plantagien. Het omliggende land is laag en verre onder 
den waterspiegel van 't hoogste water; slechts goede dammen 
en sluizen houden het onrustige element in toom. Zonderling 
is het, dat onze voorouders ook in Suriname weder op een 
terrein zich vestigden, dat door talrijke waterwerken boven 
water moet worden gehouden. 't Is als of de moerassen, 
uit gehechtheid aan hunne oude, vlijtige bebouwers, hen 
ook in de andere werelddeelen gevolgd zijn. Denk aan 
Batavia in Oost- en aan Suriname in West-Indië. 

Ook in de Cottica storten zich verscheiden kreken uit. 
Van 't Zuiden ontlast zich in haar de Perica, op wier oever 
de militain^ post Honkoop en vele en belangrijke plantagiën 

I. % 



18 

liggen, en die vïoeger door een kanaal, //de Bottelskréek ," 
met de Boven Comevvyne verbonden was. Van 't Noorden 
vloeit in de Cottica de Motkreek , waaraan nog slechts twee 
katoeu-plautagien liggen. Door een kanaal stort zij zich 
in zee. 

Na een met de kust evenwijden loop van 16 uren, keert 
de Cottica zich zuidelijk, en verliest zich in poelen en 
moerassen in de nabijheid van de Boven-Comewyne. Op de 
plaats, waar zij haar loop verandert, vereenigt zich met 
haar een schoone, groote kreek, de Courmotibo, die uit het 
Zuid-Oosten komt; en weder met deze vereenigt zich, tien 
uren opwaarts, de Wanekreek, of de uitwatering van de 
moerassen, die hun water naar de Suriname en Marowyne 
zenden. 

De oever der Cottica en Courmotibo zijn meestal laag en 
met verschillende palmsoorten begroeid; eerst in de boven- 
landen worden de oevers heuvelachtig. Een gedeelte der 
* Aucaner-boschnegers bewoont beide vloeden. In de bear- 
beiding van het hout der omliggende wouden, dat ze naar ■ 
de plantagien en Paramaribo brengen en daar verkoopen, 
vinden ze, gelijk wij straks zullen zien, hun voorname 
onderhoud. 

Wij keeren thans weder naar het fort Nieuw- Amsterdam 
terug, waar de Comewijne zich in de Suriname stort, om deze 
laatste rivier in haren loop opwaarts verder te volgen. Zij 
kan, ofschoon in grootte bij de Marowijne en Correntin 
achterstaande, wegens de talrijke plantagien, die aan hare 
oevers liggen, als de hoofdstroom van het land beschouwd 
worden. Hare landerijen, hoewel sedert zoo vele jaren be- 1 
bouwd, doen echter onder voor de vruchtbaarheid van die 
der Comewijne en vooral van die der Nickerie-distrikten. 

Van het fort Amsterdam loopt de Suriname in een hal- 
ven cirkel naar de bogt, waaraan de stad Paramaribo in het 



19 

opvaren aan de regterzijde gelegen is. Hoe meer men de- 
zen hoofdzetel van het Nederlandsche bestuur der kolonie 
nadert, des te levendiger worden hare oevers, des te vro- 
lijker hare wateren. Telkens wordt het eentoouig gezigt der 
mangrove-boomen en mocca-mocca's afgebroken door plan- 
tagien en gebouwen, terwijl op de rivier //tentbooten" en 
//matrozen-ponten" van en naar de stad varen. Hier en 
daar ziet gij eene kleine en smalle //corjaal." 't Is niet 
meer dan een uitgeholde boomstam. Niet zelden bevat zij 
de geheele familie van een Indiaan met zijne meubelen en 
huisraad en al wat hij bezit. Reeds bij de plantage //Rust 
en Lust" hebt gij een bekoorlijk gezigt op de stad Para- 
maribo, het fort Zeelandia en de reede. Gij zeilt de suiker- 
plantage //Dordrecht," de koffij -plantage //Jagtlust" voorbij. 
Bij de laatste merkt gij den seinpost op, waar men het 
berigt, dat schepen in 't opkomen zijn, naar Paramaribo 
telegrapheert of kennis geeft, wanneer ongeregeldheden in 
de eene of andere plantage der Comewijne zijn uitgebarsten. 
Zoo nadert gij de reede. Het gezigt op de stad is prach- 
tig. Benedenwaarts ziet gij het fort Zeelandia, met zijne 
nette en vriendelijke officierswoningen en het, in den ouden 
trant gebouwde, sombere binnenfort, waarvan de Nederland- 
sche driekleur wappert. Daarna ligt het fraaije, met pal- 
men omplante, Gouvernementsplein voor u open; het half 
tusschen 't geboomte verscholen hotel van den Gouverneur, 
met zijne heerlijke driedubbelde tamarinde laan, de overige 
laudsgebouwen, de levendig geschilderde en net gebouwde 
huizen langs den waterkant, daar tusschen de van steen op- 
getrokken Luthersche kerk, in het verschiet de op Euro- 
pesche wijze gebouwde rijstpelmolen, die herinneringen van 
't vaderland opwekt, dat alles, verlevendigd door het gewoel 
eener bedrijvige bevolking — zie! het is een prachtig ge- 
zigt, dat de landzijde oplevert. Maar de rivier en de reede 



20 

zelve zijn uiet minder opmerkenswaard. Ze is bedekt met 
onderscheiden, de verschillende vlaggen hunner natiën ver- 
tooneude, schepen. Af- en aanvarende tentboten, wier sla- 
ven, onder hun eentoonig gezang, de administrateurs en 
direkteurs naar de plantagien roeijen; nu en dan een lompe 
matrozen-pont, diep geladen met de voortbrengselen van 
het land; kleine corjalen, die over het water schijnen te 
j5vveven — dat alles wemelt in bonte mengeling dooreen. 
En aan giudschen overkant der rivier het hooge en eenzame 
bosch, waarachter nu en dan een rookkolom het aanwezen 
der plantage //Meerzorg" verraadt. Zulk een schilderachtig 
gezigt levert de reede van Paramaribo op. 

Nadat een oorlogsloep is aan boord gekomen, om de pa- 
pieren van den gezagvoerder af te vragen, laat de kapitein 
van het schip, waarmede gij op de reede zijt gekomen, de 
sloep in gereedheid brengen. Gij roeit naar den wal. Nu 
gij die bedrijvige bevolking van nabij ziet, boezemt zij u 
een geheel ander denkbeeld in, dan de indruk was, dien 
gij eerst ontvingt. Een aantal haveloos gekleede Israëlie- 
ten, van een armoedig en terugstuitend voorkomen, dringt 
op u in, om 't zeerst hunne diensten u aanbiedende. Tal- 
rijke groepen nieuwsgierigen hebben zich aan de landing- 
plaats verzameld, waaronder eene menigte vrouwen. Met 
verwondering ziet gij er onder van alle mogelijke kleur- 
schakeringen, van het gitzwarte tot het zuiver blanke ras. 
Zij vooral nemen den vreemdeling naauwkeurig op, teneinde 
zijne houding en voorkomen aan hare vriendinnen in de 
stad te beschrijven en des noods plannen voor de toekomst 
te beramen , waarin die vreemdeling en zij zelve eene be- 
langrijke rol spelen, of hem met eenen, soms niet van geest 
ontbloten, bijnaam te bestempelen , die hij dan aaneen woord, 
of een glimlach, of een gebaar, of het bloote toeval te dan- 
ken heeft. 



21 

De stad Paramaribo, die een honderdtal schreden van 
van het fort Zeelandia een aanvang neemt, heeft geene 
muren en bestaat grootendeels uit breede straten, ongepla- 
veid maar met schelpzand bedekt, meestal aan beide zijden 
met oranjeboomen beplant. De boomen hebben echter ge- 
woonlijk een armoedig en kwijnend voorkomen, daar zij, 
ten gevolge van de gewoonte der kreolen, om oranjestokjes 
te kaaawen, telkens van bladeren en takken beroofd wor- 
den. Daarbij maken de, door het schelpzand teruggekaatste, 
stralen der zon de hitte dikwijls ondragelijk. 

Over 't algemeen zijn de huizen in Paramaribo en zelfs 
het hotel van den Gouverneur, de Hernhutter- en Roomsch- 
Catholijke kerken en de synagoge van hout opgetrokken. 
Alleen de Protestantsche kerk op het oude Oranje-kerkhof, 
de Luthersche kerk, enkele gebouwen aan den waterkant, 
het bureau van financiën en het hof van justitie aan het 
Gouvernementsplein maken eene uitzondering. In de straten 
langs de rivier of in hare onmiddellijke nabijheid gelegen, 
staan de woningen digt op een, en zijn ze maar zelden door 
tuinen van elkander gescheiden. De houten huizen rusten 
op eenen, een paar voet hoogen, gemetselden muur, en 
hebben een parelkleur, terwijl de deuren en vensters groen 
zijn. Glasruiten zijn weinig in gebruik, maar daarvoor 
heeft men veelal jalouziën. In de meer verwijderde ge- 
deelten der stad is bijna bij ieder huis een tuin, waarvan 
men echter meestal weinig gebruik maakt. Verscheiden 
kanalen, die hun water uit de rivier ontvangen, doorsnijden 
de stad. 

Aan de noordzijde van het fort Zeelandia ligt de voor- 
stad Combé. Aan den grooten Combé-rijweg en in de zoo- 
genaamde Cameron-Combé naar de rivierzljde vindt gij en- 
kele goed gebouwde huizen. Overigens bestaat deze voor- 
stad grootcndccls uit hier en daar verspreide kleine wonin- 



22 

gen en tuintjes, aan vrije lieden van den minderen stand 
toebehoorende. In de meer afgelegen huisjes zijn vele on- 
gelukkige lepra-zieken, die vooral hier een schuilplaats 
zoeken. 

Ten noorden der stad liggen de plantages //Ma Eetraite" 
en //Tourtonne,"' beide beplant met bananen , koffij en kakao. 
Ze voorzien voor een groot gedeelte in de behoefte aan ba- 
nanen van Paramaribo. De rijweg naar Tourtonne is een 
der aangenaamste wandelwegen om de stad; een laan van 
zware oude tamarindeboomen biedt een verkwikkenden lom- 
mer, en de tusschen eene heerlijke tropische vegetatie ver- 
scholen landhuizen leveren hier, gelijk elders in de omstre- 
ken der stad, even bevallige als prachtige gezigten op. 

Na de plantage //Tourtonne" bezocht te hebben, komt gij j 
uit de schoone laan aan het militair hospitaal in de Gra- 
venstraat. Maar een bezoek van dit gebouw zal geene aan- 
gename indrukken bij u achterlaten. Niets van de zinde- 
lijkheid en goede zorgen, die zulke inrigtingen behooren te 
kenmerken. Vooral de, voor de verpleging van minvermo- 
genden en slaven afgezonderde, zalen zullen u weinig vol- 
. doen. De laatsten zijn met lompen bedekt en dragen wei- 
nig kenteekenen van de bijzondere belangstelling, waarop 
kranken in eene, voor hunne verpleging opzettelijk bestem- 
de, instelling aanspraak mogen maken. 

Van dit akelig verblijf regts af wandelende, ziet gij wel- 
dra het groote gereformeerde kerkhof. Talrijke ouderwetsche 
prachtige grafgesteenten prijken hier, als monumenten van 
den rijkdom, maar tevens van de weelde en ijdelheid der 
vroegere bewoners van Suriname's hoofdstad. En oumid- 
delijk aan deze begraafplaats grenst, in de Wagenstraat, 
die gij nu bereikt hebt, een monument van den geest van 
het levende geslaclit, de schouwburg, waarin een Italiaansch 
opera-gezelschap in den laatsten tijd zijne talenten voor Pa- 



23 

ramaribo's ingezetenen deed schitteren. Aan het einde van 
diezelfde Wagenstraat valt een tweede monument van het 
tegenwoordige geslacht u in de oogen. 't Zijn de gebou- 
wen, de omheiningen, de roodgeverwde palen van het piket 
van justitie, waaraan wij later opzettelijk een bezoek zullen 
brengen. En slaat gij aan het einde de Wagenstraat links 
af, .dan ziet gij eene savanne (weiland) voor u, waarvan 
een gedeelte is afgezonderd tot begraafplaats der slaven , die 
natuurlijk niet op dezelfde //stille rustplaats van Gods doo- 
den" met hunne meesters mogen worden bijgezet! 

Wij wandelen nu, langs het kerkhof voor militairen en 
de Roomsch-Katholijke begraafplaats, naar het kanaal van 
Kwatta. Dat kanaal volgende, keeren wij stadwaarts te- 
rug, en, na eenige straten te zijn door gegaan, zijn wij in 
de Hernhutterstraat, waarvan de geheele linkerzijde door, 
aan de Hernhuttersche gemeente behooren de, gebouwen wordt 
ingenomen. Allerlei bedrijven worden hier uitgeoefend. Gij 
ziet er ook" het fraaije kerkgebouw der Moravische broeders, 
het grootste van Paramaribo, met een der lange zijden naar 
de straat. gekeerd en daar een regten hoek vormende, terwijl 
het boven van gallerijen omgeven is. Treedt gij dit gebouw 
binnen, om het te bezigtigen, dan zult gij met de meeste 
welwillendheid ontvangen worden. Nimmer blijft men in 
gebreke, om den vreemdeling in den tuin achter de kerk 
te brengen, waar, half tusschen bloemen verscholen, de 
grafsteenen prijken van de eerste vrome mannen dezer ge- 
meente, die in deze kolonie het Euangelie kwamen prediken, 
en zoo gij weet, wat zij gedaan hebben, dan zult gij niet 
zonder eerbied hunne laatste rustplaats naderen. 

Van hier begeven wij ons naar den waterkant, en zijn 
wij weldra aan de visch markt en den //heiliuen wes." On- 
der een rei tamarinde-boomen , wordt daar eiken morgen eene 
markt gehouden, waarop visch, groenten en andere inland- 



24 

sclie levensmiddelen zijn uitgestald. Iets verder bereikt gij 
de platte brug, waarbij zich de wacht der policie bevindt 
en waar de aanlegplaats is der meeste van plantages ko- 
mende booten en ponten. De huizen langs de rivier wordoi 
grootendeels bewoond door kooplieden, die open winkels 
houden, door //smokkelaars," de kunstterm voor de houders 
van komenijs-winkels, en door kroeghouders of gepatenteerde 
dramverkoopers, die het grootste gedeelte hunner verderfe- 
lijke waar aan de militairen van het bataillon jagers N". ] 
27 of aan de bemanning der af- en opvarende tentbooten 
slijten. Onbegrijpelijk groot is de hoeveelheid sterke drank, 
welke hier wordt verkocht, en vreesselijk is de ellende, die 
door dezen duivel wordt gesticht. Vooral onder de soldaten 
heerscht dit kwaad. Wilt gij u een denkbeeld vormen van 
den ongelukkigen en diep beklagenswaardigen zedelijken 
toestand, waarin deze menschen in Suriname verkeeren, 
hoor dan het getuigenis van iemand, die zelf in den jong- 
sten tijd eenige jaren lang als soldaat en onderofficier in 
die kolonie heeft gediend. 

//De garnizoensdienst is grootendeels even gemakkelijk als 
de voeding en kleeding spaarzaam zijn berekend. De vele 
vrije tijd, waarover de soldaat te beschikken heeft, en 't 
gebrek aan behoorlijke uitspanning en geoorloofde vermaken 
draagt niet weinig bij, om hem te demoraliseren. Menig 
nieuw aangekomene geeft zich, uit verveling of door slecht 
gezelschap daartoe verleid, aan den drank over, dien men 
niet alleen in de kroegen , maar ook gemakshalve in 'i fort 
kan verkrijgen. De grootste helft van het korps is helaas ! 
aan deze ondeugd verslaafd, en daar de prijs van de gene- 
ver voor de behoefte van den soldaat te hoog is, neemt de 
dram daarvan de plaats in. 't Is merkwaardig, tot welke 
hoogte sommigen het in 't drinken gebragt hebben; want er 
zijn er (ook onder de burgers heeft men zulke helden), wier 



25 

zinneTi door twee flessclien daags nog niet worden beneveld. 
Dit is de reden waarom de soldaat bij alle inwoners der 
kolonie slecht gezien is, en zelfs, in weerwil van zijn blanke 
kleur, door den neger wordt veracht. Men moet wel is waar 
erkennen, dat deze ondeugd niet alleen onder de soldaten 
heerscht, die hunne uitspattingen niet zoo kunnen verber- 
gen, als de bewoners der stad of der plantagien, die hun roes 
in de hangmatten op hun gemak kunnen uitslapen; maar 
zeker is het, dat de helft der militairen dronklappen zijn" 

Wij hebben onze wandeling door de stad Paramaribo bijna 
ten einde gebragt. Iets lager dan de platte brug ziet gij 
de koffij-waag, waarvan de bovenverdieping tot concertzaal 
is ingerigt. Vervolgens komt gij bij het Gouvernementsplein 
aan de steenen trap, die tot landingsplaats dient van den 
Gouverneur en de vele passagiers van tentbooten, en einde- 
lijk, tusschen deze en het fort Zeelandia, aan de marinetrap, 
bij welke gemeenlijk eenige kleuilingvrouwen , slavinnen en 
vrijen, bezig zijn met wasschen voor de e^uipagiën der ter 
reede liggende schepen. 

Na deze vlugtige wandeling door Paramaribo trekken wij 
de rivier Suriname, waaraan zij gelegen is, verder op. De 
rivier loopt, met vele kronkelingen en bogten, naar het 
Zuiden. Een uur van Paramaribo ontvangt zij de uit het 
Zuidwesten komende Para-kreek, waaraan drie suiker-plan- 
tagien en verscheiden houtgronden liggen. Daar tegenover 
ziet gij aan haren oostelijken oever de monding van de 
Paulus-kreek, waarvan de plantages tlians, op ééne na, 
verlaten zijn. Tien uren van de stad ligt, mede op den 
oostelijken oever, op eenen hoogen grond, het dorp //Joden- 
savanne," door Portugesche Israëlieten in 1686 gebouwd. 
Van hier worden de oevers bergachtig en zijn met heer- 
lijke bosschen bedekt, terwijl landwaarts groote savannen 
zich uitstrekken. De plantages, meestal verarmde hout- 



26 

gronden, worden zeldzamer en de wilde natuur behoudt de 
overhand. 

Vijf uren boven //Joden savanne" vloeit van het Westen 
de aanzienlijke Maarschalks-kreek in de Suriname, wier tal- 
rijke houtgrondên reeds lang verlaten zijn. Door deze kreek 
kunt gij in de boven-Saramaka komen, 't geen echter, om- 
dat zich in den omtrek vele weggeloopen slaven ophouden, 
die het hier onveilig maken , nog door niemand is beproefd. 
Vier uren verder ligt de belangrijke houtgrond Bergendaal, 
aan den voet van een ongeveer 200 voet hoog gebergte. In 
den droogeu tijd is de stroom dikwijls op sommige plaatsen 
niet meer dan twee voet diep, zoodat de gemeenschap met 
Paramaribo dan veel raoeijelijkheden oplevert. 

Vier uren van hier bereikt gij de weinig beduidende plan- 
tage en de militaire post //Victoria." De stroom, door een 
hoogen oever ingesloten, is hoogstens twee honderd voet 
breed en vol klippen en zandbanken. Met digte bosschen 
bedekte heuvelen en bergen strekken zich aan beide zijden 
uit. Nog drie uren verder stort zich uit het Oosten de 
aanzienlijke Sara-kreek in de Suriname, die hier weder breed 
en vol klippen, eilanden en zandbanken is. Het karakter 
van het land is geheel hetzelfde als dat van de boven-Ma- 
rowyne, ofschoon de rivier aanmerkelijk kleiner is en de 
tooneelen dus niet zoo grootsch zijn. Aan de Sara-kreek en 
in de nabijheid hebben zich ook Aukaner-boschnegers ge- 
vestigd. Deze kreek loopt zuidoostelijk diep landwaarts in, 
en de boschnegers komen, na acht dagen reizens, waarvan 
ze echter eenige dagen over land moetentrekken, langs deze 
kreek aan de dorpen van hunnen stam, die aan de boven- 
Tapahoni liggen. 

Vier dagreizen boven Victoria liggen de dorpen der Sa- 
ramaka-boschuegers. Gelijk in de boven-Marowjue wordt 
ook hier in den droogeu tijd de vaart door vele klippen en 



27 

banken belemmerd. Daarentegen is in 't binnenland do 
waterstand op sommige plaatsen, bij zware regentijden, wol 
vijftig voet hooger dan in den droogen tijd, en de snelheid 
van den stroom boven alle begrip. Vallen er zware regeu- 
buijen in de bovenlanden, dau kan het water in één nacht 
bijna acht voet rijzen. 

Het laatste dorp der Saramaka-boschnegers , Mongo (Berg), 
zal ongeveer veertig of vijftig uur van Victoria, en, te oor- 
deelen naar 't verval van het water, vijfhonderd voet boven 
die plaats liggen. Ook zij bezitten over de boschrijke ge- 
bergten een weg naar de dorpen der Aukaner-negers aan de 
Tapanahoni. 

Zeven uren ten Westen van de Suriname storten zich de 
Saramaka en Coppename in de zee. Beiden maken, door 
ver zich uitstrekkende modderbankeu, het binnenvaren moei- 
jalijk. Aan de Saramaka werden eerst in de tweede helft 
der vorige eeuw plantages aangelegd. 

Slechts weinig kleiner dan de Suriname, loopt de Sara- 
maka in vele krommingen naar het Zuiden. Als gij de 
rivier acht uren ver opvaart, bereikt gij de voormalige mi- 
litaire post Groningen, die op eenen hoogen zandheuvel ligt 
met schelpen vermengd. Hier vestigde zich voor eenige 
jaren de bekende kolonisatie, die geleerd heeft, dat Euro- 
peanen in Suriname zeer goed als landbouwers kunnen ar- 
beiden. Nog verder trekkende, ziet gij eenige plantages, 
die meer en meer in verval geraken, en aan den linkeroever 
de militaire post //Uitkijk," waarbij zich de Wauica-kreek in 
de Saramaka ontlast. Door deze kreek, die met een gegra- 
ven kanaal is verlengd , staat de Saramaka met de Suriname 
in verbinding Langs dat kanaal, dat even boven Parama- 
ribo in de Suriname valt, worden de produkten der plan- 
tages der Saramaka naar de hoofdstad vervoerd. Boven het 
AA/auica-kanaal heeft de Saramaka slechts weinig en niet veel 



28 

beduidende houtgrouden aan hare oevers. Eene menigte 
kreken , die haren oorsprong in de savannen nemen , storten 
zich van beide zijden in den stroom. De laatste bewoonde 
plaats, vroeger een militaire post, Saron genaamd, eertijds 
eene vestiging der Hernhutter-zendelingen , ligt ongeveer 
achttien uur van de zee, waartoe echter, wegens de aan- 
zienlijke bogten der rivier, wel eene reis van dertig uur 
noodig is. 

Van Saron voert een weg acht uren lang door savannen 
en bosschen naar de plantage Berlijn aan de Boven-Para, 
van waar een andere kom munikatie weg, die dertien uur lang 
is, naar Paramaribo leidt. 

Ongeveer vijf uur boven Saron ligt aan de rivier een, 
als goddelijk vereerde, heuvel, welken de boschnegers bij 
het voorbij varen met vlaggen en bonte doeken versieren, 
en waaraan ze nimmer verzuimen hunne oöers te brengen. 
Iets verder vindt gij de Mindrinetti- (Middernacht-) kreek, 
die door de Maarschalks-kreek de Suriname met de Sara- 
maka verbindt. 

Vijf dagen van Saron wonen de Bekoe-, de Moesinga- 
en de Matoeari-negers , van vijf honderd tot zes honderd in 
getal. De Coppename, die even ten Westen van de mon- 
ding der Saramaka in zee vloeit, komt eveneens uit het 
Zuiden , en heeft aan hare rijke en schoone oevers het le- 
prosen- etablissement //Batavia," dat ongeveer twee uren van 
de zee ligt. Zes uren verder ligt de, het Gouvernement 
toebehoorende, houtzaag-inrigting //Andresen," waar door 
slaven schoone timmer- en meubel-houtsoorten bearbeid en 
naar de Antillen vervoerd worden. Bij Batavia vloeit de 
groote en zeer vischrijke Coesoewini kreek, die, bijna even- 
wijdig met de Saramaka, in de zonderlingste krommingen 
van het Zuiden komt, in de Coppename. Verscheiden groote 
kreken, gedeeltelijk door Indianen bewoond, storten zich 



29 

in de Coppenami, wier verdere loop en oorsprong niet be- 
kend is. 

De zeekust tussclien de Coppenami en de westelijke grens- 
rivier Correntin is in twee distrikten verdeeld : boven- en 
beneden-Nickeri. De beneden-landen zijn voor 't verbou- 
wen van katoen bijzonder geschikt, en eerst in 't begin van 
deze eeuw onder kuituur gebragt. Het boven-distrikt neemt 
ongeveer zes uur ten Westen van de Coppenami een aan- 
vang, en bestaat uit een aantal plantages, die langs de 
zeekust liggen en door eenen vier uur langen zijweg met 
elkander verbonden zijn. De grond is er zeer vruchtbaar, 
maar in den droogen tijd heeft dit distrikt, dewijl het aan 
een kreek gelegen is, dikwijls groot gebrek aan drinkwater, 
dat de slaven uit verder afgelegen meeren, soms twee of drie 
uren ver, op het hoofd herwaarts dragen. Negen uren ten 
Westen van het boven-distrikt en door groote meeren en 
poelen daarvan gescheiden, neemt het neder-distrikt een 
aanvang, aan welks zeekust zich eveneens verscheiden ka- 
toen-plan tagien bevinden. Op de landpunt, die door de 
monding van de Nickeri-kreek gevormd wordt, is een sterke 
militaire post en tevens de zetel van den landdrost. Ver- 
scheiden kooplieden en handwerkslieden zijn hier gevestigd. 
Dit kleine dorpje, dat uit twee straten bestaat, draagt den 
naam van a- Nieuw-Rotterdam." Aan de Nickeri-kreek, die door 
de Walambo met de Coppenami is verbonden, liggen ver- 
scheiden suiker- en eenige koffij-aanplantingen, wier pro- 
dukten door Hollandsche of Amerikaansche schepen van 
daar onmiddelijk worden afgehaald. 

De laatste plantage //Krabbehoek" is ongeveer zes uur van 
de monding verwijderd, en de gansche aanzienlijke kreek, 
gelijk mede de in haar zich uitstortende Maratacca, slechts 
spaarzaam door Indianen bewoond. 

De Correntin stroomt, aan hare monding met de Nickeri- 



30 

kreek vereenigtl, hier in zee. Beider breedte bedraagt, van 
de post Nickeri tot den linkeroever van de Correntin, on- 
geveer drie uren. Aan de Engelsche zijde zijn twee suiker- 
plantages, //Maryshope" en //Skeldon." De HoUandsche 
oever is echter geheel onbewoond. De Maratacca zou, vol- 
gens het beweren der Indianen, met de Correntin verbon- 
den zijn. 

De oorsprong van dezen grooten stroom is geheel onbe- 
kend. Vermoedelijk ontspruit ook hij in de met bosschen 
bedekte gebergten onder den evenachtslijn. 

Het land, waarop wij een vlugtigen blik hebben gewor- 
pen, is slechts schaars bewoond. Zijne bevolking is in 
vier hoofdafdeelingen gesplitst, namelijk: 

Vrije lieden, waaronder Europeanen met hunne afstam- 
melingen en gemanumitteerde slaven worden verstaan; 

Slaven, die of aan huisselijke diensten of aan den land- 
bouw zijn verbonden; 

Indianen, de oorspronkelijke bevolking van het land; en 

Boschnegers of afstammelingen van weggeloopen slaven , 
wier onafhankelijkheid is erkend. 

De vrije lieden, die de stad Paramaribo bewonen, be- 
reikten in 1851 het cijfer van 10,174. Zij, die in de forten 
Zeelandia en Nieuw- Amsterdam en op de verschillende pos- 
ten in de divisiën en distrikten verblijf houden, bestonden 
uit 1,035 personen. Terwijl in de divisiën en distrikten 
1,173 zielen werden gevonden. Zoodat het geheele aantal 
vrije lieden in 1851 in Suriname 12,382 bedroeg. 

De vrije bevolking der stad Paramaribo is hoofdzakelijk 
zamengesteld uit ambtenaren, officieren en manscliappen van 
het garnizoen, plantagie-eigenaren en administrateurs, han- 
delaars, winkeliers enz. Die der buiten distrikten bestaat 



31 

uit plantagie-direkteuren eii opzigters of zoogenaamde blank- 
ofücieren, ingenieurs en handwerkslieden. 

De hoogere ambtenaren vormen den aanzienlijksten stand 
dezer maatschappij. Daarop volgen de administrateurs der 
plantages. Daar de meeste eigenaren afwezig zijn en in 
Europa wonen, hebben zij het beheer hunner eigendommen 
aan anderen overgedragen. Dat zijn de //administrateurs." 
Ze wonen in de hoofdstad en hebben soms wel dertig plan- 
tages onder zich. Van alle inkomsten der plantage hebben 
ze zekere procenten , zonder dat de werkzaamheden hun veel 
moeite en hoofdbrekens kosten. Hun rijkdom en de afhan- 
kelijkheid, waarin vele menschen in Suriname tot hen staan, 
maken hen tot de meest aanzienlijke en invloedrijke perso- 
nen der kolonie. 

Opmerking verdient ook het groote aantal Israëlieten , dat 
zich in Suriname bevindt. Velen hunner zijn eigenaren 
van aanzienlijke plantages, maar de meesten drijven handel. 

Handwerken worden bijna uitsluitend uitgeoefend door 
kleurlingen, waaronder men de afstammelingen verstaat van 
blanken en zwarten. Naarmate er meer of minder Euro- 
peesch bloed in hen is, dragen ze ook weder verschillende 
namen. 

In vroeger tijd vooral hing het aanzien, dat men genoot, 
grootendeels af van de kleur der huid. Hadt gij het geluk 
van blank te zijn, dan konden eer en rijkdom u niet ont- 
gaan, al waren overigens uwe eigenschappen der ziel vol- 
strekt niet van de voortreffelijkste. Die kastengeest en dat 
vooroordeel zijn echter thans zeer verminderd. Thans is 
voornamelijk de rijkdom de maatstaf van het grooter of ge- 
ringer aanzien, dat gij geniet. 

De volgende schets van de levenswijze der bewoners van 
Paramaribo zullen allen, die haar bij eigen aanschouwing 
kennen, niet als ongetrouw of onjuist verwerpen. 



32 

Die levenswijze lieeffc weinig afwisseling en bepaalt zicli 
hoofdzakelijk bij een goede tafel en andere materiële genoe- 
gens. Behalve de tafel, die met allerlei kostbaarheden uit 
Suriname, Nederland en Noord-Amerika is opgevuld, be- 
staat de grootste weelde in slaven, Hoe meer gij van deze 
voorwerpen voor uwe bediening in huis hebt, des te aan- 
zienlijker is uwe huisliouding. Eene familie, waarin twee of 
drie kinderen zijn, kan het zonder zes of acht zulke dienst- 
boden niet goed stellen, die alleen voorde keuken, wasch en 
bediening onmisbaar gerekend worden. Hebt gij een tuin 
en houdt gij paarden , dan hebt gij natuurlijk nog een tuin- 
man en een stalknecht noodig. 

Huwelijken zijn hier niet zeer in gebruik; vrije huishoud- 
sters of concubinen nemen bij velen de plaats in, die in 
Europesche maatschappijen, waar de goede zeden in eere 
staan, aan eene echtgenoot toekomt. Kinderen, uit zulk 
eene zamenleving geboren, worden gewoonlijk als echte 
kinderen behandeld, maar dragen den naam der moeder. 

Spaarzaamheid en orde zoekt gij in zulke huishoudingen 
meestal te vergeefs; want al is de man ook geen verkwis- 
ter, dan weet zijne vrouw het geld toch zoo te gebruiken, 
dat men van geluk mag spreken, als de inkomsten de uit- 
graven dekken. Meestal eten deze huishoudsters alléén, zonder 
haren heer, of verzoeken vriendinnen (//maatjes") bij zich. 

Bij de geringere vrije lieden, die van handwerken moeten 
bestaan, is natuurlijk het leven veel minder gemakkelijk en 
weelderig. Velen weten 's avonds niet, hoe ze den volgen- 
den dag aan de kost zullen komen, ofschoon in hunne 
weinige behoeften door een paar uren arbeids gemakkelijk 
zou kunnen voorzien worden. Maar de menschen van de- 
zen stand zijn over 't algemeen lui en vadzig, ja velen 
schamen zich te arbeiden, uit vrees van daardoor met de 
slaven gelijk gesteld te worden. 



33 ^ 

Naar het voorbeeld der ouderen vormt zich natuurlijk 
de jeugd. Nergens is de opvoeding zoo verwaarloosd, als 
hier onder de lagere standen. Niet dat er geene scholen 
zijn of inrigtingen voor 't onderwijs van arme kinderen; 
voor beiden is gezorgd; maar den meesten ouders is het 
onverschillig, hoe 't met hunne kinderen in vervolg van tijd 
zal gaan. Bezit nu de jeugd nog zoo veel levenslust, dat 
ze geen middagslaapje in de hangmatten houdt, zoo wordt 
toch de tijd niet beter besteed, dan om vogels te vangen, 
en met het geweer in de bosschen rond te dwalen. Inspan- 
ning en ernstige studiën zijn den meesten kreolen een gru- 
wel. Daar in den dagelijkschen omgang onder de inboor- 
lingen meestal slechts negerengelsch wordt gesproken, en 
de kinderen zich buiten den schooltijd weinig met lezen en 
schrijven bezig houden, treft gij slechts weinigen aan, die 
zuiver Nederduitsch kunnen schrijven en spreken. In dit 
gebrek aan opvoeding is voor een gedeelte de reden te zoe- 
ken, waarom landbouw en nijverheid in deze kolonie nog 
op zulk eenen lagen trap staan. 

De slavenheüolhlng van Paramaribo bedroeg in 1851 een 
aantal van 5,669 menschen; die van de forten Zeelandia, 
Nieuw-Amsterdam en de verschillende posten in de divisiën 
en distrikten bestond uit 104, en die van de verschillende 
divisiën en distrikten uit 33,384 slaven. Zoodat er in Su- 
riname nog een getal van 39,157 slaven werd gevonden. 

In het vorige jaar 1850, waren er nog 39,679, zoodat 
in één enkel jaar het aantal slaven met 522 is verminderd. 

In het jaar 1849 waren er nog 40,311 slaven; zoodat in 
dit jaar het getal slaven met 632 is afgenomen. 

In het jaar 1848 waren er nog 40,446 slaven. Het aan- 
tal is gedurende dat jaar met 135 teruggegaan. 

Van 1826 tot 1848, dus gedurende ruim 22 jaren, kau 

I. 3 



34 

men rel<enen dat de slavenbevolking met een getal van ruim 
15,000 is verminderd, want toen waren er nog ruim 56,000. 
De slaven worden verdeeld in partikuUere slaven en 
plantagie-slaven. Onder de eersten verstaat men dezulken, 
die op de felavenregisters bekend staan op naam van perso- 
nen^ in tegenstelling van de laatsten, die bekend staan ten 
name van plantagien. 

Die slavenregisters worden gehouden, met het doel, gelijk 
de regering verklaart, //om ze te doen strekken tot kracht- 
dadige beteugeling van den slavenhandel." Zonderling is 
het echter, dat de invoer van slaven uit een der West-In- 
dische eilanden in Suriname, door het Gouvernement wordt 
aangemoedigd, daar, volgens den Minister van Koloniën 
in zijn Verslag van het beheer en den staat der Koloniën 
in 1849, voor den invoer van eiken gezonden //werkbaren", 
plantagie-slaaf , een premie van ƒ" 25 , en voor eiken gezon- 
den slaaf beneden de zestien en boven de twaalf jaren een 
premie van f 12,50 door het Gouvernement wordt uitge- 
keerd. 

Van alle personen, vrije lieden zoo wel als slaven, die 
zich op den eersten dag van ieder jaar binnen de kolonie 
bevinden, moet eene belasting aan het Gouvernement be- 
taald worden, onder den naam van //hoofdgeld," en ten 
bedrage van vijf gulden. Ten einde nu deze belasting te 
kunnen innen , is er een register aangelegd van alle familien , 
die de ingezetenen van Suriname uitmaken en hunne slaven. 
Alle vermeerderingen of verminderingen van het getal slaven , 
door geboorte, overlijden, koop of verkoop, schenking of 
ruiling worden in dat register opgeteekend. Op die wijze 
is de statistiek vrij naauwkeurig. 

De uit- en invoer van slaven van en naar Cura^ao en 
andere West-Indische bezittingen is natuurlijk geoorloofd, 
want anders zou de premie, die voor den invoer uitgeloofd 



35 

is, niets beteekenen. Op den uitvoer van slaven uit Su- 
riname is eene belasting gesteld van ƒ" ]00. Maar, in 
weerwil van de premie op den invoer, moet voor dien invoer 
in ieder geval eene vergunning van den Gouverneur worden 
gevraagd, 't Moest geheel verboden zijn. De menschelijkheid 
eisclit het. De Minister zegt zelf : //Ongaarne wordt de slaaf 
van den eenen grond naar den anderen verplaatst. Gehechtheid 
aan den grond zijner geboorte is oorzaak van dien tegenzin." 
Indien hij alzoo //ongaarne" van de eene plantage naar de 
andere verhuist, hoe veel te meer moet hij zich ongelukkig 
gevoelen, wanneer hij bij voorbeeld van CuraQao naar Su- 
riname wordt verplaatst. En toch moedigt het Gouverne- 
ment zulke verplaatsingen aan door premiën. Daarbij komt, 
dat de slaven liet in Cura^ao minder hard hebben dan op 
de plantages van Suriname. De gunstiger verhouding van 
de geboorten tot de sterfgevallen bewijst het. In Suriname 
stierven in 1849 genoegzaam 3,49 per cent, op Curagao 
slechts 2,77, op Bonaire 1,21, op Aruba 1,25 per cent. In 
Suriname werden geboren 2,82 per cent, op Cura9ao 3,86, 
op Bonaire 3,22, op Aruba 4,83 per cent. 

//Is het niet een gruwel," vragen wij met den heer bi,ussé 
in de Tweede Kamer der Staten Generaal, //dat men die 
ongelijkheid van toestand tracht gelijk te maken, door den 
invoer van slaven in Suriname met premiën aan te moedi- 
gen, en den uitvoer van slaven naar Curagao tegen te gaan 
door een belasting? Is dat niet een slavenhandel vau de 
ergste soort? Toen de eerste kreten tegen den slavenhandel 
opgingen, waren de voorstanders van dien handel gewoon, als 
argument bij te brengen t //de slavenhandel is niet zoo ver- 
// schrikkelijk als men voorstelt; wij voeren menschen weg 
//uit een onbeschaafd land, waar zij leven als dieren en 
//elkander om eene kleinigheid doodslaan, en wij brengen 
//hen over naar een ander land, om hen daar te stellen 

3* 



36 

>fonder tucht en te verplaatsen in een toestand, grenzende 
//aan beschaafdheid.'" Doch hier heeft juist het tegenover- 
gestelde plaats. Hier moedigt men den slavenhandel aan 
van een meer beschaafd naar een minder beschaafd land." 

De Minister van Koloniën beloofde bij die gelegenheid, 
dat, wanneer het vervoer van slaven van de West-Indische 
eilanden naar Suriname, zonder krenking van algemeene be- 
langen of verkregen regten, kan worden verboden, hij het 
zich ten pligt zou maken, in dien geest te handelen. Maar 
bij die belofte is het gebleven. En toch verklaarde de Mi- 
nister, //dat de uiteenloopeude uitkomsten, welke de behan- 
deling der slaven in de verschillende West-Indische bezit- 
tingen oplevert, ook zijne aandacht hadden getrokken, en 
dat hij zich had afgevraagd ; aan welke omstandigheden 
het moet worden toegeschreven, dat die uitkomsten op Cu- 
ragao en de verdere eilanden zoo veel gunstiger zijn dan 
in Suriname." 

De invoer van slaven in de Nederlandsche West-Indische 
bezittingen uit vreemde koloniën en plaatsen, waar de di- 
rekte invoer van slaven uit Afrika niet geoorloofd is, mag 
alleen krachtens eene speciale vergunning van den Gouver- 
neur plaats hebben. 

De invoer van slaven uit Afrika is, gelijk wij reeds zei- 
den, sedert 1824 verboden. Daarmede is de voorname bron 
van toevoer gesloten, want de beide wegen van invoer, die 
nog open staan, verhinderen niet den verbazenden achter- 
uitgang van het getal slaven in de laatste kwart eeuw. 

De India7ien maken de oorspronkelijke bevolking van 
Suriname en geheel Guijana uit. Ze zijn, op weinige in 
de bosschen verspreide stammen na, geheel uitgestorven. 
Hun aantal wordt tegenwoordig nog op duizend geschat, 
die over de geheele kolonie verspreid zijn, maar meer be- 



37 

paald aan de oevers der rivieren Marowjne, Sararnaka en 
Coppename hunne verblijfplaats houden. Aanvankelijk heb- 
ben onze voorouders hen beoorloogd en de gevangenen als 
slaven verkocht. Later echter is dit opgehouden en thans 
leven ze sedert lang in vrede met de overige bevolking. 
Ongeregelde levenswijs, ruwe zeden, vadzigheid en misbruik 
van sterkendrank worden als voorname oorzaken van hunne 
gedurige vermindering beschouwd. Vooral dit laatste wordt 
onder hen in hooge mate aangetroffen; geene opoffering is 
hun te groot, om aan dien hartstogt te voldoen. 

Overigens zijn ze een zorgeloos volk, dat weinig behoef- 
ten kent, uit gebrek aan beschaving, zoo zelfs, dat ze bijna 
geen kleedingstukken gebruiken. Ofschoon de meesten zich 
met ééne vrouw vergenoegen, zijn er echter ook, die er 
twee, drie of meer hebben. Komt iemand, die zulk een 
harem bezit, te huis, dan wordt hem door zijne vrouwen 
zijn eten gebragt. Ze zetten het voor hem neder, en ver- 
wijderen zich onmiddelijk weder, zonder een woord te spre- 
ken. Men kan alzoo uit het aantal schotelen opmaken, 
hoe veel vrouwen iemand bezit. Nadat de man zich ver- 
zadigd heeft, neemt elke vrouw haren schotel weder weg, 
en verteert het overblijvende met hare kinderen in hare 
hut, want elke vrouw heeft hare afzonderlijke woning. Ech- 
telijke trouw is onder hen zeldzaam; dikwijls gebeurt het, 
dat eene vrouw zich maanden lang bij een anderen Indiaan 
ophoudt, en vervolgens weder naar haren man terugkeert. 
Zoo is het ook geene zeldzaamheid, dat mannen hunne 
vrouwen en kinderen verlaten en op eene andere plaats zich 
weder vestigen. 

Er is geen onbestendiger volk dan deze Indianen. De 
geringste omstandigheid kan hen hunne akkers en wonin- 
gen doen verlaten, al waren ze ook pas aangelegd, 't Is 
niets ongewoons, dat kinderen van tien tot twaalf jaren 



38 

van hunne ouders wegloopen, en zich naar andere ver ver- 
wijderde dorpen begeven. Ouder- en kinderliefde behoort 
tot de zeldzaamheden en voor grijsaards en krauken wordt 
geen de minste zorg gedragen. 

De dorpen zijn, zonder eenige symmetrie, meestal digt bij 
eene rivier of bevaarbare kreek, aangelegd. Elke familie 
heeft hare eigen hut, die zoo lang gebruikt wordt, tot er 
geen plaatsje meer is, waar men zich voor den regen kan 
beveiligen. De hutten zijn zeer eenvoudig en doeltrefl'end 
gebouwd. 

Hunne godsdienst bestaat uit eenige dwaze en ongerijmde 
begrippen en overleveringen. Overigens wordt tot dus verre 
aan hunne beschaving en zedelijke en godsdienstige verbe- 
tering zeer weinig gedaan. Eenige weinigen genieten onder- 
wijs in de Christelijke leer. Enkelen hebben zich laten doo- 
pen en het Christendom aangenomen. Maar van Gouverne- 
mentswege geschiedt zeer weinig, om hen uit hunnen staat 
van zedelijke en maatschappelijke ellende op te heöen. Wel 
tracht men zich te verontschuldigen, door te beweren, dat 
zulke pogingen toch met geen gunstigen uitslag bekroond 
zouden worden, doch deze verwachting wordt door niets 
geregtvaardigd. Integendeel, ofschoon men hen meestal als 
in de hoogste mate lui afschildert, hebben ze toch kleine 
industriën, die aangemoedigd en ontwikkeld konden worden, 
en waarop men ook eene hoogere vorming van dit diep ge- 
zonken volk zou kunnen bouwen. Zoo ontwaart men de 
eerste bewijzen dier industrie in het bouwen hunner wonin- 
gen, waarin veel overleg en een nuttig gebruik van de hulp- 
middelen, die de natuur hun aanbiedt, niet is te miskennen. 
Ook het bebouwen hunner velden duidt dit aan. De man- 
nen vellen de zware boomen meteen bijl; de vrouwen maken 
den akker van struiken en wilde planten schoon. Dan laat 
men dit alles droogen en steekt het aan de windzijde in 



39 

brand In den aanvang van den kleinen regentijd wordt 
het land met cassave of maniok beplant. In eenen goeden 
grond zijn de wortelen of knollen van deze aardvrucht 
binnen de negen maanden rijp. Tusscheu de maniok worden 
ananassen en maïs geplant. Gedurig en zonder ophouden 
moet het land worden gewied, een arbeid die aan de vrou- 
wen is opgedragen. Ook zij zijn met het oogsten belast. 

De mannen zijn zeer ervaren in het maken van //pa- 
galen," een soort van vierkante korven, die zeer digt in 
elkander worden gevlochten, zoodat zeden regen niet door- 
laten; ze zijn in Suriname alom in gebruik en zijn een der 
voornaamste handelsartikelen der Indianen. Ook andere 
kleine korven, //koekoeri" genaamd, pijlen en bogen weten 
ze zeer goed te vervaardigen, in weerwil van de gebrekkige 
hulpmiddelen, die ze er toe bezigen. De jagt en visch vangst 
leveren hun een voornaam middel van bestaan op. Met de 
//corjalen," kano's die ze zelf uit boomstammen kappen, 
brengen ze de voortbrengselen hunner industrie, waartoe ook 
een soort van waterkruiken behoort , naar Paramaribo. Daar 
worden ze te koop aangeboden, en uit de opbrengst voorzien 
ze zich van eenige weinige kleedingstukken, kralen en an- 
dere snuisterijen en soms ook wel van een geweer, kruid, 
lood en andere onontbeerlijke gereedschappen, als houwers, 
bijlen enz. Dram, zout en gezouten visch ontvangen ze 
nu en dan van het gouvernement, als aanmoediging, wanneer 
ze de eene of andere kleine dienst hebben bewezen, of blij- 
ken van arbeidzaamheid hebben gegeven. 

Hunne taal is weinig of niet bekend. De verschillende 
stammen, waaruit de Indianen bestaan, als Caraïben, Ara- 
waken, Waraus enz., hebben elk een verschillend en voor 
elkander onverstaanbaar dialekt. De meesten hebben echter, 
door hun verkeer met de hoofdplaats Paramaribo, langza- 
merhand het negerengelsch aangeleerd. 



40 

Deze Indianen, die overalin de bossehen en wildernissen 
van Suriname verspreid wonen, staan onder het gezag der 
divisie-autoriteiten van het Nederlandsche Gouvernement, 
op de verschillende plaatsen, waar ze zich ophouden. Alleen 
bij de Indianen, die in de Nickeri wonen, is een afzonder- 
lijke ambtenaar geplaatst, die den titel van //posthouder" 
voert, en wiens taak het is om order onder hen te houden. 
Hij staat in onmiddelijke korrespondentie met het kommis- 
sariaat der inlandsche bevolking. 

Jammerlijk is de toestand, waarin gij deze Indianen, als 
ze Paramaribo bezoeken, de straten der stad ziet ronddwa- 
len. Bij troepen van vijf of zes, bijna nooit anders dan in 
een staat van volslagen dronkenschap, zijn ze, beide zoowel 
mannen als vrouwen, genoegzaam geheel naakt. Overal, 
bij voorbijgangers en aan de huizen, bedelen ze sterken 
drank. Toch worden ze door dezelfde menschen, die de 
slaven als dieren behandelen, met toegevendheid en welwil- 
lendheid bejegend. In fatsoenlijke gezelschappen, waar de 
keur der Europesche wereld van Suriname bijeen is, ziet gij 
wel eens een troep dronken Indianen binnendringen, zon- 
der dat het iemand in de gedachten komt hun ten kwade 
te duiden, dat ze zich groote gemeenzaamheid veroorlooven, 
met vrijpostigheid sterken drank vragen en de meest bar- 
baarsche geluiden uit hunne rieten fluiten voortbrengen. 

Be Boscknegers hebben hun verblijf in de kolonie Suri- 
name aan den slavenhandel en de slavernij aldaar te danken, 
't Zijn oorspronkelijk Afrikanen, van daar naar Suriname 
als slaven overgevoerd; maar ze hebben hunne meesters we- 
ten te ontloopen en daarna tegen het Nederlandsche Gou- 
vernement zich vrij gevochten. 

Het lot, dat de slaven op de plantages, van de eerste 
tyden der kolonie af, te verduren hadden, deed velen, zoo- 



41 

dra zich daartoe eenige gelegenheid aanbood, de vlugt ne- 
men. De digte bosschen en bijna ontoegankelijke wilder- 
nissen van Suriname boden hun vele schuilplaatsen aan. 
Daar vormden ze langzamerhand verschillende dorpen, be- 
bouwden de omliggende gronden, en de vruchten van dien 
landbouw, gevoegd bij 't geen de jagt en vischvangst hun 
opleverde, maakten hun onderhoud uit. Wij hebben, op 
onze wandeling door Suriname's woeste bosschen en velden, 
reeds verscheiden schuilplaatsen ontmoet, waar thans nog 
slaven, die niet lang geleden hunne meesters ontvlugtten, 
in veiligheid wonen en zelfs de omstreken onveilig maken. 
Naarmate deze uitkomst voor de weggeloopen slaven gun- 
stiger werd, nam ook het wegloopen toe. Zij, die op deze 
wijze hunne vrijheid hadden teruggenomen , hielden zich wel- 
dra niet meer te vreden met verborgen in hunne bosschen 
te leven, maar stelden zich met hunne lotgenooten, die nog 
slavenketenen droegen, in verstandhouding, deden uitvallen 
op de plantages en voerden, na alles verwoest en vermoord 
te hebben wat tegenstand bood, de slaven mede. 

Toen werd de regering genoodzaakt, eenen kostbaren, 
langdurigen en vrij nutteloozen oorlog tegen hen te voeren, 
die in kleine expedities, zoogenaamde //boschpatrouilles," 
bestond, en geen andere uitkomst had, dan dat men de 
negers dieper in de bosschen joeg, waaruit ze kort daarna 
weer te voorschijn kwamen, om hunne oude gewoonten op 
nieuw te volgen. Men was zoo gelukkig, verscheiden hun- 
ner dorpen tusschen de Saramaka en de Suriname te ont- 
dekken, ze te verbranden en alle akkers te vernielen! Maar 
de veldtogt kostte, hoe rijk in dien tijd de kolonie ook 
mogt zijn, zulke groote sommen, dat ze niet in verhouding 
stonden tot het voordeel dat men behaald had. 

En wat deed men nu? Men sloot met die weggeloopen 
slaven, met dat menschenras, dat , zoolang het slavenketenen 



42 

draagt, veracht is als het redelooze vee, met die voorwerpen 
van beleediging en beschimping en mishandeling zoo lang 
ze in de magt der blanken zijn — men sloot met de Bosch- 
negers vrede en verklaarde hen onafhankelijk! Een in be- 
hoorlijke orde opgemaakt verdrag werd aangegaan, waarbij de 
eene partij, het Nederlandsche Gouvernement, aan de andere 
partij , de weggeloopen slaven, het binnenlands gelegen en on- 
bewoonde gedeelte der kolonie afstond, en hun tevens verlof 
gaf, om in zeker aantal Paramaribo te bezoeken, en zich zelfs 
verbond, om hun op vastgestelde tijden geschenken in kruid, 
geweren, lijnwaden, sabels, messen enz. uit te reiken. Ge- 
woonlijk heeft deze uitdeeling om de vier jaren plaats, gelijk 
blijkt uit de volgende mededeeling van den Minister van 
Koloniën in het Verslag van het beheer van Suriname en 
van den staat ^ waariti de kolonie zich bevindt, over het 
jaar 1850 : //Het eenige, dat over de Boschnegers over 
1850 aangeteekend wordt, is de uitdeeling van geschenken, 
die zij, volgens de met hen gesloten overeenkomsten, om de 
vier jaren ontvangen, welke door de Aukaners en Sarama- 
kaners zijn in ontvang genomen; door de Bekoe- en Moe- 
singa-Boschnegers was dit reeds in 1849 geschied." 

De Boschnegers zijn in de volgende drie stammen ver- 
deeld : 

De Aukaners, die de boorden der rivier Morowyne,ruim 
50 uren van zee gelegen, bewonen. Hun gewone verblijf- 
plaats heet Auka. 

De Saramakaners, die langs de oevers der rivier Boven- 
Suriname gevestigd zijn, mede ruim 50 uur van de hoofd- 
stad Paramaribo verwijderd. Hunne woonplaats heeft geene 
bijzondere benaming; zij noemen die hun condré (land). 

De Bekoe- en Moesinga-Boschnegers, die aan de oevers 
der rivier Boven-Saramaka hun verblijf houden, dat onge- 
veer 50 uur van zee ligt. 



43 

Ieder dezer stammen heeft een groot-opperhoofd of grarnan^ 
die, ten teeken zijner waardigheid, een militairen uniform 
draagt, en daarenboven voorzien is van een stok met een 
vergulden knop en een ringkraag. Op al deze onderschei- 
dingsteekenen is het Nederlandsche wapen gegraveerd. 

Ze wonen, ofschoon niet ver van elkander verwijderd, in 
afzonderlijke dorpen of //^öo." Over elk dezer dorpen voert 
een kapitein het bevel, die ook al een montering draagt van 
blaauw laken met smal zilveren galon en een hoed met ko- 
karde en zilveren band. Daarbij voert hij, ten teeken van 
zijnen rang, een stok met een grooten zilveren knop en een 
ringkraag. 

Het getal der Boschnegers wordt op 8000 geschat, waar- 
van «3,300 Aukaners, 4,300 Saramakaners en slechts 400 
Bekoe's en Moesinga's. 

Bij elk dezer drie Boschnegerstammen is van Gouverne- 
mentswege een ambtenaar geplaatst, die den titel van //post- 
houder" voert. Bij de Aukaners, die ofschoon niet den 
talrijksten toch den voornaamsten stam uitmaken, wegens 
den invloed, dien zij door hunne meerdere beschaving op 
de anderen uitoefenen, is daarenboven nog een ambtenaar 
met den titel van //assistent-posthouder." Deze ambtenaren, 
die allen verwijderd van de bebouwde plantagien wonen, 
zijn de vertegenwoordigers van het Nederlandsche bestuur 
bij de Boschnegers. Zij reiken aan hen, die naar Para- 
maribo wenschen te gaan, de passen uit, die ze noodig 
hebben, om de militaire posten te kunnen voorbijgaan. 

De Boschnegers, meestal zeer zwart van kleur, onder- 
scheiden zich van de plantage-negers door een krachtiger 
ligchaarasbouw en veel onafhankelijker manieren, een na- 
tuurlijk gevolg van het onderscheid van beider toestand; 
de eersten zijn vrij en de laatsten zijn nog slaven. In 
hunne dorpen gaan ze meestal naakt met een om het lijf 



44 

gebonden schort (kamis). Maar als ze naar Paramaribo 
gaan, hebben ze dikwijls korte buisjes aan van gekleurd 
katoen. Hun kroes haar binden ze veelal in kleine bosjes 
op, die als horens overeind staan. Om de enkels en han- 
den dragen ze ringen van ijzer en aan de vingers eene 
menigte gordijnringen. 

Hoogst ongunstig is het oordeel van den Minister van 
Koloniën over hunne arbeidzaamheid. //De Boschnegers," 
zegt hij , //zijn over het algemeen vadzig en lui. Zij werken 
slechts dan, wanneer zij door de noodzakelijkheid worden 
gedrongen, om zich op nieuw te Paramaribo van kruid, lood 
enz. te gaan voorzien; want hebben zij dit, met de noodige 
gereedschappen voor de vischvangst, dram, zout en siroop, 
zoo denken zij niet aan werken, noch om hunne kostgron- 
den te bearbeiden, die inmiddels aan hunne vrouwen, waar- 
van het getal soms twee, drie, ja vier is, en aan hunne 
kinderen worden overgelaten." 

Maar of dit ongunstig oordeel wel zoo geheel juist is, 
zou men al dadelijk mogen betwijfelen door 'tgeen er op 
volgt. Althans men zou mogen vragen, of er geene, van 
de Boschnegers onafhankelijke, redenen voor bestaan, indien 
ze werkelijk zoo lui zijn? Immers de Minister laat ou- 
middelijk op zijne uitspraak volgen : //In de laatste tijden 
schijnt er zich echter meerdere bedrijvigheid en lust onder 
hen, en vooral onder de Aukaners, te hebben geopenbaard; 
verscheiden hunner laten zich thans aanhuren op plantagiën, 
om daar bosschen te vellen en op te ruimen en brandhout 
voor de fabrieken te kappen. Ter bevordering van dien 
goeden zin, heeft het bestuur het dan ook geraden geacht, 
om het onvoorwaardelijk verbod^ om, Boschnegers te huis- 
vesten, te wijzigen, en bij publikatie van 18 December 1848 
vast te stellen, dat ieder, die verlangen mogt Boschnegers 
tot het verrigten van werkzaamheden op zijn erf of grond 



45 

te ontvangen, op voordragt van den commissaris voor de 
inlandsche bevolking, dispensatie van het bestuur van dat 
verbod kan verkrijgen." 

Zou dat verbod, om Boschnegers te huisvesten, dat alzoo 
nog altoos bestaat, wel zeer geschikt zijn, om de toenade- 
ring van deze afstammelingen van slaven, die hunne vrij- 
heid hebben heroverd, tot de afstammelingen hunner vroe- 
gere meesters te bevorderen? 

Maar nog meer bewijzen, dat de Boschnegers toch niet 
zoo buitengewoon //lui en vadzig" moeten zijn, levert de 
Minister zelf, wanneer hij zegt: //De levenswijze der Bosch- 
negers in het algemeen is eenvoudig; hunne hutten, op de 
eenvoudigste wijze te zamengesteld, zijn alle met troelie en 
pina (twee soorten van palmbladen), soms ook. wel met tras 
(stroo) gedekt. Deze hutten zijn tien tot twaalf voeten lang 
en breed en hebben twee deuren, doch geene vensters; ééne der 
deuren leidt naar het slaapvertrek , dat door eene gebrekkige 
beschutting afgescheiden is van het zoogenaamde eetvertrek, 
welk laatste tevens wordt gebruikt, om er spijzen te kooken. 

//De bestaanmiddelen der Boschnegers bepalen zich tot 
het bewerken van hout, dat zij in vlotten afbrengen en op 
de plantagiën, die zij voorbij varen, te koop aanbieden; 
slechts zelden gebeurt het, dat zij groote hoeveelheden van 
hunne waren tot de stad door brengen, daar zij meestal 
koopers op de plantagiën gevonden hebben vóór zij Para- 
maribo bereiken. Voor het geld, dat zij voor hunne waren 
ontvangen, koopen zij geweren, kruid, lood, vuursteenen, 
houwers, bijlen, ijzeren potten, spijkers, zout, kleeding- 
stukken en dergelijken. Het geld, dat zij voor de door 
hen medegebragte vellen van tijgers als premie, vier gulden 
voor ieder, uit de koloniale kas ontvangen, en dat soms 
eene belangrijke som in het jaar uitmaakt, wordt tot die 
zelfde einden aangewend. 



46 

//Voorzien van de noodige levensbehoeften en van de an- 
dere noodwendigheden, die zij zich hebben aangeschaft, 
keeren zij weder naar hunne verblijfplaatsen, om plaats te 
maken voor anderen hunner landgenooten, die tot hetzelfde 
einde in de stad willen komen; want, krachtens de met 
hen gesloten overeenkomsten, wordt slechts een bepaald getal 
te gelijk in de stad toegelaten. Op kosten van het Gou- 
vernement wordt daar in hunne woningen voorzien, waar- 
door het Gouvernement in -staat is eene strikte controle 
over hen te houden." 

Zou niet veel van hetgeen men tegen de Boschnegers 
aanvoert op rekening van het vooroordeel tegen de negers 
in het algemeen moeten gesteld worden? En bovendien, is 
het niet te begrijpen, dat zij ongaarne veldarbeid voor Eu- 
ropeanen verrigten, omdat zij vreezen, zich daardoor met 
den slaaf gelijk te stellen? Is het niet natuurlijk, dat ze 
alles vermijden, wat in hunne meening hen nader tot de 
slavernij zou brengen? Mij dunkt, die vragen moeten be- 
vestigend beantwoord worden door ieder, die den waarach- 
tigen toestand der slaven in Suriname kent. 

Maar, behalve denzelfden veldarbeid, dien de slaven ver- 
rigten, zijn ze niet afkeerig van werken en zelfs van wer- 
ken op plantages. De ministeriele mededeelingen bewijzen 
het. Wij kunnen ze aanvullen met het berigt, dat het door 
hen, gedurende 1852, ingevoerde hout eene som van verre 
over de / 100,000 bedroeg. Neem hierbij nu in aanmer- 
king, dat het vellen van hout in de digte bosschen van 
Suriname een zware arbeid is, en dat het vervoer met vele 
moeijelijkheden gepaard gaat. Bedenk, dat er een algemeene 
zucht bestaat, om de Boschnegers te misleiden, zoodat ze 
zelden meer dan de halve waarde voor hun hout ontvangen. 
En vergeet vooral niet, met weJke belemmeringen ze, van de 
zijde des bestuurs, te kampen hebben. Denk daarbij niet 



47 

alleen aan het verbod, om Boschnegers te huisvesten en 
aan het verbod, dat meer dan een bepaald getal te gelijk 
in Paramaribo aanwezig mogen zijn, maar ook aan 'tgeen 
ze dikwijls van beambten ondervinden. 

In Pebruarij 1853 bragt een mijner vrienden drie weken 
door op eenen, aan de route naar de Aukaner Boschnegers 
gelegen, militairen post, waar te gelijkertijd de civiele post- 
houder gevestigd was. Bijna dagelijks werden vlotten met 
houtwaren afgebragt. Niemand der Boschnegers kon echter 
den militairen post voorbij, zonder zich bij den posthouder 
te hebben aangemeld. Om u een denkbeeld te geven van 
de vriendelijke bejegening, die hun hier te beurt viel, be- 
hoef ik alleen te zeggen, dat die ambtenaar gewoon was 
hen nooit anders dan met de benaming van //dat bogt" 
of //dat vee" te bestempelen. Van dien man moest elk een 
pas ontvangen, waarop, tot in de geringste bijzonderheden, 
de aard van het ingevoerde vermeld was. Niet zelden 
speelde, wanneer de Boschnegers niet juist zóó wilden als 
de posthouder 't verlangde, het voetblok een grooten rol. 
Eveneens was het, als de Negers terugkwamen. De geringste 
hoeveelheid levensmiddelen, die bij hen gevonden werd bo- 
ven 'tgeen op de pas vermeld stond, werd onvoorwaardelijk 
verbeurd verklaard. 

't Kan u niet verwonderen, dat al zulke maatregelen en 
bejegeningen de Boschnegers niet tot uitbreiding van hun- 
nen handel aanmoedigen. Maar 't moet u verwonderen, in 
weerwil van dezen toestand, de Ministeriele verklaring te 
lezen, dat zich in den laatsten tijd //meer bedrijvigheid en 
lust tot geregelde werkzaamheid" onder hen openbaart. Zulk 
een verschijnsel leidt tot de veronderstelling, dat, indien 
de omstandigheden voor hen gunstiger werden, ze eene nij- 
vere klasse der maatschappij zouden vormen. 

Zeer ongunstig luidt ook het officiële getuigenis van den 



48 

Minister omtrent hunnen zedelijken en godsdienstigen toe- 
' stand: //De Boschuegers ," zoo heet het, //hebben zeer wei- 
nig begrip van godsdienst. De pogingen , aangewend om 
hen van hunne afgodische d waalbegrippen terug te brengen 
en hen tot het Christendom te doen overgaan, hebben steeds 
schipbreuk geleden op hunne gehechtheid aan de overleve- 
ringen hunner voorvaders; deze toch, zeggen zij, hebben 
zich daarbij steeds gelukkig gevoeld. In het laatst van 
1850 hebben de Aukaners dan ook, bij monde van den 
graman, ronduit geweigerd, om twee der leden van de Mo- 
ravische broedergemeente, die met dat doel bij de uitdeeling 
der geschenken mede naar de Marowyne waren gegaan , naar 
Auka te brengen. Eenige weinigen der Saramakaners, onder 
den kapitein johannes ARABië, die zelf gedoopt is en gun- 
stig bekend staat, zijn tot het Christendom overgegaan, 
dank zij der ijverige en rustelooze pogingen dier zendelin- 
gen, die reeds sedert geruimen tijd een etablissement en 
kerk in de Boven-Suriname, niet ver van de verblijfplaats 
der Boschuegers, hebben opgerigt; een en soms twee hunner 
zijn aldaar steeds aanwezig." 

En toch verklaart een ooggetuige , die hen van nabij heeft 
leeren kennen en die overigens noch over hen noch over 
de slaven in Suriname een gunstig oordeel velt, ja, die 
bijna geheel in den geest der groote menigte van Parama- 
ribo over beiden spreekt; toch verklaart de heer a. kappler, 
in weerwil van dit vooroordeel : //Hoe ruw en zedeloos dit 
volk moge zijn, toch kan men het gezond verstand en 
oordeel niet ontzeggen; en ijverige pogingen, om hen der 
beschaving meer nabij te brengen, zouden zeker gelukken." 
Ofschoon wij het met de beschouwingen van den heer 
KAPPLER omtrent den aard en den toestand der slavernij 
en der slaven in Suriname niet eens zijn, toch verklaren 
wij gaarne, dat wij zijn werk fSechs J altre in Surinam 



49 

oder Bilder aus dem Militdrischen Lehen dieser Colonie^ 
tmd SJcizzen zur Kenntniss seiner socialen ttnd naturwissen- 
schafLlichen Verhdltnisse ^'' met het uiterste genoegen gele- 
zen hebben en op zeer hoogen prijs stellen. Bij den blik, 
dien wij in dit Hoofdstuk op Suriname wierpen, is hij ons 
zelfs tot een nuttige gids geweest, en wij zullen nog dik- 
wijls van hem gewagen, maar als hij van de slaven spreekt, 
hem meestal bestrijden. 

Vanwaar zijne geheel eenzijdige beschouwing en beoor- 
deeling der slaven? Alleen van de kracht der gewoonte. 
Hij zag in den beginne met andere oogen dan later, toen 
hij eenige jaren lang te midden eener maatschappij had ge- 
woond, die de slaven als lastdieren beschouwt en behandelt. 
Mij dunkt, dat hij zelf onbewust dien sleutel van het raad- 
sel ons in handen geeft. Toen hij naar Suriname stevende, 
behoorde hij tot een transport soldaten. Eenigen hunner 
werden op zekeren dag, wegens een vergrijp meedogenloos 
geslagen. //Mij rezen bij dit schouwspel;" zoo verhaalt hij, 
//de haren te berge, en nimmer heeft een dergelijk tooneel 
zulk een indruk weder op mij gemaakt, 't Was mij in den 
eersten tijd in Suriname onmogelijk, om het slaan en zwee- 
pen der negers onverschillig aan te zien, en naauwelijks 
kon ik mijne tranen bedwingen, als deze naakte zwarten, 
dikwijls wegens onbeduidende overtredingen, met de buig- 
zame takken van den tamarindeboom zóó geslagen werden, 
dat hun bloed den grond kleurde*. Ik was verontwaardigd 
wanneer zulk een neger, na het ontvangen van de straf, 
bloedend en met wonden bedekt, nog door de soldaten werd 
beschimpt. Maar ofschoon ik nu dit gevoel ook niet ge- 
heel en al verloor, is het toch door de gewoonte gesleten, 
en ik heb helaas! de overtuiging gekregen, dat, waar sla- 
vernij is, de zweep niet gemist kan worden; maar gema- 
tigdheid en menschenliefde mogen noch den zeeofficier noch 

1. 4 



50 

den planter vreemd zijn, en slechts in het uiterste geval 
behoorde men tot dit middel zijn toevlugt te nemen." 

Ziedaar de reden, waarom bijna al de inwoners van Su- 
riname in eeuen geheel andoren geest over de slaven spre- 
ken, dan gij in dit boek zult ontwaren; ziedaar de reden, 
waarom vele achtingwaardige mannen, die eenige jaren in 
die kolonie hebben doorgebragt, geheel ter goeder trouw ons 
en anderen van //overdrijving," ja, dikwijls van //onwaarheid" 
beschuldigen, wanneer wij den toestand der slaven niet an- 
ders dan gelijk die werkelijk is, maar met eenige warmte, 
trachten te schilderen. Men is er gewoon aan geworden, 
om de slaven, niet ais onze medemenschen, van dezelfde 
natuur en dezelfde behoeften, te beschouwen, maar als we- 
zens, die aan hunne bestemming beantwoorden, wanneer ze 
voor hunne meesters zwaren arbeid verrigten en hun veel 
voordeel aanbrengen — dat ze eene ziel hebben , die bestemd 
is om op aarde gevormd te worden voor de eeuwigheid, 
komt hun niet meer in de gedachte. 



^m^-O'^^r^ 



II. 



MOEDER EPJ KIND. 



— //In Nederland kan men althans omtrent eene zaak 
gerust zijn. Hebt gij Uncle Toni's Cabin gelezen? Maar 
welk een vraag! Wie heeft dat boek niet gelezen? Gij 
zijt verontwaardigd over de tooneeelen, die daarin worden 
geschilderd, en gij denkt onwillekeurig aan onze koloniën, 
vooral aan Suriname! Maar bekommer u niet; de toestand 
der slaven is daar, onder een Nederlandsch bestuur, vrij 
wat dragelijker en gelukkiger, dan die hunner beklagens- 
waardige lotgenooten in Amerika. 't Zou wel altoos wen- 
schelijk wezen, dat door eene voorzigtige emancipatie een 
einde aan de slavernij werd gemaakt; maar waar zóó voor 
de lijfeigenen wordt gezorgd, behoeft men zich niet te over- 
ijlen, en kan men gerust den tijd afwachten, waarop de 
vrijverklaring, zonder eenig belang te krenken en zonder 
schokken, zal kunnen plaats hebben. Wat heeft u, bij- 
voorbeeld, meer getroffen, dan de schildering der ellende en 
gruwelen, die in de Amerikaansc^^e staten het gevolg zijn van 
het scheiden van ouders en kinderen? Welnu in Suriname 
is het verboden!" 

4* 



52 

Op deze en dergelijke wijze tracht men het geweten der 
Nederlandsche natie, zoodra het ontwaakt, weder in slaap 
te sussen. Met zegevierende houding wijst men u op de 
woorden, in 1850 door den Minister van koloniën gesproken. 
//Slaven," zeide hij, //mogen, gedurende het leven van 
hunne moeder en zoo lang zij tot den slavenstand behooren, 
nimmer afgezonderd van deze worden verkocht, verruild, 
weggeschonken of op eenige andere wijze in den eigendom 
van eenen derde overgaan , zoo als dit wederkeerig niet met 
de moeder, afgezonderd van hare kinderen, mag plaats heb- 
ben; zoodat kinderen met hunne moeder of de moeder met 
hare kinderen, nooit anders dan gelijktijdig en steeds aan 
een en denzelfden persoon kunnen worden veralieneerd, on- 
der welken titel die alienatie ook moge plaats vinden." 

Ziet gij? Welk eene menschenliefde! Welk een chris- 
tenzin ! In Suriname mogen moeder en kind niet geschei- 
den worden. 

Maar begrijpen wij elkander wel. Van //ouders" wordt 
niet gesproken, alleen van de //moeder." Waarom? Wel! 
slaven bezitten geene bloedverwanten. Slaven hebben alleen 
eene moeder, geen vader. Slaven trouwen niet, evenmin als 
honden en paarden. Bezit gij eene slavin, welnu gij hebt 
omtrent haar dezelfde regten als omtrent uwe huisdieren. 
Gij laat haar bevruchten door wien gij wilt, en de vrucht 
is uw eigendom, 't Is waar, sommige slaven, die Christe- 
nen zijn, laten, voor ze bij elkander gaan, hun kwasi-hu- 
welijk door de Hernhutters inzegenen; maar dat is hunne 
zaak; dat beneemt mij het regtniet, om morgen, als ik het 
goed vind, die zamenkoppeling, al is ze dan ook //ingeze- 
gend," weder te vernietigen, door den slaaf, al heeft hij 
ook kinderen bij de slavin verwekt, te verkoopen, zoodat 
hij beiden nimmer weder ziet. De kinderen blijven dan bij 
de moeder; die mag ik niet scheiden; dat is waar. 



öö 

//Slaven bezitten geene bloedverwanten.'' Wilt gij een 
enkel bewijs, dat deze stelregel ook in Suriname waarheid 
is, en als zoodanig door de regterlijke magt wordt erkend? 

Onlangs verhaalde een bekend praktizijn te Paramaribo, 
in een talrijk gezelschap, dat ineen der fatsoenlijkste huizen 
van de stad bij een was, de volgende //zeer aardige regts- 
kwestie." 

Zeker direkteur eener plantagie koesterde eene bijzondere 
genegenheid voor twee lijfeigenen tot die plantage behoo- 
rende, beide broeders van dezelfde moeder en denzelfden 
vader. Bij uiterste wilsbeschikking bepaalde hij, dat bei- 
den zouden worden vrijgekocht, en ieder van hen een legaat 
uit zijne nalatenschap zou ontvangen. Na zijnen dood werd 
deze bepaling onraiddelijk ten uitvoer gelegd, voor zoo verre 
den vrijdom der beide broeders betreft. Ze werden in vrij- 
heid gesteld en ontvingen twee verschillende namen , de een 
dien van jan stuifmeel, de andere dien van herman van 
ZANDE. Yóor echter de legaten uitbetaald waren, komt de 
laatste te sterven. De exekuteuren in den boedel van den 
overleden direkteur stonden op het punt, om aan jan stuif- 
meel ook het legaat van zijnen afgestorven broeder uit te 
betalen, toen toevallig een advokaat met de zaak bekend 
werd. Deze adviseerde : //slaven hebben geene bloedver- 
wanten. Vóór de emancipatie waren daarom de twee broe- 
ders elkander vreemd. Door de emancipatie kan natuurlijk 
geen betrekking van bloedverwantschap tusschen elkander 
geheel vreemde personen ontstaan. Daarom heeft de over- 
blijvende JAN STUIFMEEL geen aanspraak op de erfenis van 
den overleden herman van zande." En volgens dit advies 
werd gehandeld. 

— //Maar dat is toch vreesselijk onregtvaardig!" zeide 
eene lieve jonge dame, die het verhaal aanhoorde. 

— //Volstrekt niet Mevrouw !" antwoordde de praktizijn. 



54 

//Het geval is behandeld geheel en al volgens het Eomein- 
sche regt; en ik verzeker u, de Romeinen wisten beter wat 
regt is dan wij — vooral wanneer de regtskwestie slaven 
betrof." 

//Slaven hebben geene bloedverwanten." Maar dan is het 
immers een bewijs van buitengewone goedertierenheid, van 
ongehoorde zwakheid ten opzigte der slaven, dat de wet in 
Suriname verbiedt, de moeder van hare kinderen te schei- 
den? Dan is het immers onbillijk en onregtvaardig den 
eigenaar te beletten, de moeder en de kinderen afzonderlijk 
te verkoopen, wanneer hij daar zijn voordeel mede kan doen? 
Zoo schijnt de wetgever er ook over gedacht te hebben, 
en daarom heeft men getracht, deze harde wet, die eigenlijk 
het regt van eigendom schendt! voor de slavenhouders zoo 
zacht mogelijk te maken. Daarom heeft men uitzonderin- 
gen toegelaten. Art. 3 der publikatie van 3 Maart 1829 
G. B. No. 1 bepaalt, dat het verbod tot scheiding van 
moeder en kind zal ophouden van kracht te zijn, wanneer 
het kind of de kinderen, of ook de moeder mogten worden 
verkocht voor den vrijdom; mits de kooper zich verbinde, 
drie jaren na de dagteekening van het kontrakt, brieven 
van manumissie te verzoeken. — Art. 4 laat de scheiding 
ook toe, wanneer zij tot straf wordt voorgedragen. — Art. 
5 maakt insgelijks eene uitzondering, wanneer het voor den 
eigenaar hoogst wenschelijk, of ook voor den slaaf van be- 
lang kan geacht worden, dat de scheiding plaats vindt. — 
Terwijl eindelijk art. 7 de scheiding in al die gevallen 
toelaat, waarin voor moeder of kind van de onmiddelijke 
verkrijging der vrijheid sprake is. 

Ook het Ministeriele Verslag laat, met eene treffende 
naïviteit, oumiddelijk op zijne mededeeling, dat kinderen 
niet van de moeder mogen gescheiden worden, de opsom- 
ming dezer uitzondering volgen. 



55 

//Het verbod der scheiding van moeder en kinderen" zegt 
het //houdt op van kracht te zijn, wanneer het kind of de 
kinderen, van welken ouderdom ook, of ook de moeder, 
worden verkocht voor den vrijdom." 

//Op dat verbod mag ahnede door de respektive regterlijke 
kollegiën eene uitzondering worden gemaakt, indien van 
wege het openbaar ministerie, ter oorzake van gepleegde 
misdragingen, de afzonderlijke verkoop van eenig slaven- 
kind of van de moeder, als een toevoegsel van de aan hen 
op te leggen straf, mogt voorgedragen worden." 

//Wanneer bovendien redenen voorhanden zijn, welke het 
voor den eigenaar ten hoogste wenschelijk, of het ook voor 
den slaaf van belang maken, dat van het algemeen verbod 
ten deze worde afgeweken, kan de eigenaar, mits het af te 
scheiden kind den vollen ouderdom van twaalf jaar bereikt 
hebbe, deze redenen aan den Gouverneur voordragen, en 
vermag deze, na den commissaris der inlandsche bevolking 
te hebben gehoord, op het verzoek van autorisatie tot de 
verlangde scheiding beschikken, zoo als hij vermeent te 
behooren," 

Maar wat beteekent nu nog, met deze uitzonderingen, de 
gansche menschlievende bepaling, die den toestand der sla- 
ven van Suriname zoo veel benijdenswaardiger maakt dan 
die der ongelukkigen in Amerika! 

Zoo lang moeder en kind helde tot den slavenstand be- 
hooren, is de scheiding verboden. 

Daar is een eigenaar van eene slavenfarailie uit verschei- 
dene personen zamengesteld. Het hoofd der familie is eene 
oude vrouw, die reeds de jaren bereikt heeft, waarop de 
slaaf niet meer werken han^ en dus zijnen meester tot last 
is. Die vrouw heeft vele zonen en dochteren gebaard, alles 
tot vermeerdering van den rijkdom van haren heer. De 
zonen zijn ijverige en goede ambachtslieden; de dochters 



56 

weder op hare beurt de moeders van vele aankomende kin- 
deren. De eigenaar wil zich van eenige leden dezer familie 
ontdoen. Hij heeft eene zekere som noodig voor eene on- 
derneming, en hij houdt aan de anderen nog genoeg over, 
om in zijne eigen behoeften te voorzien. Maar hij mag, 
volgens de wet, slechts allen te gelijk verkoopen; want hij 
mag de kinderen niet van hunne oude moeder scheiden. 

Wat doet hij nu? Hij wil dankbaar wezen. Die oude 
moeder heeft hem zóó goed gediend en zóó veel voordeel 
aangebragt — hij zal toonen, dat hij ook een hart heeft. 
Hij schenkt haar hare vrijheid! 

Maar nu behoort de moeder niet meer tot den slaven- 
stand. Alle betrekking van bloedverwantschap tusschen de 
slavin en hare kinderen heeft opgehouden; want de wet 
erkent die betrekking niet; de vrijen en de slaven behooren 
ieder tot eene afzonderlijke kaste, die evenmin iets gemeens 
met elkander kunnen hebben, als menschen met beesten. 
De vrije kan geene kinderen hebben, die slaaf zijn, de slaaf 
geene moeder, die vrij is. De kinderen hebben dus geene 
moeder meer; want de moeder is thans vrij. Zij mogen 
daarom van die vrije vrouw en van elkander gescheiden, ze 
mogen verkocht en vervoerd worden. De moeder is in hare 
grijsheid, eenzaam en beroofd van alles wat haar in hare 
ellende nog eenigen steun kon verschaffen, aan zich zelve 
overgelaten. De eigenaar wordt welligt, in Nederland te- 
ruggekeerd, een voorstander der emancipatie, en ten bewijze 
dat het hem ernst is, en hij niet alleen met woorden maar 
ook met daden de natie voorgaat — wijst hij op het nom- 
mer van het Surinaamsche Advertentieblad, waaruit blijkt, 
dat hij zijne slavin heeft vrij gegeven! 

Als gij de moeder hare vrijheid geeft, blijft gij meester 
van haar kind, en van u alleen hangt het af, om aan het 
moederhart voor altoos haar lieveling te ontrukken. Het 



57 

kind blijft in uwe magt; gij kunt er mede doen wat gij 
wilt; de moeder moet het lijdelijk aanzien — neen! er be- 
staat voor uw slaaf geen moeder meer. 

Een jaar of vier geleden meldde zich, tegen 't vallen van . 
den avond, eene vrouw, die een veertigtal jaren oud kon 
wezen, aan eene zijdeur van een niet onaanzienlijk huis in 
Paramaribo. Gelijk men \\eet zijn de woningen daar alge- 
meen van hout vervaardigd, en ieder huis bezit, behalve 
den hoofdingang, eene afzonderlijke zijdeur, onder den naam 
van //negerpoort" bekend. Door deze laatste alléén mogen 
de slaven uit en ingaan; de hoofdingang is slechts voor 
vrije menschen bestemd. De vrouw verlangde de meesteresse 
van het huis, wier eigenlijken naam wij onder dien van 
mevrouw eliza zullen verbergen, een oogenblik te spreken. 
Ze werd toegelaten, en eerbiedig en schroomvallig naderende, 
zei ze met eene bevende stem : 

— //Mevrouw, ik heb veel gehoord van uwe goedheid; 
en dit geeft mij den moed, om met een verzoek tot u te 
komen." 

— //Wat verlangt gij?" 

— //Ik was de slavin van den heer philip, maar gij zult 
uit de courant gezien hebben, dat ik gemanumitteerd ben. 
Mijne dochter, een meisje van dertien jaren, is echter nog 
niet vrij; en daar ik haar zoo hartelijk liefheb, kunt gij 
begrijpen, hoe hard het mij valt, haar niet bij mij te hebben." 

— //Dat begrijp ik, maar wat kan ik daaraan doen?" 

— //Ach, mevrouw, nu wilde ik u verzoeken, haar te 
koopen, en haar zoo lang te houden, tot het mij gelukt 
zal zijn, de som te verdienen, die gij voor haar zult beta- 
len. Willigt gij mijne bede in, dan staat gij haar aan mij 
af, zoodra ik, door vlijt en de inspanning van al mijne 
krachten, haar van u kan inlossen." 

— //Tk moet zeggen, dat dit een zonderling voorstel is." 



58 

— De wanhoop heeft mij tot u gebragt. Ach ! verstoot 
mij niet!" zoo snikte de arme moeder aan de voeten van 
mevrouw eliza. 

— //Ik zal er over nadenken," antwoordde deze, //kom 
morgen terug, dan zult gij mijn antwoord vernemen." 

Toen de heer eliza te huis kwam, deelde zijne gade hem 
het verzoek mede. Ze had er over nagedacht, ze zou nog 
wel een slavenmeisje van zulk een leeftijd willen hebben, en 
ze stelde daarom haren echtgenoot voor, het kind van den 
heer philip te koopen, indien deze geen al te hoogen prijs 
er voor eischte. De heer eliza, die gaarne zijne vrouw 
genoegen deed, dewijl hem dit de rust en kalmte in zijn 
huis verzekerde, spoedde zich om aan haar verlangen te 
voldoen; en toen de arme moeder den volgenden dag terug- 
kwam, vernam zij, dat mevrouw eliza hare dochter sylvia 
zou koopen. Ze was buiten zich zelve van blijdschap, bij 
het vernemen van dit berigt, want ze begreep, dat de voor- 
waarde, die ze bij haar verzoek had gevoegd, de voorwaarde, 
om haar kind voor diezelfde som vrij te koopen, stilzwijgend 
was ingewilligd. Tranen der vreugde stonden haar in de 
oogen. 

— //Ik dank u, mevrouw! Spoedig hoop ik sylvia van 
u weder in te lossen! Nogmaals hartelijk dank!" en zoo 
verliet ze, met een opgeruimd gemoed, het huis, waarin 
weldra hare dochter zou worden opgenomen. Het vooruit- 
zigt van dat geliefde kind te kunnen vrijkoopen, zoodra ze 
de daarvoor benoodigde som zou hebben verdiend, verdub- 
belde hare krachten; ze arbeidde van den vroegen morgen 
tot den laten avond; niets viel haar te zwaar; nachtrust 
gunde ze zich weinig — en langzamerhand zag ze den 
kleinen schat aangroeijen, en het tijdstip naderbij komen, 
waarop ze den zegen der vrijheid, waarvan ze thans eerst 
regt de groote waarde gevoelde, ook aan haar kind zou 



59 

schenken. Wel viel het voorregt haar slechts zelden te 
beurt, van sylvia te zien en zich in hare liefkozingen te 
baden, want mevrouw eliza wilde //dat geloop aan haar 
huis" niet toestaan — maar geen nood, het uur zou spoe- 
dig slaan, dat ze altoos en onafscheidbaar met hare lieve- 
ling zou wezen. 

Ondertusschen groeide syf-via op tot eene schoone maagd, 
wier blanke kleur en blaauwe oogen en haviksneus aan- 
duidden, tot welken landaard haar vader behoord had. Ze 
was nu zestien jaren oud. De sierlijke slavinnenkleeding 
deed hare bevalligheden nog meer schitteren. Het korte 
jakje, waaronder het sneeuwwitte hemd, dat den zwellenden 
boezem bedekt, in het oog viel; de wijde van neteldoek ver- 
vaardigde rok; de losjes om de welgevormde schouders ge- 
slagen, levendig gekleurde, zijden doek; het om den slanken 
hals gewonden snoer vergulde kralen; de hoofddoek, die de 
weerspannige ravenzwarte hairlokken met moeite bijeea houdt 
en bedekt, en met veelbeteekenen de de viesen doorwerkt is — 
dat alles, gevoegd bij het levendige harer bewegingen en 
het wegslepende van haar ongekunsteld onderhoud, was wel 
in staat, om indruk te maken en harten te winnen. 

Maar die schoonheid was haar ongeluk. De duivel der 
jaloezy nestelde zich in 't hart harer meesteres. Te regt of 
ten onregte, wij weten het niet; maar zij hield het voor 
zeker, dat haar echtgenoot begeerige blikken op sylvia 
wierp. Had ze het kind vroeger, indien al niet met tqe- 
genegenheid, dan toch welwillend bejegend, thans begon ze 
het meisje te haten. 

Daar diende zich op zekeren avond de moeder weder aan, 
die drie jaren geleden de //goedhartige" mevrouw eliza ge- 
beden had, haar kind te koopen, ten einde haar in de 
gelegenheid te stellen het later van haar terug te nemen. 

— //Mevrouw!" zoo riep ze, terwijl de vreugde haar uit 



60 

de oogen schitterde, //hier heb ik de som die gij voor sylvia 
hebt besteed; geef mij haar thans, gelijk wij overeen zijn 
gekomen." 

— //Hoe komt gij aan dat geld?" vraagt mevrouw eliza, 
met vlammende blikken, waarin toorn en hartstogt gloei- 
jende stralen schieten. 

Eene koude rilling vaarde de moeder plotseling door de 
leden. 

— //Hoe ik aan dat geld kom?" stamelde zij, //ik heb 
het verdiend. Dag en nacht heb ik gearbeid, om aan mijn 
kind eenmaal de vrijheid te kunnen schenken." 

— //Gij liegt. In alle geval, ik behoud sylvia. Ik 
doorgrond uwe listen. Men wil het voorwerp van een ver- 
boden hartstogt van mij verwijderen, om ongestraft te boe- 
leren en mij te bedriegen. Maar ik zal wijzer zijn." 

— //Ik bid u mevrouw," zeide bevende de moeder, die 
van dit alles niets begreep, //denk aan uwe belofte! Ik 
smeek u, verkoop mij mijn kind, hier is het geld!" 

— //Verwijder u! Ik blijf er bij, ik behoud sylvia!" 
en ze wierp het aangeboden geld de moeder voor de voeten. 

Geen smeeken, geen zuchten, geen tranen — niets kon 
baten. Met neergebogen hoofd keerde de ongelukkige vrouw 
naar hare nederige woning terug, zonder zelfs het voorwerp 
harer moederlijke toegenegenheid gezien te hebben. 

Maar van dat oogenblik wierd het huis voor sylvia eene 
hel. De vrouw, die in de zamenleving voor eene zachte, 
beminnelijke dame doorging, werd voor hare slavin meer 
dan eene tijgerin. Geen oogenblik van rust wordt haar 
gelaten. Van den morgen tot den avond wordt ze aan den 
arbeid gezet. Geen oogenblik verpozing. Altoos bewaakt 
haar de furie met eigen oogen of door die van anderen. 
Midden in den nacht wordt ze gewekt en moet ze vliegen 
op de wenken der onbarmhartige vrouw, en wee! haar, zoo 



«1 

een enkel oogenblik de slaap haar overvalt. De slechtste 
spijzen zijn haar deel, en tot hare bereiding wordt haar 
bijna geen tijd geschonken. Gedurig klimt het lijden van 
het oiisclmldige kind. Ligchamelijke kastijdingen blijven 
niet uit. Eerst wordt hare teedere huid, op het zooge- 
naamde //piket van justitie" (later zullen wij het bezoeken), 
door zweepslagen van de Nederlandsche policie te Para- 
maribo, verscheurd. Maar dat is niet genoeg. Met eigen 
liand kastijdt haar de vreesselijke vrouw ten bloede toe. 
Nieuwe pijnigingen Morden voor haar uitgevonden. Zoo 
werd ze op zekeren dag aan een paal opgeheschen, terwijl 
hare voeten, die even den grond raakten, op scherpe schel- 
pen stonden. 

De jaloezy was de oorzaak van al deze martelingen. Me- 
vrouw ELiZA meende, dat haar echtgenoot door de bekoor- 
lijkheden van sYi.viA was betooverd. Mevrouw eliza ver- 
onderstelde, dat hij aan de moeder de som had gegeven, 
om de dochter vrij te koopen en dan in 't geheim met haar 
te leven. Daarom moest sylvia slavin, hare slavin, in hare 
onmiddellijke nabijheid blijven; daarom moesten die be- 
koorlijkheden, door zweepslagen en mishandelingen, door 
kommer en ellende vernietigd worden; daarom moest er van 
dat schoone meisje een geraamte worden gemaakt, dat wal- 
ging en afschuw inboezemde. Eeeds sedert lang waren de 
schoone lokken verdwenen en de hoofdharen kort afgescho- 
ren. Reeds sedert lang had de bevallige kleeding plaats 
gemaakt voor een //pantje,"" dat is: een om de lendenen ge- 
slagen stuk grof lijnwaad. Reeds sedert lang was het hare 
taak geworden, om het verachtelijkste werk te verrigten en 
de vernederendste diensten te bewijzen, opdat ze tot spot 
mogt zijn van al de huisgenooten. 

En de heer et.iza? Hij was een zwak man, die zijne 
vrouw vreesde. Ofschoon het hem aan het hart tjin"-, dat 



62 

de arme slavin in zijn huis zoo lijden moest, hij liet zijne 
vrouw doen wat zij verkoos, om des vredes wil. 

En de moeder? Twee jaren was het nu geleden, dat ze 
de som voor de vrijheid harer dochter aan eliza had aan- 
geboden, en ze had haar dierbaar kind in al dien tijd niet 
weder gezien. Hoe gewoon het verschijnsel te Paramaribo 
ook zij, dat slaven een bitter lot hebben en zware ligcha- 
melijke kastijdingen ondergaan, toch was deze marteling 
zoo aanhoudend, zoo hevig, dat het publiek gerugt er zich 
meester van maakte. Ook de moeder kwam er iets van ter 
ooren. Hoe dikwijls 'had ze reeds hare schreden naar de 
straat gewend, waar hare lieveling woonde, in de hoop van 
haar eens te zullen zien; hoe duizendwerf had ze in den 
avond om de woning gedwaald, of het haar misschien ge- 
lukken zou het beminde kind te bespieden, al kon ze 
het dan ook niet spreken en omhelzen — maar alles te 
vergeefs. Maar nu ze hoorde mompelen van eene jonge 
slavin, die door mevrouw eliza mishandeld werd, uu werd 
het haar te bang om het hart; nu ging er geen avond 
voorbij, of ze stond onder een der oranje-boomen waarmede 
de straten van Paramaribo omzoomd zijn, of in de schaduw 
der huizen, te staren en te gluren naar die woning, die al- 
toos gesloten was, maar waarin haar lieveling zich bevond. 
Op zekeren avond, toen 't reeds laat was geworden, en ze 
zich tot digt bij het huis gewaagd had, wilde ze zich we- 
der troosteloos, als zoo menigmalen, verwijderen, toen ze 
plotseling een zacht en onderdrukt gekerm meende te ver- 
nemen. Ze bleef als aan den grond genageld. Ze spitste 
de ooren. Daar klonk het hoorbaarder in de stilte van den 
nacht. Het ging over in een luid geschreeuw en gegil. O 
God ! het is de stem van hare sylvia. Neen ! eene moeder 
vergist zich niet! 

Eene moeder? Maar dat kind, dat daarbinnen gekastijd 



63 

wordt, is immers eene slavin, en zij is eene vrije vrouw. 
Wat betrekking kan tusschen die twee bestaan? Zij is im- 
mers vrij en gelukkig? 

Vrij en gelukkig? en daar binnen wordt haar kind door 
eene barbaarsche meesteres gepijnigd! Is in zulk eene vrij- 
heid geluk? 

Maar gij begrijpt de zaak niet; ze heeft geen kind meer; 
de wet zegt het immers; slaven hebben geen bloedverwan- 
ten; zij is vrij en dat kind, dat daar binnen gilt van smar- 
ten, is eene slavin — het is dus hare dochter niet meer, 
zegt de wet, de NederlandscJie wet! 

Hoe is die moeder te moede, die daar buiten het jam- 
meren van haar kind verneemt? Beschrijf het, zoo gij moed 
hebt. Tot diep in den nacht bleef ze aan dezelfde plek ge- 
nageld. De klaagtoonen en het gegil nemen eindelijk af. 
Alles wordt weder stil — en de moeder keert, ten laatste 
naar hare woning terug. Geen slaap drukt hare oogen. De 
tranen zijn opgedroogd; het schroeit en brandt in de borst; 
't is of een gloeijend staal haar in het hart is gedrukt; en 
met de strakke blikken ten hemel geslagen ligt ze wakend 
op hare legerstede, tot de morgen aan de kimmen gloort. 
Dan verlaat ze haar huis en begeeft ze zich op nieuw naar 
mevrouw eliza. Ze had nu door rustelooze vlijt en spaar- 
zaamheid, die zich zelve het noodige niet gunde, het dub- 
belde bijeen van de som, waarvoor syi.via gekocht was. 
Dat biedt ze voor de vrijheid van haar kind. 

— //Hoe komt ge aan dat geld?" vraagt weder, gelijk 
twee jaren te voren, met helsche wraaklust in de oogen, 
de wreedaardige vrouw. //Is hem nog de lust niet vergaan? 
Heeft hij nog meer over voor het walgelijke schepsel? Goed, 
dat ik het weet!" 

En zoo wordt de arme moeder, in weerwil van haar zuch- 
ten en snikken en handen wringen, opnieuw afgewiizen. 



64 

Ondertussclien werd ook dit geval ruchtbaar. Een hoog 
geplaatst ambtenaar kwam tusschen beiden, — om het mon- 
ster te straffen en het slagtoffer te redden? Neen, hij gaf 
een wenk, dat men zich, zoo voortgaande, onaangenaamhe- 
den op den hals zou halen, en het beter was de slavin te 
verwijderen. Hij had dien wenk op de meest bescheiden 
wijze voorgedragen en zoodanig ingekleed, dat ze mevrouw 
ET.IZA, eene in de zamenleving te Paramaribo zeer gevierde 
en als zacht en teeder van gestel bekende dame, niet kon 
grieven of krenken. 

De wenk werd opgevolgd, syl via werd naar eene, aan me- 
vrouw ELIZA behoorende, ver verwijderde plantage gezonden, 
en als eene slavin, die streng behandeld moest worden en 
waarop men niet genoeg het oog kon houden, aan den di- 
rekteur aanbevolen. Daar is ze op dit oogenblik (Decem- 
ber 1(S52) nog. Wat daar het lot eener slavin is, zal ons 
later blijken. 

Begrijpt gij nu wat het beteekent, dat kinderen niet van 
hunne moeder mogen gescheiden worden? Gevoelt ge nu 
al het menschlievende, dat er in dat verbod gelegen is? Zijt 
ge als Nederlander niet trotsch op zulk eene Nederlandsche 
wet? 



III. 



HET KAPITAAL M DE RENTE. 



— >cfïgta-i— 



In het Verslag van het beheer en den staat der Kolo- 
niën over 1849, door den Minister van Koloniën aan de 
Tweede Kamer ingediend, komt wegens Suriname, op blz. 
61, het volgende voor : 

//Het is aan eiken ingezeten verboden, eenigen slaaf, hetzij 
//hij dien in eigendom of in huur bezit, uit te zenden, om 
//werk op te zoeken, en hem daarvoor wekelijks of maande- 
//lijks of op eenig ander tijdpunt geld te doen opbrengen. 

//Overtreding hiervan wordt gestraft voor de eerste maal 
//met eene boete van f 200. — en voor de tweede en volgende 
//malen telkens met eene boete van f 500. — onverminderd de 
//aktie door den prokureur-generaal, indien het blijkt, dat 
//de gekochte of verruilde goederen gestolen zijn en de 
wkooper of inruilder daarvan kennis heeft gedragen." 

Indien een Verslag van den Minister, ingediend aan de 
volksvertegenwoordiging, het bestaan van zulk een verbod 
niet konstateerde, 't zou onmogelijk zijn het te geloo- 
ven. Zóó schandelijk en openbaar, niet alleen onder de 
mindere standen, maar zelfs onder de meest gegoeden, ja 

I. 5 



66 

onder ambtenaren, wordt dit voorschrift overtreden. Niette 
bepalen is het getal slaven, die te Paramaribo, na gedu- 
rende de geheele week gearbeid te hebben, bij het einde 
dier week het loon voor den arbeid aan hunne meesters 
moeten afgeven. Er zijn er zeker meer dan duizend. De 
meesten, die een meer dan gewoon getal zoogenaamde //privé- 
slaven" hebben, zenden hen op die wijze uit. 

Gij zult zeggen: 't is billijk, dat de slaaf het loon , 'twelk 
hij verdient, aan zijnen meester geeft, want deze verzorgt 
hem, kleedt en voedt hem, geeft hem al wat hij noodig 
heeft. Maar dat doet die meester niet! De slaaf moet in 
zijne eigen behoeften voorzien, en bovendien het loon af- 
geven. Slechts weinigen ontvangen iets voor hun onder- 
houd, tenzij zij Zondags bij hunne meesters komen werken, 
waarvoor dan vijftig centen worden gegeven, nadat zij de 
gansche week voor anderen hebben gearbeid, waarvan het 
loon door hunne meesters wordt genoten. 

In het Gouvernements-advertentie-blad van 10 November 
1852, verscheen eene waarschuwing, waarbij den ingezete- 
nen op nieuw het zoo even medegedeelde verbod werd her- 
innerd. Maar men heeft zich, evenmin als vroeger, aan die 
waarschuwing gestoord. Niemand heeft opgehouden zijne 
slaven om werk uit te zenden. 

Zoo heeft de heer alfred ('t is ook weder een pseudonym, 
om den waren man te verbergen) meer dan 150 slaven, aan 
wie hij noch voedsel, noch kleeding, noch huisvesting ver- 
strekt, maar die hij laat //wrokko na passi." Zoo noemt 
men te Paramaribo het uitzenden van slaven om geld voor 
den meester te verdienen. 

— //'t Is toch onbarmhartig," verweet hem onlangs iemand, 
die nog maar kort in de kolonie was, en eene slavin van 
hem in dienst had. 

— //Och, dat komt omdat het u nog vreemd en nieuw 



67 

is. Maar als gij er goed over nadenkt, dan is het zeer 
billijk." 

— //Billijk? dat de arme slaven den ganschen dag ar- 
beiden, en gij hun loon u toeeigent, zonder hun iets te 
geven? Is dat billijk?" 

— //Och ja, zeer billijk. Zie, gij stelt u de zaak verkeerd 
voor. Ik heb meer dan 150 slaven; daaronder zijn ouden, 
gebrekkigen, zieken en kinderen; die brengen niets op en 
moeten door mij onderhouden worden. Nu stellen zij, die 
werken kunnen, mij daartoe in staat, door hun loon aan 
mij te geven." 

— //Neen, hoe gij het, door uit de lucht gegrepen voor- 
wendsels, ook moogt plooijen, ik vind het afschuwelijk; en 
dagelijks erger ik er mij over, als ik de arme mulatin zie, 
die bij mij werkzaam is. Ze ontvangt niets van hetgeen 
de wet aan slaven toekent, moet daarbij voor eene oude 
moeder en een jong kind van een paar jaren zorgen, die 
heiden evenmin iets van ti ontvangen, en bovendien eischt 
gij nog ƒ 7,20 elke maand van haar. Dat is bloedgeld, 
mijnheer ! 

— //Kom, kom, gij zult wel wijzer worden," zei de 
slavenhouder, zonder te blikken of te blozen. 

Maar deze man is de eenige niet. Juist, omdat het 
zoo algemeen is, schaamde hij zich niet voor het kwaad, dat 
hij doet. Vele huisgezinnen leven alleen van hetgeen de 
slaven op die wijze opbrengen. Onder de voornamere klas- 
sen zendt men gewoonlijk die slaven uit, van wier werk 
men geen dadelijk gebruik weet te maken, of die in ongenade 
zijn gevallen en die men haat, zonder dat men daarom van 
de woekerwinsten, welke het door hen vertegenwoordigde 
kapitaal kan opbrengen, wil afzien. Niemand ziet er te 
Paramaribo dan ook iets onteerends in, om, bij het einde 
der week, de ellendige twee gulden, die dikwijls, wanneer 

5* 



68 

de arme slavinnen geene twee-en- dertig cent daags hebben 
kunnen verdienen, het loon der prostitutie zijn, koelbloedig 
aan te nemen en bij zijnen overvloed te voegen. 

Gemeenlijk wordt aan den volwassen slaaf gelast, om da- 
gelijks eene som op te brengen, verschillende van zestig cent 
tot één gulden, naarmate der meer of mindere hartvochtig- 
heid van den meester, of der bekwaamheid van den slaaf. 
Sommige meesters zijn edelmoedig genoeg van niet meer dan 
zestig of tachtig centen te vorderen, en alzoo den slaaf de 
gelegenheid te laten, om iets voor zich zelven over te hou- 
den; anderen echter nemen alles. In alle gevallen moet de 
slaaf zelf in de kosten van zijne voeding en zijn onderhoud 
voorzien. Komen er nu vele schepen, is er een druk ver- 
tier aan den //waterkant," en zijn er dus handen noodig, dan 
kan de slaaf somwijlen meer dan het gevorderde verdienen; 
is dit echter niet het geval, dan heeft hij veeltijds geene 
gelegenheid tot arbeid, en de vrees voor zijnen meester is 
oorzaak, dat hij zich overgeeft aan dobbelen, kwanselen,ja 
zelfs aan diefstal, om toch, bij het einde der maand of 
week, aan de straf te ontkomen. In alle gevallen verzekert 
de opbrengst, vergeleken met het kapitaal door den slaaf 
vertegenwoordigd, eene vreesselijke woekerwinst aan den 
meester. 

Dit misbruik drukt zwaar op de slaven, maar nog erger 
gaan de arme slavinnen er onder gebukt. De dagelij ksche 
opbrengst eener op deze wijze uitgezonden vrouw aan ha- 
ren meester is op twee-en-dertig cent gesteld; maar even- 
zoo is twee-en-dertig cent het gewone dagloon eener arbeid- 
ster binnen Paramaribo. De slavin moet dus al hetgeen 
zij verdient aan haren meester afstaan, en houdt niets voor 
haar eigen onderhoud over, dan hetgeen zij des Zondags, 
wanneer deze haar ten minste vrij gelaten wordt, of in 
enkele gevallen in de avonduren verdienen kan. Boven- 



69 

dien moet «zij een gedeelte van den haar overblij venden 
tijd tot bereiding liarer spijzen, en meestentijds een ander 
gedeelte ter verzorging harer jonge kinderen besteden. Want 
dat onderhoud is ook meestal voor hare rekening. Wel is 
de meester verpligt haar drie-en-twintig en een halven cent 
in de week voor de voeding van een kind beneden de acht 
jaren te geven; maar wat kan ze daarvoor doen? en hoe is 
het daarenboven met de uitbetaling van die ellendige som 
bij sommigen gesteld? En zoudt gij gelooven, dat er nog 
huisgezinnen zijn, waar de slaven of slavinnen tot des mor- 
gens acht ure met het schoonmaken van het huis, het 
kleeden der kinderen, het gereed maken van het ontbijt 
bezig zijn, en daarna, met last om twee-en-dertig cent te 
verdienen, op straat worden gezonden, terwijl de meesters 
hen ten strengste bevelen des avonds ten zes ure met die 
som binnen te zijn, om hen dan op nieuw tot huisselijke 
bezigheden te kunnen gebruiken? Geen doodelijker vergif 
voor de zedelijkheid dan dit misbruik. Gij begrijpt, dat 
niet elke vrouw, niet ieder meisje, onmiddelijk nadat ze, 
om geld voor haren meester te verdienen, op straat is 
gezonden, als kokkin, waschmeid of naaister kan werken. 
Gij begrijpt, dat er, al heeft zij het geluk om werk te 
vinden, slechts weinig voor haar eigen onderhoud overschiet. 
Is het wonder, dat de slavinnen voor de verleiding bezwij- 
ken? dat ze haar ligchaam ten beste geven, om aan de 
eischen van schraapzuchtige meesters te voldoen? En dien 
woekeraars is het zeer goed bekend, dat zij, bij het einde 
der week of maand, meestentijds het schandloon hunner 
slavinnen ontvangen. Maar wat raakt dit hun? Het ka- 
pitaal moet zijn interest opbrengen! 

En toch is het opbrengen van weekgeld nog niet de meest 
drukkende last voor den slaaf; hij geniet ten minste een 
zweem van vrijheid, hij heeft ten minste kans, hoe zeldzaam 



70 

hem dit lot ook te beurt valle, om meer dan hft van hem 
gevorderde te verdienen. Dit wordt in Suriname dan ook 
zóó wel ingezien, dat in een der couranten van de maand 
Januarij 1853 een artikel verscheen, waarin de gewoonte, 
om weekgeld te doen opbrengen, strengelijk berispt werd, 
echter niet in het belang der arme slaven , maar omdat men 
van deze, wanneer men ze tot den veldarbeid, of tot eenig 
ander doel verhuurde, veel meer voordeel kon trekken; omdat 
men dus van zijn kapitaal niet het gebruik maakte, dat 
het meeste voordeel oplevert! 

//Het is mede aan ieder verboden , van eenigen slaaf eenige 
waren, goederen of koopmanschappen te koopen of te rui- 
len, tenzij die slaaf voorzien is van een permissiebillet van 
zijnen meester." 

Ziedaar een tweede verbod, dat hetzelfde ministerielever- 
slag, waarvan wij spraken, als bestaande mededeelt. Men 
begrijpe het echter wel. 't Is niet tegen den meester, maar 
tegen den slaaf gerigt. 't Schijnt, dat men op het oog 
heeft gehad, om dieverijen te weren, waaraan de slaven, vol- 
gens de algemeene klagt te Paramaribo, zich zoo veelvuldig 
zouden schuldig maken; maar het gevolg is, dat den slaaf 
de gelegenheid wordt benomen, om, door den een of an- 
deren kleinhandel voor eigen rekening, den meester het door 
hem gevorderde op te brengen, en bovendien iets voor zich 
over te houden. 

Het doel moge zijn, om de policie in de hand te werken, 
het gevolg is, dat den slaaf alle gelegenheid tot konkurren- 
tie met den vrijen ontnomen wordt. 

En toch was ook hier eene voorziening in het belang 
der slaven allernoodzakelijkst! Van den vroegen morgen 
tot den laten avond ziet gij vrouwen en meisjes, met bak- 
jes, waarin koekjes, parfum eri ën , snuisterijen, manufakturen 
enz., hare waren langs de huizen te koop venten. Gemeen- 



71 

lijk zijn het slavinnen, die dezen handel drijven, of voor 
rekening harer eigene meesters, of voor personen, aan wie 
zij voor het oogenblik verhuurd zijn. Meestentijds wordt 
de slavin des morgens gelast, om des avonds eene bepaalde 
som, welker minimum, vooral wanneer zij gehuurd is, ƒ 3,20 
bedraagt, op te brengen. Men rekent dan, dat 10"/^ dier 
som de moeite der uitventster beloont; welke 10% ook juist 
de dagelij ksche opbrengst eener slavin tegen twee-en-dertig 
cent uitmaken. 

Maar geloof niet, dat die lOy^ voor de slavin zijn. Ze 
strekken, om den huurprijs der slavin aan haren meester te 
voldoen; of, indien zij het eigendom is van den koopman 
die haar uitzond, om dezen de renten van het door de 
slavin vertegenwoordigde kapitaal te doen trekken. De sla- 
vin ontvangt niets, tenzij de meester mild genoeg is, om 
haar, in geval van meerderen verkoop dan bepaald was, de 
lOYo van dat meerdere te doen behouden. 

En de zedelijkheid? 't Zijn bij voorkeur jonge en schoone 
meisjes, die voor dit bedrijf door hare meesters of huurders 
worden gekozen. Want die slimme spekulanten weten zeer 
goed, dat, als het met den handel tegenloopt, aan haar 
altijd een middel, om aan geld te komen, overblijft. Heb- 
ben de ongelukkigen hare waar onder den bepaalden prijs 
verkocht, of hebben ze niet genoeg verkocht, dan worden de 
kleederen, hoe weinig en luttel van waarde ook , verpand. Is 
ook dit laatste redmiddel weg — welnu de verleiding is overal 
en altijd om haar — en de meester wil zijn geld, en de 
zweep wacht haar te huis als dat geld er niet is! Veroor- 
deel de arme meisjes en vrouwen, zoo gij durft; werp den 
eersten steen op haar, dewijl ze struikelen en vallen en 
dagelijks dieper zinken. 

Er zijn zulke koopvrouwen en meisjes, die bij hare mees- 
ters eenig vertrouwen genieten. Dezen krediteren haar voor 



72 

eenigeu tijd. Nu waagt de slavin zelve het alligt, om weder 
op hare beurt op krediet aan anderen te verkoopeu. Daarbij 
blijft zij echter altijd voor de betaling verantwoordelijk; en 
daar het invorderen van gelden in Suriname allermoeijelijkst 
is, vindt zij zich dikwijls, om geld komende, te leur ge- 
steld. Zoo wordt zij met schulden bezwaard; zoo moet ze 
die schulden door zwaarderen arbeid trachten aan te zuive- 
ren; de meester weet toch altijd, door het inhouden van 
alle voeding en kleeding, op den langen weg aan zijn geld 
te komen. 

Zekere missie (zoo wordt iedere vrije vrouw en meer. in 
het bijzonder eene vrouw uit de middelstanden in Suriname 
genoemd) bezat eene slavin, welke, voor haren vrijdom 
werkende, door vlijt en spaarzaamheid aan hare meeste- 
resse ruim / 200. — op de voor die vrijheid te betalen 
som had afgedragen. Ook deze slavin werd tot het rond- 
venten van koopwaren gebruikt. Als ze des avonds de 
opgegevene goederen niet tot den bepaalden prijs verkocht 
had, was ze zeker, dat ze zich den toorn harer meesteresse 
op den hals haalde. Daarom was ook zij dikwijls genood- 
zaakt te krediteren. Verscheidene malen had ze het on- 
geluk, de te goed gehouden gelden niet te kunnen krij- 
gen! Nimmer echter maakte hare meesteresse daarop eenige 
aanmerking. Maar hoe groot was haar schrik, toen zij 
eindelijk, meenende genoeg voor hare vrijheid betaald te 
hebben, onderzoek naar hare rekening bij hare meesteresse 
deed. Deze kwam met eene tegenrekening voor verkochte 
waren voor den dag, welke gelijk stond met hetgeen zij 
te goed had; zoodat de ongelukkige, die, ter verkrijging 
harer vrijheid, zelfs het ellendige slaven voedsel uit haren 
mond gespaard had, de ketens der slavernij moest blijven 
dragen. 

Behalve het uitzenden van slaven, om zelven werk te zoe- 



73 

ken, ouder verpligting van eene bepaalde som aan den 
meester te huis te brengen; behalve het uitzenden van dat 
volk met koopwaren, is er nog een middel, om van het 
kapitaal een behoorlijken interest te genieten. Want behalve 
dat in Suriname de meester geregtigd is, om den arbeid 
van zijnen slaaf tot eigen voordeel aan te wenden , mag hij 
dien ook aan anderen verhuren, en het verdiende loon, 
zonder iets aan den werkman af te staan, zelf daarvoor 
ontvangen. Wien verwondert het, dat ook deze gewoonte 
ruimschoots aanleiding geeft tot afpersing en slechte be- 
handeling? Immers, nadat de verhuurder of eigenaar het 
door den slaaf verdiende loon verkregen heeft, moet ook 
nog de huurder zijne voordeden van het gehuurde voorwerp 
trekken; en daar die voordeden niet, dan door den meer 
dan gewonen arbeid van den slaaf, kunnen verkregen wor- 
den, is deze dubbeld belast. Zwaar is de taak van de on- 
gelukkigen, die op deze wijze in eene affaire, eene fabriek 
of tot veldarbeid gebruikt worden. Heeft een eigenaar van 
slaven, bij den arbeid die hij hun oplegt en het voedsel, 
dat hij hun geeft, nog een prikkel ten goede in het eigen- 
belang, niet alzoo de huurder. Of de slaaf lang leeft en 
gezond blijft, is hem onverschillig; zoo de neger slechts veel 
werkt en weinig kost, is hij volkomen tevreden. De ziekte 
en dood van den slaaf is voor den huurder geen schade, 
wel voor den eigenaar. 

Ongehoord zijn niet zelden de woekerwinsten, die, ten 
koste van het bloed en zweet der arme slaven, verkregen 
worden, winsten waarop men zich, zelfs in het openbaar, 
durft beroemen. Onlangs verhaalde eene voorname dame, 
in een aanzienlijk gezelschap, als eene benijdenswaardige 
zaak, dat een lid harer familie voor eenen spotprijs twee 
slaven had weten te krijgen, en die beide slaven nu tegen 
ƒ300. — het stuk in liet jaar, tevens onder genot van kost 



74 

en kleeding, aan zekere plantage verhuurd had. Noch de 
verhaalster, noch iemand uit het gezelschap zag daarin 
iets stuitends of onbehoorlijks. Die twee slaven zouden, 
binnen den tijd van drie jaar, koopprijs en renten aan hun- 
nen meester hebben opgebragt, en toch voor altijd tot sla- 
vernij gedoemd blijven, zonder zelven immer eenig genot 
van hunnen arbeid te trekken! 't Is eene gelukkige spe- 
kulatie — anders niet ! 

Op deze wijze over slaven te hooren spreken is volstrekt 
niets zeldzaams. Zelfs het sterven der slaven wordt alleen 
betreurd, naarmate van hunne meerdere of mindere waarde. 
Nimmer hoort gij, als een slaaf op eene ongelukkige wijze 
het leven verliest, hem of zijne nagelatene betrekkingen, 
maar altijd zijn meester beklagen. 

Iemand verloor onlangs een rijpaard. 

Een zijner vrienden beklaagde hem. 

— //'t Is een verlies van belang, 't Is even erg alsof 
gij een goeden neger hadt verloren !" 

Mevrouw orie te Paramaribo had eene oude slavin, die 
eene tweede moeder voor haren echtgenoot was geweest , hem 
in zijne jeugd had verpleegd en opgevoed met eene liefde, 
die nooit vergolden kan worden, hem in tallooze, ook be- 
smettelijke ziekten, had bijgestaan en nacht en dag zijne 
legerstede niet verlaten. De oude slavin werd nu zelve 
krank en haar einde begon te naderen. Ze had twee, bijna 
blanke dochters. Alsof deze aan hare moeder de liefde wil- 
den vergelden, die zij aan den meester had bewezen, be- 
toonden ze haar eene hartelijke toegenegenheid en oudermin, 
't Was haar eene zaligheid de oude moeder te laven en te 
helpen en haar lijden te verzachten. 

Maar mevrouw orie zag dit met ongenoegen en ongeduld. 
Als zij aan de zieltogende eenige oogenblikken toewijdden, 
die de meesteres meende dat haar behoorden, berispte ze de 



75 

dochters. Zij overlaadde haar met werk, nu nog meer dan 
gewoonlijk, omdat zij van de oude vrouw geen dienst had. 

— //Wat doet ge bij het zieke wijf?" zoo heette het 
ieder oogenblik. //'t Is overbodig! Mijn werk gaat voor. 
Er is toch geen kruid voor gewassen." 

De oude vrouw stierf. Hare beide dochters , thans weezen , 
stortten bittere tranen. Ook de heer orie was aangedaan. 
Maar zijne echtgenoote lachte hem uit. 

— //'t Is een geluk," zeide zij, //dat ze dood is. Als 
slaven oud zijn en niet meer werken kunnen, dan zijn ze 
nergens meer goed voor. 't Is dan veel voordeeliger van 
hen bevrijd te worden. Het kapitaal brengt niet alleen geen 
interest meer op, maar kost nog aan onderhoud." 

De beide dochters der arme oude hoorden de meesteresse 
op die wijze over hare moeder spreken. Maar waarom niet? 
Slaven hebben immers geen gevoel? 

Gemeenlijk zijn, ouder de verhuurde slaven, zij, die eenig 
handwerk verstaan, er het beste aan toe. Sommige meesters 
staan hun van het verdiende dagloon een gedeelte af, of 
laten hen een paar uur daags voor zich zelve werken. 
Daarvoor moeten zij echter geheel in hun onderhoud voor- 
zien. Andere meesters nemen de geheele verdienste voor 
zich en geven den slaaf nog niet eens het in het reglement 
voorgeschrevene. 

Overigens is de gewone huurprijs van een tot veldarbeid 
gebruikt wordenden mannelijken slaaf een gulden toty*l,30, 
en die eener vrouw, denzelfden arbeid verrigtende, zeventig 
of tachtig cents per dag. Daarbij is de huurder verpligt 
voor voeding te zorgen, zoodat de slaaf een zwaar dagloon, 
van hetwelk hij zich en de zijnen ruimschoots zou kunnen 
onderhouden, aan zijnen meester opbrengt, terwijl deze al- 
ler bekrompen st in de behoeften van den slaaf voorziet. 

Velen der tot veldarbeid ongeschikte slaven worden bin- 



76 

nen Paramaribo als koetsiers, huis- en winkelbedienden enz. 
verhuurd. Naarmate der werkzaamheden en krachten van 
den slaaf verschilt het huurloon van vijftig cent tot één 
gulden daags. Voor aankomende jongens wordt gemeenlijk, 
naar evenredigheid van hunnen ouderdom, van zestien tot 
vijftig cents, en voor vrouwen in meest alle gevallen de 
gewone twee-en-dertig cents daags, somwijlen echter ook 
tien gulden 's maands, betaald. De meesten der binnen Pa- 
ramaribo verhuurde slaven ontvangen, wanneer de meester 
de levensmiddelen niet in natura geeft, slechts vijftig cents 
in de week voor voeding, sommigen de bij de wet bepaalde 
zeventig cents, en de minsten (welke dan wel bij zeer edel- 
moedige meesters moeten werkzaam cijn!) krijgen iets meer 
of eten in huis. De inhaligheid strekt zich somwijlen zoo 
ver uit, dat men den slaaf, die het ongeluk heeft een glas 
of stuk huisraad te breken, de vijftig of zestig cents week- 
geld inhoudt, hem zoodoende noodzakende bij zijne lotge- 
nooten te bedelen. 

Maak den Surinaamschen slaven eigen aar op dit alles op- 
merkzaam. Hij zal u antwoorden : //Ja! maar wanneer de 
slaven niet te lui zijn, kunnen zij er nog wel iets bij doen." 
Met sommigen is dit misschien inderdaad het geval. Maar 
zeker is het ook, dat de huurder van slaven hunnen arheid 
noodig heeft, en zich om het kapitaal volstrekt niet, maar 
alleen om de renle bekommert, 't Ligt voor de hand, dat 
hij den gehuurden slaaf van den vroegen morgen tot den 
laten avond laat werken; dat is zijn voordeel; wordt de 
slaaf ziek of sterft hij, welnu wat gaat hem dat aan? dat 
is tot nadeel van den eigenaar, niet van hem! 

Zoo weet men in Paramaribo te woekeren met zijn ka- 
pitaal. En toch, als gij de slavenhouders hoort, zoudt gij 
moeten gelooven, dat zij zich de grootste opoiferingen ge- 
troosten door slaven te houden. 



77 

— //Wat zijt gij gelukkig!" zeide onlangs eene lieve 
jonge dame tot een harer vriendinnen, aan wie zij een be- 
zoek bragt. //Wat hebt gij het getroffen met die maria! 
Zoo handig, zoo vlijtig en tevens zoo goedwillig eene slavin 
treft men zelden aan!" 

— //Och! wat zal ik u zeggen, mijne lieve," was het 
antwoord. //Gij zijt nog te kort hier; anders zoudt gij 
weten, dat het voor ons, ingezetenen dezer kolonie, een 
ongeluk is, slaven te moeten houden " 

— //O dat stem ik u gaarne toe!" viel de jonge dame 
haar in de rede; //de slavernij is een gruwel, een schande 
voor dit land " 

— //Neen, zoo bedoel ik het niet. De slaven hebben 
het goed, maar de meesters zijn te beklagen. Dat negerras 
is zoo ondeugend, zoo slecht, zoo bedorven! Ook de beste, 
gelijk mijne maria, die u zoo voortreffelijk toeschijnt, is 
nog een schepsel vol fouten en gebreken, dat ons dagelijks 
kwelt en verdriet doet." 

— //Hoe is het mogelijk? en ze ziet er zoo goedhartig, 
zoo zachtmoedig, zoo lief en vriendelijk uit." 

— //Niets dan schijn! Men hoort tegenwoordig die dwaze 
philantropen in Europa weder om //emancipatie" schreeuwen. 
Ze vallen ons hard, dewijl wij slaven houden, alsof wij ze 
hielden voor ons eigen voordeel en genoegen ! Geloof mij , 
wij zijn betere menschen vrienden dan zij. Wat houdt ons 
van de emancipatie terug? Ons eigen voordeel? Volstrekt 
niet; raadpleegden wij alleen ons eigenbelang, dan zouden 
wij de slaven onmiddelijk door vrije bedienden moeten ver- 
vangen; daarvan is men veel beter gediend, dan van zulk 
een ellendig ras." 

— //En waarom doet gij het dan niet?" 

— //Alleen in 't belang der slaven. Wat zou er van 
hen worden? Ze verdienen wel niet, dat men zoo voor 



78 

hen zorgt, maar dat is Christenpligt. Door eene emanci- 
patie zouden de slaven diep ongelukkig worden, want ze 
kunnen de vrijheid niet verdragen. Daarom alléén zijn wij 
er tegen." 

Zoo weet men in Suriname de woekerwinsten te vergoe- 
lijken, die men trekt van een kapitaal, dat een diefstal is, 
gepleegd aan de vrijheid en de regten der menschheid, een 
kapitaal, waarvan het bezit een misdaad is voor de regtbank 
der zedelijkheid en een gruwel in Gods oogen! 



IV. 



HUISSELIJftË TUCHT. 



— *=aïgö.-r— 



De huisselijke tucht der slaven is, volgens de ingezete- 
nen van Paramaribo, allernoodzakelijkst, 't Zou zonder haar 
onmogelijk zijn regel, orde en gezag onder de //koppige" 
en //ondankbare" slaven te handhaven. 

Langen tijd was de magt van den meester in dit opzigt 
bijna onbeperkt. Hoe maakte hij daarvan gebruik? Wij 
schromen niet onbewimpeld het antwoord op die vraag te 
geven. Die magt heeft aanleiding gegeven tot zulke wreede 
en afgrijselijke mishandelingen, tot zulk eene verkrachting 
van alle beginselen van regt en menschlievendheid, dat het, 
waren de feiten niet bewezen, niet mogelijk zou zijn tege- 
looven, dat zulke gruwelen in eene Nederlandsche kolonie 
zouden kunnen plaats grijpen. 

Toen in 1848 in het naburige Cayenne de slavernij plot- 
seling werd afgeschaft, kwam men te Paramaribo op de 
gedachte, dat er nu toch ook wat diende gedaan te worden, 
om de mishandelingen der slaven door hunne meesters te 
beteugelen. Zou men ook vooral het oor van den vreem- 
deling hebben willen beveiligen tegen het hartverscheurend 



80 

augstgeschrei , dat deze, in de hoofdstad vau Suriname rond- 
wandelende, dagelijks uit de woningen kon hooren opgaan? 
Zou men 't misschien ook gedaan hebben, om, bij meerdere 
bekendheid en behartiging der koloniale belangen in Neder- 
land, daar althans den schijn te kunnen aannemen , als werd 
tegen slavenmishandeling behoorlijk gewaakt? Onverschillig 
wat de beweegreden zij, art. 13 van het Reglement op de 
hehandeling der slaven in de stad Paramaribo en hare bui- 
tenwijken en in de stad Nieuw-Rotterdam, of zoogenaamde 
Nicheripunt ^ door een koninklijk besluit van 6 Pebruarij 
1851 gearresteerd, bevat het volgende voorschrift: 

//Voortaan zal op het bijzondere erf van eenen ingezetene 
of op eenige andere plaats binnen de stad Paramaribo en 
hare buitenwijken, buiten het //piket der justitie," noch de 
straf van slagen, noch van eenig ander ligchamelijk bedwang 
aan slaven mogen worden uitgeoefend, behoudens het regt 
der meesters tot de opsluiting hunner slaven op hunne erven, 
voor niet langer dan 24 uren, en dat om over de jeugdige 
slaven beneden de 14 jaren eene vaderlijke tucht te kunnen 
uitoefenen. 

//Dezelfde bepaling geldt de bewoners van de stad Nieuw- 
Rotterdam. De plaats, welke aldaar het piket van justitie 
vervangt, zal door den Landdrost worden aangewezen." 

Dat, beval de koning in 1851, zou voortaan gebeuren. 
Maar gij begrijpt, dat het voor menschen, die sedert jaren 
gewoon waren, de straften hunner slaven zelve uit te voe- 
ren , of in hunne tegenwoordigheid naar goedvinden te laten 
uitvoeren, bijzonder hard was om thans de magt, die zij 
meenden dat hun regtmatig toekwam, of ook wel soms het 
genot, dat zij daarbij ondervonden, aan agenten van policie 
af te staan. Velen beschouwden dan ook het nieuwe regle- 
ment als een inbreuk op hunne regten. Ze konden zich 
niet begrijpen, van waar de regering de bevoegdheid ont- 



81 

leende, van zich te bemoeijen met de wijze, waarop zij ver- 
kiezen met hun, voor geld verkregen, eigendom om te sprin- 
gen. Is het te verwonderen, dat er nog altoos huisgezinnen 
zijn, waarin het gebruikelijk is, om de aan de slaven toe- 
gedachte zweepslagen zelve uit te deelen, in weerwil van 
het verbod? Is het te verwonderen, dat de door drift ver- 
voerde en hoe langer zoo meer opgewonden meesters daarbij 
nog dikwijls op eene wreede wijze te werk gaan? Maar wat 
u verwondert is misschien de onverschilligheid, althans wer- 
keloosheid der policie in het handhaven der verbodsbepaling. 
In eene kolonie, waar nog op dit oogenblik //brandstapel" en 
//rad" onder de lijfstraffen behooren; in eene kolonie, waar, 
ofschoon, volgens het reeds meermalen genoemde Ministeriele 
Verslag, de pijnbank in 1827 is afgeschaft, nog slechts wei- 
nige jaren geleden, slaven dagen achtereen met zweepslagen 
zijn gemarteld, om hen tot bekentenis te brengen; in zulk 
eene kolonie is die werkeloosheid echter zeer natuurlijk. 

En veroordeel niet te hard. De haat, dien ieder hoo- 
ger of lager regterlijk beambte op zich zou laden, de 
algemeene tegenstand, dien hij zou ondervinden, wanneer 
hij het waagde de belangen van den slaaf tegenover den 
meester voor te staan, dat alles moet wel van elke ernstige 
tusschenkomst terughouden. De slaaf weet dit. De arme 
slaaf, wiens getuigenis tegen zijn meester in regten niet veel 
waarde heeft, die de zucht kent, welke er zelfs bij hooge 
ambtenaren bestaat, om, in het belang der tucht, den 
meester in geval van klagten gelijk te geven, de weer- 
looze slaaf weet dat het hem bijna onmogelijk is de we- 
derregtelijke daad van zijnen heer te bewijzen. Hij weet, 
dat hij kans loopt, om, bij eene aanklagt, tot loon eene 
nog zwaardere straf te ontvangen. En al werd hij in 't 
gelijk gesteld, toch komt hij in handen van zijnen nu 
nog meer verbitterden meester terug. Daarom zwijgt hij, 

I. 6 



82 

daarom onderwerpt hij zich bij voortduring aan de huisse- 
lijke tucht. 

Ook nu nog, na het reglement van 1851, gaat er geen 
dag voorbij, waarop geene kastijdingen binnen's huis hier 
of daar te Paramaribo plaats grijpen. Wilt gij voorbeelden? 
In menigte zijn ze te geven; maar slechts enkelen uit ve- 
len. De namen verzwijgen wij. 

Digt bij het Gouvernementsgebouw in Suriname's hoofd- 
stad is een stal. Zoolang dat Gouvernementsgebouw on- 
bewoond was, tot kort voor de komst van den tegen woor- 
digen Gouverneur, ontvingen de slaven van den eigenaar 
dier stal meer zweepslagen dan de paarden. Een voorbij- 
ganger telde eenmaal honderdtien, die aan denzelfden slaaf 
werden toegediend. Op eenen anderen dag telde hij meer 
dan honderd, die, in een tijdsverloop van tien of twintig 
minuten, mede aan één ongelukkigen , telkens met eenige 
tusschenpozen, werden toegebragt. Twee, in de nabijheid 
voorbijgaande, policiedienaren hoorden het beulen werk ook, 
maar kwamen niet tusschenbeide. 

De naam eener missie is ons bekend, die, op de binnen- 
plaats harer woning, dikwijls uren lang bezig is, om de 
naakte opgeheschen slaven en slavinnen , met lange tusschen- 
pozen, van haren stoel zweepslagen te geven. 

Eene Israëlitische zwartin bragt onlangs eene slavin een 
paar slagen toe. 

— vDat verdien ik niet," zeide de slavin. //Eigenlijk 
moest ik reeds lang vrij zijn. Uw echtgenoot heeft het 
mij beloofd. Bovendien heb ik reeds genoeg voor dien vrij- 
dom opgebragt." 

— //Uwe brutaliteit zal ik u betaald zetten," was het 
antwoord der in woede ontstoken vrouw; en onmiddelijk liet 
zij de slavin naar het piket van justitie brengen. Maar de 
straf, die ze daar onderging, scheen hare meesteres niet ge- 



83 

noegzaam toe. De striemen en wonden, die de zweep had 
achtergelaten, waren in hare oogen niets beteekenend. Zij 
zou het werk der justitie verbeteren. En nu begon eene 
wraakoefening, wier beschrijving wij voorbijgaan. In eenen 
deerniöwaardigen toestand ontvlugtte de slavin aan de woede 
harer meesteres, ijlde naar de woning van een hoog amb- 
tenaar, stortte zich voor zijne voeten en smeekte ontfer- 
ming. De zaak zou vervolgd zijn — maar het aftreden 
van den ambtenaar volgde kort daarop — en de slavin 
werd naar eene ver afgelegen plantage gezonden. 

Twee vrienden waren in 18.52 te Paramaribo op zekeren 
avond bij elkander. Na eene korte woordenwisseling in eene 
aangrenzende woning, hoorden zij het bevel uitschreeuwen : 

— //Poeloe joe pantje!" Doe uw pantje (stuk lijnwaad 
om de lendenen) af! 

Plotseling vielen slagen en verhief zich het akelig gegil 
eener vrouw. Reeds waren er eenigen gevallen, toen zij 
begonnen te tellen en het tot twee-en-veertig bragten. Bij 
nader onderzoek bleek, dat eene twintigjarige slavin het 
voorwerp en een eind teertouw het werktuig der strafoefe- 
ning geweest was. 

Het oor van een hooggeplaatsten ambtenaar werd, niet 
lang geleden , getrofien door het gegil in eene woning waar 
hij voorbijging. Hij trad binnen en vond eene jeugdige 
dame bezig met het slaan van een slavenmeisje. Eene reg- 
terlijke vervolging zou tegen haar zijn ingesteld, indien 
niet juist ter zelfder tijd een harer naaste bloedverwanten 
overleden was. Wat echter de regterlijke ambtenaar, die 
tusschen beide kwam, zeker niet weet, is, dat hetzelfde 
slavenmeisje eenige dagen later naar eene naburige plantage 
is gebragt, en daar het verdiende loon ontving — omdat 
ze door haar geschrei zoo veel onaangenaamheden had te 
weeg gebragt. 

6* 



84 

In de Watermolenstraat woont een mulat, die eene op- 
passende, sterke, brave slavin bezit. Zij heeft twee kleine 
kinderen, die natuurlijk alleen aan haar zijn overgelaten. 
Bovendien moet zij het huis schoon maken, het eten berei- 
den, op den winkel passen, wasschen en nog de kinderen 
van haren meester verzorgen. In plaats van voor al dien 
arbeid, dien ze zonder tegenstreven goedwillig en ijverig 
verrigt, eenigen dank in te oogsten, wordt de //huisselijke 
tucht" onophoudelijk op haar toegepast, wordt ze bijna 
dagelijks geslagen en mishandeld; zoo zelfs, dat onlangs 
een paar personen, anders niet bijzonder teergevoelig, toen 
zij de slavin zesmaal in eene week meedoogenloos hadden 
zien tuchtigen, zich verpligt gevoelden tusschen beide te 
treden. 

In de nabijheid van een der predikanten van Paramaribo 
woont iemand van den fatsoenlijken stand , wiens echtgenoot 
vroeger slavin was. Op de binnenplaats dezer woning kunt 
gij bijna dagelijks de smartkreten van gemartelde slaven 
hooren opgaan. 

Dit alles is tegen het reglement van 1851, dus onregt. 
Maar dat reglement geeft de bevoegdheid tot eene //vader- 
lijke tuchtiging" aan jeugdige slaven beneden de 14 jaren. 
Wat is dit? De eigenaren beschouwen den zin dier woor- 
den als grenzenloos. De //vaderlijke tuchtiging" wordt ge- 
woonlijk met de zweep of een eind touw uitgeoefend. Niet 
zelden ziet gij vreesselijk mishandelde kinderen rondloopen. 
Zoo nam op den 8 September 1852 een, door den heer 
R. op de afschuwelijkste wijze gemartelde, jongen zijn toe- 
vlugt in het hotel van den Gouverneur. Hij was 13 of 14 
jaar oud en van gemengd bloed of, gelijk men het noemt, 
een kleurling. Zijn meester had hem aan een boom opge- 
hangen, en met een eind touw zoodanig geslagen, dat het 
gansche ligchaam met wonden overdekt was. Op last van 



85 

den Gouverneur, werd eene geregtelijke vervolging tegen 
den heer R. ingesteld. Het bleek, dat de misdaad van den 

jongen bestond in het lang uitblijven bij het verrigten 

van eene boodschap! Hij had een rijtuig met vier paarden, 
een voor hem vreemd verschijnsel, zien voorbijrijden, en 
had daarnaar staan kijken en zoo zijn tijd verbeuzeld — 
zijne straf kennen wij. De heer R. werd veroordeeld ; zijne 
straf was eene geldboete! 

De slaven beschouwen het algemeen als een der grootste 
rampen, die hun ten deel kunnen vallen, wanneer zij het 
eigendom worden van een Israëliet, — en de helft der vrije 
bevolking van Paramaribo bestaat uit Israëlieten ! De meeste 
kleurling-slaven, mestiezen en poestiezen, zijn in hunne 
handen. 

De slaven zijn met reden beducht voor zulke meesters, 
want over 't algemeen zijn zij en de vrije kleurlingen de 
wreedste meesters. De slechte kleeding der ongel ukkigen, 
die in de magt zijn van deze slavenbeulen, hun vermagerd 
voorkomen en de moedeloosheid van hunne blikken zijn de 
bewijzen van de mishandelingen, waaraan ze dagelijks zijn 
blootgesteld en van het weinige, dat hun tot onderhoud 
wordt gegeven. De Israëlieten zijn tegenwoordig over 't 
algemeen vrij armoedig; en vooral onder die armoedige lie- 
den, waarvan velen toch nog enkele slaven bezitten , hebben 
de slaven de meeste ellende en wreedheden te verduren. 

De gezagvoerder van een Nederlandsch vaartuig, dat on- 
langs eene reis naar de West maakte, woonde gedurende 
zijn verblijf te Paramaribo op eene kamer, die op de bin- 
nenplaats der woning van eene Israëlitische vrouw het uit- 
zigt had. Zij had verscheiden slavinnen , mestiezen en poes- 
tiezen. Zonderlinger verhouding dan tusschen deze lijfei- 
genen en haar was wel niet te bedeuken. Nu eens was zij 
in de hoogste mate met haar gemeenzaam, praatte vertrou- 



86 

weiijk, lachtte en boertte, en in 't zelfde oogenblik ver- 
toonde de meesteresse zich, zoo niet in al hare majesteit, 
dan toch in al hare kracht, door de zweep op de huid der 
slavinnen te doen branden — door de huisselijke tuchti- 
ging. 

't Is middag, 't is etenstijd. Daar verzamelen zich de 
vrouw des huizes en de mestiezen en poestiezen, die haar 
toebehooren, op de binnenplaats. Een groote schotel, ge- 
vuld met eene eenvoudige maar goede spijze, wordt door 
een der laatsten naar buiten gebragt en op den grond ge- 
zet. Allen zonder onderscheid zetten zich er om heen, de 
meesteresse tusschen de slavinnen; geen de minste pligt- 
plegingen worden in acht genomen; en gij zoudt de eerste 
van de laatsten niet kunnen herkennen, indien daar geen 
instrument naast haar lag , dat als het onderscheidingsteeken 
moest beschouwd worden, 't Was een zwaar teertouw, dat 
de bewijzen droeg van reeds dikwijls gebruikt te zijn. Ove- 
rigens vrijheid en gelijkheid! Vorken of lepels werden niet 
gebruikt, ieder tastte met hare handen toe en trachtte de 
beste stukjes en de lekkerste hapjes naar zich toe te halen, 
zonder zich er over te bekommeren, dat ook de meesteres 
onder de konkurrenten behoorde. Maar was eene der sla- 
vinnen al te begeerig, en gelukte het haar een brokje te 
bemagtigen, waarop de vrouw des huizes meer bijzonder 
hare zinnen had gesteld, dan vertoonde zich de magt der 
meesteres in den vorm van het teertouw, dat ongenadig op 
de kleine snoepster nederviel, die huilende de reeds ver- 
kregen prooi aan de bezitster van het teertouw overliet. 

Zoo wordt op allerlei wijze de //huisselijke tucht" uit- 
geoefend. 

Maar waarom is die zucht zoo groot, om het verbod te 
overtreden van zelf zijne slaven te straiTen? Waarom is de 
overtuigiii;.^, dat slaven niet anders dan door de zweep ge- 



87 

regeerd kunnen worden, zoo algemeen? Is het dan inder- 
daad een vooroordeel en anders niet? 

De onnatuurlijke toestand der slavernij zelve is er oorzaak 
van; de verhouding, waarin de meester tot zijn slaaf en 
deze tot zijn meester staat, maakt ligchamelijke straflen tot 
een band, die beide partijen in die onnatuurlijke verhouding 
handhaaft. Er zijn meesters, die straffen, niet dewijl eene 
overtreding heeft plaats gehad, maar dewijl zij meenen, dat 
anders 't gevoel van ondergeschiktheid der slaven zou ver- 
minderen. Er zijn slaven, die, door de gedurige en her- 
haalde toepassing der zweep, daaraan zoo gewoon zijn geraakt, 
dat ze zelf verklaren, dat instrument niet te kunnen missen. 

En die zweep heeft nog eene bijzondere eigenschap. Van 
beide kanten, aan de zijde van den meester en aan dien van 
den slaaf, wordt eene gedurig toenemende verharding en 
verdooving van gevoel opgemerkt. De meester wordt al 
wreeder, de slaaf al ontembaarder. De zweep is als de opi- 
um; gedurig moet de dosis vergroot worden, naar mate 't 
gevoel meer verstompt. 

De //huisselijke tucht" wordt in hare toepassing bij velen 
eene bloedige strafoefening, ja rijst wel eens tot grove mis- 
handeling. Zij , die beginnen met den toestand der maat- 
schappij in Suriname streng te veroordeelen , worden weldra 
gelijk de anderen. Wat kan ook een man van eer en edele 
gevoelens in een land, waar eene diep gezonken, van alle 
onderwijs verstoken klasse van menschen aan blanken is 
overgegeven, die zich zei ven meestal niet kunnen bedwin- 
gen, en die zelfs hunne waarachtige belangen niet kennen? 
Wat kan hij anders, dan de oogen sluiten, om ook zijn 
gevoel te verharden en zijn geweten tot zwijgen te brengen ? 

Wat hij kan? Hij kan de waarheid spreken. Hij kan 
aan de wereld verkondigen wat in Suriname voorvalt. Hij 
kan het gordijn wegschuiven, waarachter men eenen, Ne- 



88 

derland onwaardigen, toestand verbergt. Hij kan den moed 
hebben , om zich te laten verguizen en beschimpen , om zich 
zelven op te offeren, ten einde eene slavernij te vernietigen , 
die den meester vernedert tot een hardvochtigen menschen- 
hater en den slaaf tot een werktuig, dat alle menschelijke 
eigenschappen verliest. Hij zal als een leugenaar en las- 
teraar worden uitgekreten; door de besten misschien voor 
een //overdreven philantroop" worden gehouden — maar hij 
zal toch de waarheid hebben gepredikt, en alleen de kracht 
der waarheid kan de van God gevloekte slavernij overwinnen ! 



V. 



HET PIKET DER JUSTITIE. 



— «-S^ÏSas-- 



Als gij het Gouvernementsgebouw te Paramaribo voorbij- 
gaat, en de Gravenstraat ten einde wandelt, ziet gij aan 
uwe linkerhand een, eenige voeten boven den grond opge- 
trokken, geheel op zich zei ven staande, houten gebouw. Het 
heeft een huiveringwekkend voorkomen. Voor en achter 
strekken zich twee pleinen van ongeveer dezelfde grootte 
uit, waarvan het eene, dat aan de Gravenstraat grenst, door 
eene heining van pallissaden, en het andere, dat aan de 
Wagenstraat uitkomt, door een planken schutting is omge- 
ven. Gij zijt hier op de plaats des lijdens van duizenden 
uwer natuurgenooten; gij zijt hier op de plaats der straf, 
neen, der pijniging en marteling van de slaven van Para- 
maribo; gij zijt op het piket van justitie. 

Merkt gij op dat plein, aan de Wagenstraat grenzende, 
te midden van eenige huizen, bewoond door dienaren der 
policie of bestemd voor gevangenissen, waarin een tal on- 
gelukkigen in boeijen zitten, die twee roodgeverwde, reeds 
op eenigen afstand zigtbare palen, die boven de heining 
uitsteken? Ziet gij tusschen die twee dat van een ijzeren 



90 

voetbeugel voorziene voetstuk, ter plaatsing van een derde 
paal bestemd? Dat is het noodlottige martelwerktuig voor 
de ongelukkigen. Daar stelt de Surinaamsche policie hare 
dienaren beschikbaar, om de door de burgerij dagelijks uit- 
gesproken vonnissen, zonder eenig nader onderzoek, uiterst 
goedkoop, tegen eene betaling van hoogstens vijftig cents, 
ten uitvoer te leggen. 

Bijna eiken morgen en avond kunt gij, in de nabijheid 
van die plaats rondwandelende, slaven of slavinnen, stevig 
gekneveld, door agenten van policie geleid, hier zien aan- 
komen. Dikwijls bevindt zich de eigenaar, meermalen een 
jong mensch, een zijner kinderen, bij den treurigen optogt. 
Uit de geheele houding van den laatsten blijkt de zelfvol- 
doening over de rol, die hij vervult. Zijne onrustig rond- 
dwalende blikken, zijn trotsch en verwaand voorkomen, en 
al zijne bewegingen toonen aan, dat hij gaarne de gansche 
stad getuige zou willen maken van de wijze, waarop hij 
van zijn regt gebruik maakt, en hoe hij met zijne //leelijke 
slaven" weet om te springen. Om aan de onmenschelijke 
vertooning een nog afschuwelijker karakter te geven, wordt 
dikwijls ter bezuiniging niet van een agent van policie, om 
de slaven te geleiden, gebruik gemaakt, maar wordt die taak 
aan eenen anderen neger of kleurling opgedragen, wiens 
beurt het misschien morgen zal zijn, om tot hetzelfde einde 
herwaarts te worden gevoerd. Men is op de noodlottige 
plek aangekomen. Men klopt aan het venster van het aan 
de straat gelegen kamertje van den wachthebbenden agent 
van policie, waarin de touwen voor het knevelen en de 
zweepen voorhanden zijn. Daarop wordt de ingang van het 
plein geopend en de stoet treedt binnen. 

De slaaf of slavin wordt genoodzaakt de kleederen af te 
leggen, en alleen een eenvoudige schortband, om de liezen 
te bedekken, te behouden. Met een om de handen beves- 



91 

tigd touw, dat door twee insnijdingen in de toppen der 
beide roodgeverwde palen loopt , worden zij tusschen deze twee 
opgeheschen. Spoedig daarop hoort gij het klappen van de 
zweep en het angstgeschrei en kermen en gillen van den 
lijder of de lijderes. Hebt gij den moed om een blik op 
de dijen der martelaars te slaan, dan ziet gij het bloed op 
den grond druipen. Ja, op de dijen; want de verfijnde 
wreedheid heeft uitgevonden, dat de zweepslagen daar het 
pijnlijkst zijn, vooral in die uitgerekte houding. Zij bren- 
gen verwondingen aan, die dikwijls dagen lang blijven et- 
teren en likteekeus nalaten, welke nimmer verdwijnen. 

Volgens art. 14 van het in 1851 door een koninklijk 
besluit vastgesteld Reglement, mogen //de straiïen, waartoe 
//in de stad Paramaribo en hare buitenwijken op het piket 
//van justitie, en in de stad Nieuw-Rotterdam op de daartoe 
//aan te wijzen plaats, de meester op eigen gezag bevoegd is 
//over te gaan, en welke door de ambtenaren der policie, op 
tj eenvoudige aanvrage der eigenaren of derzelver veriegenwoor- 
//digers, aan slaven boven de 14 jaren kunnen worden toe- 
//gepast, niet te boven gaan : 

//opsluiting gedurende S nachten, met of zonder boeijen, 

//opsluiting gedurende 3 etmalen, met of zonder boeijen, 

II slagen met de gewone ziveeip^ aan mannen 25, aan vrou- 

//wen 15, aan jongens tusschen de 16 en 14 jaren 15, en 

//aan meisjes van denzelfden ouderdom 10." 

Gij ziet, hoe ver men gaan mag. Maar er is ook gezorgd , 
dat geene zieken en gebrekkigen aan deze marteling worden 
blootgesteld, want art. 15 van hetzelfde reglement bevat de 
volgende hoogst menschlievende bepaling : //Indien de amh- 
iitena/ren der policie vermeenen, dat een slaaf de gevorderde 
//straf, hetzij uithoofde van zijnen ligchaamstoestand, hetzij 
//uithoofde van ziekelijke omstandigheden, niet kan door- 
ti staan ^ of indien zij twijfelen aan de bevoegdheid van den 



92 

//persoon, die de straf vordert, of de slavin , wier afstraffing 
//gevorderd wordt, blijkbaar zich in zwangeren staat bevindt 
//of zwanger beweert te zijn, zullen zij de straf schorsen, 
//en daarvan in de stad Paramaribo aan den prokureur-ge- 
//neraal, en in de stad Nieuw-Rotterdam aan den landdrost 
//kennis geven, die daaromtrent zullen handelen, zooals zij 
//zullen vermeenen te behooren." 

Van geneeshundig onderzoeJc is geene sprake. De beoor- 
deeling van den //ligchaamstoestand" of van de //ziekelijke 
omstandigheden" is overgelaten aan hardvochtige en onwe- 
tende policiebeambten , die niet ligt tot zulk eene verklaring 
zullen overgaan, want, zoo de //afstraffing" niet doorgaat, 
verliezen zij ten minste vijftig cents. En dat is voor hen 
geene kleinigheid, want hunne bezoldiging is gering. Het 
is eene goedheid van hen, indien zij de strafoefening schor- 
sen; zij zijn er niet toe verpligt; en die goedheid moet zoo 
groot zijn bij hen, die dagelijks menschen ten bloede toe 
slaan, dat zij het eigenbelang overwint! 

En wie zijn nu de regters, die tot deze straffen veroor- 
deelen? Gij hebt het gezien : de //afstraffing" geschiedt op 
eenvoudige aanvrage van den eigenaar van den slaaf of de 
slavin. De meesters zenden hunne lijfeigenen naar deze 
martel plaats, zoo dikwijls zij 't goed vinden, op eigen gezag. 
Er zijn dus te Paramaribo evenveel regters als er slavenbe- 
zitters gevonden worden; regters, die hunne aanstelling te 
danken hebben aan de som gelds, die zij voor het koopen 
hunner slaven besteedden; regters, die, naar luim en wille- 
keur, menschen door de Nederlandsche policie laten pij- 
nigen, niet omdat zij eene misdaad bedreven, maar alleen 
omdat het hun onmogelijk is eene zekere som gelds te be- 
talen, waardoor ze vrij zouden zijn. 

En hoedanig zijn nu die regters, die zulk eene buiten- 
gewone diskretionaire magt over hunne medemenschen be- 



93 

zitten? Zijn het wel opgevoede, beschaafde, regtvaardige , 
verstandige lieden? Wij zullen de maatschappij van vrije 
menschen in Suriname geen onregt doen, als wij op die 
vraag antwoorden, dat dergelijke personen er uitzonderin- 
gen zijn. De bestanddeelen , waaruit zij is zaamgesteld, 
zijn zeer onderscheiden, maar één karaktertrek hebben 
allen gemeen. Niemand is er, waar het slaven geldt, 
onpartijdig. Behalve eenige, betrekkelijk onafhankelijke, 
gouvernements-ambtenaren en kooplieden, bestaat de fat- 
soenlijke stand te Paramaribo uit nog werkelijke of gewe- 
zen plantage-direkteuren en -administrateurs, die in deze 
betrekking geleerd hebben, den slaaf gelijk het redelooze 
dier en zijne regten gelijk nul te schatten. Overigens vindt 
gij in deze hoofdstad vreemdelingen, die hun vaderland ver- 
lieten, om daar buiten schatten te verwerven, zonder dat 
allen juist zeer kiesch in de middelen zijn. Er zijn zeer 
vele Israëlieten; doen' wij hen onregt, wanneer wij zeer velen 
onder hen schraapzuchtig noemen, altijd gereed om te woe- 
keren met het bloed en zweet hunner slaven, en, gelijk alle 
lafhartige karakters, wreed jegens hunne ondergeschikten? 
Niet weinig gepasporteerde matrozen en militairen treft gij 
er aan, dikwijls onbeschaafder dan de slaaf, die in hunne 
magt is, maar zich toch verre boven hem wanende. Er zijn 
bovendien talrijke vrij gegeven kleurlingen, die alle moge- 
lijke moeite aanwenden, om hunne afkomst te doen verge- 
ten; ze bootsen den Europeaan in alles na, en ze kennen 
geen beter middel, om zich voor blanken te doen doorgaan, 
dan door hunne slaven nog wreeder en hardvochtiger te 
behandelen. Eindelijk, er zijn ontslagen krimineel veroor- 
deelden — en ook zij, even goed als fatsoenlijke, deugd- 
zame en godvruchtige lieden, ook zij bezitten slaven, ook 
hun is het regt niet ontzegd, om lijfeigenen dagelijks naar 
het piket te zenden en streng te doen tuchtigen. 



94 

Stel u nu voor, in welk eenen toestand de beklagens- 
waardige slaven te Paramaribo verkeeren, overgegeven als 
zij zijn aan het //bon plaisir" van deze regters. Stel u de 
vreesselijke onevenredigheid voor van de misslagen , waarvoor 
dat //afstraffen" op het piket geschiedt. Wat al verschei- 
denheid van karakter ! En al die karakters spreken vonnis 
ter laatste instantie. Gij begrijpt het, die zweepslagen heb- 
ben de ongelukkigen meer of minder te wachten, naarmate 
van de meerdere of mindere gestrengheid en meerdere of min- 
dere hardvochtigheid van de meesters; naarmate der wijze, 
waarop dezelfde misstap door den een of den ander beoor- 
deeld wordt; naarmate der levenswijze, vooral van het meer 
of minder gebruik of misbruik van sterken drank bij den 
eigenaar. Duizend zulke omstandigheden oefenen invloed 
op de vonnissen, die hier worden ten uitvoer gelegd. 

Maar geen magt ter wereld kan den armen slaaf onttrek- 
ken aan het ondergaan van dat vonnis. De meester kan 
even goed vijf-en-twintig bloedige zweepslagen voor het 
regts of links draaijen van het hoofd, als voor diefstal laten 
toedienen. Artikel 15 is duidelijk. De ambtenaren van 
policie hebben zich volstrekt niet te bemoeijen met den aard 
van de gepleegde overtreding; slechts de krachten, die de 
slaaf tot het ondergaan der opgelegde straf bezit en de be- 
voegdheid van den persoon, die de straf eischt, staan ter 
hunner beoordeeling. Zoo worden gouvernements-ambtenaren 
vernederd tot de verpligting, om lijfstraffen uit te oefenen, 
al ziJ7i zij ook in geraoede overtuigd, dat het o nregt vaardig 
is. Zoo leent de Nederlandsche policie hare dienaren tot 
het martelen van ongelukkigen, die niets tot hunne verde- 
diging kunnen inbrengen, die nimmer gehoord zijn en wie 
zelfs de hoop op gratie, een koninklijk regt, dat ook de ver- 
achtelijkste moordenaar mag inroepen, voor altoos is ontzegd. 

Honderd tooneelen, het eene nog afschuwelijker dan het 



95 

andere, kunnen wij u op deze gevloekte strafplaats, de 
schande van Nederland in de negentiende eeuw, doen bij- 
wonen. Eene slechts van al die tallooze gruwelen, gij zult 
er uit zien , voor welke misdaden hier al zoo ten bloede toe 
wordt geslagen. 

LYDiA was eene jonge, schoone mulattin en behoorde aan 
de vrije zwartin, die wij johanna zullen noemen. Dage- 
lijks moet zij bij hare meesteres het huiswerk verrigten , het 
eten toebereiden en de gansche woning in orde houden; en 
wanneer dit des voormiddags ten tien of elf ure is afgeloo- 
pen, wordt ze de deur uitgezonden, om //werk op te zoe- 
ken" ten einde twee-en-dertig centen te verdienen , die eiken 
avond aan johanna moeten worden ter hand gesteld. Gij 
herinnert u, dat dit volgens den Minister van Koloniën 
//aan alle ingezetenen verboden" is. 

Zekere //vrijman," frans genaamd, neemt lydia tot 
zijne vrouw. Hij was als boodschaplooper en schoonhouder 
in een der landsgebouwen werkzaam en verdient een tame- 
lijk goed salaris. De arme slavin is daardoor gered. Eiken 
morgen, als zij de woning der meesteres verlaat, begeeft 
zij zich naar die van haren man, houdt zijne huishouding 
in orde, brengt eenige onbezorgde uren met hem door, en 
ontvangt van hem de twee-en-dertig cents, die zij aan jo- 
hanna verpligt is te brengen, frans heeft een klein huisje 
gehuurd op de plaats van den heer a., heeft zijne lydia 
hartelijk lief, is daar met haar regt gelukkig en zij is aan 
hem gehecht met eene toegenegenheid en trouw, die voor- 
beeldig zijn. Maar altoos hangt de beide echtgenooten een 
dreigend zwaard boven het hoofd. Hunne vereeniging duurt 
zoo lang als de meesteres van lydia het goed vindt. Deze 
is haar nog onbekend; zij verkeert in de meening, dat de 
slavin werk zoekt en vindt, waardoor zij de twee-en-dertig 
cents eiken avond zoo geregeld te huis brengt. 



96 

— //Maar als zij de waarheid eens verneemt !" zuchtte op 
zekeren dag lydia, toen zij met haren frans, tegen 't 
vallen van den avond, eenige zalige oogenblikken doorbragt. 

— //Welnu, wanneer zij 't nu al eens vernam," antwoordde 
haar echtgenoot, //'t Zal haar toch wel onverschillig zijn^ 
van waar zij 's avonds haar geld ontvangt, zoo gij het maar 
te huis brengt." 

— //En toch FRANS ! een bang voorgevoel zegt mij dat 
het beter is, dat zij de waarheid niet kent." 

— //Verberg haar die dan, mijne lieve, en reken altijd 
op mij als op uwen trouwen echtgenoot." 

LYDIA had niet te vergeefs gevreesd. Toen zij eenige maan- 
den in eene zalige verbindtenis had doorgebragt, kwam hare 
meesteres ter ooren, met wien zij leefde. Op zich zelf was 
het haar vrij onverschillig, dat ze zulk eene verbindtenis had 
aangegaan, en uit deze bron dagelijks de twee-en-dertig cen- 
ten te huis bragt. Maar ze hoorde den naam van den man. 

— //Die FRANS is een brutale mulat!" zegt zij op zeke- 
ren "morgen tegen lydia. //Ik hoor dat gij zijne vrouw 
zijt. Ik verlang, dat gij van hem zult afzien en een ande- 
ren man nemen." 

De meesteres was volkomen in haar regt. Slaven trou- 
wen niet. De verbindtenissen , die ze aangaan , kunnen ie- 
der oogenblik door hunne meesters verbroken worden , zon- 
der dat deze rekenschap van hun bevel behoeven te geven. 
Thans was een luim, en niets anders, de beweegreden tot 
dat bevel -^ maar ook dan moeten slaven gehoorzamen. 

LYDIA gehoorzaamde niet. Al mogt ook hare schoonheid 
haar in de gelegenheid stellen, om op eene andere wijze de 
twee-en-dertig cents te verdienen; zij had haren man lief; 
ze was voor hem tot elke opofiering bereid; zijne toegene- 
genheid en trouw hadden haar hart voor altoos aan hem 
gehecht. i,ydia gehoorzaamde niet. 



97 

Hare meesteres maakte gebruik van de bevoegdheid, haar 
bij art. 13 geschonken. Zij sloot hare slavin op eenen Zon- 
dag voor vier-en-twintig uren in een hok op haar erf, zon- 
der eten en drinken. Maar den volgenden dag gingLYDiA 
weder naar haren frans. 

De meesteres was geduldig en lankmoedig. Zij waar- 
schuwde, vermaande, bedreigde — maar lydia zweeg bij 
dat alles, en begaf zich eiken dag naar //dien brutalen 
mulat." 

Is het te verwonderen, dat johanna eindelijk haar ge- 
duld verloor? Wie zou het met zulke //koppige" slaven 
niet verliezen? 't Blijkt haar zonneklaar, dat lydia, in 
weerwil van haar verbod, nog altoos leefde met denman — 
dien zij lief had en wien zij dankbaar was; terwijl de mees- 
teres verlangde, dat zij zou leven, onverschillig met wien, 
maar juist niet met hem. De maat is vol. Zij maakt gebruik 
van de bevoegdheid , haar bij art. 14 van het reglement 
toegekend. 

Daar nadert een akelige stoet het piket van justitie, 
't Zijn twee vrouwen, de eene gebonden en door een agent 
van policie geleid, de andere met de woede op het gelaat. 
De eene schitterende van schoonheid, maar rillende van 
angst en de oogen van schaamte ter nedergeslagen. De 
eene de schuldige slavin lydia, de andere hare meesteresse 
JOHANNA, die //geheel in haar regt" is. Men heeft de 
plaats der sraarte bereikt, lydia wordt ontkleed; wel 
tracht ze haar hijgeiiden boezem met hare handen te be- 
dekken, maar die handen worden door ruwe beulen weg- 
gerukt en stevig zamengebonden, en bij die handen wordt 
zij aan de paal des lijdens opgetrokken. De tranen stroo- 
men haar langs de wangen , de oogen heeft zij smeekend op 
hare meesteres gerigt — maar de strafoefening gaat door. 
Waarom ook niet? Waarover verwondert gij u? Er is 

I. 7 



98 

geen de minste reden ven verwondering. Gij ziet hier 
niets anders, dan eene vrouw, die gebruik maakt van de 
bevoegdheid haar door eene Nederlandsche wet gegeven, 
dan Nederlandsche beambten, die aan de wet voldoen. 

Daar knalt de eerste zweepslag; daar de tweede; daar ver- 
heft zich een akelig gegil ten hemel; daar stroomt het bloed 
langs twee vrouwen-dijen — maar verwonder u dan toch 
niet. Er geschiedt niets onbehoorlijks. T)e wet verbiedt, 
om verder te gaan dan 15 slagen, en gij ziet het, met den 
vijftiende houdt men op. 

Het is geen sprookje, dat wij verhalen; het is een feit, 
dat, nog geen driejaren geleden, in eene Nederlandsche 
kolonie, onder bescherming der wet, is geschied. 

Men mag, volgens art. 14, met slaven niet verder gaan 
dan tot 25, met slavinnen en jongens tusschen de zestien 
en veertien jaren niet verder dan tot 15 en met meisjes van 
denzelfden ouderdom niet verder dan tot 10 zweepslagen. 

En toch zijn er slaven, die veel zwaarder //afstraffing" 
verdienen; toch zijn er althans meesters, die met zulk eene 
kleinigheid niet tevreden zijn en eene kastijding voor hunne 
lijfeigenen verlangen, die vrij wat harder treft. De wet- 
gever komt hen in dit billijk verlangen te gemoet. Art. 17 
van het reglement, in 1851 gearresteerd, luidt aldus : 

//De meester, die oordeelt, dat een slaaf, wegens onge- 
//hoorzaamheid, onwilligheid in het werken of andere onge- 
//regeldheden en vergrijpen, eene ernstiger bestraffing verdient, 
//dan welke hij op eigen gezag bevoegd is, op het piket van 
//justitie te doen opleggen, geeft daarvan keunis aan den 
//prokureur-generaal , die, na behoorlijk onderzoek der zaak, 
//den slaaf op het bedoelde piket zwaarder kan doen straften." 

Gij ziet; het drama, dat bijna dagelijks op het piket van 
justitie plaats grijpt, heeft met hetgeen gij gezien hebt 



99 

zijn uiterste van lijden en smarten en pijniging nog niet 
bereikt. //Zwaarder straffen" worden hier niet zelden toege- 
diend. 

Hier echter mag de meester niet op eigen gezag te werk 
gaan; hier is de tusschenkomst noodig van een hoogge- 
plaatst ambtenaar, van den prokureur-generaal; dat is ten 
minste een waarborg. 

Wie zal het tegenspreken? maar verlies daarbij niet uit 
het oog, dat het hier de meester '\^^^\^ een verzoek tot //af- 
straffing" van zijnen slaaf indient; dat het in Suriname 
een algemeen erkende grondregel is, om de magt des mees- 
ters altijd en overal tegen zijnen slaaf te handhaven; dat het 
getuigenis van eenen slaaf tegen zijnen meester in regten 
niet veel afdoet; dat, waar tweespalt tusschen den meester 
en zijn slaaf ontstaat, de laatste altijd woorden zal gebruikt 
hebben, waaraan eene met zijne onderwerping strijdige be- 
teekenis han gegeven worden. 

Waarin bestaat het //behoorlijk onderzoek der zaak," dat 
de wet voorschrijft? Wij zullen er geen antwoord op geven , 
maar twee bijzonderheden mededeelen; vooreerst, dat er zeer 
weinig voorbeelden zijn, dat, bij zulk een klagt, de slaaf 
in het gelijk is gesteld; en ten tweede, dat gij, onder meer 
kuriositeiten, waarover straks nader, op het piket van jus- 
titie schriftelijke verzoeken kunt zien, om slaven met een 
grooter dan het bepaalde getal zweepslagen //af te strafien." 
Een brengen wij u, als voorbeeld, onder de oogen : 

„De ondergeteekende verzoekt den heer prokureur-generaal vriende- 
lijk, den slaaf (naam) aankomende aan (naam) met vijftig zweepslagen 
te doen afstraffen." 

Paramaribo den 

Onder stond: (handteekening) . 

„Fiat afstraffing, 
„De prokureur-generaal der kolonie Suriname, 
(handteekening). 



100 

Noch van den aard der overtreding, noch van de moti- 
ven, welke tot het opleggen der straf deden besluiten, wordt 
in dit fraaije stuk eenige melding gemaakt. Gij zult echter 
ook aanvragen aantreffen, waarin de misdaad vermeld is. 
Wi] hebben er een gezien van vijf-en-zeventig zweepslagen 
voor //opruijing van slaven," en een van vijftig voor //bru- 
taliteit." Somtijds waren het teedere vrouwenhanden, die, 
zonder te beven, dergelijke briefjes hadden geschreven. 

Maar gij klemt u nog altoos vast aan de meening, dat, 
al is er in dergelijke stukken geen melding van gemaakt, 
toch het, door het reglement voorgeschreven, //behoorlijk 
onderzoek" ook behoorlijk heeft plaats gehad. Wij zullen 
geen uitspraak doen, maar wij zullen een voorval mededee- 
len, dat in December 1852 heeft plaatsgegrepen. 

De slavin susanna, bijgenaamd kwassiba, was eene, 
bijna blanke, bastaard mestiezin. Zij stond onder toezigt 
van den heer P., als curator ad hoc, en werkte voor haren 
vrijdom. Naar men algemeen beweerde, waren reeds sedert 
lang de gelden voor dien vrijdom, zoowel als de op het 
geven der manumissie-brieven vallende kosten, geheel en al 
bijeengebragt. Zij had dus volkomen aanspraak op de vrij- 
heid, zonder die echter nog verkregen te hebben. 

In de eerste dagen van December 1852 stond ze op de 
stoep van zekeren Israëlitischen onderwijzer der jeugd, met 
een harer kameraden en een blanken, nog ter school gaan- 
den, jongeling uit den fatsoenlijken stand, te praten en te 
lagchen. De echtgenoot van den daar wonenden onderwijzer 
opende een bovenraam, en gelastte hun zich te verwijderen. 

De slavin susanna meende, dat het een der slavinnen 
van het huis was, die of wilde kortswijlen of tot dit bevel 
geen regt had. Ze riep haar daarom lagchende toe : 

— //Kom! kom! Ga naar bed, en laatje wasschen !" 

Dit was o-een voorwendsel van susanna. Ook de beide 



101 

andere personen, waarmede zij op de stoep stond, verkeer- 
den in dezelfde dwaling. Zij leiden die verklaring af, terwijl 
zij en nog eene andere vrije vrouw B., die in de nabijheid 
was, getuigden, dat susanna niet anders dan die woorden 
gesproken had. 

Maar de vrouw van den onderwijzer gevoelde zich gekrenkt 
en beleedigd. Zulk een //brutaal" antwoord aan haar, eene 
vrije, door zulk een verachtelijk schepsel als eene slavin ! 
dat moest gewroken worden! Zij verlangde dat susanna, 
en wel ten huize der beleedigde, voor het oog en tot af- 
schrik harer eigen slaven, strengelijk gekastijd zou worden. 
En toen haar dit niet gelukte, bragt haar echtgenoot eene 
klagt in bij het hoofd der policie. 

De slavin werd gelast op het bureau van policie te ver- 
schijnen. Op den bepaalden tijd kwam ze daar. Niet de 
prokureur generaal, maar een ander, dien wij niet nader 
zullen aanduiden, deed het onderzoek. 

Wat daar voorviel? De slavin keerde kort daarna, schrei- 
jende en met eenen door bloedige zweepstriemen geschonden 
rug, van het bureau van policie terug. Zij verhaalde, dat 
de persoon, met het onderzoek belast, haar, onmiddelijk bij 
het intreden, zonder nog iemand gehoord te hebben, twee 
vuistslagen in het aangezigt had gegeven, vorderende, dat 
zij onmiddelijk zou bekennen, de scheldwoorden, gelijk de 
onderwijzeres die opgaf, te hebben gebezigd. Die scheld- 
woorden zouden betrekking hebben op een , den goeden naam 
der onderwijzeres kreukend voorval, dat ten haren huize zou 
hebben plaats gehad. 

* — //Beken, en noem de namen van hen, die u dat voor- 
val hebben verhaald!" had men haar toegeroepen. 

— //Maar ik kan niets anders bekennen, dan 'tgeen ik 
reeds gezegd heb; want dat is de waarheid. Personen kan 
ik niet opgeven, want die geheele zaak is mij onbekend." 



102 

— //Dan zullen wij 't u wel leeren !" en met een was zij 
aangegrepen, en had op het bureau van policie zweep- of 
touw-slagen ontvangen, waarvan de sporen nog lang maar 
al te zigtbaar waren. 

Maar de pijniging deed susanna van hare vorige ver- 
klaring niet afwijken. 

De waarheid van dit feit, ofschoon alleen op het getuige- 
nis eener slavin steunende, valt moeijelijk te betwijfelen. Zij, 
die met susam.va op het bureau van policie geweest waren, 
bevestigden liet volkomen. De buren in den omtrek van 
het bureau hadden het angstgeschrei der ongelukkige ge- 
hoord. Er is op dit oogenblik een persoon buiten Suriname, 
die de slavin met de bloedige zweepstriemen, onmiddelijk 
nadat ze het bureau verliet, zelf heeft gezien^ ligchamelijke 
bewijzen, die bijna niet voor tegenspraak vatbaar zijn. 

De slavin susanna was, op het oogenblik dat dit voor- 
viel, reeds sedert twee jaren in hetzelfde huis werkzaam. 
Volgens de verklaring harer meesteres, was zij buitengewoon 
oppassend, zedig, stil en vlijtig. 

De zaak is vervolgens //dood gebloed." Alle getuige- 
nissen spraken luide in het voordeel van susanna, zoodat 
men niets beters meende te kunnen doen. 

Volgens een der dagbladen van Suriname van 10 Febr. 1853 
zijn eindelijk brieven van manuraissie voor de slavin susanna, 
oud 25 jaren, en hare dochter juliana, oud 5 jaren, verzocht. 

Heeft het //behoorlijk onderzoek" plaats gehad, en heeft 
de meester de toestemming tot //zwaardere straffen," dan 
waartoe hij, volgens artikel 14, geregtigd is, dan betaalt 
hij daarvoor aan den prokureur- generaal, die ze hem geeft, 
één gulden. De slaaf wordt naar het piket van justitie ge- 
voerd, en hetzelfde drama, waarvan gij het eerste bedrijf hebt 
bijgewoond , levert thans nog bloediger tooneelen op. 



103 

Die //zwaardere straffen," waarvan art. 15 spreekt, zijn 
tweesoortig, namelijk : zweepslagen, maar in twee- of drie- 
dubbele mate, en geesseling met //tamarinde-roeden." 

Bij de strafoefening met tamarinde-roeden, of de zooge- 
naamde //spaansche bok," werden den lijder vroeger handen 
en voeten aaneengebonden, en nadat hem een stok tusschen 
de arm- en knie-gewrichten gestoken was, werd hij op den 
grond geworpen en op ééne zijde gekanteld. Dan bragt men 
hem op de bovenliggende helft zijner billen een zeker aan- 
tal, gewoonlijk vijf-en -zeven tig soms ook honderd, slagen 
toe. Nu wentelde men hem op het raauw geslagen gedeelte 
van zijn ligchaam, om de nog gezonde helft, door hetzelfde 
aantal slagen, in denzelfden toestand te brengen. Het is 
nog zoo veel jaren niet geleden, dat deze straf, in bijzon- 
dere gevallen, achtereenvolgend op zeven hoeken van straten 
werd uitgevoerd; dat noemde men //de zevenhoeksche spaan- 
sche bok." 

//Thans is men menschelijker geworden! De lijder wordt 
niet meer in elkander gesjort!" zoo zal men u te Paramaribo 
toeroepen, 't Is ook zoo. Hoor maar. 

De slaaf of slavin wordt aan een paal gezet; de voeten 
worden in ijzeren voetboeijen gesloten; het middenlijf wordt 
met een breeden band vastgegespt, en de handen worden 
opgeheschen. Nu worden de slagen met de tamarinde-roeden 
toegebragt. Elke slag, op de naakte huid van den slaaf of 
slavin gegeven, veroorzaakt eene wonde. Het bloed spat 
spoedig rond. Stukken vleesch worden soms uit het lig- 
chaam der lijders gescheurd. 

In welk eenen toestand de slaaf naar zijns meesters wo- 
ning terugkeert, kunt gij u moeijelijk voorstellen. Weken 
lang, na de marteling, veroorzaken hem de raauw geslagen 
billen nog duldelooze pijnen. De barmhartige meesters trach- 
ten dan de wonden met azijn, pekel of andere bijtende 



104 

middelen te genezen ! Men beweert , dat dit volstrelct 
noodzakelijk is, om versterf of koudvuur in de wonden te 
voorkomen. Ja, zoudt gij het gelooven? Er zijn vrouwen 
in Suriname, die zich niet geschaamd hebben, de verscheurde 
dijen harer slavinnen, na de terugkomst van het piket van 
justitie, te onderzoeken, ten einde te zien, of de diepte der 
striemen in evenredigheid stond tot den betaalden gulden; 
er zijn er, die de bloedige striemen der zweep of de diepe 
gaten der roede met spaansche peper inwrijven ! 

Gij hebt een walging van dit //piket van justitie," en 
toch moeten wij u uitnoodigen, ons nog een oogenbJik te 
vergezellen. De wachthebbende policiebeambte heeft de goed- 
heid, ons de overige merkwaardigheden, die hier gevonden 
worden, te vertoonen. Daar liggen twee of drie reserve- 
palen, bestemd om bij het straften met tamarinde-roeden op 
het piket zelf, of bij zittingen der gedelegeerde regtbanken 
op plantagiën gebruikt te worden, en behoorlijk van voet- 
beugels, riemen enz. voorzien. Ginds ziet ge een wiptafel, 
om, bij het exekuteren van eenen krimineel veroordeelden 
slaaf, dien men de moeite van het oprigten van een schavot 
niet waardig keurt, gebruikt te worden. Elders valt uw oog 
op eenige ijzeren halsbanden, van zijdelings uitloopende 
stangen voorzien; zij dienen om het wegloopen van slaven, 
die daartoe neiging hebben, te verhinderen. 

Maar hier vertoont men ons het merkwaardigste van alles, 
't Zijn eenige zweepen, maar geen gewone zweepen van hen- 
nep gevlochten. Er bestaat eene groote verscheidenheid, 
een ware luxe van zweepen in Suriname. Nu eens gebruikt 
men zweepen van runderhuidstrooken, elders van de huid 
van het rivierpaard. Maar hier waren het zweepen van 
zeilgras (Bromelia ananas) , dat een zeer sterk en hard touw 
oplevert. 

— '/Maar dnt is immers niet do crewone kleur dier zwée- 



105 

pen?" vroegen wij aan onzen vriendelijken geleider, wien het 
goed deed, dat wij zooveel belang in al die zaken stelden. 

— //Bloed! Mijne heeren, bloed!" was het antwoord. 
Nooit krijgen wij er een onder handen, of met den eersten 
slag van die zweepen is er een als met een mes gesneden 
wonde! Zie eens hier!" en meteen toonde hij ons een an- 
dere zweep, die letterlijk zwart was van gedroogd en ge- 
ronnen bloed. 

— //Maar als zweepslagen reeds zoo aankomen, wat uit- 
werking hebben dan slagen met tamarinde-roeden wel?" 
vroegen wij aan dezen zaakkundige. 

— //Tamarinde-stokken? Wel dat is nog veel erger. Dan 
vliegen de lappen er af. Maar op de plantages moet gij 
zijn; daar ziet ge 't eerst in al zijn kracht. Daar klimt 
het getal slagen, naarmate van de meerdere of mindere ge- 
strengheid van den //rooden raad"l), soms tot tweehonderd. 
Maar een slaaf kan er wel vijfhonderd verdragen zonder het 
te besterven." 

Hoogst belangrijk waren de mededeelingen van dezen be- 
ambte der policie. Zoo verhaalde hij : 

— //Wij krijgen hier, bij het afstraffen, bijna evenveel 
vrouwen als mannen onder handen. Er bevinden zich on- 
der de eersten zoowel meisjes van veertien jaren als volwas- 
senen. Dikwijls zijn hare dijen zoo blank, dat gij ze niet 
van Europeanen zoudt onderscheiden." 

— //Dus worden ook vrouwen altoos naakt afgestraft?" 

— //Wel zeker! U begrijpt immers wel? zij houden an- 
ders wat onder haar pantje steken, en bovendien zouden de 



1) „Roode raad" worden de leden der gedelegeerde regtbanken ge- 
noemd , naar de roode rokken , die zij als leden van den kolonialen 
raad droegen. Thans is in de publikatic van 13 Augustus 1828 het 
kostuum veranderd. 



106 

slagen niet goed aankomen. Somtijds heb ik mooije meiden , 
zoo blank als gij , aan die palen hangen !" 

Wij houden het niet langer uit. Wij keeren ons met 
siddering en afschuw af. Wij willen ons verwijderen, 

— //Neen, Mijne heeren, dat moet gij ook nog zien." En 
nu brengt onze geleider ons naar een soort van ondiepe 
put, bestemd tot het afwasschen der bebloede leden van de 
//afgestraften." 

— //Willen de heeren ook de strafregisters eens zien?" 
Op ons bevestigend antwoord werden er ons drie vertoond. 
Een daarvan was bestemd tot het opteekenen der lijfstraffen. 
Allereenvoudigst was de inrigting. Een volgnomraer; de 
naam van den eigenaar; de naam van den slaaf of de sla- 
vin ; de ouderdom van de laatsten ; het getal slagen ; de aard 
van het misdrijf — ziedaar alles. Nog beknopter en een- 
voudiger was de invulling dezer laatste kolom. Bijna ner- 
gens was de reden der straf met meer dan een enkel woord 
aangegeven. //Pligtverzuim" of //brutaliteit" of //onwillig- 
heid," waren de drie woorden, die elkander voornamelijk 
afwisselden. //Diefstal" kwam uiterst zelden voor. De en- 
kele malen, dat het was ingevuld, werden meestal drie woor- 
den gebezigd : //diefstal van bananen !" 

Wilt gij u eenig denkbeeld maken van het aantal //af- 
straffingen," dat op dit piket van justitie plaats grijpt? 
Van 1 Januarij 1852 tot aan het einde van dat jaar klom 
het cijfer, volgens dit register, tot vijfhonderd-en-zeven! 
Vijfhonderd-en-zeven menschen hadden in dat jaar op het 
piket van justitie te Paramaribo zweepslagen en tamarinde- 
roeden op hunne ligchamen voelen snerpen en wonden! Er 
waren onder vrouwen en mannen, meisjes en jongens, kleur- 
lingen en negers. Onder hunne regters bevonden zich rijken 
en armen, beschaafden en onbeschaafden , Christenen en Is- 
raëlieten, vrouwen en mannen. 



107 

Maar al hadden ook die vijfhoiiderd-eu-zeven menschen 
dezelfde hoeveelheid slagen ontvangen, toch was de straf 
voor allen niet even zwaar. Er is eene morele onevenre- 
digheid in deze gruwelijke ligchamelijke kastijdingen, die 
hare hardheid dikwijls duizendmaleu verergert. Zij ontstaat 
uit de positie van den slaaf op het oogenblik der //afstraf- 
fing," uit zijnen aard en inborst, uit de wijze waarop hij 
is groot gebragt. 

De ruwe negerin, die van hare vroegste jeugd veldwerk 
heeft verrigt en in een negerhut heeft geleefd; die honderd 
malen de zweep op haar ligchaam heeft voelen snerpen en 
aan wie alle gelegenheid tot vorming en beschaving van 
den geest ontbroken heeft, zal er soms weinig van gevoelen , 
dat zij, met ter zijdestelling van alle wetten der eerbaarheid, 
op het piket van justitie naakt aan een paal wordt opge- 
heschen, blootgesteld aan de wellustige blikken eener onbe- 
schofte menigte. Maar heeft die negerin hare opvoeding in 
Paramaribo ontvangen; is zij daar tot huisbediende gebruikt; 
is zij daarom gewoon zich zindelijk en zelfs bevallig te 
kleeden; heeft zij hare kennissen ook onder vrije lieden en 
betrekkingen met hen aangeknoopt, dan zal de strafoefening 
niet alleen haar ligchaam dubbel pijnigen, maar 't zal haar 
vreeselijk grieven, 't zal haar tot diep in de ziel wonden, 
wanneer zij, als de laagste misdadigster, naar de strafplaats 
wordt gevoerd, zich voor aller oogen moet ontblooten, en 
hare naakte leden door beulshanden worden aangeraakt. 

En stel u nu voor een jeugdig mestiezen meisje, wier ge- 
laatstrekken en houding en voorkomen en kleur hare Eu- 
ropesche afkomst verraadt; een bekoorlijk bevallig meisje, 
opgevoed met de kinderen van haren meester, uitstekende 
door beschaafde vormen en fatsoenlijke manieren, dikwijls 
in verstandsontwikkeling en teederheid en fijnheid van ge- 
voel verre boven den dienstbaren stand in Nederland ver- 



108 

heven. Zij weet even goed als hare meesteres, dat schaamte 
eene der schoonste sieraden eener vrouw is; zij is even na- 
ijverig op hare eer en haren goeden naam. Door verkoop 
of erfenis valt zij in andere handen, dan die haar groot 
bragten, in handen bij voorbeeld van eene zwartin johanna 
of eene mevrouw ei.iza. Zij haalt zich, juist door hare 
meerdere voortreffelijkheid en schoonheid, de ontevredenheid 
harer nieuwe meesteres op den hals. Ook zij moet morgen 
naar het piket van justitie gezonden worden. Welk een 
nacht van lijden der ziel, misschien erger dan de ligchaams- 
smarten die haar den volgenden dag wachten , gaat de straf- 
oefening vooraf! En geen magt ter wereld kan haar aan 
haar noodlot onttrekken. De nacht, in tranen en vertwij- 
feling doorgebragt, wordt door het morgenlicht verjaagd; 
het uur nadert; daar wordt zij naar de strafplaats gevoerd ; 
daar worden hare teedere handen met touwen zaamgebon- 
den; daar worden haar de kleederen van het lijf gerukt; 
daar wordt zij geheel naakt aan de onbeschaamde blikken 
van met haar spottende poiiciedienaren, van meedoogenlooze 
toeschouwers blootgesteld. Is dat lijden der ziel niet even 
grievend als de zweepslagen, die hare zachte blanke huid 
doorklieven ? 

Er is eene omstandigheid, die deze officiële //afstraffing" 
nog afschuwelijker maakt. 

De meesters moeten betalen voor de uitoefening van het 
regt, om hunne slaven op het piket van justitie te laten 
slaan, of voor het genot, om medemenschen , die hunne on- 
tevredenheid of haat hebben opgewekt, te laten pijnigen en 
mishandelen. 

De publikatie van 23 December 1828 houdt bepalingen 
der leges en emolumenten, die op de publieke kantoren, 
ten behoeve van den lande, en voor de ambtenaren worden 
berekend. Na het tarief voor den keurmeester van het 



109 

heestiaal, komt het tarief voor den cipier in het fort Zee- 
landia. (Zie de Snrinaamsche Almanak voor 1830, blz. 
222). Een uittreksel daarvan laten wij volgen. Het spreekt 
van het fort Zeelan dia, waar vroeger de //afstraflBngen" plaats 
hadden. 



DE CIPIER IN HET FORT ZEELANDIA. 

Voor het afstraften van een slaaf met een 
zoogenaaraden //spaansclien bok" in het fort 
Zeelandia 

Voor het genezen van eenen slaaf, indien 

hl) niet dadelijk wordt afgehaald 

Bij het geesselen en brandmerken : 

Voor het leveren van het touw. . . . 

Idem, van de roede 

Ten behoeve van den scherpregter. . . 

Idem , voor een brandmerk 

Bij het voltrekhen van de doodstraf : 

Voor het leveren van den strop. . . . 

Ten behoeve van den scherpregter. . . 

Bij liet appliceren van een zoogenaam- 
den spaanschen hok onder de galg : 

Voor het leveren van het touw. . . . . 

Idem, voor de roede 

Ten behoeve van den scherpregter. . . 

De agenten van policie en dienaren van 
justitie , wegens het afstraffen van eenen slaaf, 
minder dan veertig slagen ontvangende. . 

Idem, veertig slagen en daarboven ont- 
vangende 



Leges. 



/ 



Emolu- 
menten 



// 1,50 

// 2,— 
.,1,— 
//2,— 
„1,- 

// 2, — 
f/ 3, — 



// 1,50 
-1- 



// 0,35 
// 0,50 



Ziedaar het walgelijkste tarief, dat u zeker immer onder 
de oogen kwam. Misschien begrijpt gij de tweede post niet 



110 

goed //voor het genezen van een slaaf." Ik zal 't u op- 
helderen, üe slaven, die eene afstraffing met tamarinde- 
roeden ondergaan hebben , kunnen dikwijls niet loopen , door 
de mishandeling, waaraan zij blootstonden. Vroeger, toen 
zij krom in elkander geremd de straf ondergingen, was dit 
nog erger. Zij werden dan aan de verpleging van den ci- 
pier overgelaten, of op een karretje, met een ezel bespan- 
nen, afgehaald. 

De cipier b., jaren lang de beruchte pijniger van het fort 
Zeelandia, hield er nog een bijzonder tarief op na. Daarin 
werden de, toen in gebruik zijnde, spaan sche bokken weder 
in onderscheiden soorten van 60, 75 en 80 cents geklas- 
sificeerd. Bovendien had hij nog dubbele spaansche bokken , 
en de liefhebbers konden slechts uitkiezen wat hun 't beste 
aanstond. Houdt men nu daarbij in het oog, dat men 
dat alles, tegen uiterst matige prijzen, alleen op een een- 
voudig briefje van den eigenaar kon verkrijgen, dan zal wel 
niemand zeggen, dat er niet al het mogelijke was gedaan, 
om het den slaveneigenaars, bij de mishandeling hunner 
slaven, zoo gemakkelijk mogelijk te maken. 

Tegenwoordig, wij erkennen het, hebben de eigenaren 
meer moeite. Zij kunnen niet verder gaan dan 25 zweep- 
slagen, en zij moeten daarvoor thans 50 centen geven, dus 
15 meer dan vroeger. Willen zij verder gaan , dan moeten 
zij er verlof toe vragen. 

Er zijn er echter, die dit nog niet te duur vinden. Al- 
thans, niet zelden hoort gij te Paramaribo eenen slaaf toe- 
voegen : 

— //Pas op; 't kost mij maar 50 cents, om u een on- 
gemakkelijk pak te bezorgen !" of 

— //Ik heb er met plaisir 50 cents voor over, om u eens 
duchtig te laten afranselen!" 

Anderen echter zijn van meening, dat die 50 centen te- 



111 

genwoordig ten onregte worden gevorderd. Onlangs zeide 
een slaveneigenaar, die, als regtsgeleerde, zeer goed onder- 
ligt kan zijn : 

— //Men is eigenlijk niet verpligt, iets te geven. Maar 
ik zend die 50 cents mede, om de agenten der policie aan 
te moedigen. Somtijds verhoog ik de fooi tot een gulden; 
maar dan ben ik er ook zeker van, dat het vee niet ge- 
spaard wordt," en hij wreef zich van genoegen de handen. 

Wanneer wij vrijmoedig onze meening hebben uitgespro- 
ken over de straffen , die te Paramaribo op de slaven worden 
toegepast; wanneer wij de wreedheden hebben ontsluijerd, 
die nu nog op het piket van justitie plaats grijpen, al is 
ook de spaansche bok afgeschaft; wanneer wij u voorbeel- 
den hebben voorgesteld van mishandelingen, door de eige- 
naren op hunne slaven gepleegd, dan versta men ons wel. 
Wij beweren volstrekt niet, dat alle eigenaren van slaven 
zich daaraan schuldig maken. Wij gelooven, dat er onder 
hen gevonden worden, die hunne lijfeigenen goed behande- 
len; ja wij weten, dat er zijn, die nimmer eenen slaaf naar 
het piket van justitie zenden. 

Waarom worden die ligchamelijke straffen niet afgeschaft ? 
Waarom wordt het niet verboden ze op eenen slaaf anders 
toe te passen, dan bij regterlijk vonnis voor misdrijven, die 
in elke maatschappij door de straffende hand der geregtig- 
heid worden vervolgd .^ 

Van alle kanten verheffen zich stemmen, om te antwoor- 
den : //dat is onmogelijk; slaven kunnen niet anders dan 
door de zweep geregeerd worden." 

Wij zullen het niet onderzoeken; wij zullen het aanne- 
men; maar dan hebt gij eene treffende veroordeeling van de 
slavernij uitgesproken. 

Is het noodig, dat zoo aanhoudend, al is het dan ook 



112 

door Qouverneraentsbeambten, menschen worden geslagen; 
is onder hen geen orde te houden dan op die afschuwelijke 
wijze; is de zweep een onmisbaar gevolg van de slavernij — 
vernietig dan dien toestand der maatschappij , want de zweep 
is geen straf voor menseken. Zij , die zweepslagen ontvan- 
gen, worden verhard in het kwaad; zij die ze toebrengen 
worden er evenzeer door gedemoraliseerd. 

Wij beklagen niet alleen de slaven, die de striemen der 
zweep gevoelen , wij beklagen ook de meesters , die de zweep 
in beweging laten brengen. Een Gouvernement, dat de 
slavernij, waarin die zweep onmisbaar is, beschermt en 
handhaaft, leidt ook de vrijen tot het afleggen van alle 
men schel ijkheid, roeit ook onder hen alle zedelijkheid uit. 

Meedoogenloos rukken wij in deze bladeren den sluijer 
weg; maar wij maken onderscheid tusschen de meer regt- 
vaardige en menschelijke eigenaars en de hardvochtige en 
gewetenlooze; maar wij werpen ook den steen niet op de 
laatsten, zonder in 't oog te houden, dat zij, tot de diepte 
der ontaarding, door kei stelsel der slavernij zijn gebragt. 



i-s'S^<®^-fe^^'«-^- 



VI. 



YOËDSËL Ë^ KLËËDII\G TË PARAMARIBO. 



Wij beweren, dat een geheel ontoereikend en slecht voed- 
sel zoowel aan de slaven in Suriname in 't algemeen als 
aan die van Paramaribo wordt uitgereikt. 

Om dit te bewijzen nemen wij het Reglement op de be- 
handeling der slaven in de stad Paramwibo en hare buiten- 
wijken en in de stad Nieuw-Rotterdam of zoogenaamde 
NicJceriejmnt , behoorende bij de publikatie van 6 Mei 1851, 
weder voor ons. 

Art. 1 van dat reglement luidt aldus : 
//Aan ieder slaaf boven de 14 jaren, zoowel partikulier 
//als op naam eener plantage of grond bekend staande, op 
//de in den hoofde van dit reglement vermelde plaatsen, 
//voortdurend of slechts tijdelijk werkzaam, zullen minstens 
//worden uitgereikt de navolgende voedingsmiddelen, als : 
f/K.. — 2 bossen bananen wegende te zamen niet min-\ 

der dan 56 ponden. 1 ^ 

of 9 ponden rijst ^ fL 

// 22 // yams l ^ 

II 35 // goede tayers J 



114 

of 9 ponden koornmeel 
// 8 // tarwemeel 
// 8 // gort. 

// zoovele ponden erwten, boonen, maïs of cassavel 
als in voedingsvermogen met eene der boven- y ^ 
genoemde hoeveelheden levensmiddelen gelijke ^ 
staan . 
//B. — 3 ponden bakkeljaauw of andere gezouten visch 
of K> // gezouten en gerookt vleesch 
// 3 // haring of makreel 
// Yg // versch rund , cabrieten of varkensvleesch 
daags. 
//C. — Een pond zout in de maand. 

//Diegene, die niet genegen zijn aan de slaven de voedings- 
//middelen onder § A en B vermeld in natura te geven, 
//kunnen volstaan met aan dezelve wekelijks te geven : de 
//hoeveelheid bij § A opgegeven en dertig cents ^ of de hoe- 
// veelheid bij § B opgegeven en veertig cents of zonder 
//iets meer zeventig cents. 

//Het gewigt in deze bedoeld is het oude Amsterdamsche 
//in de kolonie in gebruik." 

Voorts bevat dit artikel eenige bepaligen , ter voorkoming 
van het verkwanselen der aldus uitgedeelde levensmiddelen; 
alsof de hoeveelheid zoo aanzienlijk is, dat er nog van 
//verkwanselen" kan sprake zijn. 

Artikel 2 kent aan den Gouverneur het regt toe, om bij 
duurte het bij het vorig artikel vastgestelde tarief, voor zoo 
ver de gelijke uitkeering betreft, te verhoogen. 

Artikel 3 bepaalt, dat aan de slaven van 8 tot en met 
14 jaren de helft, en aan de jongere een derde der in arti- 
kel 1 vermelde hoeveelheid zal worden uitgereikt, terwijl 
artikel 5 beveelt, dat de meester, die nalatig is in het 
verstrekken van het noodige voedsel aan zijnen slaaf, zal 



115 

gestraft worden met eene geldboete van y 10 toty 100 en 
voeding van den slaaf ten zijnen koste van Gouvernements- 
wege. 

Het eenige voedsel, hetwelk aan den slaaf binnen de stad 
Paramaribo verstrekt wordt, wanneer namelijk de meester 
goed vindt de uitdeeling der levensmiddelen in natura te 
doen plaats hebben, bestaat in bananen met bakkeljaauw. 
Hoogst zelden, eigenlijk gezegd nimmer, valt er eene af- 
wisseling in deze spijzen voor. Wel is waar, spreekt het 
reglement van andere levensmiddelen, welks in plaats der 
bananen en bakkeljaauw kunnen verstrekt worden, maar 
daar die levensmiddelen in gewone tijden allen duurder in 
prijs zijn dan de twee genoemde soorten van hoofdvoedsel, 
denkt niemand er aan om ze uit te deelen; zoodat de slaaf 
alleen bij buitengewone goedkoopte van een dier artikelen, 
wanneer de eigenaar daardoor kans ziet om eenige centen 
uit te winnen, de hoop mag voeden, iets anders dan ba- 
nanen te verkrijgen. Wees er overigens verzekerd van, dat 
van de uitdeeling van zout, en vooral van versch vleesch of 
spek, nimmer, immers slechts bij zeer enkelen^ sprake is. 

De vrucht van den banaanboom, in Oost-Indië onderden 
naam van //pisang" bekend, en van welke aldaar meer dan 
dertig verschillende soorten gevonden worden, maakt alzoo 
het hoofdvoedsel der slavenbevolking uit. De stam, waar- 
aan deze vrucht groeit, heeft gemeenlijk eene hoogte van 
10 tot 12 voeten, bij eene dikte van 8 duimen, is helder 
groen van kleur, zeer saprijk en bestaat bijna geheel uit ve- 
zelachtige zelfstandigheden. De bladeren zijn vier voet lang 
en een voet breed. De vrucht heeft in gedaante eenige 
overeenkomst met onze komkommers, is met eene groene 
huid, welke rijp zijnde geel wordt, bedekt, en hangt, ten 
getale van 60 of 70 stuks, aan eenen steel te zamen ge- 
pakt; zoodanige bos weegt van 10 tot 20 Nederlandsche 

8* 



116 

ponden, maar haalt van steel en schil ontdaan, nog niet de 
helft van dat gewigt. De slaaf, die z waren arbeid verrigt, 
ontvangt alzoo dagelijks niet meer dan vier Amsterdamsche 
ponden raauwe vruchten, wier voedend vermogen bij lange 
na niet met dat van drie pond aardappelen gelijk gesteld, 
en misschien met dat van een pond brood kan vergeleken 
worden. De Hoogleeraar mulder in zijne bekende brochure 
Be voeding van den Neger in Suriname, zegt er van : //Er 
is mij geene voedende stoffe, geene althans, die bij uitne- 
mendheid als voedsel toegediend wordt, beleend, die zoo 
weinig eiwitachtige ligchamen bezit, als bananenmeel." Uit- 
gaande van hetgeen aan een Nederlandschen soldaat in ves- 
tingdienst gegeven wordt, aan wien minstens 100 wigtjes 
eiwit in 24 uren van staatswege wordt verschaft, dan moet 
de neger van het bananenmeel, zoo als het ongedroogd is, 
minstens in 24 uren nuttigen 10 Nederlandsche ponden! 

Twee soorten van deze vrucht worden voornamelijk in 
Suriname aangekweekt, namelijk : de gewone Banaan of 
Pisang (Musa Paradisiaca) en de Baccova (Musa Sapien- 
tum), welke laatste hoofdzakelijk als vrucht bij het nager egt 
der Europeanen gebruikt wordt. 

Rijp zijnde, is deze vrucht, als ze niet te veelvuldig ge- 
bruikt wordt, zeer gezond, en hoewel haar zoetachtige smaak 
aan velen niet bevalt, kan men haar toch vrij smakelijk 
noemen. Zij heeft eenen aangenamen geur en levert eene 
toespijze op, die echter te weinig voedende zelfstandigheden 
bezit, om als hoofd voedsel gebruikt te worden. In Indië 
wordt ze dan ook zelden anders dan als versnapering, hoog- 
stens, met eene meelkorst omgeven, voor ontbijt genuttigd. 
In Suriname echter, waar eene slavenbevolking onder het 
juk der planters zucht, hebben de laatsten, in wier belang 
het was, den arbeid dier slaven zoo veel mogelijk aan te 
wenden tot het aankweeken van produkten, geschikt voor 



117 

de Europesche markt, en dien het derhalve zeer ongelegen 
kwam, een gedeelte van dien arbeid te moeten bezigen, tot 
het aankweeken van een plantenvoedsel, hetwelk betrekke- 
lijk meer zorg en moeite zou vereischen , de vrucht van den 
banaanboom tot het hoofdvoedsel der bevolking gemaakt. 
Is deze boom eenmaal geplant, dan behoeft hij niet veel 
oppassing meer; na vruchten te hebben gedragen wordt hij 
slechts afgesneden, om nieuwe uitspruitsels voort te bren- 
gen, welke na verloop van negen maanden nogmaals vruch- 
ten afwerpen. 

Opdat de banaan, tot hoofdvoedsel der sla venbevolking ver- 
heven, ten minste de maagvullende eigenschappen zou hebben, 
welke eene voor den werkman bestemde spijze moet bezitten, 
wordt de vrucht, wanneer zij volgroeid, maar nog onrijp 
is , geplukt. Dan doet men er de schil af, droogt en stampt 
ze, en levert het bij de slaven onder den naam van //gongsta" 
bekende bananenmeel op. Zij wordt ook wel aan het vuur 
geroost en uit de hand gegeten. In een houten vijzel fijn 
gestampt, geeft zij een naar stopverw gelijkend meelachtig 
deeg, de zoogeuoemde //tons tons." En eindelijk wordt zij 
meer algemeen in water gekookt. 

Ofschoon al deze verschillende toebereidingen der banaan , 
door het langdurig gebruik, bij de inlandsche bevolking 
bemind zijn geworden, hebben zij, behalve de geringe voe- 
dende kracht, met de meeste meelachtige spijzen de nadeelige 
eigenschappen gemeen, dat zij moeijelijk te verteeren zijn, 
en in een taai slijm veranderen, hetwelk de spijsvertering 
belemmert, terwijl er slechte voedingssappen voortgebragt 
worden. Daarom hebben ook de kinderen der slaven, gelijk 
alle kinderen, die slechts met raeelspijzen gevoed worden, 
dikke gezwollen buiken, daar zij, om de uitdrukking van 
een geacht Surinaamsch geneesheer te bezigen, //tot aan de 
keel toe worden volgepropt en toch van gebrek sterven." 



118 

Neem bij dit alles nog in aanmerking, dat de twee uit 
te deelen bossen bananen te zamen 56 oude ponden moeten 
wegen, maar in den droogen tijd dikwijls veel minder ge- 
wigt hebben 1), zonder dat de slaaf stoutmoedig genoeg zal 
zijn om op dit mindere gewigt aanmerking te maken, iets 
dat hem trouwens ook weinig zou baten; neem hierbij in 
aanmerking, dat daarenbovsn die 56 ponden, bij het ont- 
doen van schil en steel, tot op ongeveer 26 ponden ver- 
minderen, en gij zult u moeten verwonderen, dat slaven, 
bij zulk een slecht voedingsmiddel, zwaren arbeid kunnen 
verrigten. 

Vleeschspijzen ontvangt verreweg het meerendeel der sla- 
ven binnen Paramaribo niet, Intusschen heeft men begre- 
pen, dat de mensch ten minste eenige behoefte aan dier- 
lijk voedsel heeft. Om nu in die behoefte op de goed- 
koopste wijze te voorzien, wordt gezouten visch, bestaande 
in bakkeljaauw, Amerikaan sche haring of makreel aan de 
slaven uitgedeeld. 

De bakkeljaauw, die hier bovenaan geplaatst is, bestaat 
hoofdzakelijk uit eene middensoort tusschen de kabeljaauw 
en schelvisch, welke op de banken van New-foundland ge- 
vangen, en daarna opengespouwd, sterk gezouten en ge- 
droogd in vaten van 600 tot 700 pond naar Suriname wordt 
verzonden. De echte bakkeljaauw, welke veel duurder, 
maar ook veel minder zout, en veel voedzamer is, wordtal- 
leen op de tafels der weigegoeden in Suriname gebragt. De 
haring en makreel, hoewel veel slechter dan de Hollandsche 

1) Een geloofwaardig officier heeft ons verzekerd, dat hem, bij het 
ontvangen van bananen voor het garnizoen , bossen bananen zijn voor- 
gekomen , van welke de twee slechts 30 oude ponden wogen. Insgelijks 
heeft hij meer dan eens twee bossen van 60 pond, na schoon gemaakt 
te zijn , doen wegen , en bevonden dat het gewigt tot op 28 pond 
verminderd was. 



119 

haring, komt toch in vele opzigten met de laatste overeen. 
Vischsoorten , niemand zal het tegenspreken, staan, in voe- 
dende eigenschappen, verre bij het vleesch der viervoetige 
dieren ten achteren, en kunnen weinig kracht aanbrengen. 
Daarenboven is het bewezen, dat alle natiën, wier hoofd- 
voedsel uit visch bestaat, bij eenen minder sterken lig- 
chaamsbouw, onderhevig zijn aan scherpe huidziekten, die, 
wanneer de visch gezouten of gerookt is, nog aanmerkelijk 
toenemen. De bakkeljaauw, waarvan een groot gedeelte van 
het gewigt uit zoutdeelen bestaat, moet daarom onder die 
voedingsmiddelen gerangschikt worden, die hard en moeije- 
lijk verteerbaar zijn, en de zwakte des ligchaams, scherpte 
des bloeds en slechte spijs verteering bevorderen. Dat is in 
even groote mate met de haring en makreel het geval. De 
Hoogleeraar mulder dringt er op aan, dat in Suriname 
door maïs al de bananen worden vervangen, //mits den 
neger dan daarbij vleesch of visch werd toegediend, niet 
gedroogd of gezouten, maar zooveel mogelijk in verschen 
staat, omdat gezouten vleesch of visch op den duur voor de 
gezondheid schadelijJc is. Uit het oogpunt der zich zoozeer 
verontrustend verspreidende lepra, verdient dit mede eene 
bijzondere behartiging.'' 

Van de andere in het reglement, ter vervanging van de 
bakkeljaauw en bananen, opgenoemde spijzen vindt te uit- 
deeling in Paramaribo hoogst zeldzaam plaats. Maar bo- 
vendien moet het weder in het oog vallen, dat acht ponden 
tarwemeel of negen ponden rijst, te zamen met drie pond 
gezouten visch, zonder iets meer, ongenoegzaam zijn om een 
arbeider gedurende eene week te onderhouden. Voegen wij 
hierbij , dat in het reglement volstrekt niet gedacht is aan 
het in Paramaribo zeer dure brandhout, dat evenmin iets 
voor het wasschen der kleederen verstrekt wordt , en dat ein- 
delijk in het algemeen alle kleine benoodigdheden, waaraan 



120 

ook zelfs de armste mensch behoefte heeft, vergeten zijn, 
dan betwijfel ik, of iemand de voeding der slaven binnen Pa- 
ramaribo als benijdenswaardig zal kunnen afschilderen. 

Geachte en onpartijdige geneesheeren te Paramaribo heb- 
ben verklaard, dat de zorgwekkende toeneming van huid- en 
klierziekten onder de mindere klassen, volgens hun oordeel, 
hoofdzakelijk aan de slechte voeding te wijten is. Anderen 
gaan zelfs zoo ver, om de vreesselijke voortgangen, die de 
afgrijsselijke ziekte der melaatschheid maakt, aan dezelfde 
oorzaak toe te schrijven; 'tgeen overeenkomt met de zoo 
even aangehaalde woorden van den Hoogleeraar mulder. 
Ook het gebrek aan of de onverschilligheid voor de kleeding 
bij de slaven werkt, volgens het advies van deskundigen, 
daartoe mede, gevoegd bij de in Suriname heerschende ze- 
deloosheid, mede een gevolg van de weinige zorg voor het 
onderhouden der slaven, waardoor slavinnen dikwijls in de 
noodzakelijkheid zijn, zich aan de schandelijkste prostitutie 
over te geven, om in haar levensonderhoud te voorzien, en 
aan de drukkende eisschen harer meesters te voldoen. 

Dit alles is genoeg, om eiken onpartijdigen te overtui- 
gen van de ellendige voeding der slaven in Paramaribo, 
wanneer aan hen levensmiddelen in natura uitgedeeld wor- 
den. Nog eene bijzonderheid is er, waarop wij opmerkzaam 
maken. Algemeen is het in Paramaribo bekend, dat de 
vivres van den soldaat ontoereikend en slecht zijn. Bij de 
onlangs geheerscht hebbende epidemie, is de meerdere sterfte 
onder het garnizoen dan bij de marine, in officiëele rap- 
porten van de geneeskundige dienst, onder anderen toege- 
schreven aan de uitputting, tot welke de jagers, ten gevolge 
der slechte voeding, vervallen w^aren, die hen niet in staat 
stelde aan de hevigheid der ziekte weerstand te bieden. 
Intusschen valt het dadelijk in het oog, dat de soldaat, 
die in alle gevallen ligtere werkzaamheden dan de arbeidende 



121 

slaaf verrigt, betrekkelijk minder voedsel dan de laatste zou 
noodig hebben; en wil men dit voor Europeanen al niet 
erkennen, dan moet dit toch zeker met de koloniale gui des, 
negersoldaten, die geene andere behoeften dan de slaven 
kunnen hebben, het geval zijn. 

Wat wordt intusschen den soldaat verstrekt? Zijne vi- 
vres bestaan wekelijks uit : 

Drie ponden gezouten vleesch ; 

Een half pond gezouten spek; 

Zeven ponden brood; 

Twee en een half pond rijst; 

Een pond zout; 

Een half pint azijn; 

Een pint jenever of brandewijn; 
behalve het traktement, bedragende voor den Europeaan 
33Y2 cent, voor den kolonialen guide 25 cent per dag; van 
dit traktement wordt IS'/^ cent per dag in de menage ver- 
teerd; daarvoor wordt, boven de van landswege verstrekte 
vivres, nog aangeschaft, voor ieder man in de week on- 
geveer : 

Een bos bananen (ruim); 

Drie ponden bakkeljaauw, en 

Een half pond versch vleesch; 
benevens eenig rookspek, verdere kleine behoeften, en nu 
en dan eene buitengewone versnapering. Den jager blijven 
dan nog twintig cent daags, tot betaling zijner wasch en 
voor zakgeld over. Voeg hierbij, dat de inkoopen voorden 
soldaat in massa gedaan worden, en deze dus alles goed- 
Icooper dan de arme slaaf verkrijgt, terwijl hem het dure 
brandhout van landswege geleverd wordt. Voeg hierbij , 
dat, in weerwil van dit alles, volgens de verklaring van de 
geneeskundige dienst, zijne voeding nog zoo veel te wen- 
schen overlaat, en zeg mij of gij nu begrijpt, hoe het met 



122 

den slaaf, die niets anders dan zijne twee hossen hananen 
en drie 'ponden bakheljaauw mag vorderen, gesteld moet 
zijn. 

Maar zegt gij misschien, de jagers hebben, als Europea- 
nen, eene grootere hoeveelheid en beter voedsel noodig dan 
de inboorling. De Hoogleeraar mulder antwoordt : //Of 
de kleur der huid bruin of wit zij, doet hier evenmin iets 
af, alsof de temperatuur hooger of lager zij." Ook het 
Gouvernement is van die meening, want de koloniale gui- 
des , voor het grootste gedeelte uit Afrikanen en kleurlingen 
bestaande, ontvangen dezelfde vivres als de Europeanen. 
Men schijnt dus de meerdere of mindere hoeveelheid levens- 
middelen niet naar den landaard^ maar wel naar de positie 
van den verbruiker, als slaaf of als vrije, te hebben afge- 
meten. 

Een van beiden is zeker, of de koloniale guide heeft 
geene behoefte aan het grootste gedeelte der hem verstrekt 
wordende vivres (maar na het gezegde betrekkelijk de vivres 
der slaven zal zulks wel niemand durven beweren), en in 
dat geval zou men zich ten zijnen aanzien aan eene onver- 
antwoordelijke verkwisting schuldig maken, — of de slaven 
hebben te weinig. Dit laatste is eene stellige, voor Ne- 
derland onverantwoordelijke waarheid. 

Maar geloof niet, dat de, bij het reglement voorgeschre- 
vene, onvoldoende levensmiddelen altoos werkelijk aan de 
slaven verstrekt worden. Om, zoodra hun belang dit me- 
debrengt, het uitdeelen van voedingsmiddelen in natura te 
kunnen ontwijken, hebben de Surinaamsche ontwerpers van 
het sla ven-regiem ent de bepaling gemaakt, dat men zal 
kunnen volstaan met wekelijks zekere som gelds aan den 
slaaf tot zijn onderhoud uit te keeren. En, om toch vooral 
geen nadeel te lijden, hebben zij de hoegrootheid dier som 
zoo gering gesteld, dat het den slaaf, zelfs in de goed- 



123 

koopste tijden, niet mogelijk is, om zich het weinige, dat 
hem volgens het reglement toekomt, binnen Paramaribo daar- 
voor aan te schaffen. Aan andere behoeften, als brandhout, 
zeep, azijn, tabak, kofSj, kookgereedschappen of iets der- 
gelijks is natuurlijk voor hem niet te denken. Althans van 
die geringe som kan hij deze behoeften niet aankoopen. 

Toch zijn er niet vele slavenhouders in Paramaribo, die 
de wettelijk bepaalde zeventig cent werkelijk aan de slaven 
uitkeeren. Het aantal van hen, die de vivres in natura 
verstrekken, is nog geringer, en bepaalt zich hoogstens tot 
eenige plantagie-eigenaars , administrateurs, of bewerkers van 
kostgronden. 

Ten aanzien van zeker de helft der slaven houdt men 
zich aan de, van oudsher gebruikelijke gewoonte, om hun 
vijftig ce?it in de week, voor voedsel en andere behoeften, 
te geven; terwijl hij, die zeventig cent geeft, zeer weldadig 
denkt te handelen, en de enkelen, die medelijdend genoeg 
zijn om een gulden in de week te geven, zeer zeldzaam 
worden aangetrofien. 

//Diegene, die niet genegen zijn aan de slaven de voedings- 
middelen ouder § A en B vermeld in natura te geven," wordt 
in art. 1 van het slavenreglement voor de stad Paramaribo 
en hare buitenwijken gezegd, //kunnen volstaan met aan 
hen wekelijks te geven : 

//de hoeveelheid bij § A opgegeven en dertig cent of de 
hoeveelheid bij § B opgegeven en veertig cent of zonder 
iets meer zeventig cent.'''' 

Wij meenen het bekrompene en verregaande ontoereikende 
dezer sommen, daargelaten dat ze over het algemeen niet 
eens verstrekt worden, niet beter te kunnen bewijzen, dan 
door hier eene prijscourant der levensmiddelen binnen Pa- 
ramaribo, in gewone tijden en hij groote hoeveelheden opge- 
daan, te laten volgen. Bij het nazien van deze prijscou- 



124 

rant moet echter altijd in aanmerking genomen worden, dat 
de slaaf, die zich in het klein van alles moet voorzien, nog 
meer moet betalen en daarbij dikwijls zal bedrogen worden; 
te meer vooral dewijl in de zoogenaamde vsmokkelwinkels" 
(of //komenijswinkels," gelijk men in Nederland zou zeggen) 
de gewoonte heerscht, om kleine hoeveelheden van de eene 
of andere waar, niet bij maat of gewigt, maar bij het stuk 
of bij partijtjes te verkoopen. 

De volgende prijscourant is, volgens de gemiddelde in- 
koopen van het garnizoen gedurende vier jaren opgemaakt, 
zoodat zij, dewijl de leverantie der bananen steeds aange- 
nomen is, en de erwten, boonen, enz., niet dan in de goed- 
koopste tijden gekocht werden, zeker niet te hoog gesteld is. 

Rundvleesch, per '/^ Nederlandsch pond 1) . . ƒ — ,46 

Varkensvleesch, idem . . . r/ — ,32 

Schapenvleesch, idem . . . // — ,46 

Bananen, per bos 2) // — ,32 

!>rRijst, per pond // — ,12 

^iTarwemeel, per vat (178 pond). . ƒ 16 tot // 20,— 

^ITarwemeel, per pond // — ,15 

M jKoornmeel, per pond // — ,12 

j^ /Erwten, per vat (160 pond) // 16, — 

53 (^Erwten (graauwe), per pond //« — ,12 



Oq 



1) Het versche rundvleesch is voor 1853 ten behoeve der marine aan- 
besteed voor f 0,40 j het varkensvleesch voor ƒ 0,33 j de zetting van het 
vleesch over het 1' kwartaal 1853, is bepaald op : rundvleesch ƒ 0,43 > 
schapenvleesch ƒ 0,43 en varkensvleesch ƒ 0,32. 

2) De leverantie van bananen voor de landsslaven is over 1853 aan- 
besteed tegen ƒ 0,35 per bos j die voor het garnizoen tegen ƒ 0,32 j de 
prijs der laatste is minder, omdat het garnizoen per maand afrekent, en 
de bananen op plantage „Jagtlust," een uur varens van Paramaribo, 
afgehaald worden. 



\. 



125 

/Boonen (witte), per pond / — ,12 

[ Booiien (bruine), per pond // — ,12 

IGort, per pond // — ,12 

Brood, per pond // — ,16 

Zout, per pond '/ — ,03 

Zeep, per pond // — ,16 

Bakkeljaauw, per pond // — ,10 

Zout vleesch, per pond // — ,40 

Zout spek, per pond // — ,32 
Zout vleesch, per ton (177 pond) Prince beaf , 

minste kwaliteit // 30, — 

Rookspek, per vat (45 pond) // 16, — 

Olie, per kan // — ,55 

Azijn, per kan // — ,20 

Makreel of haring, per ton (180 pd, Amerikaansch. // 16, — 
Haring, per stuk .... ƒ 0,05,/ 0,08 tot // —,10 

Voegt men hier nu nog bij, dat de opgegevene hoeveel- 
heden tayes, yammers of cassaves, door elkander genomen, 
zelden onder de negentig cents verkrijgbaar, en de prijzen der 
maïs enz. naar dezelfde evenredigheid gesteld zijn , dan ziet 
gij, de prijzen der levensmiddelen met de te verstrekken 
hoeveelheden vergelijkende, met een oogopslag, dat het den 
slaaf slechts mogelijk zal zijn, om in de allergoedkoopste 
tijden, wanneer alles tot de laagste prijzen gedaald is, en 
de banaan niet meer dan 20 cent per bos geldt , iets hetwelk 
tegenwoordig maar hoogst zelden gebeurt, voor de aan hem 
toegekende zeventig cent het voedsel te koopen, dat hij 
volgens het reglement noodig heeft. Daarenboven zijn er 
zeker nog vier maanden in het jaar, waarin de bananen, 
in plaats van voor dertig cent verkrijgbaar te zijn, tot 
zestig, ja tot tachtig cent per bos stijgen, waarnaar zich 
dan de prijzen der overige levensmiddelen regelen, zooals 



126 

onder anderen van October 1852 tot April 1853 het geval 
is geweest. Gedurende al dien tijd, waren op de om de 
stad liggende kostgronden, en aan den waterkant, de bana- 
nen niet onder de vier- en- zestig cent per bos, het meel of 
de rijst niet onder de twintig cent het pond verkrijgbaar, 
zonder dat men er aan dacht, de geldelijke uitkeering der 
slaven, ingevolge de in art. 2 van het slavenreglement aan 
den Gouverneur toegekende magt, te doen verhoogen. 

In het Algemeen Nieuws- en Advertentieblad van 27 
December 1852 N^. 155, dat te Paramaribo wordt uitgegeven, 
komt een artikel voor, dat de duurte der levensmiddelen in 
dat tijdvak volkomen bevestigt. Het is van den volgenden 
inhoud : 

////Aan de volken genoegzaam en goedkoop voedsel te 
verschaffen, is de eerste zorg en de grootste kunst der 
hedendaagsche regeringen." " 

//Deze zinsnede lazen wij heden in het artikel GoedJcoop 
vleesch, opgenomen \w\\&i Gouverneme7its -advertentieblad. 
Belangrijk voorwaar is dit onderwerp, en zonder twijfel 
zal het de aandacht van ons koloniaal bestuur tot zich 
hebben getrokken." 

//De ondervinding heeft ons dezer dagen doen zien, 
wat eene vrije mededinging vermag. De prijs van het 
versch vleesch is thans vijfentwintig procent verminderd , 
en de hoedanigheid aanmerkelijk verbeterd. Ditzelfde is 
met allen grond te verwachten ten aanzien van het brood., 
indien de verkoop daarvan, — met vermijding van eene 
bepaalde zetting — aan eene vrije concurrentie wierd 
overgelaten." 

//Doch behalve dat hebben wij op het oog het artikel 
Banan, dat onontbeerlijk voedsel voor de mindere klasse 
en de slavenbevolking. Hoe enorm hoog is de prijs daar- 
van in den laatsten tijd niet opgevoerd? Een bos, waar- 



127 

voor men gewoonlijk van 15 cent tot 25 cent besteedde, 
is sedert eenen geruimen tijd tot 64 a 80 cent gestegen. 
Hoe zwaar moet dit den minderen man niet drukken? 
Men klaagt, dat de werkloonen hoog zijn, docli hoe zal 
de werkman met zijn huisgezin kunnen bestaan, als hij 
voor zijne noodwendigste levensbehoeften zooveel moet 
uitgeven, indien zijn loon niet daarnaar geëveuredigd 
is — en dit is het niet — want hij betaalde 15 è. 25 
c. per bos banan, bij eene verdienste van 80 c. a ƒ 1,00 
per dag, en nu moet hij 64 a 80 c. per bos uitgeven, 
terwijl zijn loon op dezelfde hoogte is gebleven." 

//En van waar die buitensporige prijs van den banan? 
Wij willen het niet met zekerheid bepalen, doch het schijnt 
gezocht te moeten worden, of in het niet algemeen nale- 
ven der wettelijke bepalingen ten aanzien der kostgronden, 
of in de weinige aanmoediging, die het aanplanten van 
kost bij landbouwers ondervindt, of in de bezwaren en 
belemmeringen , waaraan het verkoopen van kost in de stad 
aan den waterkant thans onderhsvig is. Wij zijn vrien- 
den van orde en billijken alle maatregelen, die aangewend 
worden om kwade practijken tegen te gaan, doch wen- 
schen tevens, dat de regtmatige aanvoer en verkoop van 
bananen in de stad niet bemoeijelijkt worden." 

//Het lossen en opstapelen van goederen is bij de wet 
toegelaten, mits men zorge, dat de passage voor rijtuigen 
en voetgangers niet belemmerd worde; ook zijn de plaat- 
sen aangewezen, waar men vrijelijk levensmiddelen mag 
uitventen (onder anderen op de houtmarkt, onder de 
tamarindenboomen aan den waterkant of zoogenaamde 
vischmarkt, welke nu schijnt gesupprimeerd te zijn)." 

//Door den verkoop van bananen en andere levensmid- 
delen aan den waterkant op eene doelmatige wijze te 
begunstigen, zullen de billijke klagten over den druk- 



128 

kenden prijs weggenomen worden, — maar nog meer 
door de aanhoudende zorg, om de levensmiddelen, in ver- 
houding tot de bevolking, zooveel mogelijk, naar mate 
van het saisoen, in voldoende hoeveelheid te doen aan- 
wezig zijn. Ook de artikelen Bakkeljaauw, Haring en 
Makreel^ die, uit Noord- Amerika ingevoerd, tot de voor- 
naamste spijzen der lagere klassen en slavenbevolking die- 
nen, vorderen eene bescherming, ten einde goedkoop ver- 
krijgbaar te zijn. Hetgeen door eene vermindering van 
regten aan den eenen kant zoude verloren gaan, zoude 
aan de andere zijde door vermeerderden aanvoer, wederom 
ingehaald worden." 

//Thans zijn die artikelen zoo duur, dat de gemeene man 
werkelijk te beklagen is. 

//Wenschelijk is het derhalve, dat er maatregelen mo- 
gen genomen worden , om hierin te voorzien en de levens- 
middelen genoegzaam en zoo goedkoop mogelijk verkrijg- 
baar te doen zijn." 

//Paramaribo, den 25 December 1852." 

Gij ziet, de schrijver van dit artikel is een echte Suri- 
namer. Met een enkel woord zegt hij, dat de Banan^ 
Haring, Makreel en Bakkeljaatm de onontbeerlijkste en 
voornaamste voedsels der lagere klassen en der slavenbevol- 
king uitmaken; maar overigens beklaagt hij alleen den vrijen 
en werkman, die de door hem verdiende / 0,80 of ƒ 1,00 
daags tot eigen gebruik kan aanwenden. Om de arme sla- 
ven, die insgelijks/" 0,80 of ƒ 1,00 verdienen, maar deze 
f 0,80 of f 1,00 aan hunne meesters moeten afgeven, ter- 
wijl men hen met zeventig cent per week de wijde wereld 
in stuurt, schijnt hij zich minder te bekommeren. Overigens 
is de duurte der bananen geen zins aan belemmeringen in 
den verkoop toe te schrijven, want alleen de plaatsen zijn 



129 

aangewezen, terwijl het overigens aan niemand verbodenis, 
zijne bananen te koop te veilen, en daarenboven op de plan- 
tagiën //Ma Retraite" en //Tourtonne," de voornaamste kost- 
gronden om Paramaribo, wanneer men de bananen op die 
plantagiën zelve afhaalt, niets minder per bos betaald wordt. 
Neen ! de duurte der bananen is w^el degelijk een gevolg 
van het niet naleven der wettelijke bepalingen betrekkelijk 
de kostgronden, iets hetwelk wij later duidelijk zullen ver- 
klaren. 

Hebben wij nu, na dit alles, niet het regt te konstateren : 
dat de, bij het reglement in 1851, bepaalde voeding ontoe- 
reikend en slecht is? dat voor andere behoeften, als brand- 
hout, bewasschen enz. niets is toegestaan? dat volstrekt 
niet in overweging is genomen, hoe ook de slaaf somwijlen 
eene uitspanning behoeft, en daarvoor, hoe gering de som 
dan ook zijn mo^^e, eeiiige gelden noodig heeft? dat daar- 
enboven het leveren der levensmiddelen in natura, door de 
slotbepaling van art. 1, in het voordeel der eigenaars kan 
ontweken worden? dat het den slaaf onmogelijk is, in Pa- 
ramaribo met zeventig cent in de week in zijne behoeften 
te voorzien, en dus nog minder met vijftig cent, die de 
meesten slechts ontvangen? dat het voor eene moeder even 
onmogelijk is, haar kind tot op achtjarigen leeftijd voor 
drïe-en-twintig en een haloe cent in de week te onderhou- 
den? en dat men dus arbeid, onderwerping en geduld van 
de slaven binnen Paramaribo durft vorderen, terwijl men 
hen met minder zorg dan het redelooze dier behandelt? 

Vraagt gij den Surinaainschen slaveneigenaar inlichtingen 
omtrent de wijze, waarop de slaven binnen Paramaribo, met 
het weinige, 't welk hun gegeven wordt, weten toe te ko- 
men; maakt gij hem de opmerking, dat het hun onmogelijk 
moet zijn, om van zeventig cent in de week te leven; dan 
zal hij het laatste volmondig erkenncTi, maar hij zal er 

1. y 



130 

bijvoegen : //Och mijnheer, die slaven weten op de eene 
of andere wijs nog altijd iets te verdienen; zij knoeijen, 
stelen, hoereren, en eten langs dien weg dikwijls veel beter 
dan de blanken." 

Aldus spreekt onnadenkend de slaveneigenaar, zonder in 
te zien, dat hij tevens bekent, hoe hij den slaaf tot onze- 
delijkheid en misdaad aanzet, door hem ook zelfs het nood- 
zakelijkste te onthouden. 

Maar, en het doet ons goed dit te kunnen verklaren, niet 
alle slaven lijden binnen Paramaribo volstrekte armoede. Er 
zijn brave en edelmoedige meesiers, die ruimschoots in de 
behoeften der slaven voorzien. Maar helaas! hun getal kan 
geteld worden. De andere ongelukkigen behelpen zich zoo 
goed zij kunnen. Altijd genegen, om elkander te ondersteu- 
nen, bezitten de slaven de deugd der liefdadigheid in den hoog- 
sten graad , en geen hunner zal weifelen , wanneer hij wat be- 
ter bedeeld is dan zijn minder gelukkige lotgenoot, om zijn 
middag- of avondeten met dezen te deelen. Vrouwen en 
kinderen leven dikwijls van hetgeen hunne echtgenooten en 
vaders, wanneer men deze laatsten, bij de Surinaamsche 
wetten nopens het huwelijk der slaven, zoo noemen mag, 
door vlijt en ijver boven het aan den meester op te bren- 
gene weten te verdienen. 

Deze goedheid van enkele meesters en deze liefdadigheid 
der slaven kan echter de algemeene ellende niet wegnemen. 
Menige oude vrouw leeft van hetgeen hare dochter, als loon 
voor het ten beste geven van haar ligchaam , ontvangt , of 
is genoodzaakt te spekuleren met de eer van haar kind. En 
het grootste getal slaven, dat onder de Joden en mindere 
standen in de buitenbuurten verdeeld is, moet van den 
vroegen morgen tot den laten avond voor den meester zwoe- 
gen, zonder eenige middelen tot verzachting van eigen 
leed te kunnen aanwenden. Onder zweepslagen, kommer 



131 

en gebrek slijten zij hunne dagen. Alleen de dood kan de 
rampzaligen verlossen. 

Volgens artikel 6 van het reglement op de behandeling 
der slaven binnen de stad Paramaribo en hare buitenwijken, 
moet jaarlijks worden uitgereikt: 

Aan de slaven van het mannelijk geslacht : vier- en-twin- 
tig ellen osinibrugsch linnen, of twaalf ellen osnabrugsch 
linnen en twaalf ellen vriesch bont — een zwarte neger- of 
strookoed en aan dé ambachtslieden bovendien een ioe<y(^/"oe?^; 

Aan de slaven van het vrouweli-jk geslacht : twaalf ellen 
osnabrugsch linnen, twaalf ellen bont en twee katoenen 
hoofddoeken, in eens of ieder halfjaar de helft; 

Aan kinderen beneden de veertien jaren, zoo veel van het 
boven bepaalde als in verhouding tot hunne jaren, hunne 
behoeften en hunnen arbeid staat; 

Aan de bejaarden, ziekelijken of gebrekkigen, die tot 
geenerlei dienst meer geschikt en daarvan vrijgesteld zijn : 
acht ellen osnabrugsch linnen en drie ellen vriesch bont; 

En voorts aan de slaven in het algemeen de benoodigde 
naalden en garen, tot het gereed maken hunner kleeding- 
stukken. 

Ook hier is men zoo zuinig mogelijk te werk gegaan. 

Als men de el linnen of bont op dertig cent en de stroo- 
hoed op vijftig cent rekent, dan komt de geheele kleeding 
van een volwassen slaaf op ongeveer acht gulden in het jaar 
te staan, eene som, die zeker niet te hoog is. 

Intusschen is het klimaat in de kolonie Suriname zoo 
gunstig, dat, als deze uitdeelingen geregeld plaats vinden, 
zij voldoende voor de behoeften kunnen beschouwd worden. 
Maar niet altijd is dit het geval. Wel verhindert de trots 
der meesters,* dat slaven, die in het bijzonder als huisbe- 
dienden gebruikt worden, slecht gekleed zijn; wel doet de 



132 

algemeen bekende zucht tot opschik, een hoofdtrek in het 
karakter der kreolen- en vooral der kleurlingslaven , hen al 
wat mogelijk is aanwenden , om ten minste zoo veel te ver- 
dienen, dat zij goed gekleed voor den dag komen; maar 
toch zijn er vele meesters (namen en toenamen zouden ge- 
noemd kunnen worden), vooral onder hen die hunne slaven 
tot het opbrengen van weekgeld uitzenden, die volstrekt 
geene kleeding aan hunne slaven geven, maar hen, ook in 
deze behoefte, zoo goed zij kunnen zelve laten voorzien. Dik- 
wijls ontmoet gij dan ook slaven, die, in plaats van klee- 
ding te dragen, met in flarden gescheurde lompen omhangen 
zijn. Treed slechts de huizen der meeste Joden binnen, of 
ga maar door de achterbuurten van Paramaribo, en gij zult 
slaven zien, aan wie zelfs de noodwendigste kleedingstukken 
ontbreken. 

Door de slaveneigenaren hoort gij gedurig bewaren, dat 
alle zorg voor behoorlijke kleeding bij de slaven vruchte- 
loos is, omdat dezen steeds hunne kleederen verkwanselen. 
Aangenomen dat het feit waar is, mag het den slaven tot 
een verwijt worden gemaakt? Of is het niet natuurlijk, 
dat de slaaf alle eigendomsgevoel volkomen mist? Hij, die 
niets het zijne kan noemen, verlangt alleen datgene wat 
hem eenig oogenblikkelijk genot verschaft. Aan kleeding 
gevoelt hij minder behoefte, maar bij het slechte en geringe 
voedsel dat hij ontvangt heeft hij meer lust aan drank, ta- 
bak enz. 

En wie denkt er aan, om de slaven van legerstede en 
deksel, gedurende de in Paramaribo soms zeer koude nach- 
ten, te voorzien? Iets waaraan vooral de kleurlingen be- 
hoefte hebben. 

Al zulke inbreuken op de voorschriften van het reglement 
zijn zeer natuurlijk, want de slaven zijn dikwijls het eigen- 
dom van personen, welke niets dan die slaven bezitten en 



133 

alleen van hetgeen zij hun opbrengen leven, zonder iets aan 
die slaven te koste te kunnen leggen. 

De bepaling van art. 6 van 't reglement omtrent de klee- 
ding, die aan ouden, ziekelijken en gebrekkigen gegeven 
moet worden, is juist geschikt, om zich een denkbeeld te 
vormen van de vruchten, welke een dertig- tot veertigjarige 
slavenarbeid oplevert voor hem, die gedurende al dien tijd 
voor zijnen meester werkzaam was en niets voor zich zelven 
kon doen. Zelfs de wet acht het regtvaardig, dat men 
hem, oud en gebrekkig, de geringe kleeding, waaraan hij 
juist nu, ziekelijk en zwak gelijk hij is, de meeste behoefte 
begint te gevoelen, bijna geheel ontneemt. En geen wonder! 
Indien de behandeling van den slaaf, gedurende den tijd 
dat hij zekere waarde vertegenwoordigde, reeds zoo slecht 
was; indien de meester met de minste opofïering al het 
mogelijke voordeel van hem zocht te trekken, dan moet hij 
dienzelfden slaaf thans, nu deze, in plaats van eene waarde 
te vertegenwoordigen, in een lastpost is veranderd, — dat 
wezen, dat hij nimmer als mensch, altijd als eene zaak 
heeft behandeld, — wel als geheel vreemd beschouwen en 
zich van alle verpligting jegens dien slaaf ontheven achten. 
Er zijn er, die het voor eene schreeuwende onbillijk- 
heid houden, dat, terwijl ieder ander eigenaar het regt 
heeft, om zich van die zaken, welke hare waarde verloren 
hebben, te ontdoen, zij daarentegen verpligt zijn den ouden 
en gebrekkigen slaaf van voedsel en kleeding te voorzien. 
Zie in de negerhuizen, hoe menigeen van die stokoude 
grijsaards, aan wie eene wreede wet, die het huwelijk tus- 
schen slaven verbiedt, de genoegens van het vaderschap en 
van de opvoeding zijne kinderen ontnam, zie hoe hij oud 
en verlaten zijnen laatsten snik afwacht! Zie hoe ande- 
ren, geheel aan zich zelven overgelaten, langs de straten 
ronddolende, van de liefdegiften hunner lotgenooten leven ! 



134 

Zie die ellende, om, wanneer nog niet alle gevoel van 
menschelijkheid door de Surinaamsche zeden en gewoonten 
bij u is uitgedoofd, de slavernij uit den grond van uw 
hart te vervloeken. 

"De meester," zoo luidt art. 8 van het Reglement, //die 
zijne slaven niet behoorlijk van huisvesting voorziet, wordt 
gestraft met eene boete van ƒ 25 tot ƒ 100." Zelden zou, 
ingeval de wetten betrekkelijk de behandeling der slaven 
behoorlijk gehandhaafd werden, die boete behoeven opge- 
legd te worden; danr er bijna geen erf is, waarop zich onder 
de bijgebouwen geene zoogenaamde //negerwoning" bevindt. 
Vraagt gij echter : is die huisvesting, gelijk het artikel dat 
wil, //behoorlijk?" dan wil ik uwe vraag met eene andere 
beantwoorden. Is eene kamer, zonder een enkel meubel- 
stuk, dikwijls zonder venster, en somwijlen met den blooten 
grond tot vloer, eene //behoorlijke" woning? 

De zorg voor de meubels van zulke negerhuizen is aan 
de bewoners zelve overgelaten; het hangt dus af van de 
meerdere of mindere vindingrijkheid van den slaaf. 

Maar als er van slaven sprake is, moet gij zoo naauw 
niet zien. Daar de meester niet verpligt is, den slaaf iets 
meer te geven dan verblijf, en in Suriname voor slaven 
//alles goed genoeg is," zult gij de huisvesting der slaven 
als betrekkelijk niet slecht moeten beschouwen. 

Anders is het met de geneeskundige behandeling. Daar 
vele slaveneigenaars zoo arm zijn, dat zij bijna voor zich 
zelf geen geneesheer kunnen voldoen, komt die opoffering 
voor hunne slaven natuurlijk nog veel minder te pas. 't 
Gaat hiermede als bij ons met de arbeiders ten platten 
lande, die een enkel stuk vee bezitten, maar veeltijds bui- 
ten de mogelijkheid zijn, om het bij ziekte behoorlijk te 
doen verzorii-en. 



135 

Eigenbelang drijft echter de meer gegoeden aan , om , bij 
plotselinge ongesteldheid hunner slaven, de hulp van eeneu 
geneesheer in te roepen. Maar wee diezelfde slaven, wan- 
neer zij het ongeluk hebben, dat hunne ziekte van eeneu 
kwijnenden aard wordt. 

ledere uitgaaf aan doctor en apotheker, die het door 
het staken van den arbeid reeds te weeg gebragte verlies 
nog komt verhoogen , wordt bijna als een diefstal van den 
slaaf beschouwd. Den armen zieke worden geene verwijten 
over zijnen toestand gespaard. En als er toch geen hoop 
is, wil de meester dikwijls dergelijke uitgaven voor eene 
zaak, die hare waarde verloren heeft, niet langer bekosti- 
gen. De zieke wordt aan zijn lot overgelaten, zoo al niet 
soms straffen worden aangewend, om te beproeven of het 
niet mogelijk zou zijn, den uitgeputten slaaf door dat mid- 
del eenige veerkracht terug te geven. 

Er zijn voorbeelden van slaven, die eenige weinige zuur 
verdiende spaarpenningen liever zelve aan een doctor en 
apotheker ten beste gaven , dan de verwijtingen hunner 
meesters over hun ziek zijn te moeten hooren ; arme moe- 
ders hebben voedsel en kleederen verkocht, om hare kin- 
deren de noodige geneeskundige hulp te verschaffen. 

Er zijn ook hierop natuurlijk lofwaardige uitzonderingen. 
Zoo gaf iemand onlangs f 200. — uit voor de geneeskun- 
dige behandeling eener slavin, die naderhand toch kwam 
te sterven, 't Is waar, ze was zijne zoogster en tweede 
moeder geweest. 

Artikel 12 van het reglement bevat eenige bepalingen 
omtrent zwangere en pas bevallen vrouwen. Van de eerste 
mag, van de vijfde maand harer zwangerschap af , geen zware 
arbeid gevorderd worden; eene bepaling, die natuurlijk naar 
het eigenbelang van den eigenaar, en volgens zijne opvat- 



13(5 

ting van hetgeen onder //zwaren arbeid" moet verstaan wor- 
den, voor verschillende uitleggingen vatbaar is. 

Zekere missi, 't was eene geboren Hollandsche vrouw, 
liet in 1852 eene jonge slavin, wier zwangerschap haar niet 
beviel, toen zij op het punt harer bevalling stond, den zwaar- 
sten arbeid verrigten en ieder oogenblik een hoogen moeije- 
lijken trap op en at' klimmen. Toen de arme slavin, na eene 
moeijelijke verlossing van een dood kind, langen tijk ziek 
bleef, moest zij dagelijks verwijten hooren over de zware 
kosten, die zij te weeg bragt. 

Over de pas bevallen vrouwen spreekt het reglement 
meer bepaald, uitdrukkelijk voorschrijvende, dat deze, bij 
het leven van het kind, twee maanden en in het tegen- 
overgestelde geval twintig dagen van allen arbeid zullen vrij 
zijn. Maar als het' vervolgens over de verdere verzorging 
van het kind handelt, wordt er eenvoudig gezegd, dat aan 
de moeder steeds tijd en gelegenheid zal gegeven worden 
om behoorlijk voor haar kind te kunnen zorgen. Dat deze 
rekbare bepaling in de opvolging dikwijls veel te wenschen 
overlaat, kan niemand verwonderen, die weet, hoe veel van 
de slavinnen gevorderd wordt, vooral wanneer zij uitge- 
zonden worden tot het opbrengen van weekgeld en den 
ganschen dag tot het bijeenbrengen van dat geld moeten 
rondzwerven; of wanneer zij verhuurd worden bij personen, 
die geen belang hoegenaamd bij het kind hebben, en dus 
ieder oogenblik, dat de moeder aan het wicht toewijdt, als 
een inbreuk op het met den meester gesloten huurkontrakt 
beschouwen. 

Van daar die arme kinderen, die gij, schoon allen mees- 
ters hebben, als jeugdige vagebonden langs de straten van 
Paramaribo ziet dolen, hier of daar hun onderhoud bede- 
lende, of des noods, waar zij er kans toe zien, stelende. 
Yon daar die beklagenswaardige, ronddwalende wezens, de 



137 

sporen van kommer en gebrek, van schromelijke verwaar- 
loozing, niet zelden de kiemen van meer of minder ont- 
wikkelde ziekten met zich voerende, terwijl de striemen en 
wonden van de zweep en het touw het eenige zijn, dat zij 
aan hunne eigenaren te danken hebben. 



VIL 

DE PLANTAGES. 



Het is voor de zoogenaamde //privé-slaven," die in Pa- 
ramaribo bij afzonderlijke meesters wonen, en op wier toe- 
stand wij tot dus verre een blik hebben geworpen, eene 
zware straf, wanneer zij naar de plantages worden gezonden. 
Dit reeds is voldoende, om te veronderstellen, dat het leven 
der negers op die etablissementen nog veel ondragelijker 
moet zijn, dan het lot, dat den slaven in Suriname's hoofd- 
stad is beschoren. Wij zullen er ons van overtuigen, door 
een bezoek op die inrigtingen, waar de produkten worden 
geteeld en bereid, die vroeger den rijkdom der kolonie uit- 
maakten. Maar die rijkdom is aanzienlijk verminderd. En 
weet gij wat er de reden van is? De slaven waren de 
werktuigen, neen de scheppers van dien rijkdom; door hunne 
krachten, door hunnen arbeid, door hun zweet en bloed 
werden de schatten aan den grond ontwoekerd, die de schepen 
bevrachtten en de markten van Europa, vooral van Neder- 
land, vervulden. Maar de bron, waaruit die rijke produkten 
voortkwamen , had geen door eigen kracht ontspringend levend 
water; 't was een onreine kunstbron, die gestadig gevoed moest 



131) 

worden; en toen die voeding ophield, vloeide ook de bron 
niet meer. De slaven , de voortbrengers der produkten , ver- 
keerden op de plantages in zulk een toestand, dat de sterf- 
gevallen de geboorten verre overtroffen . De bron zou dus 
weldra opdroogen — indien geen gedurige vernieuwing plaats 
had. Maar Afrika was niet verre verwijderd, en onophou- 
delijk staken van daar schepen over met nieuwen toevoer, 
met op nieuw gestolen menschen, met slaven, die de ont- 
brekende werkkracht aanvulden. 

Plotseling hield die toevoer op. Na eenen langen, maar 
met onbezweken trouw en volhardenden moed voortgezetten 
strijd, had de geest der menschelijkheid, des regts en des 
Christendoms de zege behaald op het laaghartigste eigenbe- 
lang. De slavenhandel werd verboden. Geen schepen, met 
in slavenketenen geklonken negers bevracht, mogten meer 
strafieloos den oceaan bevaren, ofschoon men zegt, dat later 
in Suriname nog vele slaven ingesmokkeld zijn. 

Suriname ondervond den invloed van deze gezegende over- 
winning op eene gevoelige wijze. //De gestaakte aanvoer 
van Afrikaan scha slaven en de verliezen door sterfte, manu- 
missie en desertie," zegt de Minister van Koloniën, //heeft 
den aanleg en de uitbreiding veler plantagiën verhinderd; 
sommige zijn verlaten, en op de andereis de werkbare magt 
zoo veel verminderd, dat ter naauwernood de kosten van 
onderhoud uit de opbrengst kunnen worden bestreden." 

Desniettemin waren er in 't begin van 1849 nog 284 
plantages met 51,210 akkers in kuituur zijnde gronden, 
waarop 32,409 slaven arbeidden. Maar in datzelfde jaar 
verminderde dit getal plantages weder met negen, zoodat 
het cijfer daarvan in 't begin van 1850 nog slechts 275 
bedroeg, en de in kuituur zijnde gronden tot 50,706 '/^ 
akkers verminderden. In dat jaar werden weder twee plan- 
tages verlaten, waardoor den l^t^Ju Januarij 1S51 het aantal 



140 

tot op 273 was gedaald. En den l^tén Januarij 1852 werden 
er niet meer dan 265 plantages in Suriname bewerkt. 

Wij verlaten thans Paramaribo, om deze plantages te 
bezoeken. De reis derwaarts geschiedt altoos in vaartuigen 
over de rivieren, want andere dan waterwegen zijn in Su- 
riname bijna niet bekend; en ze zijn ook onnoodig, omdat 
al de plantages langs de tallooze stroomen en kreken liggen , 
die het land in alle rigtingen doorsnijden. 

Bij de steenen trap aan het Gouvernementsplein te Pa- 
ramaribo ligt voor ons een groote tentboot gereed bijna 
veertig voet lang en zeven breed. In het achtergedeelte, 
dat een derde der lengte van het gansche vaartuig beslaat, 
vinden wij eene bedekte, van ramen en jalouziën voorziene 
kajuit. Daar binnen ziet gij aan beide zijden breede ban- 
ken, met matrassen bedekt. Het vaartuig is van buiten en 
binnen smaakvol geschilderd en vernist en met snijwerk en 
verguldsel versierd. Een groote Nederlandsche vlag wappert 
van den achtersteven. 

Gij verrigt in Suriname bijna niets, of er komen slaven 
bij te pas. Ook slaven worden weder vereischt voor de reis 
naar de plantages. Twee derde gedeelte der lengte van de 
tentboot wordt door acht roei-negers ingenomen, zeer netjes 
in eene soort van uniform gekleed, en ieder van een riem 
voorzien, om met hunne gespierde armen en vuisten het 
vaartuig vooruit te brengen. 

De reis neemt een aanvang. Pijlsnel klieft de tentboot 
het spiegelgladde water der schoone rivier, voortgestuwd 
door de krachtsinspanning der slaven. Zij hebben geene 
aanmoediging noodig. Blootgesteld aan de brandende stralen 
der keerkringszon, verrigten zij, eenige uren lang, vrolijk 
en opgeruimd eenen arbeid, waarvoor de beste Europesche 
raatroos zou terugdeinzen. Onder een eentoonig gezang, 
gelijk aan dat der Maleische roeijers in den Indischen Ar- 



141 

chipel, verhefl'en zicli gelijkmatig de riemen, om even ge- 
lijkmatig weder neer te vallen, en door een krachtigen ruk 
de boot door het water te schuiven. Er zit ambitie in 
die zwarte en ruwe borsten. Geen vaartuig loopen wij op, 
of er ontwikkelt zich een strijd, een hardnekkige strijd 
tusschen de slaven van de boot, die wij voorbijsnellen en 
die van de onze. Zie hoe onze mannen zich inspannen; 
zie hoe de zweetdroppelen hun van 't gelaat druppelen; 
zie hoe de spieren zich spannen en de aderen zwellen; zie 
hoe hunne oogen vonken schieten en flikkeren van de zucht 
om den kamp te winnen; en als zij dien winnen, hoor dan 
het vreugdegejuieh dat uit hunne krachtige longen ten he- 
mel stijgt. En zulke menschen vernedert men tot een toe- 
stand der dieren, en voor zulke menschen zou alleen de 
zweep de drijfveer zijn om te arbeiden ! 

Op deze wijze wordt door ambtenaren, plantage-eigenaars, 
direkteurs en andere aanzienlijke personen de reis naar de 
plantages meestal gedaan. De tentboot, die wij beschreven, 
is een der grootsten en fraaisten. Zij zijn natuurlijk ook 
dikwijls van mindere hoedanigheden. Zijn ze veel kleiner, 
dan dragen ze den naam van //tentkoijalen." Nog andere 
vaartuigen worden voor de kommunikatie met de plantages 
gebruikt; men noemt ze //ponten" of //matrozenponten." 
't Zijn vierhoekige ongeveer 60 voet lange en 15 voet breede 
])latboomsvaartuigen met een dak van palmbladen. Zij die- 
nen voornamelijk, om de produkten van de plantages naar 
de schepen te vervoeren. De eigenaars dier //ponten" zijn 
meestal Joden, die in Paramaribo wonen. Vier slaven zijn 
roeijers en een blanke of vrije kleurling, die op geene an- 
dere wijze zijn levensonderhoud weet te vinden, voert er 't 
bevel over, heeft zijne woonplaats in een hoekje van het 
schip en ontvangt een zeer karig loon. 

De plantages, werwaarts deze vaartuigen op en af varen, 



142 

zijn, ongerekend de distrikten Opper- en Neder-Nickeri, 
verdeeld in acht divisiën, die naar de rivieren, waaraan zij 
liggen, genoemd zijn. In die divisiën voert de Gouverneur 
van Suriname het beheer door tusschenkomst en met mede- 
werking van onbezoldigde ambtenaren, onder den titel van 
//heemraden.'" Zij zijn belast met het oppertoezigt van het 
huishoudelijk beheer in de divisiën en moeten zorgen voor 
de naleving van alle wetten, publikatiën en verordeningen 
van inwendige policie, inzonderheid wat de behandeling van 
en de goede orde onder de slaven betreft. Aan hen is ook 
de verantwoordelijkheid opgedragen, dat de plantage-regle- 
menten behoorlijk worden opgevolgd. 

Wanneer op deze of gene plantage wanorde, ongeregeld- 
heden of oproer onder de slaven plaats grijpen, hebben de 
heemraden de bevoegdheid, om of zelven onverwijld op de 
plaats het noodige onderzoek te doen en maatregelen van 
voorzorg te nemen, of bevelen daartoe te zenden aan den 
eerst aanwezigen burger-officier, over wien wij straks zullen 
spreken. Van deze gebeurtenissen wordt de prokureur-ge- 
neraal te Paramaribo onverwijld onderrigt, ten einde of op 
de plaats zelve onderzoek te doen, of, met overleg van 
heemraden, eene //gedelegeerde regtbank" aan den Gouver- 
neur voor te dragen, bestaande in twee of meer heemraden, 
die dan eene regtbank zamenstellen, welke //de plano" en 
buiten vorm van proces onderzoek doet en strafl'en oplegt. 

In de divisiën zijn verschillende militaire hoofdposten en 
daaronder behoorende kleine posten en piketten. Zij staan 
onmiddelijk onder de bevelen van den Gouverneur, maar 
moeten tevens, op de eerste aanvrage der bevoegde burger- 
lijke autoriteiten, bij onvoorziene voorvallen, de noodige 
hulp verleenen, zoo dikwerf die, in het belang der inwendige 
rust of tot handhaving van goede politie, wordt gevraagd. 
Bovendien bestaat in elke divisie eene gewapende burgermagt. 



143 

Aan 't hoofd vau deze is, onder de bevelen van den heem- 
raad, een burger-kapitein geplaatst. Zij is, volgens den 
Minister van Koloniën, //bepaaldelijk ingerigt tot beteuge- 
ling van oproer, zamenrottingen van slaven of andere ver- 
storing der rust en veiligheid in de divisiën en wijders om 
patrouilles zamen te stellen tot opsporing van weggeloopen 
slaven." Deze burgerraagt is zamengesteld uit de vrije in- 
gezetenen in de divisiën woonachtig. Ieder, niet beneden 
de 18 en niet boven de 55 jaren oud, behoort er toe. Zij 
wordt aangevoerd door //burger-kapiteins" en //burger-luite- 
nants," die, op voordragt van den heemraad, door den 
Gouverneur worden benoemd. 

De twee distrikten Opper- en Neder- Nickeri worden be- 
stuurd door //landdrosten ," die met de handhaving der bur- 
gerlijke orde en het toezigt op het nakomen der wetten 
belast zijn. Zij worden daarin bijgestaan door eene spe- 
ciale commissie van drie ingezetenen, die den titel voeren 
van //hoofd-ingelanden" en wier betrekking onbezoldigd is. 
Overigens is het beheer in deze beide distrikten ongeveer 
hetzelfde als in de divisiën. 

Gij ziet, dat alles aanduidt, hoe de bevolking dezer divi- 
siën in bedwang gehouden moet worden. Al de vrijen staan 
letterlijk als eene gewapende bende tegenover de slaven. 
Alles is zoodanig ingerigt, dat //oproerige bewegingen" 
kunnen beteugeld worden : — want het kleinere gedeelte der 
bevolking heerscht over het andere op zulk eene wijze, dat 
oproerige bewegingen, hoe vreesselijk in de gevolgen ook 
voor hare bewerkers, toch gedurig worden te gemoet gezien 
en gevreesd. 

De plantages zelve zijn van vijfderlei aard, namelijk : sui- 
ker-plantages , koflij -plantages, katoen-plantages, houtgron- 
den, en kostgronden; want de kakao- en indigo-plantages 
zijn bijna geheel verdwenen. 



144 

Het hoofdprodukt is verreweg de suiker. De plantages, 
die suikerriet verbouwen, zijn de talrijkste, en hebben ook 
het grootste aantal slaven, sommigen 100 tot 400 koppen. 
Daar is het werk voor de negers het zwaarst, vooral op zulke 
plantages, wier molen door een waterrad in beweging moet 
worden gebragt. Immers slechts bij het springtij van volle 
en nieuwe maan kunnen deze fabrieken malen , en dan wor- 
den de slaven dag en nacht, zonder rust te nemen, aan den 
arbeid gezet. 

De koffij -plantages verminderen gedurig. Er zijn gewoon- 
lijk van 40 tot 100 slaven aan verbonden. 

Het derde produkt van eenig aanbelang is de katoen, die 
vooral op zulke plantages, welke in de nabijheid der zee 
liggen, goed gedijt. Zulke plantages hebben tot 300 slaven. 
De bereiding van dit produkt is in den laatsten tijd zeer 
verbeterd. 

In de hooger gelegen streken worden de houtgronden 
gevonden, die balken en planken voor inlandsch gebruik 
leveren. Er zijn ongeveer 25 zulke plantages, die 2400 
negers bezitten. Over 't algemeen hebben de slaven het op 
de houtgronden het beste, gelijk ons later zal blijken. 

In 1851 waren er in Suriname 92 suiker-plantages, die 
26,456,215 pond suiker opbragten. De 67 koffij -plantages 
en 14 koffij- en kakao-plantages wierpen gezamenlijk 307,394 
pond koffij af. Van deze 14 laatsten met nog 2 plantages, 
waar alleen kakao werd verbouwd, verkreeg men 147,919 
pond kakao, en van 31 katoen-plantages 906,418 pond 
katoen. Bovendien waren er 31 houtgronden en 37 kost- 
gronden in werking. 

Alle plantages staan onder het opzigt en de leiding van 
eenen direkteur, die op de plantage zelve woont en door de 
eigenaren of, zoo deze niet in Suriname aanwezig zijn, door 
de administrateurs van het //efiekt," gelijk men het noemt, 



145 

wordt aangesteld en aan dezen verantwoordelijk is. Het 
is eene verpligting, door de Gouvernements-verordeningen 
voorgeschreven, dat op elke plantage //een blanke of vrije 
kleurling tot het voeren van direktie of opzigt" aanwezig 
moet zijn. 

De inkomsten van den direkteur resrelen zich naar de 
grootte en de opbrengsten van het efi'ekt. Zij bedragen op 
de aanzienlijkste suikerplantages wel eens f 3000. Behalve 
de bezoldiging, die in den regel op f 12,00 kan worden 
geschat, hebben velen nog zekere procenten van de pro- 
dukten der plantage. Zij onderhouden ook eene menigte 
varkens en pluimvee, die met de bananen der plantage ge- 
voed worden. Zij hebben eene bijna onbeperkte magt, als zij 
zich maar de toegenegenheid en bescherming van de adminis- 
trateurs te Paramaribo weten te verzekeren. Groote gebou- 
wen dienen hun tot woning; eene menigte slaven hebben zij 
tot hunne persoonlijke bediening; een jager, een visscher en 
tuinman zorgen voor de behoeften hunner tafel; en die allen 
vliegen op hunne wenken. Wilt gij u een denkbeeld vor- 
men van de levenswijze dezer heeren, een ooggetuige, de 
heer kapplek, die hun overigens niet ongenegen is, hangt 
er het volgende tafereel van op. 

//Ik ken verscheiden direkteuren, vooral op houtgronden, 
die 's morgens ten zes ure opstaan, aan den bastiaan der 
negers hunne bevelen geven, vervolgens koffij drinken, tot 
twaalf uur niets doen, duchtig eten, dan van de vermoeije- 
nissen der tafel in hunne hangmatten uitrusten en zich door 
een bevallig negermeisje het hoofd laten wrijven, tot hun 
de oogen toevallen. Ten vijf ure staan zij weder op, was- 
schen zich, eten van zeven tot acht uur, gaan ten negen 
ure met hunne concubine naar bed, en verdienen daarmede 

ft 

/ 1200 tot ƒ 1500 'sjaars." 't Spreekt echter van zelf, dat 
niet alle direkteuren het tot zulk een graad van verdierlij- 
I. 10 



146 

Icing gebragt hebben. Er zijn er ook, die althans hunne 
werkzaamheden, welke een behoorlijk bestuur der plantage 
vereischt, met ijver vervullen. Enkelen zijn er zelfs, die 
door lektuur hunnen geest beschaven , ofschoon dezulken 
niet talrijk zijn. Over 't algemeen is de eenzaamheid, 
waarin zij leven, en de veelvuldige vrije tijd, waarover zij te 
beschikken hebben, oorzaak van het onmatig gebruik van 
sterken drank, waaraan de meesten zich schuldig maken. 
't Is ongeloofelij k, welk eene schrikbarende hoeveelheid ge- 
never, rum en brandewijn jaarlijks op de plantages wordt 
gebruikt. 

De tweede persoon op de plantages is de zoogenaamde 
blank-officier. Grootere efïekten hebben er twee of drie, 
kleinere slechts een. Volgens Gouvernementsbepalingen moet 
op ieder plantage, waar meer dan honderd slaven gehouden 
worden, een blank-officier aanwezig zijn. Op elke plantage 
van boven de twee-honderd slaven moeten twee blank-offi- 
cieren zijn, en zoo, bij opklimming van iedere honderd, één 
blank-officier meer. 't Zijn meestal jonge lieden, die uit 
Europa komen, om hun fortuin te maken, en die, als zij 
protektie hebben en zich goed gedragen, het in drie of vier 
jaren eveneens tot een direkteurs-betrekking brengen kun- 
nen. Maar die drie jaren vallen hun zwaar genoeg, want 
zij worden door de meeste direkteuren als een soort van 
verachte wezens behandeld en zelden met een vriendelijk 
woord vereerd. Zij zijn in hunne vrije uren geheel aan zich 
zelven overgelaten , en brengen meestal in zeer ellendige wo- 
ningen hunne avonden in de eenzaamheid door. Niemand 
houdt hen daar gezelschap, dan millioenen muskieten of nu 
en dan een vledermuis. 

Hoe strenger de direkteur en de blank-officier beoordeeld 
moeten worden, des te meer zijn wij verpligt op hunne ei- 
gene ellende opmerkzaam te maken. Dikwijls ontbreekt het 



147 

hun aan eene goede opvoeding en behoorlijke leiding in 
hunne jeugd. Bij gemis van onderwijs en van godsdien- 
stige en zedelijke vorming, zijn zij opgegroeid tot mannen, 
maar met een karakter, zoo weinig zelfstandig, zoo zwak, 
en een verstand zoo weinig ontwikkeld als van kinderen. 
Anderen hebben zich aan jeugdige afdwalingen schuldig 
gemaakt. Door zinnelijke ontaarding, door 't volslagen ver- 
lies van alle zedelijk gevoel, door tallooze misslagen hadden 
zij zich in Europa voor elke betrekking ongeschikt gemaakt. 
Dan gaan zij naar Suriname, om blank-officier en eenmaal 
direkteur eener plantage te worden. In die bediening wach- 
ten hun de twee gevaarlijkste verzoekingen. Vooreerst ver- 
krijgen zij eene onbepaalde magt over hunne natuurgenoo- 
ten. Zij , die zich zei ven niet kunnen beheerschen , die zelve 
slaven zijn hunner eigen zinnelijkheid, zij heerschen bijna 
zonder toezigt en naar willekeur over hunne medemenschen , 
over slaven. Daarbij voegt zich in de tweede plaats de on- 
beperkte gelegenheid tot voldoening dier zinnelijkheid, tot 
het inwilligen van al hunne lusten. In dien toestand is 
menig ongelukkige blank-officier of direkteur geplaatst met 
een karakter, dat nooit aan de verleiding weerstand bood. 
Thans door niets weerhouden, dat hem vroeger ten minste 
voor een oogenblik tot nadenken bragt, moet hij wel steeds 
dieper zinken. Wij beklagen de direkteuren en blank-offi- 
cieren der Surinaamsche plantages. Op enkele loflelijke uit- 
zonderingen na, is hun beeld getrouw geschetst. Wanneer 
wij dan zullen aantoonen, hoe de negers onder hunne bijna 
grenzenlooze magt moeten lijden, dan treft ons de ellende 
niet minder van de vrijen dan van de slaven. 

Die slaven maken de overige bewoners der plantages uit. 
Grootendeels zijn het //plantage-slaven," dat is: slaven, die 
tothet//efrekt"behooren, die onafscheidelijk zijn van den grond 
en met dezen worden gekocht en verkocht. Zij maken den 

10^ 



148 

grootsten rijkdom der plantage uit. Om te weten, hoe 
veel waarde zulk eene bezitting heeft, vraagt men niet, 
hoe veel bunders of akkers zij groot is, maar hoe groot de 
//slavenmagt" is, die zij bevat. . Wilt gij er voorbeelden 
van? In Nederland zelf kunt gij ze gedurig zien. Bij de 
publieke menschen-verhoopingen , die nog steeds te Amsterdam 
plaats grijpen, vermeldden de Nederlandsche dagbladen vroe- 
ger bovenal het aantal //koppen ," nu noemen ze meestal de 
//slavenmagt" of //negermagt.'" Zie bij voorbeeld de oude 
Amsterdamsche Courant van 16 Januarij 1854. En zulke 
menschen-verJcoojnngen worden door Nederlandsche, fatsoen- 
lijke, Christelijke makelaars en notarissen gehouden ! Waar- 
om, volk van Nederland ! drukt gij niet het merk der schande 
op alles, wat de slavernij bevordert of van de slavernij voor- 
deel trekt? Indien zich de publieke opinie zóó sterk deed 
gevoelen, dat, b v. zulke makelaars en notarissen, die hun 
ministerie tot het verkoopen van menschen willen leenen, 
daarom de verachting ondervonden van allen, die het ver- 
ïcoopen van menschen^ als onregtvaardig, onmenschelijk, on- 
christelijk veroordeelen , mij dunkt het zou Nederland tot 
eere verstrekken en voor de emancipatie der slaven niet 
nadeelig zijn. 

De direkteur en de blank-officier zijn de oppermagtige 
gebieders van de werklieden, of liever van de lastdieren 
eener plantage, want niet veel hooger dan deze, op eene 
boerderij in Nederland, is de rang, die aan de slaven in 
Suriname is aangewezen. 

Als gij nu zulke plantages, op wier bewoners wij een 
vlugtigen blik hebben geworpen, wilt bezoeken, dan wordt 
gij overal met de meeste voorkomenheid ^ gastvrijheid ont- 
vangen. De direkteur verheugt zich, dat zulk een bezoek 
aan de eentoonigheid van zijn leven voor enkele oogenblik- 
ken eenige afwisseling geeft, en hij tracht het u aangenaam 



149 

en genoegelijk te maken. Gij hebt, bij voorbeeld, eenige 
uren ver, in uwe tentboot de reis voortgezet, al met den 
vloed voorwaarts roeijeude; maar nu verandert het tij en 
maakt, in weerwil van de krachtige inspanning der roei- 
negers, het voortvaren moeijelijk. Daarom wenscht gij te 
//stoppen," de kunstterm in Suriname voor het wachten tot 
een volgend gunstig tij. Gij ziet naar de eerste de beste 
plantage in de nabijheid uit, legt er zonder eenige aarzeling 
aan, treedt onbeschroomd bij den direkteur binnen , en wordt 
altijd gulhartig ontvangen. Is het juist de tijd van het 
middagmaal, dan wordt u dadelijk eene plaats aan zijne 
tafel ingeruimd; uw hangmat wordt uit uwe tentboot ge- 
haald en in eene kamer opgehangen, en na den maaltijd 
verfrischt gij u, en bereidt u door een verkwikkende siësta 
tot het vervolgen van den togt. 

Zoo komt gij eindelijk aan de plantage, die gij bezoeken 
wilt. Aan de laudingplaats stapt gij aan wal. Gewoonlijk 
voert eene fraaije laan van manga- of tamariude-boomeu u 
naar het, op korten afstand gelegen, woonhuis van den 
direkteur. Op het plein, dat voor dit gebouw zich uitstrekt, 
grijnzen meestal twee of vier stukken geschut u aan, met 
de monden naar de rivier gekeerd. Maar vrees niet — 
't zijn niet anders dan de overblijfselen uit den goeden 
ouden tijd; tegenwoordig denkt niemand er meer aan, om 
van deze artillerie anders dan tot het geven van salutscho- 
ten gebruik te maken. 

Het woonhuis, van hout opgetrokken en van open va- 
raudah's omgeven, heeft gewoonlijk twee verdiepingen. Op 
de bovenverdieping slaapt men, omdat, zonderling genoeg! 
de zwermen muskieten, die des avonds overal rondvliegen 
en indringen , slechts zelden tot de boven vertrekken opklim- 
men. De kamers zijn zeer eenvoudig, dikwijls zelfs wel wat 
armoedig; nooit vindt gij er meer in dan het hoogst nood- 



150 

zakelijke. Ledikanten of matrassen zoekt gij te vergeefs; 
maar in plaats van deze, slechts in Suriname ontbeerlijke 
meubelstukken, zijn in elk vertrek twee of drie klampen 
tegen den wand geslagen, waaraan de gast zijne eigen hang- 
mat, die hij zelf altoos mede brengt, laat ophangen, eene 
gewoonte die in een door besmettelijke ziekten dikwijls ge- 
teisterd land niet is af te keuren. 

Naast de direkteurswoning vindt gij , op eenigen afstand , 
de suikermolens, traslootsen (waarin het uitgeperste en ge- 
droogde riet, in Suriname tras op Java amjoa* genaamd, dat 
als brandstof dient, bewaard wordt) en koffijlootsen. Der- 
waarts is meestal de eerste wandeling. Iets digter bij het 
woonhuis is een gebouw voor de zieken bestemd. Langs den 
rivierkant ontwaart gij , boven een inham , een soort van af- 
dak, onder den naam van //pontenloots" bekend; onder dat 
afdak worden de vaartuigen , die tot de plantage behooren , 
geborgen. Eindelijk vindt gij, achter de woning van den 
direkteur, eenige lange lootsen of hutten, die het verblijf 
der slaven uitmaken. Wij zullen ze later meer opzettelijk 
in oogenschouw nemen. 

Zijt gij eenmaal op de plantage, dan maakt gij het u zoo 
gemakkelijk mogelijk. Meestal wordt ge des morgens ten 
vijf ure, maar op de suiker-efiekten reeds ten vier ure, door 
de //reveille" der slaven gewekt. Zij wordt, even als 's avonds 
de //taptoe," door een neger-tamboer geslagen, die daartoe 
op een naburigen militairen post zijne vorming heeft ont- 
vangen. Door al deze beweging en dit geraas ontwaakt, 
gaat gij naar beneden, waar gij zeker zijt den direkteur 
reeds te zullen aantreflen. Nadat hij zijne bevelen heeft 
gegeven en de blank-officier, die de koffij in zijn nederig 
kamertje alléén heeft gedronken, zijn rapport heeft uitge- 
bragt en naar de velden, waar de slaven arbeiden, is ver- 
trokken, wordt het ontbijt genuttigd. Dan vergezellen wij 



151 

den direkteur, gevolgd door zijnen //voeteboy" (zoo heet de 
slaaf, die meer bijzonder met zijne bediening is belast), op 
eene wandeling in den omtrek der woning. De voeteboy draagt 
een geweer, alsmede een polsstok, opdat wij over de sloten, 
die de onderscheiden akkers en gronden van elkander schei- 
den, te gemakkelijker kunnen springen. De jagt levert 
echter gewoonlijk niet veel op, maar hoogst interessant is 
vooral deze togt, omdat wij de gronden bezoeken, waarop 
de slaven aan hunnen arbeid zijn. Wat wij hier echter 
zien, zullen wij later verhalen, als wij meer opzettelijk op 
de slaven der plantages onze blikken vestigen. Thans be- 
schouwen wij de vrijen. 

Ten tien of elf ure van dezen togt teruggekeerd, wordt 
door een deel van 't gezelschap, de direkteur aan 't hoofd, 
de bitterÜesch duchtig aangesproken. De voeteboy heeft de 
handen vol, om de telkens geledigde glazen weder te vullen. 
Ten twaalf ure wordt het middagmaal gebruikt. Zijn er 
geen gasten, dan heeft de blank-officier verlof, om een ne- 
derig plaatsje aan de tafel van den direkteur te vervullen. 
Hij neemt dan echter een zeer eerbiedig stilzwijgen in acht, 
tot zijn meester zich verwaardigt hem een woord toe te 
voegen of eene vraag te doen; dan alleen mag hij antwoor- 
den. Thans, nu er gasten zijn, eet hij afzonderlijk in zijne 
kamer. De tafel is rijkelijk voorzien. Bananen, bakkel- 
jaauw, zout vleeseh spelen de hoofdrol, maar vooral //de 
blaf," eene soort van hutspot of ragout, uit zout vleeseh, 
spek, gevogelte, saucijs, versche vJsch en wie weet wat niet 
al meer zamengesteld. Die //blaf" is een zonderling gebruik. 
Het vergiftigde sap van den bitteren cassave-wortel , tot eene 
siroop gekookt, heeft de eigenschap van de daarin gelegde 
spijzen tegen bederf te bewaren. Nu worden de overblijf- 
selen van eiken maaltijd, onverschillig welke, alles door 
elkander, in een aarden pot geworpen, gedeeltelijk met deze 



152 

siroop gevuld, en met spaansche peper sterk gekruid. Vddr 
eiken maaltijd wordt de pot op het vuur gezet en opge- 
warmd. Nooit wordt zij schoon gemaakt of geledigd. Als 
het middagmaal is afgeloopen, wordt eene, niet zeer korte, 
siësta genoten. De avonden worden doorgebragt of met 
kaart spelen, of met het drinken van grog, van genever, 
rum of brandewijn. Ten negen ure wordt de avondmaaltijd 
genuttigd, en daarna zoekt men zijne kamer op, zoo na- 
melijk dit eentoonige leven niet door de eene of andere 
walgelijke orgie wordt afgewisseld. 



VIII. 



DE PLANTAGE-SLAVEN. 



Daar 't nu reeds meer dan een vierde van eene eeuw ge- 
leden is, dat de invoer van slaven in Suriname werd ver- 
boden, zijn de meeste slaven inboorlingen van dat land of 
kreolen. Aan zulke negers, die op het eflekt zelf zijn ge- 
boren , geeft men verre de voorkeur boven de Afrikanen. Zij 
vormen meestal talrijke familiën, die aan den grond, waar 
zij 't eerste levenslicht aanschouwden, zeer gehecht zijn. 

Wij zullen in de eerste plaats een bezoek brengen aan 
hunne woningen. Deze bevinden zich gewoonlijk twee of drie 
honderd schreden van de direkteurswoning verwijderd; maar 
zij zijn van verschillenden aard. Soms is het een enkele 
lange planken loots, door afscheidingen in afzonderlijke 
vakken verdeeld; op andere plantages zijn 't op zich zelf 
staande hutten, van den stam en de bladeren van den pa- 
lisaden-palm zaamgesteld. Maar het naderen geschiedt niet 
zonder moeite, 't Is of gij niet naar een verblijf van men- 
schen, maar van het meest onreine vee uwe schreden rigt. 
De weg langs de gebouwen bestaat uit zware klei en modder, 
zonder dat eene enkele poging is aangewend, om er een 



153 

droog en bruikbaar pad over aan te leggen. Bedenk hier 
bij, dat deze slaven verblijven dikwerf op het meest moeras- 
sige en waterachtige plekje gronds, dat in den omtrek te 
vinden is, zijn aangelegd. Gij treedt eene hut binnen. De 
vloer is eveneens van aarde, zonder eenige bedekking. Het 
licht en de rook vinden alleen toegang en uitweg door de 
deur, want ramen of vensters zijn er niet, tenzij het bij 
velen ook door de wanden en h'et dak moest zijn, want 
zijn deze hutten niet zeer nieuw, dan worden zij weldra zoo 
bouwvallig, dat zij tegen de guurheid van het weder weinig 
beschutting aanbieden. Meubels, van welken aard ook, 
worden door den meester niet gegeven. Al wat gij hier 
ontdekt als daartoe behoorende, moeten de slaven zich zel- 
ven aanschaften, 't Is dan ook eene zonderlinge en arm- 
zalige verzameling van voorwerpen, waarop uwe oogen val- 
len, een bont mengelmoes van de meest verschillende en te- 
genstrijdige zaken. Hier een paar oude, gebroken stoelen, 
ginds wat gebarsten glazen en beschadigd aardewerk, elders 
kalabassen, die tot schotels en drinknappen dienen. Daar 
prijken een paar bontgekleurde prentjes aan den wand. Zal 
alles uitmuntend zijn en het ameublement den hoogsten 
graad van volkomenheid bezitten , dan behoort er een matras 
toe van //keenpijlen," dat is : de bloem van het suikerriet, 
en eindelijk eene kist, die de fijnste en beste zaken bevat. 

Het bouwen en onderhouden dezer woningen is aan de 
slaven zelven opgedragen. Op de Zondagen en op een vrijen 
dag, die jaarlijks daarvoor wordt gegeven, moet dit onder- 
houd worden bewerkstelligd. Zijn zij uit palissaden en pina 
zaamgesteld, dan levert de plantage alleen de spijkers, an- 
ders ook de planken. 

Opmerkelijk is het, dat zeer weinig direkteuren, wanneer 
zij u de plantage laten zien, hunne wandeling tot de sla- 
venverblijven uitstrekken. Zou het wezen, omdat het gezigt 



155 

niets aanlokkelijks aanbiedt, of zou er eene andere reden 
voor bestaan? Maar gij hebt uwen gastheer, die u heeft 
rondgeleid en u alles heeft aangewezen, uwen wensch te 
kennen gegeven, om ook die negerwoningen te bezigtigen 
en hij voldoet aan uw verlangen. Op uw gelaat leest hij 
uwe verbazing over den ellendigen toestand dezer hutten. 

— r/'t Verwondert u, mijnheer, dat het er hier niet beter 
uitziet, niet waar.-^" is zijne vraag. 

— //Ik kan niet ontkennen, dat ik het wel wat anders 
had verwacht." 

— //Och, mijnheer, daar is niets aan te doen. Al wilde 
men het ook beter hebben, daar valt niet aan te veranderen." 

— //En waarom niet?" 

— //De slaven wonen het liefst in dergelijke vuile en 
morsige krotten. Dat komt het best met hunnen aard 
overeen. In nette woningen gevoelen zij zich niet op hun 
gemak, en zoo laat men hen hun wil maar volgen." 

Zoo bemerkt gij voor 't eerst, dat de slaven toch soms 
ook een wil hebben, en dat die wil wordt geëerbiedigd. 
Zonderling echter en opmerkenswaardig, dat die zoogenaamde 
wil in dit geval zoo geheel met het belang van den meester 
overeenstemt. Er valt dus hier niet te berispen of te kla- 
gen; en bovendien, in alle geval hebben de slaven afzon- 
derlijke woningen, en dat zegt reeds veel. Men kon hen, 
even goed als het vee der plantage, waarmee zij zoo wat 
gelijk zijn gesteld, 's avonds in één hok te zamen drijven! 
Maar dat heeft men niet gedaan, of liever dat heeft de 
Minister van Koloniën niet gewild. 

Hij heeft den ö'^en Eebruarij 1851 niet alleen door een 
reglement, waarop wij reeds een blik wierpen, voor de privé- 
slaven van Paramaribo gezorgd; hij heeft dien zelfden dag 
ook de plantage-slaven in zijne bescherming genomen, door 
een koninklijk besluit te teekenen, waarbij werd vastgesteld 



156 

een Reglement op het onderhoud, den arbeid, de huisvesting 
en de tucht der slaven op de plantagiën en gronden in de 
kolonie Suriname. 

Daarin leest gij (art. 23 tot 26) de volgende schoone en 
menschlievende bepalingen : 

//Alle plantagiën en gronden zullen van behoorlijke en 
voor de aldaar aanwezige magt voldoende slavenwoningen 
voorzien moeten worden. 

//Daar, waar, zoo als op vele plantagiën en gronden nog 
plaats vindt, de meesters goedvinden, de slaven zelve voor 
den opbouw en het onderhoud hunner woningen te laten 
zorgen, worden daartoe aan de slaven de vereischte mate- 
rialen en tijd gegeven. 

//Het onderhoud, de waterloozing en het schoonhouden 
van de plaats der negerwoningen mag nimmer aan de eigen 
zorg en beschikking der slaven overgelaten worden ; de meester 
zal dat werk steeds, als hem aangaande, hetzij door slaven 
hetzij door anderen, daartoe geschikt, doen verrigten." 

Den direkteur werden deze artikelen van het reglement 
herinnerd. 

— //Hoe is daarmede deze toestand der slaven- woningen 
te rijmen? Hoe is er uwe verklaring, dat men de slaven 
hun wil laat volgen, mede overeen te brengen?" 

De direkteur knipte met zijne oogen, liet een^ spotachtigen 
glimlach om zijne lippen spelen, en zeide : 

— //Nu ja, het reglement verbiedt het; maar dat is geen 
reden, om van de gewoonte af te wijken." 

— //En dan art. 26, dat eene strafbepaling inhoudt. 
////Gezagvoerders, die nalatig zijn in de hun opgedragen 
zorg voor de daarstelling en het onderhoud der slaven-woniu- 
gen, zullen vervallen in eene boete van ƒ 50. — tot/'lOO. — ." " 

— //Staat er dat waarlijk? Wel ik had het nog niet 
eens gelezen." 



157 

't Geen wij hier hebben medegedeeld komt niet volkomen 
overeen met de berigten van den heer lans, en toch geloo- 
ven wij, dat wij niets dan waarheid hebben geschetst. Ja, 
wij gaan iets verder; wij beweren, dat, wanneer zijn verhaal 
goed wordt bekeken en men in 't oog houdt, dat hij in den 
regel de partij der slavenhouders kiest boven die der negers, 
onze schildering juist door zijne woorden wordt bevestigd. 

//In vroegere tijden," zegt hij, //schijnt men vrij alge- 
meen het bouwen der woningen aan de negers zelven over- 
gelaten te hebben; daartoe gaf men hun de materialen en 
den noodigen tijd." Het eerste is volkomen waar; het laat- 
ste beweren houden wij voor een gevolg van zijne vooringe- 
nomenheid met de slavenhouders. 

//Thans," zoo vervolgt hij, //is dit stelsel op weinige 
plantages en op de houtgronden nog bestaande, doch in 
den regel bouwt de meester nu zelf eenige groote huizen, 
die in afzonderlijke w^oningen verdeeld worden. Waarschijn- 
lijk is men daartoe overgegaan, uit hoofde der onverschil- 
ligheid en onachtzaamheid van de meeste negers, die uit 
eigen beweging niets willen doen, om hun huisselijk leven 
gemakkelijk, gezond en aangenaam te maken. Dit is hun 
aard, zij zorgen niet voor de toekomst." Wij zouden zeg- 
gen : dit is natuurlijk; zij hebben geen toekomst, zij heb- 
ben geen eigendom, zij bezitten niets. //Ook ziet men op 
de houtgronden," verhaalt de heer i,ans, en in dat opzigt 
stemt hij geheel met onze berigtgevers overeen, //met uit- 
zondering van eenige huisjes, die van de nijverheid hunner 
bewoners getuigen, niets dan ellendige hutten, waarin zij 
aan wind en regen zijn blootgesteld." 

Alleropmerkelijst is een der beweegredenen, die de heer 
LANS opgeeft voor het stelsel, dat de slaveneigenaar zelf 
voor de woningen zijner slaven zorgt. Zij karakteriseert 
volkomen den Surinaamschen geest. //Dat stelsel," zegt 



158 

hij, //heeft nog dit voordeel, dat de slaaf meer onderge- 
schiktheid voor zijnen meester heeft, naarmate de zorgen 
voor zijne behoeften meer uitsluitend op dezen rusten : het 
gevoel van billijkheid zegt hem dan, dat hij dit door arbei- 
den moet vergoeden." 

Nog eenige regelen van den heer t.ans mogen wij niet 
onvermeld laten. Wij hebben gesproken van het //in één 
hok te zamendrijven der negers, als het vee." Ook hij 
schijnt dit af te keuren, maar in bewoordingen, die zoo 
zacht en weinig grievend mogelijk voor de slavenhouders 
zijn. //Men zou," zegt hij, '/ook voor de huisvesting eenige 
wijzigingen kunnen aannemen. In plaats van alleen groote 
neger huizen te bouwen, zou het welligt doelmatig zijn, 
voor diegenen, welke in familie leven, afzonderlijke huisjes 
in te rigten, en de bijna kazernvormige gebouwen aan die 
slaven over te laten, welke men als op zich zelven levende 
kan aanmerken. Dit zou de neiging tot huisselijkheid, tot 
het familieleven vermeerderen en bij gevolg de zedelijkheid 
verbeteren. Aan de oude lieden zou men dan, tot loon 
huns vroegeren arbeids , in alle gevallen een afzonderlijke 
woning geven. De groote negerhuizen zouden ook eenige 
verandering moeten ondergaan, ten einde aan het gebrek 
aan zindelijkheid door een e betere verversching der lucht 
te hulp te komen." 

Al gij nu van al deze wenschen tot verbetering besluit 
tot het bestaande, is er dan veel onderscheid tusschen 't 
geen wij van de slavenwoningen op de plantages gezegd 
hebben en zijn verhaal? 

De menschen, voor wie deze verblijven bestemd zijn, kan 
men gevoegelijk in vijf klassen verdeden. Eerst noemen wij 
de //bastiaans" of opzieners, die meestal aan de beide vleu- 
gels dezer gebouwen hunne woning hebben. Dan volgen 
de //kreolen," waarmee men de kleine kinderen bedoelt, die 



159 

nog te jong en te zwak zijn, om te kunnen werken. Tot 
(ie derde afdeeling behooren de //malengers," of de ouden en 
zieken, die voor den arbeid niet meer geschikt zijn. Yoorts 
vormen de /yhuisslaven", die het huiswerk inde woning van 
den direkteur verrigten, eene afzonderlijke klasse. En ein- 
delijk volgen de //veldslaven," die de eigenlijke werkkracht 
der plantage zijn. 

De //kreolen", de slavenjeugd, zijn de hoop voor de toe- 
komst eener plantage. Geen nieuwe slaven mogen van Afrika 
worden aangebragt, en slaven te koopen van andere plantages 
in de kolonie is eene zeer kostbare en dikwijls onmogelijke 
zaak. Al de werkkracht voor volgende jaren ligt dus bij 
de kinderen der slaven. Hoe wordt voor hunne ligchamelijke 
en zedelijke opvoeding gezorgd? 

Volgens de bepalingen van het Gouvernement moet aan 
zwangere vrouwen, van de vijfde maand der zwangerschap 
af, geheele vrijstelling van arbeid worden toegestaan. Na 
hare bevalling zijn zij, indien haar kind niet in leven is, 
gedurende veertig dagen mede van allen arbeid vrij, doch 
wanneer haar kind in leven is duurt deze vrijstelling drie 
maanden. De volgende drie maanden mag men haar slechts 
bij huis of in de fabriek werkzaam stellen, en na het einde 
der zes maanden, tot dat het kind twaalf maanden heeft 
bereikt, mogen zij slechts op half werk of halve taak op het 
veld gebezigd worden. Bovendien mag van zogende vrou- 
wen, zoo lang hare kinderen den ouderdom van twaalf maan- 
den niet hebben bereikt, vóór half acht ure des morgens en 
na zes uur des avonds geenerlei arbeid worden gevergd. 

Worden deze voorschriften opgevolgd ? Gij veronderstelt 
het. 't Is het belang der plantage, dat vele kinderen uit 
de slavinnen geboren worden, dat zij sterk en gezond zijn, 
dat zij tot krachtige werklieden opgroeijen. Wat is dus 
natuurlijker, dan dat men zorg drage voor de moeders, die 



160 

deze kinderen ter wereld brengen, opdat bare zwangerschap 
zonder ongelukken ten einde loope. 

't Is zoo, maar gij verliest ééne omstandigheid uit het 
oog. Yoor de eigenaren der plantage is de geboorte van 
een slavenkind een voordeel; daardoor rijst zijn efiekt in 
waarde. Ieder kind vertegenwoordigt reeds bij de geboorte 
zekere waarde. Voor den administrateur, die niet tevens 
mede-eigenaar is — en meestal is hij 't niet — is dat 
geen voordeel. Zijn belang brengt mede, dat de plantage 
vele produkten in korten tijd opbrengt, want daarvan heeft 
hij zijne procenten. De toekomst is hem onverschillig, al- 
leen bij het tegenwoordige heeft hij belang. De waarde van 
het efl'ekt beteekent voor hem niets, alleen de vaten suiker 
en ponden koffij, die jaarlijks worden afgeleverd, brengen 
hem zijne inkomsten aan. Dat eene slavin dus kinderen 
baart, vermeerdert zijn rijkdom niet, maar dat zij vlijtig 
werkt en zwaren arbeid verrigt en van den vroegen morgen 
tot den laten avond op het veld of in de fabriek al hare 
krachten inspant, dat is zijn belang en zijn voordeel. En 
wat het voordeel is van den administrateur, dat is het 
eveneens van den direkteur, niet alleen omdat hij mede 
op vele plantages hoogere emolumenten heeft naarmate de 
produkten vermeerderen, maar bovenal ook omdat hij voor 
alles met zijnen administrateur op eenen goeden voet moet 
blijven. 

Op zekeren morgen, niet lang geleden, berigtte men aan 
den administrateur eener plantage, dat het pas geboren kind 
eener slavin gestorven was. 

— //'t Is wel!" was het antwoord. //Dat is van daag 
een goed begin. Ik hoop nog veel zulke heugelijke berigten 
te ontvangen." 

— //Hoe zoo?" vroeg iemand, die nog eerst onlangs in 
de kolonie was gekomen, en bij deze vreugdekreet tegen- 



161 

woordig was. //Mij dunkt de dood van een slavenkind is 
een nadeel voor elke plantage." 

— //Gij bedriegt u. Over een jaar of acht is de boel 
toch op de flesch. In alle geval heb ik dan mijne schaap- 
jes op 't drooge en de administratie neergelegd. Was het 
kind blijven leven, dan had het de moeder in haren arbeid 
belemmerd; nu gaat zij dadelijk weder naar het veld. Ik 
reken dat zij voor de plantage ten minste honderd gulden 
meer verdient, dan wanneer het kind niet gestorven was." 

Het eigenbelang is alzoo geen drijfveer, om de voorschrif- 
ten van het Gouvernement omtrent de behandeling der zwan- 
gere slavinnen getrouw op te volgen. Zou het de vrees zijn 
voor de kontrole van datzelfde Gouvernement? Die kou- 
trole is = nul; wij zullen er later nog meer van overtuigd 
worden; zij is onmogelijk, tenzij op elke plantage voortdu- 
rend een agent der regering tegenwoordig ware, om te 
waken, dat hare voorschriften behoorlijk worden in acht ge- 
nomen. Yan de meerdere of mindere menschlievendheid 
der gezagvoerders is alzoo meestal de wijze afhankelijk, 
waarop men met zwangere vrouwen te werk gaat. Mensch- 
lievendheid? Neen dat is eigenlijk het woord niet, men 
kan zijne slaven hard en wreed en onmenschelijk behande- 
len — en toch, naar de meening der Surinaamsche Chris- 
tenen, zeer menschlievend zijn! 

De heer i.ans schijnt ook niet zoo volkomen van de voor- 
trefl'elijke behandeling der zwangere vrouwen overtuigd, als 
hij zegt: //Wat de zwangere vrouwen betreft, erken ik gaarne, 
dat men genoegzaam overal, zoo uit menschelijkheid als om 
het belang der zaak, veel zorg voor haar heeft, wanneer 
hare zwangerschap eenigzins gevorderd is; doch ik ben te- 
vens van oordeel, dai men dienaangaande nog veel meer zou 
hehooren te doen. Het is wel waar, dat men zich dikwijls 
zou blootstellen aan bedrog, door liet valschelijk voorgeven 

I. 11 



162 

van zwangerschap, doch dit is een kwaad van minder be- 
lang, dan de menigvuldige misJcramen!''' 

Als de moeders naar het veld gaan om te arbeiden, 't zij 
dan, volgens de Gouvernementsvoorschriften, zes maanden 
na hare bevalling, 't zij tegen die voorschriften reeds vódr 
dien tijd, gewoonlijk nemen ze hare zuigelingen derwaarts 
mede. Daar worden de kinderen aan eene oude negerin, 
die den eerwaardigen titel van //kreolen-mama" draagt, ter 
verzorging toevertrouwd. Onder een afdakje worden zij door 
haar nedergelegd. Nu en dan verlaat de moeder hare taak, 
om haar kind te zogen. 

Maar als de twaalf maanden om zijn, neemt de meester, 
volgens het hem toegekende regt, de geheele zorg voor het 
kind op zich. Dan kan de moeder, als zij hare taak on- 
afgewerkt heeft gelaten, zich niet meer op de verpleging 
van haren zuigeling beroepen. Dan is , — hoe gij er ook over 
denken moogt, moeders in Nederland, als gij op uwe eigene 
lievelingen uwe blikken vestigt! — dan is de moederzorg 
voor slavenkinderen verder onnoodig geworden. Al wordt haar 
kind ook krank, al worstelt het ook met den dood — het 
afwerken harer taak als slavin voor haren meester is de 
eerste pligt der moeder. En wee haar , indien zij , dien pligt 
vergetende, haren kostbaren tijd met het laven en oppassen 
en verzorgen van haar kranke kind verbeuzelt! Zeker kan 
zij er van zijn, dat de slavenzweep haar gevoelig zalleeren, 
dat zij haar duren pligt verzuimt, dat zij moet werken voor 
haren heer, en dat er eene //kreolen-mama" is, alléén be- 
stemd om voor de jeugdige slaven van dien heer te zorgen. 
En is zulk eene kastijding niet verdiend? Wat schandelijke 
ondankbaarheid toch ! De goede meester voorziet immers in 
al de behoeften der zuigelingen ; hij bevrijdt haar van den last 
der moederzorg en draagt die aan eene andere vrouw op; 
voor zoo veel goedheid eischt hij niets anders, dan dat zij 



163 

hare krachten, in plaats van aan haar kind, aan het bebou- 
wen van zijnen grond toewijdt — en ziet! nu bedriegt zij 
dien goeden meester, en sluipt heimelijk van het veld weg 
naar het kranke wicht — neen! die zweepslagen zijn dubbel 
verdiend. 

Zoo worden de kinderen, als zij twaalf maanden oud zijn, 
van hunne moeders gescheiden. Behalve dat langs dien weg 
de slavin zich geheel aan haren veldarbeid kan toewijden, 
heeft deze instelling nog een groot nut. Men tracht de 
kinderen op die wijze van hunne ouders te vervreemden, en 
hen daardoor geschikter te maken voor de slavernij. Hoe 
minder menschelijke aandoeningen den boezem der slaven 
doen kloppen, des te beter. Wat doet hij ook met ouderliefde 
en kinderliefde? Slaven moeten geen banden des bloeds ken- 
nen. En wat krachtig argument , om die dwaze philanthropen 
voor de voeten te werpen, die van //emancipatie" droomen, 
//De slaven verdienen niet vrij te zijn, kunnen niet vrij 
zijn I De slaven zijn geene menschen. Ze hebben geenc 
menschelijke aandoeningen. Zelfs ouderliefde en kinderliefde 
zoekt gij bij hen te vergeefs!" 

Jammer maar, dat die onwillige slaven, in weerwil van 
alle aangewende pogingen, dat argument zoo dikwijls ver- 
nietigen en dat beweren logenstraffen. Al scheidt men ook 
de moeder van haar kind, als het een jaar oud is, toch 
weet zij het eene liefde in te boezemen, die zich maar zel- 
den verloochent. Nooit ontvlamt de woede van een slaaf 
heviger, nooit is zijn toorn brandend er, dan wanneer gij 
kwaad van zijne moeder spreekt. 

Alleen de //kreolen-maraa" heeft de vorming, de leiding, 

de opvoeding der slavenkinderen. Bij die opvoeding kan 

in hare handen natuurlijk de zweep evenmin ontbreken, als 

in die der bastiaans bij het bestuur der volwassenen. //Onder 

die leiding groeit," volgens de verklaring van den heer kap- 

11 ->f 



164 

PLER, die den toestand der slaven veel gelukkiger vindt dan 
dien der daglooners in Europa, //de jeugd als het lieve vee 
op." Wilt gij een proefje van de wijze, waarop die oude 
negerin zich van haren pligt kwijt? 

Wij zitten met den direkteur en de overige gasten in de 
galerij zijner woning, 't Is elf uur in den morgen. Daar 
nadert eene menigte slavenkinderen van allerlei kleur en 
allerlei leeftijd. De meesten zijn donker zwart met kroes 
haar, onverbasterd Afrikaansch ras; maar gij ziet er ook 
kleurlingen onder van verschillende nuances, tot digt bij 
het blanke. Meisjes en jongens, alles onder en door elk- 
ander, en geheel naakt. De troep nadert ons, en als zij 
voor het huis zijn, worden zij, al naar de grootte, in een 
rei geplaatst. Jongens van twaalf en dertien jaren boven 
aan en zoo vervolgens. 

Op een gegeven teeken van de //kreolen-mama," of op het 
bevel //oppo!" steken allen de handen omhoog, en op een 
ander, of op het kommando //sakka!" laten zij die weder 
vallen. Dat wordt drie malen herhaald. Dan moeten zij 
regts-om-keert maken, en nogmaals drie maal dezelfde voor- 
stelling geven. Soms moeten allen het hoofd draaijen of in 
de handen klappen, of het eene been optrekken, of nog 
andere kunsten vertoonen — alles op bevel der negerin, 
naar de luimen van den direkteur, en gepaard, hier met 
een slag, daar met een stoot, en dikwijls met een vloed 
scheldwoorden van de kreolen-mama. 

— //Odi Masra!" (goeden dag Mijnheer!) schreeuwt plot- 
seling de gansche troep. 

— //Odi Missi!" (goeden dag Mevrouw!) Iaat zij er op 
volgen. //Pai Masra dan? Fai Missi dan?" (Hoe vaart 
gij Mijnheer? Hoe vaart gij Mevrouw?). Heeft de direk- 
teur kinderen, dan behoort er nog bij: //Goeden dag kleine 
Masra!" en //Goeden dag kleine Missi!" Zoo gaat het 



165 

voort, als papegaaijen napratende wat de negerin, op 't ver- 
langen van den meester, hun voorpraat. Begint het hem 
te vervelen, dan marcheert de //kreolen-mama" met hare 
troep weer af. Eiken morgen wordt deze vertooning gere- 
geld herhaald. 

Ziedaar de opvoeding der slavenkinderen. Overigens wordt 
hun meestal niets geleerd. En men heeft de bevoegdheid, reeds 
op zeer jeugdigen leeftijd, zoodra zij er maar eenigzins in 
staat toe zijn, hen aan het werk te stellen. De Minister zegt 
bij voorbeeld in zijn reglement : //Bejaarden, jongens en meis- 
jes, die tot het bewerken van hout of het dragen van planken 
niet geschikt zijn, worden, in verhouding tot hunne jaren 
en krachten, gebezigd tot het onderhoud van de kostgron- 
den, tot het dragen en vervoeren van singels, sparren, knieën 
en gespen uit het bosch naar de landings- of stapelplaats." 
Er is geen tijd voor de jeugd om wat teleeren. Zij wordt 
geboren, om voor den meester te werken, en zij moet daar- 
mede beginnen, zoodra mogelijk, onmiddelijk als de natuur 
het gedoogt. Er is geen tijd te verliezen. Waartoe zou 
de meester ook voor eenige geestelijke ontwikkeling zorgen? 
hij heeft alleen hun ligchaam noodig. Overal is het zoo. 
Slechts zeer enkele plantages maken eene uitzondering. Daar 
ontvangt de jeugd eenig onderwijs in het lezen. 

Zoodra het ligchaam ontwikkeld is en krachten genoeg 
heeft, worden de kinderen aan den arbeid gezet, die niet 
ophoudt vóór hunnen dood of vóór dat de ouderdom hun 
het werken onmogelijk maakt. Maar ook in dit laatste 
geval wordt nog partij van hen getrokken. Wel zeggen de 
voorschriften van het Gouvernement: //aan bejaarden, zwak- 
//ken en kinderen mag nimmer eene grootere taak of zwaar- 
//der arbeid worden opgelegd, dan geëvenredigd aan hun 
//toestand en hunne krachten;" maar wie beoordeelt dit? 
wie voert het uit? wie kontroleert het? 



166 

Zijn de slaven oud en gebrekkig, dan kunnen zij den 
zwaren arbeid, dien men van de andere slaven vordert, na- 
tuurlijk niet meer verrigten. Al wil men hen ook naar het 
veld drijven, al heeft de zweep ook dikwijls de bijna uit- 
geputte krachten een oogenblik weder opgewekt — eindelijk 
baat ook dat middel niet meer. Maar noode geeft men aan 
slaven het genadebrood. Wanneer de slaven hun gansche 
leven voor hunnen meester hebben gearbeid; als zij al de 
spieren van hun ligchaam jaar in jaar uit hebben inge- 
spannen, om hem rijk te maken; als zij vóór hunnen tijd 
oud zijn geworden, dan worden zij juist thans, nu zij de 
verzorging en verpleging hunner kinderen 't meest behoe- 
ven, naar de uiterste punten en meest afgelegen uithoeken 
der plantage verbannen. Daar moeten zij, in ellendige, 
van alle kanten voor den wind en regen openstaande, hutten 
of afdaken van palmbladen , de betrekking van veehoeder of 
sluiswachter vervullen, of de kostgronden bewaken. Nim- 
mer zien zij eenig menschelijk wezen, dan wanneer hun de 
twee bossen bananen gebragt worden, die hun leven eene 
week moeten rekken. Overigens kunnen zij hunnen tijd 
besteden met na te denken over de dankbaarheid van den 
meester, in wiens dienst zij de beste jaren huns levens 
doorbragten, en die hen nu tot loon uit het midden hun- 
ner magen en vrienden in de eenzaamheid verbant. Alleen 
zij, die kostgronden moeten bewaken, worden nu en dan 
met een bezoek gekweld. Yreemde slaven van naburige 
plantages sluipen niet zelden op deze gronden, om de ba- 
nanen en aard vruchten te stelen, die aan de zorg van 
den grijzen bewaker zijn toevertrouwd. Hij is te oud, om 
er met geweld iets tegen te kunnen doen. Daarom neemt 
hij zijn toevlugt tot een list. Uit hard hout snijdt hij drie 
of vier duim lange zeer puntige pennen, die in een bordje 
worden ingeslagen, zoodat de punten er een duim of drie 



167 

uitsteken. Dikwijls bevinden zich op een enkel bord twin- 
tig zulke pennen. Overal werpt hij deze instrumenten in 
het gras, zoodat de dieven er moeten inloopen of optrappen; 
doen zij dat, dan doorsteken de pennen den voet, breken 
af en veroorzaken duldelooze pijnen. 

Op deze wijze en met zulke zorgen brengt hij zijne 
treurige laatste levensdagen door, tot de dood er hem ein- 
delijk van verlost. 

Behalve kinderen en ouden is er nog eene soort van hulp- 
behoevenden op de plantages; 't zijn de zieken. De Mi- 
nister van Koloniën heeft ook voor hen gezorgd. In art. 
27 van zijn reglement zegt hij : //Eigenaren, administrateu- 
//len en gezagvoerders, ieder voor zoo veel hem aangaat, 
//zijn gehouden, om voor de behoorlijke genees- en heel- 
//kundige behandeling van de slaven te zorgen. Nalatig- 
//heid of verzuim te dien opzigte wordt gestraft met eene 
//boete van / 100 tot / 300." 

Op de plantages bevindt zich dan ook gewoonlijk een 
gebouw, bestemd voor de verpleging der zieken. Maar hoe 
is die verpleging? 

De geneeskundige behandeling is meestal toevertrouwd 
aan de geneeskundigen in de divisiën. Drie hunner zijn 
doktors in de geneeskunde, twee officieren van gezondheid, 
en de overige elf zijn //divisie-heelmeesters," door de com- 
missie tot geneeskundig onderzoek en toevoorzigt, na een 
uiterst gemakkelijk examen, als zoodanig toegelaten. Wilt 
gij het oordeel van den heer lans over hen kennen? Na 
eerst bij de eigenaren, administrateurs en direkteurs der 
plantages zich behoorlijk verontschuldigd, en goed te heb- 
ben doen uitkomen, dat al hetgeen hij zal»verhalen volstrekt 
niet aan hen moet geweten worden, gelooft hij te kunnen 
volhouden, //dat een groot aantal zieke slaven begraven 
wordt uit (gebrek aan o-oede behandeling^." De oorzaak van 



168 

dit droevig verschijnsel ligt, volgens den heer lans, //in 
de onkunde der zoogenaamde divisie-doctoren, anders gezegd 
plattelands heelmeesters en der direkteurs. In de eerste 
plaats zijn er te weinig heelmeesters; in de tweede plaats 
zijn het meestal lieden, die uit eenen baardschrapperswinkel 
komen; en treft men nu en dan een bekwaam persoon 
onder hen aan, dan duurt het niet lang, of men ziet hem 
zich in Paramaribo nederzetten, daar de stad hemeen spoe- 
diger fortuin belooft." 

Verscheiden deze divisie-heelmeesters houden hun verblijf 
in tentbooten op de rivieren bij de eene of andere plantage. 
lu die tentbooten moeten zij 't grootste gedeelte van hun- 
nen tijd doorbrengen; want zij trekken er mede van het 
eene efl'ekt naar het andere, overal waar hunne tegenwoor- 
digheid vereischt wordt; en de afstanden tusschen de ver- 
schillende plantages bedragen dikwijls vele uren. Tegen 
eenen bepaalden prijs voor eiken zieken slaaf bezoeken zij 
de lijders. Doodelijk vermoeid van eenen in de hitte der 
keerkringszon volbragten watertogt, komen zij aan het zie- 
kenhuis, en niet meer dan eens in de veertien dagen, 
hoogstens eens in de week, kunnen zij hunne patiënten zien. 
Gij begrijpt, wat er van zulke visites en van deze genees- 
kundige verpleging der kranken te verwachten is. Onder 
het nuttigen van de eene of andere verversching, schrijft 
de doktor zijn recept, geeft eene algemeene wijze van be- 
handeling op en verlaat den zieke, om hem over eenige 
dagen eerst weder te zien. 

Maar aan de divisie-geneesheeren is volstrekt niet alge- 
meen de behandeling der kranke slaven toevertrouwd. Meestal 
worden zij slechts in buitengewone gevallen geroepen; ja, 
er zijn effekten, waar nimmer een geneesheer gezien wordt. 
Onlangs beroemde zich de direkteur eener plantage van 150 
slaven, dat hij zelf //gedurende zeven jaren voor doktor had 



169 

gespeeld," zonder dat immer een geneesheer een zijner ne- 
gers had behandeld. Maar hij voegde er niet bij, hoeveel 
slaven hij in dien tijd reeds onder den grond had geholpen. 

De heer kappler, de verdediger van de wijze, waarop de 
slaven in Suriname behandeld worden, levert eene zeer op- 
merkenswaardige bijdrage tot waardering van de goede zorg 
der direkteuren voor hunne zieke slaven. Een jong neger- 
meisje van den kostgrond //de Hoop" was zeer door siccas 
of zandvlooijen (Pulex penetrans) geplaagd, van welk onge- 
dierte zich geheele regimenten in hare voeten hadden inge- 
werkt, zoodat ze voor den arbeid niet meer bruikbaar was. 
De direkteur besloot, ofschoon hij van de geneeskunde niets 
verstond, om het meisje te genezen. De kranke moest hare 
voeten in een ketel kokend water steken. De dieren stier- 
ven onmiddellijk, maar ook het meisje was den volgenden 
dag een lijk. Dit voorval werd ruchtbaar en de direkteur 
werd naar Paramaribo ontboden, om zich te verantwoorden; 
maar aan boord van het vaartuig, dat hem derwaarts over 
moest voeren, benam hij zich zei ven het leven. De beweeg- 
reden, die hem tot deze wanhopende daad dreef, is onbe- 
kend , maar zeker was het geen vrees voor de straf, die hem 
wachtte, want eene geldboete was het hoogste, waarmede de 
wet hem bedreigde. 

Het verblijf, waarin de zieke verpleegd wordt, is dik- 
wijls allerellen digst. //De plantage-hospitalen," zegt de 
heer i,ans, die de zaken zoo veel mogelijk ten voordeele 
der slavenhouders voorstelt, //zouden doelmatiger kunnen 
worden ingerigt". Wat er voor de verzachting van zijn leed 
wordt gedaan, kunt gij opmaken uit zijne vermaning, als 
hij zegt: //Ik geloofde belanghebbenden aandachtig te moe- 
ten maken op de ligging der zieken. Gezond zijnde, slaapt 
de neger bij voorkeur op eene mat, maar dit is geene re- 
den, om den ziehen neger er op te laten liggen. Waarom 



170 

niet zakken met caro wiwiri (koorn-bladen) gevuld? dit 
kost niets, en geeft de beste matras, die men in een warm 
land verlangen kan." 

Het gewone voedsel van den zieke bestaat in drooge ba- 
nanen, bij meer ernstige gevallen in pap van gongotee en 
somwijlen wat rijst of gort. Is hij aan 't beteren, dan ont- 
vangt hij zijn gewone rantsoen. Zeer weinige plantages zijn 
er, waar aan de reconvalescenten ververschingen worden uit- 
gedeeld, niettegenstaande het zeker is, dat dit door vele 
eigenaars in Nederland wordt bevolen. De plantage van den 
heer n. in het district Nickeri maakt ook in dit, gelijk in 
zoo menig ander opzigt, eene eervolle uitzondering. Daar 
zijn nette woonhuizen voor de slaven gebouwd en wordende 
kranken niet opgesloten, maar in de woning hunner fa- 
milie verpleegd. Ieder zijner slaven zou dan ook zijn leven 
voor dien goeden meester laten ! Over 't algemeen hebben 
de distrikten Nickeri altoos bekend gestaan wegens de bij 
uitstek wreedaardige wijze, waarop de slaven er behandeld 
werden. Dat is zoo erg, dat negers te Paramaribo, die 
zich de ontevredenheid en den haat hunner meesters op den 
hals halen, aan de eigenaren der plantages in die distrikten 
worden verkocht. Niet zelden hoort gij de bedreiging in 
den mond der slavenhouders van Suriname's hoofdstad : 
//Pas op, of ik zal u naar Nickeri verkoopen." Om een en- 
kel bewijs te geven van de verfijnde wreedheid, waartoe 
sommigen in die distrikten het gebragt hebben, moge de 
mededeeling strekken, dat, bij de toepassing der zweepsla- 
gen, de slaaf er zoo veel mogelijk wordt uitgerekt, en in 
den van een St, Andries-kruis aan vier in den grond ge- 
slagen palen bevestigd , zoodat hij zich niet kan bewegen. 
In die positie ontvangen de ongelukkigen de zweepslagen 
van bastiaans, die zoo geoefend zijn, dat het hen nimmer 
mislukt, een op den grond liggend stuk geld weg te slaan. 



171 

Door verandering van eigenaars, zijn er echter in diezelfde 
distrikten thans een paar plantages, waar de slaven voor- 
beeldig worden behandeld, en daartoe behoort ook die van 
den heer n. 

Over het ziekenhuis heeft menigwerf een slaaf, met den 
titel van //dresneger," het opzigt. 's Morgens brengt hij de 
kranken en hen, die zich als zoodanig hebben aangemeld, 
bij den direkteur. Dan hoort gij allerlei jammeren, klagen 
en zuchten. Maar niet alles kan voor goede munt worden 
opgenomen. De direkteur onderzoekt, of zij allen werkelijk 
ziek zijn. Wat hem, den oningewijde in de kunst, bij dat 
onderzoek tot maatstaf strekt, is ons onbekend, 't Doet er 
ook niet toe — op zijne uitspraak, worden sommigen tot 
kranken verklaard, anderen naar hunnen arbeid gejaagd. 
Houden zij echter vol, en blijft men hen van eene voorge- 
wende ongesteldheid verdenken, dan wordt niet zelden de 
opsluiting in een blok toegepast. En wanneer het uiterlijke 
voorkomen van eenen patiënt, op het oogenblik dat hij zich 
aanmeldt, geene zigtbare bewijzen hoegenaamd van ongesteld- 
heid aanduidt, dan beproeft men wel eens, of de toepassing 
van eenige zweepslagen geen radikaal geneesmiddel tegen 
hoofd-, buik- of lendepijn aanbiedt. 

In November 1852 zou eene //boschpatrouille" gehouden 
worden. Wat dit beteekent zult gij later vernemen, want 
wij hopen er zelf een paar met u mede te maken. De boot, 
waarmede men de rivier wilde opvaren, was reeds gevuld 
met al het geen men mede dacht te voeren. Een onont- 
beerlijk ingrediënt van zulk eene boschpatrouille zijn bo- 
venal de lastdragers, slaven, die de levensmiddelen en 
andere volstrekt noodzakelijke behoeften langs de onge- 
baande wegen, door de bosschen en wildernissen medevoeren. 
Op het oogenblik dat de aanvoerder der patrouille, een bur- 
ger-officier, in de boot wilde stappen, zei de een der slaven : 



172 

— //Masra, ik kan niet medegaan, ik ben ziek," en men 
behoefde den armen man maar aan te zien, om overtuigd 
te zijn, dat hij waarheid sprak, 

— //Ziek?" antwoordde de aanvoerder, //ziek? Welnu, 
wij zullen u, als 't niet beter wordt, wel een dressie (ge- 
neesmiddel) toedienen. Stap in maar." 

— //Patientie!" zuchtte de slaaf en hij gehoorzaamde. 
Gedurende den overtogt zat hij gedwee en stil in de boot. 
Niemand had last van hem. Hij droeg zijn lijden en zijne 
smarten zonder te zuchten of te kermen; alléén zijne kleur, 
zijne oogen en zijne ingevallen wangen bewezen, dat hij 
krank was, 

— //Is het nog niet beter?" vroeg de aanvoerder, toen 
men de eerstvolgende plantage bereikt had, 

— //Neen! Masra, het is erger." 

— //Komaan, dan eene dressie!" 

En waarin bestond dat geneesmiddel? In zestig zweep- 
slagen, die den kranken neger onmiddellijk werden toege- 
diend. Er was onder degene, die deze barbaarschheid bij- 
woonden, een ooggetuige, die oorzaak is, dat wij dit af- 
schuwelijk beulenwerk hier kunnen opteekenen. 



IX. 



\0EDI1\G Ë^ KLËEDING OP DE PLA]\TAGES. 



— »-5ï&a»-^ 



Gij hebt gezien, dat de Minister van Koloniën den 6^^^ 
Pebruarij 1S51 niet alleen voor de stads-slaven van Para- 
maribo gezorgd heeft, maar ook dienzelfden dag de plan- 
tage-slaven in zijne bescherming nam, door een Konink- 
lijk besluit te teekenen, waarbij werd vastgesteld een Be' 
glement op het onderhoud, den arbeid, de huisvesting en de 
tucht der slaven op de plantagiën en gronden in de kolonie 
Suriname. 

Vergelijkt gij de voorschriften van dit staatsstuk omtrent 
de voeding met die omtrent het voedsel, dat te Parama- 
ribo de slaven-eigenaar verpligt is aan zijnen //privé- slaaf" 
te geven, dan zijn beiden, op ééne uitzondering na, volko- 
men gelijk. 

Waarom is de Minister niet op het denkbeeld gekomen, 
dat de geringe hoeveelheid wezenlijke voedingstoffen (de 
banaan houdt bijna geene proteïne-bestanddeelen) haren ver- 
derfelijken invloed nog veel meer moet uitoefenen op men- 
schen , die dag aan dag zwaren veldarbeid verrigteu? Waarom 
heeft niemand hem voorgesteld , om niet dezelfde voorschriften 



174 

voor hen te geven als voor de stads-slaven, maar om tus- 
schen die beiden een aanmerkelijk onderscheid te stellen, 
dewijl beider behoeften niet gelijk kunnen zijn? 

Nu is er werkelijk verschil, maar weet gij welk? Aan 
den plantage-slaaf wordt eene veel mindere hoeveelheid dier- 
lijk voedsel toegekend dan aan den stads-slaaf! 

Yoor den laatsten is het reeds ontoereikend, wanneer 
hem niet meer dan drie ponden bakkeljaauw of andere ge- 
zouten visch, of drie ponden gezouten of gerookt vleesch, 
of drie ponden haring of makreel in de week worden toe- 
gelegd. Hoe zal dan de eerste genoeg kunnen hebben aan 
slechts twee pond van dat alles in hetzelfde tijdsbestek? Ik 
zal u een tegen elke tegenwerping verdedigbaar bewijs ge- 
ven, dat hij er niet genoeg aan heeft. Op sommige groote 
en wel bestuurde suikerefi'ekten , als Munnikendam, de Ee- 
solutie, Meerzorg en Sardam, die eene j aarlij ksche winst 
afwerpen, wordt door de eigenaars, vrijwillig en zonder 
daartoe verpligt te zijn, meer dierlijk voedsel aan de slaven 
gegeven, dan het reglement voorschrijft. Zoude men dat 
doen, zonder de overtuiging, dat twee ponden in de week 
niet genoeg zijn? En toch heeft de Minister het voldoende 
gekeurd. 

Wat kan daarvan de oorzaak wezen? Waarschijnlijk 
heeft de Minister geloof geslagen aan de beweringen van 
den plantage-eigenaar, die gij dagelijks in Suriname kunt 
vernemen. Waarschijnlijk heeft hij bij voorbeeld op de 
volgende wijze hooren redeneren : 

//Als de plantage-slaaf niet te lui was, zou hij geheel in 
zijn eigen onderhoud kunnen voorzien. Alleen dewijl hij 
//een malenger" is, voorziet daarin zijn meester. Maar 't 
zou eene dwaasheid zijn, hem zóó onbehoorlijk veel toe te 
leggen als aan een stads-slaaf. Hij heeft toch gelegenheden 
in overvloed, om het ontbrekende aan te vullen. Er is bij 



175 

voorbeeld op de plantges eene menigte visch; is hij niet te 
lui, dan kan hij dagelijks zoo veel er van vangen, als hij 
verkiest. Hij kan kleine stukken grond, die men hem gaarne 
afstaat, voor eigen gebruik bebouwen. Het is hem vergund, 
pluimvee aan te houden. In een woord, al wat men den 
slaaf toegeeft, bij dezen benijdenswaardigen toestand, is over- 
daad!" 

Wij laten ons , door deze liefelijk klinkende woorden , niet 
verschalken. 

't Is waar, in den tijd als het niet regent, wanneer de 
waterplassen en zwampen langzamerhand opdroogen, neemt 
de visch zijn toevlugt in kleine poelen en vijvers, die hier 
en daar overblijven. Met eenige inspanning is het dan niet 
moeijelijk, eene aanzienlijke hoeveelheid visch te vangen. 
Maar zoodra de regentijd invalt, vullen zich de droog ge- 
vallen plaatsen weer spoedig; binnen korten tijd zijn de 
bosschen op nieuw in onafzienbare plassen veranderd , waarin 
de visch, die den droogen tijd gelukkig is doorgekomen, 
zich heinde en ver verspreidt. Dan valt er aan visschen 
niet meer te denken. 

Maar waarom vischt de neger dan niet zoo vlijtig in den 
droogen tijd, dat hij, wanneer de regentijd daar is, een goe- 
den voorraad heeft bewaard? Hou, bij deze vraag, drie bij- 
zonderheden in het oog. Vooreerst, moet hij zoo veel voor 
zijn meester werken, dat de rust zijner vrije uren volstrekt 
vereischt wordt, om de krachten van zijnligchaam te herstel- 
len. Ten tweede, verzet zich het klimaat tegen het bewaren 
van visch, tenzij die met zorg en de noodige voorbehoed- 
middelen daartoe geschikt is gemaakt. Ten derde, ontbreekt 
het den slaaf aan zout, een eerste ingrediënt om visch te 
bewaren. Volgens het reglement ontvangt hij //gedurende 
den regentijd een pond, en gedurende den droogen tijd an- 
derhalf pond zout in de maand," waarmede hij al zijne spij- 



176 

zeu moet bereiden. Nu ziju er bovendien vele streken, waar 
tot visschen bijna alle gelegenheid ontbreekt, en zelfs Eu- 
ropeanen maanden lang geen versche visch op hunne tafel 
zien. 

En dat afstaan van gronden voor eigen gebruik en dat 
houden van pluimvee ziju schoonklinkende woorden, maar 
ook niet meer. De Minister zegt in art. 12 van zijn regle- 
ment : //Het houden van pluimvee en het bebouwen van 
bepaaldelijk aangewezen of aan te wijzen grondjes, door de 
slaven in hunne vrije uren, sedert lang reeds algemeen ver- 
gund, zal door de gezagvoerders voortdurend worden aan- 
gemoedigd." Komt gij nu aan de suiker- en koffij -plantages 
in de nabijheid van Paramaribo, dan ziet gij hoogstens een 
paar okro-heesters en eenige maïs-planten achter de woning 
der bastiaans. Al zoekt gij ook de gausche plantage rond 
naar die schilderachtig beschreven tuintjes, waarin het zou 
schijnen, dat de slaven hunne ledige uren als behoedmiddel 
tegen de verveling konden doorbrengen, — gij vindt ze 
nergens ! 

— //Waarom wordt hier aan het bevel van den Minister 
niet voldaan?" is natuurlijk uw vraag. 

— //De negers zijn veel te lui, om dat weldadig voor- 
schrift op te volgen," antwoordt men u. 

Zijt gij nu met dit antwoord te vreden, dan boeten de 
slaveu in uwe oogen teregt voor hunne luiheid; maar dringt 
gij, door eigen onderzoek, dieper door in den toestand dier 
luijaards^ dan ziet gij hen ten vijf ure des morgens zich 
verzamelen, om ten half zes of iets later in het veld te 
zijn; dan ziet gij hen meestal eerst na zes uur in den avond 
van daar terugkeeren; dan ziet gij hen, gedurende al dien 
tijd, onder een van zonnehitte brandenden hemel, in het 
open veld maar vooral in de suikertuinen on verdragelij k, 
zwaren handenarbeid verrigten; dan ziet gij hen bij hunne 



177 

tehuiskorast zelve hun voedsel gereed maken, want de vrou- 
wen en kinderen moesten even goed als de mannen den gan- 
schen tijd op de akkers doorbrengen, en konden dus niet 
zorgen, dat de slaaf zijne spijzen bij zijne tehuiskomst be- 
reid vond, gelijk de arbeider bij ons. Verwondert het u 
nu nog, dat lieden in dien toestand weinig lust of liever 
geen kracht meer hebben, om iets anders te doen dan te 
rusten, als zij het dagwerk voor den meester hebben vol- 
bragt? 

— //Maar de Zondag !" zal u de plantage-bestuurder toe- 
voegen, //de Zondag blijft hun toch over!" 

Als wij beweerden, dat nimmer en nergens op Zondagen 
eenigen arbeid van de slaven door hunne meesters wordt 
geëischt, dan zouden wij eene onwaarheid spreken, 't Is 
algemeen bekend, ook zelfs op Zondag eischt men niet 
zelden werk van die ongelukkigen. 

Maar veronderstellen wij het eens voor een oogenblik , dan 
zou uwe meening zijn, dat de slaaf den Zondag kan bezigen 
om den grond te bebouwen, die hem door den meester wel- 
willend wordt afgestaan, om door de vruchten van dien grond 
zijn levensonderhoud te vinden. Gij begrijpt dus het gebod : 
//Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar op 
den zevenden dag is de sabbath des Heeren uwes Gods , dan 
zult gij geen werk doen," voor den slaaf op deze wijze: 
//Zes dagen zult gij voor uwen meester arbeiden, en den 
zevenden dag zult gij den sabbath besteden tot het aan- 
kweeken van vruchten en pluimvee, om voedsel te vinden, 
ten einde nogmaals voor uwen meester te kunnen werken!" 

En toch zouden de slaven met dit alles tevreden zijn, 
indien hun slechts overal de twee bossen bananen en de 
twee ponden bakkeljaauw, of wat daarmede wordt gelijk ge- 
steld, geregeld werden gegeven. 

Wij erkennen het gaarne; er zijn plantages, waar de ei- 

I. 12 



178 

genaars het onvoldoende der door den Minister voorgeschre- 
ven hoeveelheid voedsel inzien, en meer dan bij het regle- 
ment is bepaald, aan hunne slaven toeleggen. Maar even 
waarachtig zijn er anderen, waar zelfs die vastgestelde te 
geringe hoeveelheid aan de arme negers gedeeltelijk wordt 
onthouden, en zij dikwijls alléén de bananen en somtijds 
zelfs deze nog maar karig ontvangen. Er zijn plantages, 
waar in jaren geen bakkeljaauw te zien was en waar maar 
al te dikwijls schaarste van bananen heerscht. 

Volgens art. 1 van het reglement, kunnen op de //hout- 
gronden" de slaven in het genot van éénen vrijen dag in 
de week gesteld worden , om zelve hunne //kostgronden" aan 
te leggen en te onderhouden. De in art. 1 voorgeschreven 
//drooge kost," namelijk de bananen of wat daarmede gelijk 
staat, behoeft hun dan niet door den meester te worden 
gegeven, 't Is waar, dat de slaven op die houtgronden hun 
werk gemeenlijk vroegtijdig geëindigd hebben; ofschoon de 
taak der vrouwen, die het gevelde hout en de gezaagde plan- 
ken uit het bosch naar de rivier of kreek, meestal op het 
hoofd, moeten dragen, zwaar genoeg is. Wanneer men zich 
alzoo aan het reglement hield, zou de toestand der negers 
in dit opzigt aldaar beter zijn, dan op koJBBj- en suiker- 
plantages. Men houdt zich echter vrij algemeen niet aan 
het reglement, maar aan de van ouds gebruikelijke gewoonte, 
om aan de slaven achttien dagen in het jaar tot het be- 
werken hunner gronden te geven, en dan worden die acht- 
tien nog wel eens op negen gereduceerd. 

Op zekeren houtgrond in het distrikt La Para, waren, 
nu een jaar geleden, de kostgronden der slaven, ten gevolge 
van zware regens en overstroomingen, bijna geheel vernield , 
en bovendien waren gedurende onheugelijken tijd de uitdee- 
lingen van visch achterwege gebleven. In dezen, aan hon- 
gersnood grenzenden toestand, weigerden echter de eigenaren, 



179 

om art. l in werking te brengen en de twee bossen bananen 
aan de slaven toe te kennen, onder voorwendsel, dat de 
plantage niets opbragt, ofschoon de werkzaamheden haren 
geregelden loop hadden. Toen de nood ten toppunt was 
geklommen, beklaagden de uitgehongerde slaven zich bij den 
luitenant der divisie, die de regtvaardigheid hunner zaak 
erkende, en den eigenaar waarschuwde. Nu werden voor 
honderd-vijf-en-zeventig slaven een paar vaten rijst aange- 
bragt. Spoedig hadden de uitgehongerde wezens die ver- 
teerd. Nieuwe klagten ontstonden, die weldra in ongere- 
geldheden overgingen. Eindelijk kwam de eigenaar zelf. 
Het regende zweepslagen — en de rust was hersteld. 

Op zekeren dag, niet lang geleden, deed een officier een 
togt door een der divisiën. Hij liet zijne boot bij eene 
koffij -plantage, in wier nabijheid hij zich bevond, eenigen 
tijd //stoppen," om het opkomen van den vloed af te wach- 
ten. Daar zag hij een der tot dat effekt behoorende slaven 
naderen, steelsgewijze en zich zoo veel mogelijk verbergende. 
De neger had een gesloten bundel bij zich, die vrij zwaar 
was, en die hij vooral voor eiken verspieder trachtte schuil 
te houden. Toen hij de landingplaats der boot bereikt had , 
verhaalde hij fluisterend aan het bootsvolk, dat hij koffij 
bij zich had, en, daar men genegen was die van hem te 
nemen, verkocht hij ze voor een prijsje, 

— //Wat doet gij daar?" vroeg plotseling de officier, dien 
de slaaf niet had opgemerkt, met een donderende stem. 
Verschrikt kromp de dief ineen. 

— //Ach Masra ! ik verkoop koffij ," was zijn antwoord. 

— //Gij verkoopt koffij? En gij besteelt uwen meester, 
die u voedt en kleedt?" 

— //'t Is waar Masra! 't is verkeerd; ik beken schuld; 
wat ik doe is ongeoorloofd. Maar als gij hier, gelijk wij, 
zeven jaren gewoond hadt, zonder zelfs den staart van een 

12^ 



180 

bakkeljaauw te zien, zonder een stuk grof lijnwaad voor 
kleeding te ontvangen ; als gij , gelijk wij , van den morgen 
tot den avond hard hadt moeten werken, en ter naauwer- 
nood zoo veel ontvingt, dat gij het bij 't leven hieldt — 
wat zoudt gij doen?" 

De officier zweeg, keerde zich om en liet den slaaf onop- 
gemerkt vertrekken. 

Wij roepen nog een getuige op, om de slechte voeding 
der plantage slaven te bewijzen, en tevens om een der af- 
grijselijkste gevolgen van die slechte voeding, in hare af- 
schuwelijke uitwerking, te schetsen. Dr. landré, van wien 
wij bijna durven verzekeren, dat hij geen voorstander der 
emancipatie is, zullen wij het woord laten voeren. In een 
opstel getiteld : Bijdragen tot de Jcennis der ziekten van de 
negers in de kolonie Suriname^ in het eerste gedeelte van 
1852, in een onzer Vaderlandsche Tijdschriften over de 
Geneeskunde geplaatst, spreekt hij onder anderen ook over 
de Jiydraemia^ eene ziekte, bij de mindere standen in Su- 
riname bekend onder den naam van //hati-weri ," en die de 
blanke kolonisten //grondvreterij" noemen. Deze laatste uit- 
drukking, hoe ruw zij moge wezen, duidt een der verschijn- 
selen dier ziekte genoegzaam aan. De ongelukkigen eten 
letterlijk aarde. 

//Het wezen der ziekte," zegt Dr. landré, //bestaat in 
eene verminderde normale bloedvorming , eene armoede van 
heamatine, van eiwit en van vezelstof, waarbij het wa- 
tergehalte tevens vermeerderd , is welke toestand voortge- 
bragt wordt door de ondoelmatige voeding der plantage- 
slaven. De neger, aan wien niet veel keuze gelaten is 
omtrent hetgeen hij als spijs zal gebruiken, vindt zijn 
hoofd voedsel in de bananen, een aan eiwit en phospJiaten 
hoogst armoedig voedsel, (zie g. j. mulder, De voeding 
van den neger in Suriname), Het hem daarbij toegekende 



181 

dierlijk voedsel, dat dan nog uit gezouten visch bestaat, 
is verreweg te gering, om het evenwigt van de verbruikt 
wordende stof te herstellen. Om hierin te gemoet te ko- 
men, en ook om zijnen honger te stillen, overlaadt de ne- 
ger de maag met groote hoeveelheden van veelal nuttelooze 
stoffen, waardoor dat deel mechanisch buitengewoon wordt 
uitgezet. Het laat zich nu hieruit ligtelijk verklaren, dat, 
dewijl de afzondering van pepsine en andere tot de chymifi- 
catie vereischt wordende vloeistoflen niet aan deze massa's 
kunnen beantwoorden, de spijs verteering moet gestoord wor- 
den. Hierbij komt nog het te lang voortgezet zogen der 
kinderen, voor dezen niet ondienstig, doch voor de moeders 
hoogst nadeelig." 

//Onder dergelijke omstandigheden is het, dat neder druk- 
kende gemoedsaandoeningen worden te weeg gebragt, die 
eeneu belangrijken invloed op het ontstaan dezer ziekte 
schijnen uit te oefenen." 

//Voorts breng ik tot de gelegenheid gevende oorzaken 
een te vroege bijslaap, onder de negers niet zeldzaam, en 
de lage moerassige woningen, waarin velen zijn gehuisvest." 
Zoo spreekt Dr. landré, een deskundige. Maar de ver- 
melding van deze bronnen, waaruit de vreeselijke kwaal ha- 
ren oorsprong neemt, wordt in Suriname niet gaarne ge- 
hoord, en er zijn daar verscheidene, die haar aan geheel 
andere oorzaken toeschrijven. //Ook nog tegenwoordig," zegt 
Dr. j-ANDRÉ, //wordt de hydraemia in deze kolonie door 
sommige plantage-bewoners — aan luiheid toegeschreven V 

— //Die negers," hoorden wij iemand zeggen, //zijn luije 
beesten. Gij mijnheer, die pas uit Nederland komt, hebt 
geen denkbeeld van hunne luiheid. Als ik er den ganschen 
dag niet met de zweep achter zit, voeren zij niets uit! En 
dan vreten ze grond ! en maken zich zelf uit pure luiheid 
van kant. Verleden jaar heb ik er zoo nog vijf verloren." 



182 

Zonder omwegen verklaart Dr. landré, dat de groote 
sterfte der slaven aan hunne slechte voeding is te wijten. 
En toch kan men zich overtuigd houden, dat hij het al 
zeer ondankbaar zal vinden, wanneer de negers de planta- 
ges trachten te ontvlugten, waarop onvoldoend voedsel, 
zware arbeid en zweepslagen hun deel zijn, om zich in de 
bosschen te vestigen, waar eene milde natuur hun overvloed 
schenkt voor geringe krachtsinspanning. En toch zal ook 
hij, gelijk alle inwoners van Suriname, het gedrag der sla- 
ven van Demerary afkeuren, omdat zij, na de emancipatie, 
niet altijd op de suikerplantages hunner vroegere meesters 
bleven werken, die veel arbeid voor weinig loon vorderden 
en meestal even liefderijk voor hen zorgden als de tegen- 
woordige slaven eigenaars in onze kolonie. En toch zal ook 
hij het als een argument tegen de afschaffing der slavernij 
aanvoeren, dat de negers, als zij vrij zijn verklaard, de voor- 
keur geven aan het verbouwen van eigen gronden, voldoende 
voor het onderhoud van hen en de hunnen, boven het ver- 
bouwen van produkten voor de Europesche markt op dezelfde 
plantages, waar zij, onder de drijvende zweep van den bas - 
tiaan, aan den arbeid werden gehouden en waar zij zoogoed 
werden verzorgd, dat zij met aarde hunne hongerige magen 
trachtten te stillen. Of vergissen wij ons ? Zou Dr. lan- 
dré eene uitzondering maken op bijna al zijne mede-kolo- 
nisten ? Hij verhefle dan met ons zijne krachtige stem te- 
gen den gruwel der slavernij ! 

Wanneer men op de plantages de eerste teekenen ziet, 
dat een slaaf aarde eet, dan heeft men een zeer doeltreflend 
middel om hem van deze ziekte te genezen. 

Een mijner vrienden bevond zich onlangs met den direk- 
teur eener plantage voor diens woning, toen de slaven 's 
avonds van het veld terug kwamen. Zijne aandacht viel op 
een der negers, wiens gelaat door een masker bedekt was. 



183 

« 

— //Wat beteekent dat?" vroeg hij aan den direkteur en 

wees op dit zonderling verschijnsel. 

— //Wat meent gij? dien kerel daur, met zijn ijzeren 
voile! 

— //Juist! waarom draagt hij dat?" 

— //Grondvreterij, mijnheer! De schurk maakte zich 
schuldig aan het eten van aarde. De bastiaans hebben hem 
reeds twee malen betrapt. Dat masker is er een probaat 
middel tegen. Als hij 's morgens naar het veld gaat, wordt 
het hem voorgedaan, en straks neemt men het hem weder 
af. Met dat ijzer voor den mond, zal hij het wel laten er 
wat in te steken." 

Gij ziet, dat men het eten van aarde als de oorzaak, niet 
als een verschijnsel der ziekte beschouwt. Dr. la ndré ver- 
haalt dit ook als een vrij algemeen volksvooroordeel. //Dat 
het eten van aarde," zegt hij, //meestal als oorzaak dezer 
ziekte beschouwd is, blijkt uit de gewoonte, die men in 
deze en de overige West-Indische Koloniën had, om de zoo- 
genaamde //grondvreters" een masker van ijzer voor te doen, 
ten einde hen te verhinderen zich daaraan over te geven. 
Deze wijze van handelen is hier ook thans nog niet geheel 
in onbruik." 

Maar wij hebben nog een getuige, dien niemand zal wra- 
ken, een getuige, dien men niet onder de //overdreven phi- 
lanthropen" zal rangschikken, een getuige, die op strenge 
wetenschappelijke gronden, zonder eenige warmte of gloed, 
over de voeding der negers in Suriname geschreven heeft. 
Wij laten den hoogleeraar muldeu spreken : 

//Indien wij uitgaan van hetgeen aan een Nederlandschen 
soldaat in vestingdienst gegeven wordt, dan moet de neger 
van het bananenmeel, zoo als het ongedroogd is, minstens 
in 24 uren nuttigen : tien Nederlandsche ponden^'' 

/^Daartegen is geene menschen-maag bestand, daartoe is 



184 

geene menschen-raaag groot genoeg ; de neger ontvangt veel 
minder tot rantsoen, maar hij blijft in elk geval verre onder 
die massa van tien Nederlandsche ponden, omdat hij er 
geene plaats voor heeft. Wordt hem dagelijks een Neder- 
landsch pond bananenmeel in de hem verschafte bananen 
gegeven, zoo ontvangt de man een, tiende aan eiwitachtige 
stoften, van hetgeen eenen Nederlandschen soldaat gegeven 
wordt, wanneer hij arbeid te verrigten heeft. Een Neder- 
landsch pond bananenmeel nu daags is meer dan hem in 
den regel wordt toegedeeld, maar om een rond getal te 
houden, blijf ik bij één Nederlandsch pond staan, en heb ik 
daarmede voor elkeen duidelijk gemaakt, dat de arme neger, 
al het overige gelijk staande, al blijft hij ook leven, in de 
bananen slechts een tiende heeft van hetgeen de ervaring 
heeft aan de hand gedaan, noodzakelijk te wezen voor de 
voeding van mannen in middelbaren leeftijd, indien zij ar- 
beid verrigten." 

//Wordt nu aan den neger nog gedroogde visch toege- 
diend, b. v. één Nederlandsch pond in de week, zoo als dit 
in de kolonie voor de Gouvernements-negers de gewoonte is, 
dan heeft hij in zeven dagen niet meer dan twee honderd 
wigtjes eiwit te wachten, want drie vierde van deze visch 
mag als graat, water, lijmgevend weefsel enz. in rekening 
gebragt worden. Dit geeft dertig wigtjes eiwit in 24 uren, 
en tien wigtjes van het bananenmeel hierbij gevoegd , geven 
zamen veertig wigtjes in 24 uren, of twee-vijfde van het- 
geen een soldaat in vestingdienst ontvangt^ 

//Maar de kinderen vooral leven voornamelijk bij het ba- 
nanenmeel, de kinderen, die wel is waar de eiwitachtige 
stoffen van het plantenrijk beter verdragen, dan van het 
dierenrijk, maar die aan zulk eene schrale portie niet ge- 
noeg hebben, als er slechts in hun hoofd voedsel voorkomt. 
Het kinderligchaam moet zich ontwikkelen, ontwikkelen 



185 

niet door amylum maar door proteine-verbindingen. Hoe 
zal een kind een mensch worden, in gewigt toenemen, in 
gewigt van eiwitachtige stofien, waarvan het dagelijks zelf 
nog; eene ruime hoeveelheid verbruikt, indien het deze niet 
in het voedsel vindt? De kindermaag is zoo veel kleiner; 
een Nederlandsch pond bananenmeel dagelijks kan er niet 
in worden opgenomen. Leven dus de jonge kinderen bij 
een vijfde Nederlandsch pond, zoo ontvangen zij slechts 
twee wigtjes eiwit daags; ouderen, die een half pond nut- 
tigen, slechts vijf wigtjes." 

//Dat dus het Ugchaam der negerkinderen slecht ontwik- 
keld worden moet, dat vele negerkinderen y wier maag goed 
gevuld wordt , sterven moeten van gebrek, is hiermede aan 
het licht getreden. 

//Sterven van gebrek? Ja! Die de sterfte onder de 
negerkinderen kent, en het onderscheid weet, dat er bestaat 
tusschen eene gevtilde maag en eene met goed voedsel gevulde 
maag, erkent in het medegedeelde den grond, waarom zoo 
vele negerkinderen van gebrek omkomen, terwijl er geen 
enkele van honger schreeuwt. Werd onze maag geregeld met 
houtzaagsel voorzien, wij zouden insgelijks niet klagen over 
honger; maar omkomen zouden wij zeker." 

Als slotsom trekt de Hoogleeraar mulder al het in zijn 
belangrijk geschrift behandelde, op de volgende wijze, te 
zamen : Het dieet van den neger is slecht en moet verbe- 
terd worden; de neger kan niet werken met lust en ijver, 
omdat hem het noodige voedsel ontbreekt; de negerkinderen 
kunnen niet groeijen; de vrouwen kunnen geene gezonde, 
krachtige kinderen ter wereld brengen , omdat kinderen noch 
vrouwen dat ontvangen, wat zij noodig hebben, om dte or- 
ganische massa in omvang te doen toenemen, want bananen 
bevatten zeer weinig van hetgeen , waaruit kinderen en men- 
schen bestaan. Vleesch, visch, tarwe, rogge, peulvruchten 



180 

moeten worden gegeven en daardoor een deel van de bananen 
vervangen. Het dieet moet zoo worden ingerigt, dat er 
eenige verscheidenheid besta. 

De Hoogleeraar besluit met de verklaring, //dat, met zulk 
eene voeding als de neger thans ontvangt, het te verwonde- 
ren is, dat de sterfte niet veel grooteris, en dat de oorzaak 
dier groote sterfte geheel of gedeeltelijk in de slechte voe- 
ding gelegen is." 

Maar zoo schreef de Hoogleeraar in 1847. Thans is dat 
alles immers veranderd ? //Men is der Hooge Regering dank- 
baarheid verschuldigd", zegt de heer mulder, //dat zij dit 
gewigtig punt onder hare bemoeijingen heeft opgenomen," 
en hij herhaalt in geestvervoering nog eens : //Dankbaarheid 
dus nogmaals aan de Hooge Regering, dat zij door wette- 
lijke bepalingen dien toestand verbeteren wiir 

Aan dat voornemen heeft zij gevolg gegeven in 1851, 
door het reeds meermalen genoemde Reglement. Maar welke 
wettelijke bepalingen komen daarin voor? Heeft men de 
waarschuwingen van den heer mulder in acht genomen? 

//Als aan den neger niet meer dan één Nederlandsch pond 
visch in de week wordt toegediend, dan ontvangt hij slechts 
twee-vijfde van 'tgeen een soldaat in vestingdienst ontvangt", 
zegt de heer mulder. Maar het Gouvernement zegt : twee 
oude Amsterdamsche ponden visch of vleesch is genoeg. 

//Indien aan een kind in 24 uren geen 30 tot 50 wigtjes 
eiwit in het voedsel worden aangeboden, wordt het ziek, 
ontwikkelt het zich niet en sterft, als er te veel aan ont- 
breekt," zegt de heer mulder. Maar het Gouvernement 
zejït : voor kinderen boven de acht tot en met veertien 
jaren oud is de helft, en voor jongeren een derde van twee 
oude Amsterdamsche ponden visch of vleesch in de week 
genoeg. 

De Hoogleeraar mulder zegt : //bananen bevatten zeer 



187 

weinig van hetgeen, waaruit kinderen en menschen bestaan." 
Het Gouvernement antwoordt : toch zullen bananen, bij die 
zeer geringe hoeveelheid visch of vleesch, het hoofdvoedsel 
blijven. 

De Hoogleeraar mulder zegt : //vleesch, visch, tarwe, 
rogge, peulvruchten moeten worden gegeven en daardoor 
een deel van de bananen vervangen." Het Gouvernement 
antwoordt: neen, de bananen blijven; en van visch 0/* vleesch 
heeft een slaaf niet meer noodig, dan twee-vijfde van 'tgeen 
een soldaat in vestingdienst ontvangt. 

De Hoogleeraar mulder zegt : //het dieet moet zoodanig 
worden ingerigt, dat er verscheidenheid in besta." Neen, 
antwoordt het Gouvernement, de slavenhouder kan volstaan 
met bananen en visch of bananen en vleesch. 

Hoe is het mogelijk, dat in 1851, na het geschrift over 
//De voeding van den Neger in Suriname," zulke voorschrif- 
ten door eenen Minister van Koloniën zijn uitgevaardigd! 

Misschien was men door de noodzakelijkheid gebonden? 
Maar lees dan wat de heer lans in 1843 reeds geschreven 
heeft. //Wilde men het dieet van den neger veranderen, 
zoo zou dit van lieverlede moeten geschieden, en men den 
banaan als eene toespijs kunnen bijbehouden. Het ont- 
breekt toch waarlijk niet aan a^idere meelspijzen; de maïs 
en de rijst zijn zonder twijfel veel voedzamer; de cassave, 
de taijers, de potaten, de napies, de yams zijn het ook, en 
in alle gevallen veel ligterte verteren. Geene van die allen 
geeft misschien, op dezelfde uitgestrektheid gronds, eene 
zoo groote hoeveelheid kost, wanneer men alleen de massa 
op het oog heeft; maar daarentegen vorderen zij ook veel 
minder goed land. Toen de kolonie in hare geboorte was, 
heeft men waarschijnlijk de bananen tot hoofdvoedsel ver- 
kozen, omdat zij eene betrekkelijk groote hoeveelheid ople- 
veren; thans met zoo veel verlaten landen houdt dit op een 



188 

reden te zijn. Overigens is de bananenteelt aan vrij groote 
wisselvalligheden blootgesteld; buitengewoon zware regens 
en hevige winden, zoo als ook te lang aanhoudende droogte, 
kunnen haar gedeeltelijk doen mislukken, en dan ontstaat er 
gebrek, zoo al niet hongersnood. Er bestaan wijze regle- 
menten, die de uitgestrektheid der bananeulanden voor de 
plantages, naarmate harer bevolking, bepalen; maar thans 
zijn er zoo vele plantages, die haren kost van andere koopen, 
dat liet niet mogelijk is deze Jcontrole met vrucht te doen 
'plaats hellen^ en zoo gebeurt het van tijd tot tijd, dat dit 
voedsel, hetwelk ik als onvoldoende heb beschreven, niet 
eens in eene genoegzame hoeveelheid te verkrijgen is." 

Dat zeide de heer lans in 1842, en toch heeft het re- 
glement van 1851 de bananen als hoofdvoedsel behouden. 
De heer lans verklaart, dat //op de rijkst bedeelde suiker- 
plantages hoogstens twee pond bakkeljaauw in de week wordt 
uitgedeeld." Hij acht die hoeveelheid veel te gering; hij 
keurt deze visch geheel en al af, daar hij aan den arbeider 
geen kracht kan bijzetten; hij wijst de middelen aan, om 
een beter voedsel aan de- slaven te verschafl'en; en toch kan, 
volgens het reglement van 1851, een slavenhouder op de 
plantages nog altoos met twee pond bakkeljaauw in de week 
volstaan ! 

Behalve de bepaalde hoeveelheid levensmiddelen, moet, 
volgens het slot van artikel 1 van het reglement, aan de 
slaven, boven de 18 jaren oud, bovendien gegeven worden, 
om de zes weken een pond talaJc en drie pijpen; en volgens 
art. 2 nog dagelijks een wijnglas rum of dram; terwijl de 
slavinnen zonder onderscheid en de slaven , die geen gebruik 
van sterken drank maken, wekelijks twee pinten melassie 
moeten ontvangen. 

Vooral op deze bepalingen beroept zich de Surinaamsche 



189 

plantage-man, om u de goede behandeling zijner slaven te 
betoogen. 

— //Wij geven onzen slaven niet alleen voedsel, kleeding, 
huisvesting en geneeskundige verzorging," zoo verhaalt hij 
u met zelfvoldoening, //wij doen meer! Zelfs voor hunne 
versnaperingen dragen wij zorg. Dat bewijst de aanzienlijke 
hoeveelheid tabak, dram en melassie, die wij jaarlijks onder 
hen uitdeelen." 

Inderdaad, dat is een krachtig argument. Maar als men 
het u voordraagt, vergeet dan niet, onmiddelijk te verzoe- 
ken die //versnaperingen" eens te mogen zien. Gaat men er 
toe over, dan zult gij ontwaren, dat de tabak, waarmede 
men zegt zoo vrijgevig te zijn, ongeëest en ongekerfd is, 
in bossen wordt uitgegeven en hoogstens 24 centen het pond 
waard is. Die //versnapering" kost alzoo voor eiken slaaf 
f 2. — 'sjaars! Laat men u de dram zien (van rum is 
nimmer sprake), dan blijkt het u, dat het een walgelijk, 
stinkend vocht is, dat geenen gunstigen invloed op de ge- 
zondheid van den slaaf kan uitoefenen. Het wordt bereid 
van het schuim, dat zich bij het koken van de suiker op 
de oppervlakte ontwikkelt, 't Komt den plantage-eigenaar 
zelden op meer dan 10 centen de Nederlandsche kan te 
staan. De gallon melassie, die ook tot die hooggeroemde 
weelde van den slaaf behoort, is voor ongeveer 30 centen 
verkrijgbaar. De slaven gebruiken, bij hun eten, als gewone 
drank de zoogenaamde //taya waten," bestaande uit warm 
water met een weinig melassie gemengd. 

De heer i,ans zegt van de dram, dat zij eene behoefte is 
voor den neger en, in kleine hoeveelheden, niet nadeelig kan 
zijn. Maar er wordt, volgens hem, door de slaven veel 
dram gedronken buiten die der uitdeeling, en dan wordt dit 
hoogst schadelijk voor ziel en ligchaam. Dewijl nu eenmaal 
een hartsterkende dronk bestaan moet, en het klimaat aan- 



190 

leiding geeft tot veel drinken, zou hij het voor wenschelijk 
houden, dat er een drank gemaakt werd, die den dorst 
overwon en tevens opwekkend was, zoo als in Europa de 
sterke bieren en de wijn. //De grondstoffen", zegt hij, //zijn 
daartoe in overvloed voor handen, en de bereiding zal niet 
kostbaarder zijn dan de destillatie van de dram." 

Volgens art. 1 moeten de levensmiddelen weJcelijks worden 
uitgedeeld. Daar echter geene enkele bepaling wordt nage- 
leefd, is het niet te verwonderen, dat ook dit voorschrift 
wordt overtreden. De bananen , die voor zeer spoedig bederf 
vatbaar zijn, is men wel verpligt, zoo niet elke acht, dan 
toch elke veertien dagen uit te reiken. Geloof echter niet, 
dat bij zulk eene gelegenheid schalen en gewigten worden 
gebruikt, om zich te overtuigen dat elke slaaf zijne zes-en- 
vijftig ponden wel en deugdelijk ontvangt. Een ooggetuige 
verhaalt mij, dat hij bossen gezien heeft, die 28 pond moes- 
ten wegen, en die er nog geen M konden halen. Op vele 
plantages werd in Januarij 1853 rijst of meel uitgedeeld, 
maar, zonder vasten maatstaf, in meerdere of mindere hoe- 
veelheid, al naar mate der meer of min gunstige financiële 
omstandigheden, waarin de effekten of de eigenaars verkeer- 
den; de behoefte der slaven noch de voorschriften van den 
Minister werden in aanmerking genomen. Dezelfde oogge- 
tuige zag in dien tijd, op zekere plantage, een slaaf zijn 
rantsoen voor eene week ontvangen, dat uit niet meer dan 
vijf pond rijst bestond van eene allerslechtste kwaliteit. Op 
eene andere plantage ontvingen de slaven 30 spieren maïs 
in de week, die door hen zei ven was verbouwd. 

De uitdeeling van de bakkeljaauw, tabak en pijpen vindt 
gemeenlijk om de drie, somtijds om de zes maanden, op goed 
bestuurde plantages om de zes weken en op sommige hoogst 
zelden plaats, 't Hangt grootendeels af van den meer of min 



191 

gunstigen financiëleu toestand der eflekteii. Zijn er vele eige- 
naars van eene plantage en is de opbrengst niet naarwensch, 
dan weigeren sommigen al ligt het ontbrekende bij te passen , 
en daar de administrateur zelf er geen geld kan bijleggen, 
lijden de slaven gebrek. Zoo is het ook wanneer er slechts 
één eigenaar is, die in ongunstige omstandigheden verkeert, 
en die, zonder geld en krediet, al was hij ook met den 
besten wil bezield, zijne slaven het noodige niet kan geven. 
Ook de rantsoenen van bakkeljaauw worden zelden volgens 
het bepaalde gewigt uitgedeeld. Gewoonlijk geschiedt de 
verdeeling door de blank-officieren en bastiaans in dier voege, 
dat de bastiaans de grootste aandeelen, de delvers iets min- 
der, de vol werk verrigtende slaven weder iets minder, en 
de vrouwen, zwakken en gebrekkigen het allerminst ont- 
vangen; terwijl de kinderen, tusschen de acht en veertien 
jaren, slechts aanspraak op de helft en de jongeren op een 
derde der aan hunne ouders verstrekte levensmiddelen kun- 
nen maken. 

Een hoogst belangrijk onderwerp is in art. 8 van het 
reglement geregeld. //De bestaande koloniale verordeningen 
op het aanplanten van kost en het onderhouden van kost- 
gronden worden uitdrukkelijk bevestigd. Op de plantagiën , 
waar de grond ongeschikt is voor de kuituur van bananen, 
zal, in plaats daarvan, moeten gezorgd worden, dat een, 
voor de op die plantage aanwezige slavenmagt voldoend, 
aantal akkers, met een of meer soorten van kost, in art. 1 
genoemd, worden beplant en in goeden staat onderhouden." 

't Is eene zeer noodzakelijke bepaling, ten einde een waar- 
borg te hebben, dat er altijd en overal eene genoegzame 
hoeveelheid levensmiddelen aanwezig zij. Elke plantage moet 
een gedeelte zijner gronden gebruiken in 't belang van de 
voeding der slaven. 



192 

Maar hoe gaat het met de opvolging van dit voorschrift ? 
Op de meeste suikerplantages zijn de kostgronden niet vol- 
doende, om in de behoefte der slavenmagt te voorzien. Op 
andere zijn dikwijls de gronden ongeschikt voor de aan- 
kweeking van bananen. Het verbouwen van aardvruchten 
vereischt te veel moeite en zorg, zoodat men er zich vol- 
strekt niet op de kuituur van voor de voeding der slaven 
geschikte produkten toelegt. Al zulke plantages moeten in 
hare behoeften voorzien, door die van andere effekten, welke 
zich daarmede bijzonder onledig houden, te koopen. 

De kofBj plantages kweeken de meeste bananen aan. Maar 
die plantages nemen gaande weg af, omdat de eigenaars en 
administrateurs, in plaats van de oude boomen te vervan- 
gen, liever tot de suikerkultuur overgaan, die in veel 
korter tijd produkten belooft. Daarenboven vermindert de 
slavenmagt, nu de invoer van nieuwe slaven verboden is, 
bijna jaarlijks, en toch zien de administrateurs en direkteurs 
de gewone produktie van het eflekt niet gaarne achteruit 
gaan, want dat verbiedt hun eigenbelang. Zoo blijven er 
natuurlijk gedurig minder handen over, om de kostgronden 
te bewerken, waardoor deze, waar zij nog aanwezig zijn, 
dikwijls verwaarloosd worden en langzamerhand te niet gaan. 
't Gevolg van dit alles is, dat de prijzen der bananen van 
jaar tot jaar stijgen, dat er gemeenlijk, van het einde van 
den grooten droogen tijd tot het einde van het kleine re- 
gensaisoen, groote schaarste van deze levensbehoefte bestaat, 
en dat, wanneer de oogst der bananen ongunstig is, er in- 
derdaad hongersnood heerscht. 

Het is natuurlijk, dat, in weerwil van de voorschriften 
van het reglement, al deze overtredingen van zijne meest 
heilzame bepalingen zoo veelvuldig plaats grijpen. Behalve 
al de algemeene vooroordeelen tegen de slaven in Suriname, 
behalve het gebrek eener goede kontrole en de moeijelijk- 



193 

heid om de overtredingen te bewijzen, komen hier vooral 
de zwakheid der strafbedreigingen tegen de overtreders in 
aanmerking. De artikelen 9, 10 en 11 bevatten eenige be- 
palingen van straflen tegen hen, die in de uitdeeling der 
levensmiddelen achterblijven. De hoogste boete, welke eenen 
eigenaar of administrateur, die zijne slaven gebrek laat lij- 
den, kan worden opgelegd, bedraagt ƒ 300. — Die som is 
zoo gering, dat men het, vooral bij het gebrekkige toezigt, 
altijd gemakkelijk kan wagen, om de uitdeelingen gedu- 
rende eenigen tijd niet te doen plaats hebben. Al wordt 
dan ook eindelijk de betaling der boete opgelegd, toch 
heeft men zoo veel voordeel op de inkrimping der levens- 
middelen gehad, dat dit ruimschoots tegen de schade der 
boete opweegt. 

In het reglement op de behandeling der slaven in Para- 
maribo wordt voorgeschreven, welke kleedingstukken aan de 
slaven aldaar zullen worden verstrekt. Wat is de oorzaak, 
dat, in het reglement op het onderhoud^ den arbeid^ de 
huisvesting en de tucht der slaven op de plantages^ van 
geene kleedingstukken sprake is? 

Hebben de slaven daar geene kleeding noodig? Wij heb- 
ben bij die vraag niet het oog op 't geen het gevoel der 
eerbaarheid en de eiken mensch eigen zucht tot opschik 
vordert. Wij doelen op werkelijke materiele behoefte. En 
dan vestigen wij de aandacht op het feit , dat de plantage- 
slaven in ieder saisoen, bij regen en zonneschijn, soms 
des daags en des nachts, moeten arbeiden. Zouden zij niet 
meer behoefte hebben aan kleeding dan de stadsslaven? En 
dat het voor deze laatsten geen weelde is, bewijst het re- 
glement, waarin niets wordt voorgeschreven, wat niet als 
eerste dringende noodzakelijkheid beschouwd wordt. 

Waarom heeft men er dan niets van bepaald voor de 

I. 13 



194 

plantage-negers? Dr. kuhn zegt toch : //Uit den aard van 
het luchtgestel is de behoefte aan kleedingstukken niet groot, 
't Is echter voor de gezondheid der negers, die reeds bij 
eene temperatuur van 70" Pah. klappertanden, van belang 
tegen den regen en de koude nachtlucht gedekt te zijn." 
En tot bewijs, dat Dr. kuhn gelijk heeft, dat althans de 
administrateurs en direkteurs van sommige plantages van 
de noodzakelijkheid der kleeding overtuigd zijn, kan het 
feit strekken , dat werkelijk op meer dan eene plantage klee- 
dingstukken aan de slaven gegeven worden. 

Ook de heer lans rekent het wenschelijk, dat men alge- 
meen de gewoonte invoerde van wollen dekens uit de deelen. 

Maar wij herhalen dan nog met meer aandrang de vraag : 
waarom zwijgt het reglement er van? Men heeft ons geant- 
woord : //'t Is waarschijnlijk vergeten." Maar al was dit te 
veronderstellen van eenen Minister, die niet bijzonder met 
den toestand der slaven in AVest-Indië bekend kan zijn, zulk 
eene gewigtige aangelegenheid kan onmogelijk vergeten zijn 
door de ontwerpers van het reglement, ingezetenen van Suri- 
name, doorkneed in de kennis van alles, wat den toestand 
der plantages en de slavenbevolking betreft. Daarenboven 
zijn wij in 't zekere onderrigt, dat het eerste concept wel 
degelijk bepalingen omtrent de kleeding inhield, maar deze 
er zijn uitgeligt. 

Nog eens dan, waarom is dit geschied? Men heeft de 
veronderstelling gewaagd, dat de Surinaamsche ontwerpers, 
planters, administrateurs en eigenaars gelijk zij waren, zeer 
goed wisten, dat het met de uitdeeling van kleedingstukken 
op sommige plantages dikwijls op eene schromelijke wijze 
toegaat. Men heeft gezegd, dat er, toen het reglement werd 
zamengesteld, plantages waren, waar de slaven in geen zes, 
zeven, ja in geen tien jaren een enkel kleedingstuk hadden 
gezien. Men heeft zelfs verhaald, dat er onder die ontwer- 



195 

pers waren, op wier plantages de uitdeelingen niet zee 
regelmatig plaats grepen. Nu wilden zij alle klagten daar- 
over voor nu en voor altijd ongegrond maken. Wel zegt 
Dr. kuhn: //aan de slaven, geheel aan den wil en de werk- 
zaamheden van hunnen meester verbonden, ontbreekt alle 
gelegenheid om zelf in hunne behoeften te voorzien; zij 
moeten dus alles van hunnen meester verkrijgen; waardoor 
zij niet alleen de billijkste, maar ook de meest geregtigde 
aanspraak op eene goede verzorging hebben"; wel zegt Dr. 
KUHN, dat tot die goede verzorging ook kleedingstukken 
behooren, als noodig voor hunne gezondheid, — maar dat 
neemt niet weg, dat de ontwerpers die kleedingstukken tot 
geene wettelijke verpligting hebben willen maken. Nu kun- 
nen zij hunne, om kleeding smeekende, werklieden met het 
volste regt antwoorden : //De plantage heeft niets opge- 
bragt. Gij verlangt toch niet, dat de eigenaars om uwent- 
wil er nog geld zullen bijleggen? Men kan u dit jaar 
geene kleeding geven!" 

De Minister van Koloniën heeft zeker ter goeder trouw 
gemeend een voortreffelijk werk te doen, toen hij het bewuste 
reglement aan den Koning voordroeg. Hij heeft groote ver- 
wachtingen van de uitwerking van dit reglement gekoesterd 
en het als eene weldaad voor de slaven beschouwd, waar- 
door hun lot dragelijk, ja gelukkig zou worden. "Vooral 
wat de voeding betreft, is hij er van overtuigd geweest, 
dat de' maatregelen, door hem genomen, treffende uitkom- 
sten zullen hebben. Hoor maar, hoe hij zelf er zich over 
uitlaat : 

//Daar deze kolonie hoofdzakelijk van den landbouw door 
hare slaven bestaat, leverde het j aarlij ksch verlies harer ar- 
beiders een treurig vooruitzigt op. Be oorzaak vandever- 
nnndfrlng tcas voornamelijk gelegen in eene gebrekkige roe- 

13- 



196 

ding en behandeling der slaven. De voedingsmiddelen, door 
een geacht geleerde uit Utrecht scheikundig onderzocht, 
werden onvoldoende geoordeeld, en nadat ook de eerste 
klasse van het Instituut van Kunsten en Wetenschappen 
(over de oorzaken der te Suriname heerschende melaatsche 
ziekte geraadpleegd) een gelijkluidend gevoelen over die voe- 
ding had kenbaar gemaakt, heeft het Departement van Ko- 
loniën bij de belanghebbende eigenaars van slaven aange- 
drongen op de noodzakelijkheid, om zoo wel de voeding als 
de behandeling der slaven in het algemeen te verbeteren," 

Wij verzoeken u op deze verklaring te letten, dat de 
oorzaak van het verlies der arbeiders van Suriname gelegen 
was in eene gebrekkige voeding en behandeling der slaven. 

Heeft die vermindering, na de invoering der hervormin- 
gen waarvan de Minister zoo veel verwacht, nu opgehouden ? 

//De uitkomst der ingevoerde verbeteringen," zegt de 
Minister, //heeft zich spoedig doen kennen door eene gun- 
stiger verhouding der geboorten tot de sterften onder deze 
bevolking. In 1847 reeds is eene geringe aanwinst bespeurd, 
en in 1848 is die verhouding geweest als volgt : 
geboren 1,447 

gestorven 1,165 

aanwinst 282; zijnde over eene bevolking van ruim 
40,000 slaven nagenoeg Yj^ per cent. 

//De aanwinst is zeker gering; doch vergeleken met de 
verliezen, die vroeger jaar Op jaar werden geleden, mag zij 
als belangrijk worden beschouwd." 

Mij dunkt, de veroordeeling van het reglement is hier 
door den Minister zelven uitgesproken. Zijne verwachting 
is althans niet verwezenlijkt! Indien vroeger dejaarlijksche 
vermindering van het getal arbeiders een maatstaf was der 
beoordeeling van de //gebrekkige behandeling en voeding der 
slaven," waarom zou zij het ook nu niet wezen? Welnu! 



197 

er is geen de minste verandering gekomen; de zaken zijn 
dezelfde gebleven na de hervormingen, als ze waren voor 
dien tijd. 

Volgens de eigen opgaven van den Minister bedroegen in 
1849 de geboorten der slaven in Suriname 1,137 hoofden 
de sterften 1,406 // 
zoodat er 269 // minder ge- 
boren dan gestorven zijn. 

In het volgende jaar 1850 hadden er 1,342 geboorten 
en 1,224 sterfgevallen plaats. 

En in het jaar 1851, dat der invoering van het reglement, 
zijn 294 slaven meer gestorven dan geboren ; want er hadden 
1,544 sterfgevallen en slechts 1,250 geboorten plaats. 

De oorzaak van de vermindering der slaven was volgens 
den Minister vroeger voornamelijk gelegen nin eene gebrek' 
hige voeding en behandeling der slaven.'''* 

Hij heeft in die //gebrekkige voeding en behandeling" 
veranderingen gebragt — en sedert 1849, toen hij zich 
daarop beroemde, zijn vierhonderd- vijf -en- veertig slaven meer 
gestorven dan geboren! 

Men zegt, de cholera en gele koorts hebben in dien tijd 
gewoed en op deze ongelukkige uitkomst invloed gehad. 
Ik neem het aan; maar vroeger heerschten dergelijke ziekten 
ook menigwerf in dezelfde mate, en toch schreef de Mi- 
nister — en te regt — de groote sterfte aan de gebrekkige 
voeding en behandeling der slaven toe. 

De heer lans heeft alexander von humboldt over de 
voeding van den neger in Suriname geraadpleegd. De be- 
roemde geleerde verklaarde : dat, in geen der door hem in 
Midden- Amerika bezochte landen, de voeding van den ar- 
beider zoo onvoldoende was; dat de banaan, hoewel op zich 
zelf niet ongezond, volgens zijn gevoelen, minder voedzaam 
was dan de aardappel; dat de hoeveelheid visch veel te ge- 



198 

ring was, en het vleesch, zoo als in de Spaansche eilanden, 
verreweg de voorkeur verdient; dat eindelijk het beschreven 
voedingsstelsel volstrekte afkeuring verdiende en bijna on- 
menschelijk kon genoemd worden. 

Dit oordeel heeft betrekking op het voedingsstelsel vóór 
het reglement van 1851 ; zou dat, hetwelk in dit reglement 
vervat is, een veel gunstiger oordeel verdienen of erlangen? 

//Ik kan niet ontveinzen", zegt de heer lans, //dat ik 
de vermindering der slavenbevolking grootendeels geloof te 
moeten toeschrijven aan een ondoelmatig stelsel van voe- 
ding, hetwelk aanleiding geeft tot eene physische verarming 
van geslacht, de voortteling hindert en het leven verkort, 
vooral wanneer aanhoudende arbeid gevorderd wordt". 

Zou de vermindering der slavenbevolking, ook na het 
reglement van 1851, niet aan dezelfde oorzaak moeten 
worden toegeschreven? 

Wij zullen die vraag aan het nadenken van den lezer 
overlaten, maar hem tevens nog de volgende woorden van 
den heer lans herinneren : 

//Men kan deze vermindering niet aan het klimaat wijten, 
daar dit zeker gezonder is, dan de meeste Afrikaansche 
landstreken, en er geene doodelijke endemische noch epi- 
demische ziekten geregeld bestaan; immers indien er dier- 
gelijke nu en dan waargenomen zijn, kan men zeggen, dat 
Suriname dienaangaande niet zwaarder bezocht wordt, dan 
de meeste andere landen van den aardbodem. Het land is 
voor den Europeaan uitputtend, doordien de voortdurende 
vochtige warmte, van zijn prikkelbaar gestel eene gedurige 
buitengewone reactie vordert; maar met eenen goeden leef- 
regel kan ook hij er gezond en lang leven, zoo als dit door 
eene menigte voorbeelden zou kunnen worden bewezen. Een 
onzer beste suikerplanters verhaalde mij, dat hij gedurende 
een veertigjarig verblijf nooit ziek was geweest, ja zelfs 



199 

nooit een geneesheer geraadpleegd had. Dat het klimaat dus 
voor de negers, wier bewerktuiging voor eene groote hitte 
passende is, niet hinderlijk kan zijn aan de instandhouding 
des geslachts, zal men wel niet in twijfel willen trekken. 
Men zal het dan door de leefwijze der slaven moeten ver- 
klaren." 



r^-l;^m^^ 



DE ARBEID. 



— *««!<a-t— 



//De arbeid der slaven is niet overdreven en duurt, als de 
neger vlijtig is, niet langer dan negen uren eiken dag," zoo 
schrijft de heerKAPPLEii, en zoo is de algemeene verklaring, 
die gij in Suriname hoort. Ondertusschen zegt dezelfde 
schrijver op eene andere bladzijde : //De veld-slaven gaan 
's morgens ten zes of zeven ure naar de akkers aan hunnen 
arbeid, en keeren 's avonds, of wanneer zij de taak geëindigd 
hebben, die hun op de meeste plantages wordt aangewezen, 
naar hunne woning terug." Al nemen wij dit aan, waar 
blijven dan die //negen uren" arbeids, die van hen zouden 
gevergd worden; zij zijn dan ten minste reeds tot elf of 
twaalf uren uitgedijd. Maar dit is klaarblijkelijk veel te 
gunstig voorgesteld. Eeeds ten vijf ure en op de suiker- 
efFekten ten vier ure in den morgen worden de slaven door 
de reveille uit hunnen slaap gewekt. Dan moeten zij voor 
de bereiding van hun voedsel zorgen en al spoedig wordt het 
bevel tot den afmarsch naar de velden gegeven. Komen zij 
dan des avonds, moede en afgewerkt, terug, dan is de tijd 
der rust nog lang niet daar. Hebben zij in dat uur voor 
hunne meesters niet meer te werken, dan moeten zij toch 



201 

in alle geval weder voor zich zalven zorgen, want geene 
vlijtige vrouw, die zijne spijs heeft gereed gemaakt, wacht 
den neger als hij van den akker te huis komt. 

Maar de Minister van Koloniën heeft toch zoo vaderlijk voor 
de slaven trachten te zorgen ! In zijn reglement heeft hij 
een geheel hoofdstuk gewijd aan bepalingen //over den arbeid," 
die aan de negers mag worden opgelegd. Art. 13 is vele 
bladzijden lang. Daarin worden tot in de geringste bijzon- 
derheden de verschillende taken aangewezen, die de meester 
zijnen slaven iederen dag mag laten verrigten. Eerst 'tgeen 
op alle plantages en gronden te pas komt; dan de werk- 
zaamheden op de suiker-plantages; vervolgens die op de 
koffij-plantages, daarna die op de katoen-plantages, op de 
kakao-plantages, op de bananen-gronden en eindelijk op 
de houtgronden; niets is vergeten; alles is geregeld. Wij 
moeten u dit merkwaardige stuk, hoe vervelend de lektuur 
ook moge wezen, onder de oogen brengen. Hier volgt het. 

De arbeid op de plantagiën en gronden wordt geregeld 
naar de navolgende bepalingen : 

Op alle iiilantagië'ri en gronden voor de taak van eenen dag . 
a. Onderbosschen of weghakken van het kreupelhout 
Jj. Vellen van cappewerie, zwaar hout of zoogenaamde ƒ | 
maagdenbosch. 

c. Het lakken of het geveld hout klein kappen. 

d. Het opruimen of op hoopen leggen van het gevelde , . ^ 
wanneer gebrand wordt. 
Het laatste, wanneer niet gebrand wordt. 

Het werk bij § a opgegeven 6 mannen en 6 vrouwen. 

// // n ff h n 12 // 

// // II II c II 12 // 

// // // // dV II 18 // 
// // // // 6?2" '/ 24 " 






202 

e. Delven van kleine trenzen in nieuw land : de bedden , 
berekend ter lengte van 5 kettingen en de trenzen ter 
breedte van S'/^ voeten. 

Tot de eerste schop, met de uitdelving of wegkapping 
van boomstompen, 2 del vers per trens. Tot de tweede 
schop, ter diepte van 9 duim, 1 delver per trens; voor zoo 
ver de bedden korter of langer en de trenzen wijder of 
smaller mogten zijn, zal de taak berekend worden tot de 
lengte van 825 voet, ter breedte van 1 voet. 

f. Delven van nieuwe ponten-trenzen. 

500 Voeten lengte, 1 voet breedte en 9 duim diepte per 
delver, doch voor de eerste schop minder, voor zoo ver 
droogte of de aard van het land dit vereischt. 

Tot de uitroeijing van boomstompen wordt afzonderlijk 
werkvolk gebezigd. 

g. Achteruit werken van den uitgedolven grond. 

Compagnies werk. 

h. Ophalen of opdelven van trekkers in vasten grond. 

600 Voeten lengte, 1 voet breedte en 9 duim diepte per 
delver, 

i. Ophalen of opdelven van kleine trenzen in vasten grond. 

De trenzen berekend ter lengte en breedte als bij § e. 
Een delver per trens. 

Je. Ophalen of opdelven van ponten-trenzen. 

800 Voeten lengte, 1 voet breedte en 9 duim diepte per 
delver. 

l. Omspitten van den grond ter diepte van 9 duim. 

20 a 24 Mannen per akker, naar gelang van de droogte 
of den aard van het land. 

m. Omslaan van den grond met het houweel ter diepte 
van 7 duimen. 

15 a 18 Mannen per akker, naar gelang van de droogte 
of den aard van het land. 



203 

7L. Slecliten vau omgeslagen of omgespitten grond. 

9 a 13 Hoofden per akker, naar gelang van den aard 
des gronds. 

o. Uitmod dering van de trenzen met de modderschop of 

met het werktuig pocro genaamd. 
900 a 1200 Voet per delver, naar gelang van de breedte 
der trenzen. 
j9. Het afmaaijen, zoogenaamd waaijen van savannes. 
6 a 8 Hoofden per akker, naar gelang van het wied. 
q. Het afmaaijen van zij- of grenslijnen, met behoorlijke 

opruiming van het wied en het schoonmaken van de 

loostrens. 
Twee kettingen lengte en '/a ketting breedte per hoofd, 
of meer of minder naar gelang van de breedte en het wied. 

Op de suiker- plantagiën voor de taak van eenen dag. 

r. Delven van rietgaten en cappewerieland , de bedden be- 
rekend a 20 voeten breed, de gaten ^^/^ voet breed 
en 9 duim diep. 

10 a 12 Gaten per delver, naar gelang van weersgesteld- 
heid en grond, — wanneer de bedden breeder of smaller 
zijn, wordt de taak geregeld in verhouding tot 500 a 600 
voet per delver. 

s. Delven van rietgaten bij herplanting. 

t. Delven van rietgaten in omgeslagen of omgespit land, 

met het houweel, ter diepte van 6 a 7 duim. 
20 a 25 Gaten of 1000 a 1250 voeten per hoofd, en in 
niet omgeslagen of niet omgespit land 16 a 20 gaten of 
800 a 1000 voet per hoofd, een en ander naar gelang als 
voren. 

u. Planten en dekken van riettoppen, 2 roo of rei, de 
toppen op de dammen, tusschen de gaten aangebragt 
zijnde. 



204 

12 Hoofden per akker, of wel 600 voet per hoofd; 
tot het losmaken van den bodem der rietgaten, af- 
zonderlijk werkvolk te bezigen. 
V. Supplering van rietgaten. 

Naar gelang van de meerdere of mindere hoeveelheid 
suppleisels vereischt. 

w. Wieden van jong riet. 

Voor de eerste keer, bij voorkeur door de zooge- 
naamde kreolen, kompagnies werk; anders naar ge- 
lang van omstandigheden, 9 a 13 hoofden per akker. 
X. Wieden en grond aangeven. 
12 Hoofden per akker. 

ij. Trassen van riet. 

6 Hoofden per akker. 
z. Wieden en trassen van riet. 
9 a 12 hoofden per akker. 

aa. Kappen van riet. Compagnieswerk. 

bb. Transporteren van riet. 

2 Hoofden per rietbak of pont; het getal vrachten 
naar gelang van afstand en water. 

cc. Tras in roo halen , het afdisselen van rietstelen en het 
schoonmaken van trekkers en kleine trenzen. 
6 a 8 hoofden per akker, naar gelang er al dan niet 
gebrand is. 

dd. Malingen met water- of beesten-molens. 

Alwaar uit de negermagt 2 behoorlijke ploegen of 
spellen worden zamengesteld , eiken derden nacht al- 
gemeene rust; waar niet volkomen 2 ploegen zijn, 
om den anderen nacht algemeene rust; waar 3 vol- 
komen ploegen zijn, eiken vierden nacht algemeene 
rust. 

ee. Malingen met stoonimolens. 

Niet aan te vangen vóór 6 ure des ochtends, niet 



205 

later te duren dan tot 6 ure des avonds, met twee 

uren rust tusschentijds. 

Het vuur in het kookhuis moet uiterlijk ten tien ure 

des avonds uitgedoofd zijn. 

De stokers van het vuur onder den stoomketel, die 

2 uren vroeger met het stoken zullen moeten begin- 
nen, zullen daarentegen 2 uren vroeger, dan de an- 
dere arbeiders die tot de maling gebruikt worden, den 
arbeid kunnen verlaten. 

ff. Arbeid in of tot de stijlerij. 

Niet aan te vangen voor 6 uur des ochtends, en niet 

langer dan tot 6 uur des avonds. 
gg. Kappen van brandhout en stapelen in vadem, langs 

de vaart, de vadem berekend a 6 voet hoog even 

breed, en het hout a 3 voet lang. 

3 man per 2 vaam. Wanneer echter de afstand tusschen 
de vellingsplaats en de vaart grooter is dan 200 voet, 
alsdan in evenredigheid meer hoofden of minder hout. 

hh. Kappen en kweelen van duigen, en opzetten van sui- 
kervaten. 

2 vaten elke drie dagen per kuiper, de vaten berekend 
op 1500 pond netto. 

Indien de vaten grooter zijn, in evenredigheid de taak 
te wijzigen. Naar gelang van omstandigheden, wordt 
afzonderlijk werkvolk tot de levering der bodems ge- 
bezigd. 

Op de koffij-plantagien voor de taak van eenen dag. 

il. Opzoeken, dragen en verplanten van jonge planten 
(zoogenaamd //vingerplantsoen"). Compagnieswerk. 

kh. Het maken van gaten ter verplanting van jonge koffij- 
plantsoenen. 110 per man. 



206 

II. Uitdelving van jonge koffijboomen, het aandragen en 
de verplanting er van. Compagnieswerk. 
mm. Het maken van gaten en de verplanting tevens. Com- 
pagnieswerk. 

nn. Supplering van koffijstukken. Compagnieswerk. 

00. Het wieden van koffijstukken of van koffij- en bana- 
nen-stukken; het schoonmaken van de trekkers en 
kleine trenzen. 
6 a 8 hoofden per akker, naar gelang van het wied. 

pp. Het zuiveren van koffijboomen. Compagnieswerk. 

qq. Het op stomp kappen van koffijboomen. Compag- 
nieswerk, 

rr. Het plukken. Compagnieswerk. Het malen der koffij 
niet langer dan uiterlijk tot 10 ure des avonds. Het 
wasschen der koffij niet vóór vijf ure des ochtends 
aan te vangen. 

SS. Het stampen. Niet meer bij den avond maar bij dag, 
en niet later dan tot zes ure des avonds. 

U. Het lezen of pikken. Witte bast 100 pond, zwarte 
dito 75 pond per hoofd. 

Op de katoen-plantagien voor de taah van eenen dag. 

uu. Afmaaijen, zoogenaamd waaijen van bieriebierieland. 
Van 7 tot 10 hoofden per akker, naar gelang van 
het wied. 

vv. Planten met den lijn, met afgedeelde knoopen , en als- 
dan de stokken er bij te steken. 
3 a 5 hoofden per akker, naarmate de plantingen 
naderbij zijn of verder van elkander gescheiden. 

WW. Het suppleren. Compagnieswerk. 

XX. Het wieden. 

6 a 8 hoofden per akker, naar gelang van het wied. 

i/jij. Het dunnen. 



207 



2, 3 a 4 hoofden per 2 akkers, naarmate de planten 
uitgesproten en gegroeid zijn. 
zz. Het snoeijen en zuiveren. 

3 a 3 hoofden per akker, naar gelang van het wied. 
aaa. Het toppen. 

1 hoofd per akker. 
hhh. Het plukken. Compagnieswerk. 
ccc. Het malen met "^ 

den gewonen V30 pond per hoofd 
trapmolen; J 

het malen met 
den molen met 
krukken en me- 
talen. 
ddd. Het schoonmaken en het kloppen. 

40 pond per hoofd. 
eee. Het zuiveren of schoonmaken zonder klopping. 
60 pond per hoofd. 



^35 pond per hoofd. 



Of minder naar- 
mate ongewone 
katoensoorten 
moeijelijker te 
bewerken wa- 
ren. 



Op de cacao-plantagien voor de taah van eenen dag. 

fff. Het wieden. 

5 a 6 hoofden per akker, naar gelang van het wied. 
ggg. Het zuiveren. 

4 a 5 hoofden per akker. 
hlih. Het plukken. Compagnieswerk. 



Op de bananen-gronden voor de taak van eenen dag. 

iii. Het delven van gaten ter diepte van 18 duim, en 
ter wijdte van 18 duim diameter. 
Van 70 tot 90 gaten per delver, naar gelang van den 
grond, of minder naar gelang de gaten dieper of wij- 
der worden «yemaakt 



208 

khh. Het uitdelven van plantsoen en de vulling der uit- 

gedolven gaten. 

Naar gelang van de weersgesteldheid en den grond, 

160 a 200 plantsoenen per delver, 
ill. liet aandragen van plantsoenen ter planting. Com- 

pagnieswerk. 
mmm. Het planten of suppleren met vulling der gaten en 

aanstamping van den grond. 

120 a 130 gaten per hoofd. 
nnn. Het wieden en schoonmaken. 

6 a 12 hoofden per akker, naar gelang van het wied. 
000. Het kappen en dragen der bossen bananen tot langs 

de vaart. 

Van 70 tot 100 per hoofd, naargelang van den afstand. 
j9j3^. Bij leverantien, het transporteren naar de landings- 
plaats niet later dan tot 9 ure des avonds. 

Op de houtgronden. 

C[C[C[, Het vellen van boomen, om tot planken te worden 
gezaagd, 1 man, 3 boomen per dag; en tot het zagen 
van breede planken, 1 man 1 boom per dag. 

rrr. Het kweelen (square of vierkant maken) van bruin- 
hart, bolletrie of ander hout. 

Per dag, 30 voet ter dikte van 5-J-5 tot 8-j-8duim 
per man. 

sss. Het kweelen van lastdrager-gespen; ter lengte van 20 
voet, dik 5-f 6 of 6-|-7 duim. 
Per dag 3 stuks per man. 

Ut. Het kweelen van matrozenponts-gespen, ter lengte van 
12 h 15 voet, dik 7-[-8 duim. 
Per dag 2 gespen per man. 
uuu. Het kweelen van matrozeiiponts-kniün ter lengte van 
5 voet. 



209 

Per dag 1 knie per man. 
VVV. Het kweelen van lastdrager-knieën ter lengte van 5 voet. 
Per dag 3 stuks per man. 
www. Het kappen van sparren, 

k 20 voet, 25 per man, per dag. 
// 25 // 20 // /' '•' ^ 

n 35 // 15 n II n n 

XXX. Het kappen en splijten van palissaden : 

a 15 voet, 100 per man, per dag. 

// 20 // 75 // // // Il 
yyy. Het kweelen van riemen. 

2 Stuks per man, per dag. 

zzz. Het krassen van blokken van onderscheidene lengte : 

3 Stuks per 2 man, per dag. 

aaaa. Het kweelen van wane- of kopie-blokken om tot plan- 
ken te worden gezaagd tot 16 duim breedte : 
Blokken a 15 voet per dag, 2 blokken per man. 

// 20 // // // 3 // // twee man. 
boven de 20 — 30 voet , per dag 1 blok per man. 
hhbh. Het zagen van kopie- of wane-planken : 

"k 15 voet 18 stuks, per 2 man, in de week. 

'/ // // // n n n 

'/ II II II II II II 



II 20 


// 


12 


// 25 


// 


10 


// 30 


// 


8 


// 35 


// 


7 


// 40 


// 


6 



cccc. Het opzetten van blokken met het maken van barba- 
kotten : 

5 Blokken tot de lengte a 30 voet of 4 blokken 1 o 
van boven de 30 tot 40 voet, en wanneer del | 
barbakotten vooraf gemaakt zijn : 7 blokken tot >|g 
30 voet lengte, of 5 blokken vanboven de 30toti'^| 
40 voet. J = 

I. 14 



210 

dddd. Het kappen van barbakothout tot het opzetten van 3 
blokken : 
1 Man per dag. 
ceee. Het dragen van planken : 

Op een kwartier uur afstands 10 togten per dag. 
// // half // // 8 // // // 

// drie kwartier // // 5 // // // 

// een uur // 4 // // // 

Van 15 voet 1 duim, 1 man of 1 vrouw ^ 

// boven de 15 a 30 voet 1 duim, 2 mann. of 2 vrouw. 1 td 
// // // 20 // l'/o'^ 3 // // 3 // [co 

// // // 25 — 30 // l'A// 4 // // 4 // 1 g- 
// // // 35 // 1 /g// 5 /y // 5 // l ^ 

H II II 40 // IVa'^ 6 /y II Q n J 

fff. Het maken van singels, 3 mannen, 2000 gave singelsf 
per week, gestapeld volgens boschmerk, ter lengte van 
IS'/a voet, en ter hoogte van 40 singels. 
gggg. Voor zoo ver andere werkzaamheden op houtgronden, 
hiervoren niet genoemd, voorkomen, worden zij ge- 
regeld in verhouding tot de vorenstaande bepalingen. 
hMh. Bejaarden, jongens en meisjes, die tot het bewerken 
van hout , of tot het dragen van planken niet geschikt 
zijn, worden in verhouding tot hunne jaren en krachten 
gebezigd, tot het onderhoud van de kostgronden, tot 
het dragen en vervoeren van singels, sparren, knieën 
en gespen uit het bosch naar de landings- of stapel- 
plaats. 
üii. De gezagvoerders kunnen de slaven van het mannelijk 
geslacht , bij beurten des nachts , op de plantagiën en 
gronden de wacht laten houden." 

Hebt gij dit zonderlinge voorschrift doorgeworsteld, dan 
weet gij aan welke banden het Gouvernement de slavenhou- 



211 

ders van Suriname gelegd heeft. In zulk een keurslijf heeft 
het den arbeid aldaar gekneld. 

Alle mogelijke gevallen zijn beschreven; in ieder soort 
van werkzaamheid is voorzien. De direkteuren der plantages 
mogen geene taak hoegenaamd aan hunne slaven opdragen, of 
zij moeten eerst dit artikel, hun //wetboek van den arbeid", 
opslaan en raadplegen, en volgens de voorschriftea van dien 
code moet het werk geregeld worden! 

En Jioe heeft men in dit reglement den arbeid geregeld .? 
Heeft men daarbij onder anderen in het oog gehouden wat 
de heer lans zegt : //Er zijn voor den slaaf werken, die 
met groote inspanning gepaard gaan, en derhalve, wanneer 
zij lang aanhouden, de krachten uitputten en het ligchaam 
meer vatbaar maken voor ziekelijke aandoeningen; onder 
deze tel ik vooral het delven, het daarmede dikwijls verbon- 
den uitroeijen der boom wortels en het bosch vellen." 
Heeft de Minister dat in het oog gehouden? 
Maar in alle geval hij heeft den arbeid, tot in de 
geringste bijzonderheden, geregeld. En dat is nog niet 
alles. Zijne zorgen voor de slaven strekken zich veel ver- 
der uit. 

//Alle kompagnies veldwerken" zegt hij in artikel 15 //van- 
gen aan, des ochtend ten zes ure en eindigen des avonds 
ten zes ure, met inbegrip van twee uren rust;" dat zouden 
dus niet negen maar tien uren daags zijn. 

En nog meer! //De Zondagen" beveelt hij, //worden aan 
de slaven als rustdagen toegekend, waarop geen werk van 
hen zal gevorderd worden." 

En 't blijft er nog niet bij. //Bij alle jaarverwisselingen" 
gebiedt de Minister //worden aan de slaven drie werkdagen 
toegestaan, tot de onder hen gewone nieuwjaars-uitspanning, 
en bovendien een werkdag, om uit te rusten." 

Wat wilt gij meer? Niet alleen tegen bovenmatigen ar- 

14^ 



212 

beid is gewaakt, maar zelfs voor rustdagen en uitspanning 
is gezorgd! 

— //Maar gelooft gij dan waarlijk, dat deze voorschriften 
iets anders ten gevolge hebben, dan dat men in Nederland 
de philanthropen , die, dewijl dit thans aan de orde is, zich 
het lot der slaven aantrekken, er wat zand mede in de 
oogen gooit?" vroeg een hooggeplaatst persoon en plantage- 
eigenaar te Paramaribo aan iemand, die eerst onlangs in 
de kolonie voet aan wal had gezet, en den tegenwoordigen 
Minister om zijn reglement hemelhoog verhief. 

— //Wat zegt gij, mijnheer?" hernam de vreemdeling met 
oogen, die den hoogsten graad van verbazing uitdrukten. 

— //Ik zeg, dat bij den arbeid op de plantages volstrekt 
geen acht op al die fraaije bepalingen geslagen wordt. Even 
goed nu, als vóór de afkondiging van het fameuse reglement, 
wordt die arbeid volgens de van ouds bestaande gewoonten 
en het eigen goeddunken van de direkteuren geregeld." 

— //In weerwil van het reglement, dat bij koninklijk 
besluit is vastgesteld? Hoe is het mogelijk!" 

— //Hoe zou het tegendeel mogelijk zijn? Al die voor- 
schriften zijn onuitvoerbaar. Waar zou het heen, indien 
men niet meer vrijheid had, om de werkzaamheden eener 
onderneming zelf te regelen? Bovendien, al wilde de re- 
gering haar reglement handhaven, hoe zou zij er toe bij 
magte zijn? Hoe zou zij den arbeid van twee honderd 
plantages kunnen kontroleren? 't Is onverantwoordelijk, 
dat men het zoo ver heeft weten te brengen , om voorschrif- 
ten zoo dwaas, zoo vol feilen en gebreken, in naam des 
Konings te doen afkondigen!" 

Niet ligt zult gij een administrateur of een direkteur in 
Suriname ontmoeten, die in eenen anderen geest spreekt. 

Maar hoe is dan toch eene regeling van den arbeid der 
slaven in de wereld gekomen, waarvan iedereen verklaart. 



213 

dat zij geen den minsten waarborg geeft aan de negers en 
bovendien onuitvoerbaar is? 

De oplossing ligt voor de hand. Reeds lang hadden de 
Engelschen in het naburige Demerary de slavernij afgeschaft, 
en in 1848 deden de Franschen het plotseling in Cayenne. 
De geest des tij ds verklaarde zich overal krachtdadig tegen 
de schandelijke exploitatie van den neger. De Surinaam- 
sche slaveneigenaars, aan wie men geen geslepenheid en 
doorzigt kan ontzeggen, begrepen zeer goed, dat er wat 
gedaan moest worden, dat zij den schijn moesten aannemen 
van met den stroom te willen mederoeijen. Daarom rede- 
neerden zij, zeer verstandig en mensclüievend , ongeveer 
aldus: 

— //In Demerary en Cayenne is men te ver gegaan. De 
slaven zijn nog volstrekt ongeschikt voor eene onmiddellijke 
emancipatie. Maar wij zijn gaarne bereid, om in het be- 
lang der slaven alles te doen wat in ons vermogen is. Laat 
men wetten maken , die de regten der slaven duidelijk om- 
schrijven. Laat men tot in de geringste bijzonderheden be- 
palen, wat men van hen vergen mag. Laat men zorgen, 
dat zij niet meer arbeiden, dan in redelijkheid kan gevorderd 
worden !" 

Zulke fraai klinkende, maar misleidende redeneringen von- 
den ingang — en het gevolg er van was — , wij gelooven 
geheel ter goeder trouw, — de vaststelling van een regle- 
ment, waarvan diezelfde slaveneigenaren thans zeggen, dat 
de voorschriften onuitvoerbaar zijn! 

Maar veronderstel eens, dat het Gouvernement bij magte 
was, om zijne bevelen omtrent den arbeid der slaven te hand- 
haven — zou dan nog hun lot zoo veel benijdenswaardiger 
zijn? zouden zij er bij winnen? 

Op een enkel gedeelte van die tallooze bepalingen zullen 
wij opmerkzaam maken. Ex uno disce omnes. Wij zullen 



2L4 

het werk van een delver, waarvan de heer lans verklaart, 
dat zijn arbeid de krachten uitput en het ligchaam meer 
vatbaar maakt voor ziekelijke aandoeningen, wij zullen het 
werk, dat hij, volgens de ministeriële voorschriften, moet 
verrigten, vergelijken met dat van eenen arbeider in Ne- 
derland. 

Tot grondslag van dit laatste nemen wij de opgave van 
den Majoor-Ingenieur merkus, in zijne Bijdrage tot de 
versterkingsJcunst. Volgens de waarneming van dien schrij- 
ver bij den vestingbouw in de zuidelijke provinciën van het 
voormalig koningrijk der Nederlanden, kan, door eenen 
arbeider van gewone sterkte en bij goed weder, in eenen 
werkdag van tien uren, worden uitgegraven en op eenen 
afstand van drie of eene hoogte van één-en-een-halve el 
worden opgeworpen : 

In rotsgronden waartoe pikken en 
breekijzers vereischt worden 0,3 — 0,9 kubieke ellen 

in met puim en boomwortels be- 
zetten grond 0,6 — 1,0 

in bevroren grond 1,3 — 1,8 

in mergelgrond met harde klei ver- 
mengd 1,8—2,3 

in slik of modder onder water . . 2,3 

in lossen zandgrond 4,3 

in gemengden kleigrond en wal- 
aarde 5,0 

in steekhoudenden of handzamen 
grond 6,0 

Vergelijken wij hiermede de hoeveelheid grond, die door 
een slaaf, bij het graven van ponten-trenzen (kanalen of 
waterlozingen) moet verwerkt worden. In art. 13 leest gij, 
onder letter ƒ, daaromtrent het volgende : //Delven van 
nieuwe ponten-trenzen, 500 voeten lengte, één voet breedte 



215 

en negen duim diepte per del ver, doch voor de eerste schop 
minder, voor zoo ver droogte of de aard van het land dit 
vereischt." 

Als gij nu dit werk in Nederlandsche maat overbrengt, 
dan vindt gij, den Rijnlandschen voet gelijk 0,814 el stel- 
lende, dat de negerslaaf dagelijks ruim 11 kubieke Neder- 
landsche ellen aarde moet verwerken en dus weinig min- 
der dan het dubbelde der taak van den, onder de gunstigste 
omstandigheden werkenden, Europeschen arbeider. Bedenk 
daarbij, dat de negerslaaf in een brandend klimaat werkt. 
Herinner u de bananen en bakkeljauw, die hem voeden, de 
geringe hoeveelheid voedingstof in die spijze, die hem krach- 
ten moet geven. Zie vooral niet over 't hoofd, dat de 
Europesche arbeider, na 't volbrengen van zijne taak, ge- 
woonlijk zijn maal bereid vindt en rust kan nemen. 

Indien nu eens het reglement getrouw werd opgevolgd, 
zouden de slaven er voordeel bij hebben? Zoo weinig, dat 
ditzelfde reglement, omdat het onuitvoerbare taken vast- 
stelt, een middel is in de hand der direkteuren, om den 
neger tot eiken arbeid te dwingen, dien hij vroeger van 
hem vorderde; want zij kunnen hem met artikel IS in de 
hand bewijzen, dat hij volgens de wet tot veel meer ver- 
pligt is. 

Het reglement beteekent alzoo niets, want de arbeid ge- 
schiedt niet volgens zijne bepalingen, 't Zou onmogelijk 
zijn ze op te volgen. Maar, buiten dit reglement om, is de 
arbeid, die den slaven opgelegd wordt, niet overal even zwaar. 
't Hangt grootendeels af van den aard der produkten, die 
de plantage oplevert. 

De ligtste taak hebben de slaven op de houtgronden; de 
slavinnen hebben het daar minder goed. Ook op de katoen- 
plantages werken de negers meestal slechts acht uur daags. 
Maar op kostgronden en vooral op koffij-plantages zijn zij 



216 

den ganschen dag aan 't werk; in den tijd van den oogst 
moeten zij, na den veldarbeid, bovendien tot 's avonds tien 
of elf uur, en soms veel later, het produktin den koffijmolen 
bewerken. Zij offeren alzoo^en gedeelte van hunne nacht- 
rust voor hunnen meester op. Maar de meeste inspanning 
wordt van de slaven op de suiker-plantages gevergd. De- 
zelfde heer kappler, die verklaart, dat //de arbeid der 
slaven niet overdreven is," en dat hij //niet langer dan negen 
uren eiken dag duurt," zegt toch ook; //dat de arbeid Op 
eene suiker-plantage voor de negers veel zwaarder is dan op 
de overigen, dewijl, vooral op etablissementen die met water 
werken, de slaven dagen nacht moeten arbeiden." Hij heeft 
volkomen gelijk. 

In Suriname rijst de vloed, drie dagen voor en na volle 
maan,' aanzienlijk hooger, dan in den overigen tijd. Terwijl 
het onderscheid tusschen hoog en laag water aan de mon- 
dingen der rivieren zes en zeven voet bedraagt, rijst de 
vloed in den tijd van volle maan tot negen en tien voet. 
De stroom loopt dan veel sneller. Daarom kiest men die 
dagen vooral uit om te reizen, en op de suiker-plantages, 
die geen stoomwerktuigen hebben, wordt dan ook het riet 
gemalen. Men opent, als het vloed is, de sluis van 't kanaal, 
zoodat het water van den vloed dat kanaal vult. Heeft het 
water zijn hoogste peil bereikt, dan wordt de sluis gesloten. 
Is het water van den vloed ongeveer drie voet gevallen, 
dan opent men eene andere sluis, die van het kanaal het 
water naar den molen leidt, waar, door het uitstroomende 
water, een groot rad in beweging wordt gebragt, dat de 
werktuigen, die het riet vermorselen, doet werken. Wan- 
neer die tijd daar is, zijn de slaven, gedurende acht of negen 
dagen, ruim 86 uren van de 48 bezig, en genieten zij dus 
bijna geen nachtrust. 

Op de suiker-eftekten, welke van stoomwerktuigen voor- 



217 

zien zijn, moet toch altoos een gedeelte der negers tot laat in 
den avond in het kookhuis werken en des morgens zeer vroeg 
weder de vuren aanleggen. Bovendien wordt de meerdere ge- 
makkelij kheid, die zulke weïfctuigen den slaven aanbieden, 
ruim opgewogen door 'tgeen er tegenover staat. Immers 
wanneer, gelijk op vele plantages, met hout gestookt wordt, 
dan moeten de negers die brandstof in de bosschen kappen 
en naar den molen voeren, een arbeid, die bij door water 
gedreven molens niet in die mate wordt vereischt. 

Het voorkomen der slaven op katoen- en hout-gronden ver- 
geleken met dat op koflBj- en suiker-plantages bewijst, hoe veel 
minder op de eerste dan op de laatste van hen geeischt wordt. 
Daar ziet gij velen met de teekenen van leven en gezondheid op 
het gelaat, met eene forsche gestalte, met verbazende spierkracht; 
maar hier getuigt de geheele houding der negers veeltijds van 
afmatting, neerslagtigheid en ziekelijke aandoeningen. Niet al- . 
leen de zware arbeid is daarvan oorzaak, maar ook, hoe vreemd 
het schijnen moge, dat de slaven, ofschoon meer werk verrig- 
tende, er nog slechter gevoed worden; want, daar zij geen 
tijd hoegenaamd overhouden om iets voor zich zei ven te 
doen, moeten zij zich met hunne ellendige rantsoenen be- 
helpen. Wij hebben hier weder eenen bondgenoot, dien zelfs 
de meest hardnekkige verdediger der slavernij niet zal wra- 
ken. De heer i,ans zegt met zoo vele woorden : //Men 
verlieze toch niet uit het oog, dat in de tijdsomstandighe- 
den, waaronder wij leven, alles behoort aangewend te wor- 
den, om den arbeid te verligten; de menschelijkheid en het 
duurzaam belang zijn het op dit punt volkomen eens. Dit 
betreft vooral de suiker-plantages ; want indien de bevolking 
daar meer afnemende is dan die van andere kuituren ^ moet 
het wel aan den zwaarderen arbeid worden geweten.'''' 

Eenige maanden geleden waren de slaven van de katoen- 
plantage Potosi en de suiker-plantage Susanna'sdaal te gelijk 



218 

in het biimenfort gedetineerd. Ieder, die hen daar ont- 
moette, werd getroffen, door het verschil van uiterlijk voor- 
komen dier beide slavenmagten, en een der personen, die 
hen dagelijks zag, werd dooa^hen niet weinig versterkt in 
zijne, door een bezoek op onderscheiden plantages verkregen 
overtuiging, dat de slaven op suiker- en koffij-plantages 
het zwaarste lot hebben te verduren. Ook de heer lans 
heeft dezelfde opmerking gemaakt. //Het is" zegt hij, //zeer 
gemakkelijk, in de kolonie zelve vergelijkingen daar te stel- 
len. De katoen-plantages geven aan de slaven niet meer dan 
de noodwendige hoeveelheid bananen, omdat zij aangekocht 
moeten worden; de bakkeljaauw wordt er niet ruimer uitge- 
deeld , en toch ziet men daar de gezondste negers en de meeste 
kinderen. De verfrisschende zeelucht kan daar wel eenig 
deel aan hebben, hoewel dit voordeel wordt opgewogen door 
het brakke water. Maar er is eene andere reden voor". En 
nu vindt de heer lans die in den overvloed van krabben, 
die in voedzaamheid bijzonder uitmunten en welke op die 
katoen-plantages gevonden worden. Wij meenen echter als 
een der voorname redenen te mogen beschouwen, 't geen de 
heer lans zelf verklaard heeft : //indien de bevolking der 
suiker-plantages meer afnemende is dan van andere plantages, 
moet het wel aan den zwaarderen arbeid geweten worden". 
En als gij nu, dit in 't oog houdende, de ministeriële 
opgaven nagaat van de gronden, die in 1849 in bewerking 
waren, dan ziet gij, dat minstens twee vijfde met suiker, 
één vijfde met koffij en de overige twee vijfde met kakao, 
katoen, rijst, kost en hout beplant zijn. Daar nu die kost- 
gronden nog gedeeltelijk tot suiker- en koflij-plantages be- 
hooren, mogen wij veilig als slotsom verklaren : dat twee 
vijfde gedeelten der slavenbevolking van Suriname eenen 
zwaren en hare krachten te boven gaanden arbeid verrigt; 
dat een vijfde zeer hard moet werken; dat hetgeen van de 



219 

overige twee vijfde gedeelten geëischt wordt niet overdreven 
is; dat, al ware liare taak ook veel ligter, zij toch niet in 
evenredigheid zou staan met het voedsel, dat haar krachten 
tot den arbeid moet geven, eji dat, door het uitsterven der 
slavenmagten en het veranderen van koffij- en andere effekten 
in suiker-plantages, de last, die op de schouders der over- 
blijvende negers drukt, van jaar tot jaar toeneemt. 

//Maar gij vergeet iets", hoor ik mij toeroepen, //de Zon- 
dagen worden aan de slaven als rustdagen toegekend , waarop 
geen werk van hen mag gevorderd worden. Zoo hebben de 
slaven dan toch twee-en- vijftig dagen in het jaar, waarop 
zij kunnen uitrusten." 

't Is zoo; het reglement schrijft dit voor. Vergun echter 
twee opmerkingen. Vooreerst : onmiddellijk na dit voor- 
schrift laat het reglement eene uitzondering toe : //Gedu- 
rende de malingen met watermolens, gedurende de koffij- en 
katoenoogsten, en in alle buitengewone gevallen, als dam- 
breuken of dergelijken, zal de arbeid des Zondags wel kun- 
nen gevorderd worden, behoudens de verpligting des mees- 
ters, om de aldus verloren rustdagen zoodra mogelijk door 
even veel rustdagen te vergoeden." En dat van die vergun- 
ning een ruim gebruik wordt gemaakt — wie zal het ont- 
kennen? Of echter de //vergoeding" door andere rustdagen 
in den regel plaats heeft — wie durft het bevestigen? 



Ik voorzie de gewone tegenwerping. 

Maar de Surinaamsche slavenhouders zijn toch geene dwa- 
zen, zal men zeggen. Indien slechte voeding en bovenma- 
tige arbeid in die mate bestaan als gij beweert, dan zouden 
die slavenhouders immers zelven de oorzaken zijn van de 
groote sterfte onder de slaven, en dus van hun eigen nadeel. 
Al zetten wij nu elke drijfveer van zedelijkheid en mensche- 
lijkheid op zij , dan nog zou het eigenbelang hen natuurlijk 



220 

terug houden van eene behandeling van hun werkvolk, die 
oorzaak is der schrikbarende vermindering van dat werkvolk; 
dan nog zouden zij zich wachten van eene wijze van beheer 
van hun kapitaal, die dat kapitaal langzamerhand vernie- 
tigt. 

Indien dit de eenige tegenwerpingen zijn tegen de waar- 
heid van 'tgeen wij over de behandeling en den arbeid der 
negers in Suriname hebben gezegd, dan kunnen zij in den 
grond worden afgesneden. Wij hebben er reeds op gewezen. 
De eigenaren hebben belang bij het behoud van het kapi- 
taal, hier de slavenmagt; maar aan die eigenaren is de zorg 
voor het onderhoud en den arbeid der slaven niet toever- 
trouwd. Die eigenaren zijn voor 't grootste gedeelte afwe- 
zig, en hebben hunne bezittingen overgegeven aan 't beheer 
van //administrateurs", die geen belang hebben bij het behoud 
van 't kapitaal. Wat gaat het hun aan, dat een slaaf sterft 
van gebrek ? Welk nadeel hebben zij er bij , dat een neger 
bezwijkt onder den last, dien men hem heeft opgelegd? 
Hun rijkdom vermindert niet, wanneer arbeid en honger de 
slavenmagt decimeren. Maar dat er veel geproduceerd wordt, 
dat de suiker of de koffij, of wat ook de produkten zijn, 
niet vermindere, en dat de uitgaven gering zijn, dat er op 
de voeding der arbeiders zoo veel mogelijk bezuinigd wordt — 
ziedaar hun voordeel; ziedaar al wat zij verlangen. Zij 
hebben alleen belang bij de hooge renten, die het kapitaal 
afwerpt, al ig het ook ten koste en met opoflering van dat 
kapitaal zelf. 

Met zeer veel juistheid is dit aangewezen ineen geschrift, 
dat uit de pen moet zijn gevloeid van den heer de veer, 
die langen tijd als ambtenaar in Suriname heeft doorgebragt 
jen thans sedert eenige jaren bij het departement van Koloniën 
werkzaam is. Het is getiteld : Opmerkingen omtrent den 
Afrikaanschen slavenhandel en de emancipatie in de Britsche 



221 

koloniën, met aatihevcUng van middelen y om Afrika te he^ 
schaven y den bloei der West-Indiën te herstellen, en de 
slaven in de Jcolonie Suriname te emanciperen, 's Hage 1848. 

Volgens dien schrijver zijn te Cura^ao de eigenaren op 
de plaats woonachtig, meestal te midden van hunne slaven, 
en is het daaraan toe te schrijven, dat het lot der negers 
er dragelijk en de sterfte veel minder is. Immers de eige- 
naar zorgt, dat de slaven goed gevoed worden, en dat hun 
geen overmatige werktaak wordt opgelegd. //De Cura^ao- 
sche planter" zegt de schrijver, //handelt hier niet louter 
uit menschlievende beginselen , maar hij verstaat zijn eigen- 
belang en begrijpt, dat het verlies van eiken slaaf eene ver- 
mindering veroorzaakt van zijn kapitaal en van zijne renten, 
terwijl de aanwas zijner slaven een en ander verhoogt. 

//Geheel anders is dit in Suriname, waar de meeste eige- 
naren, afwezig zijnde, het beheer hunner plantages hebben 
overgedragen aan zoogenaamde //administrateuren". Deze, 
tijdelijk met het beheer belast, hebben geen dadelijk belang 
bij de instandhouding van het hun aanvertrouwde goed; des 
te meer echter bij de vermeerdering van de opbrengst van 
den landbouw, waarvan zij lOy^ van de onzuivere waarde 
genieten. 

//De slaven worden tot het uiterste aangedreven, om 
produkten te maken. Bezwijken zij onder dien last, dan 
dringt de administrateur bij den afwezigen eigenaar aan , om 
andereu te koopen; en vermindert de magt slaven tot bene- 
den zeker peil, dan bewerkt hij , dat de slaven, afgezonderd 
van de plantage, verkocht, of naar eene andere plantage 
overgebragt worden. Op die wijze hebben wij sommige 
suiker-plantages, in het tijdsbestek van vijf en twintig jaren, 
tot vier slavenmagten zien verslinden ^ terivijl een aantal 
schoone plantages daardoor zijn verlaten''\ 

Het is inderdaad jammer, dat door dit uitsterven der 



222 

slaven, als een gevolg hunner uitputting, de landbouw en 
nijverheid der kolonie groote schade lijden. Maar mij 
dunkt, er is nog eene andere reden voor eene Christen- 
natie, om zulk een verschijnsel te betreuren. Bedenk, volk 
van Nederland! dat, door de slechte behandeling en den 
zwaren arbeid, die onder Nederlandsche wetten plaatsgrij- 
pen, honderden menschen jaarlijks van ellende en uitputting 
bezwijken. In vijf-en-twintig jaren verslinden sommige sui- 
ker-plantages vier slavenmagten! Begrijpt gij wat dat zeg- 
gen wil? Viermalen moet een aantal van honderd of twee 
honderd negers vernieuwd worden, omdat zij grootendeels 
zijn uitgestorven als een gevolg van den zwaren arbeid, die 
al hunne krachten verslindt, en van de gebrekkige voeding! 

//Waren de eigenaren op de plaats woonachtig, dan zou- 
den zij zorgen, niet alleen voor toereikend en gezond voed- 
sel voor hunne slaven, maar ook voor de overige materiële 
belangen der negers, zoo als : matige werktaken, gezonde 
woningen, geneeskundige behandeling en oppassing der zie- 
ken, kraamvrouwen en jonge kinderen. Men en ander wordt 
schromelijk verwaarloosd door den administrateur , die slechts 
op eene zaak acht geeft , het maken van produkten ^ waarvan 
hij zijn ruim aandeel genieV\ Inderdaad, meer onverbloemd 
en onbeschroomd dan in deze woorden kan de waarheid niet 
gezegd worden. En opdat men zich niet zou vergissen, 
opdat men wel degelijk de waarachtige oorzaken van de 
ellende der negers mogt kennen en waarderen, voegt de 
schrijver er nog bij : //De slotsom van ons onderzoek is, 
dat niet het klimaat, maar de slechte behandeling der slaven 
in Suriname de oorzaak is van hunne vermindering; en dat 
die behandeling hoofdzakelijk toe te schrijven is aan de af- 
afwezigheid der eigenaren en aan de stelsels, door de admi- 
nistrateuren aldaar ingevoerd." 

De zaak, die wij hier behandelen, is van zoo veel ge- 



I 



223 



t, dat wij ons genoopt zien, nog cene autoriteit aan te 

^n om haar te bevestigen. 

Eenige jaren lang is te Utrecht een Tijdschrift versche- 
len onder den titel van : Bijdragen tot de hennis der Ne- 
derlandsche en vreemde koloniën^ bijzonder betrekkelijk de 
vrijlating der slaven. 

In dat hoogst belangrijk periodiek geschrift, waarvan de 
••edaktie was opgedragen aan Mr. j. ackersdyck, Mr. p. 

BROERS, Mr. W. J. VAN HOYTEMA, Dr. S. A. RUEB, 

j. HORA siccAMA en Mr. g. w. veeede, lees ik de 
volgende woorden, door die redaKtie zelve geschreven: 

"^^et vraagpunt kan niet wel betwijfeld worden, dat de 
ere sterfte der slavenbevolking aan de mate en de soort 
den arbeid en aan de behandeling der slaven in het al- 
gemeen moet worden toegeschreven. Het is' door hen, die 
best met de kolonie bekend waren, onder anderen door 
'^•eneesheer kühn, omstandig bewezen; en het blijkt ook 
uit, dat de sterfte bijzonder op de suiker-plantages 
pgemerkt, niet op de houtgronden en katoen-planta- 
rt'aar de arbeid minder zwaar en minder schadelijk is. 
betoog, dat de hoeveelheid van den arbeid, dien men 
de slaven vergt, niet te groot is, wordt gewoonlijk be- 
', dat de vrije werkman in andere landen nog meer 
verrigt. Doch juist in dien verschillenden toestand 
-^n werkman is de verklaring van dit verschijnsel (in- 
net plaats heeft) te zoeken. Het is eigen aan de sla- 
dat zij den arbeid zoo hard doet vallen; terwijl 
lige arbeid niet zelden ligt volbragt wordt. In Noord- 
rika, waar de bevolking in het algemeen buitengewoon 
tig is, werken de slaven in evenredigheid zeer weinig, 
de meesters stemmen toe, dat het onmogelijk zijn zoude, 
>met de strengste middelen, van de slaven zoo veel ar- 
b te verkrijgen , als in de naburige staten de gewone 



224 



werklieden verrigten. Zelfa de poging daartoe zoUrfr^en 
korten tijd de slavenbevolking vernietigen. De sL "^j- 
zwijkt onder den last, dien de vrije man zonder il^^ 
draagt. Het is eene der vele redenen tegen de slaver^' 
doch zoo lang men nog slaven heeft, moet men zich W*}) 
met weinig arbeid vergenoegen , of men verwoest het leven 
der slaven". 

Maar de Surinaamsche slavenhouders willen zich ni'^^*>D9'^ 
weinig arbeid vergenoegen, en daarom verwoesten "^^^„o., 
leven der slaven. ^ 

Hun roepen wij , met het oog op de verpleging en de»* 
arbeid hunner arme negers, de woorden der H. Sci ^^^ V 

//Ziet de loon der arbeiders, die uwe landen gem-'^^Q. ^. 
ben, welken gij hun onthouden hebt, schreeuwt, en »• 
kreet dergenen, die voor u geoogst hebben, is gekf **^^W^"^ 
den Heer der heirscharen !" ^^^i^-i„ 

'zrfnde 
,v)if. 
er zie- 

"ckis 
id 
rvan 

loemd 

d niet 
/. 

fissen, 
/• nr , 
^an de 

. gt de 

lek is, 

Slaven 

ri dat 

ami- 

/eel ge- 



EINDE VAN HET EERSTE DEEL. 



SLAVEN EN VRIJEN, 



II. 



■.<-i' i\'i 






0^'DER DE 
NEDERLAND SC HE WET ; 

UITGEGEVEN JiUOH 

11 mi. mi iilwiUL. 






i'^V/', Z^^'/" Awv r^v' werk/ü'dtn, die n///& landen 
(ff>/ii/t/id hi'bhen , 't walk door ii verhvfi is, rccpb ; 
i'ii hi't //.■sr/uvi ilirifciien, die yeooc/sb hebhea , is ye 
.hriih'ii lel III dl' irivii, dcs Jlterwi, SebaMh. Jak. ï' 4. 



■\\\V.V.\^V. DEEL. ILEÏ FLATEN. 




it|,'. Ui 



ZA1T1U5MMEL, 

. lYOMAIl^' Eïï 'ZO Oir. 



INHOUD VAN IET TWEEDE DEEL. 



■ — »*<>'ï<3-OC^ïxï>« — 



I. STRAFFEN' . . 

II. HET DAGBOEK VAN EEN' REIZIGER . . 

III. HUISSLAVEX 

IV. STRAFBEDREIGINGEN TEGEN DE VRIJEN 
V. HET TOEZIGT 

VI. DE GODSDIENST , 

VII. WEGLOOPERS EN BOSCHPATROUILLES 

VIII. VERDEDIGERS DER SLAVERNIJ . . . 



Bladz. 
1. 

23. 
46. 



70. 



80. 



96. 
167. 
210. 



— «edS€i*«< — 



STRAFFEN. 



— >««8S^r- 



— //Wat nieuws is er, bastiaan?" vroeg een man van 
vijftigjarigen leeftijd aan eenen neger, die voor hem stond 
en een zweep in de hand hield, het teeken zijner waardig- 
heid. Hij, die de vraag deed, had een gelaat, waarop de 
sporen van het veelvuldig gebruik van brandewijn en rhum 
niet waren te miskennen, en zijne roode oogen, zijn schorre 
stem, zijne bevende handen, zijn opgezet gelaat, het klam- 
me zweet, dat het voorhoofd bedekte, dat alles waren zoo 
vele teekenen, die bewezen, hoe hij vooral den vorigen 
avond eeiie groote hoeveelheid van die //gebrande wateren" 
had ingezwolgen. Hij was gekleed in eene grof linnen broek, 
en het buis, dat het bovenlijf bedekte, liet de borst bloot, 
om zoo mogelijk het verteerend vuur, dat daarin brandde, 
door de morgenlucht te verkoelen, die in de open galerij, 
waarin hij gezeten was, nu en dan een verkwikkend zuchtje 
deed spelen, 't Was de direkteur een er afgelegene plantage, 
welke wij niet zullen noemen, 

— //De slaven hebben de taak afgewerkt, die hun gis- 
teren was aangewezen; er waren wel enkele tragen onder, 

II. 1 



gelijk FIGARO en adriaan, maar eenige gevoelige aanspo- 
ringen hebben 't gevolg gehad, dat hun werk gereed is." 

— //Anders niets , bastiaan?" 

— //Ja wel, Masra. Een der koeijen heeft een kalf ge- 
worpen, maar het kalf is dood. 

— Het kalf dood?" vroeg de direkteur met een afgrijs- 
selijken vloek, //het kalf dood? hoe is dat mogelijk, waarom 
is voor mijn goed niet beter gezorgd? want dat is mijn 
eigendom , bastiaan ! 

— //Ik weet niet , mijnheer ! wat de oorzaak is van dit 
ongeluk. De oude herman zegt, dat de koe gisteren avond 
niet loopen kon, zoodat hij haar niet in de koepen heeft 
kunnen drijven en hij haar 's nachts op de weide heeft moe- 
ten laten." 

— //Zoo! dan is het de schuld van dien vervloekten her- 
man! Dan heeft hij er niet voor gezorgd! Dan heeft hij 
het beest buiten de koepen gelaten ! Die luije neger , wat 
heeft hij anders te doen, dan voor mijn goed te zorgen? 
Wat heeft hij anders te doen, bastiaan?" 

— //Niets Masra, anders niets!" 

— //Maar ik begrijp het wel. Dat praatje, als of hij de 
koe niet in de pen kon krijgen, is maar een sprookje. Hij 
heeft het opzettelijk gedaan. Hij wilde wèl, dat het beest 
op de wei zou kalveren; daar was er niemand bij. Toen 
het kalf er was, heeft hij het gedood, en nu vertelt hij, 
dat het dood geboren is, meenende, dat ik geen doodgebo- 
ren kalf zal willen eten, en dat hij er alzoo mede in zal 
smullen. Is het niet zoo, bastiaan? 

— //Ik weet het niet, Masra! 

— //Is het niet zoo, bastiaan?" herhaalde de direkteur, 
met van woede vertrokken gelaatstrekken, met oogen, die 
uit hunne kassen dreigden te dringen, met eene stem, die 
afgrijsselijk klonk door schorheid en razende drift. 



— //Ja, het is zoo, Masra," antwoordde de bastiaan op 
demoedigen toon. 

— //Gij beschuldigt alzoo heuman, dat hij mijn kalf 
heeft gedood?'' 

Den bastiaan ontglipte een naauwelijks hoorbaar //ja." 

— //Breng den schelm hier! Ik zal hem spreken!" 

De bastiaan verwijderde zich, maar kwam kort daarna 
terug met een slaaf, die hem hinkende en met moeite 
volgde. Vermagerd en gekromd door den ouderdom, na- 
derde de oude man kugchende en hoestende, met duidelijke 
teekenen van verwondering maar tevens van vrees en angst 
op het ter aarde gekeerde gezigt. Hij was op deze plantage 
geboren en dat zijn vader niet uit Afrika maar uit Europa 
afkomstig was, bleek uit zijne kleur en gelaatstrekken. 
Zijn gansche leven had hij voor hem, die zich zijn meester 
noemde, gearbeid; toen was de ouderdom met zijne ver- 
zwakking en gebreken gekomen, maar toch altijd had men 
hem met de zweep naar het veld gedreven, tot hij, nu een 
paar jaren geleden, door een val zijn been had gebroken, 
en na een langdurig lijden was hersteld, maar kreupel ge- 
bleven, zoodat de arbeid op het veld toen, in weerwil van 
de kracht der zweep, onmogelijk was geworden. Daarom 
had men hem tot //koewachter" aangesteld; hij moest het 
vee hoeden, dat den direkteur toebehoorde; hij moest zor- 
gen voor de voeding en voor alles wat tot dat vak behoort. 

— //Zoo, ondankbare duivel!" riep de direkteur hem toe, 
//Hebt gij mijn kalf gedood? Is dat dewijl ik u zulk een 
baantje heb bezorgd?" 

— //Het kalf is dood geboren, Masra!" 

— //Dood geboren? Leugenaar! en waarom hebt gij de 
koe dan buiten gelaten? en waarom zijt gij dezen nacht 
naar het veld geweest, waar zij kalfde?" 

— //Het was mij niet mogelijk, de koe naar binnen te 

1^ 



drijven. Zij kon gisteren avond niet meer loopeu. Den 
ganschen nacht ben ik niet uit geweest." 

— //Gij liegt! De bastiaan heeft u betrapt. Hij heeft 
gezien, dat gij het kalf hebt gedood. Is het niet zoo, 
bastiaan ?" 

De neger met de zweep knikte bijna onmerkbaar met 
het hoofd. 

— //Patientie!" zuchtte de oude slaaf, en zweeg. 

— //Ik zal het u betaald zetten," brulde de direkteur, 
//'t zal u heugen, mannetje, dat gij u aan het vleesch van 
mijn vee wildet te goed doen. Breng de kauaille naar den 
koffijzolder, bastiaan! en sluit hem daar op. Niemand mag 
bij hem komen; die het waagt zal met mij te doen hebben." 

De slaaf volgde hinkend den bastiaan, zonder een woord 
te spreken, en werd op den koffijzolder gezet. 

Daar lag de ongelukkige op den vloer. Niemand zag 
naar hem om — want de vrees voor de woede van den di- 
rekteur hield al zijne medeslaven terug. Daar lag hij, zon- 
der dat hem eten of drinken gebragt werd. Reeds viel de 
avond en begonnen de honger en de dorst hem vreesselijk 
te kwellen, maar niemand verscheen om hem een enkele 
banaan of een teug waters te bieden. 

Hij viel in slaap, maar tegen middernacht werd hij wak- 
ker, gekweld door eenen hevigen brand in de keel en snij- 
dende pijnen in maag en ingewanden. En toch kwam nie- 
mand hem laven of vertroosten in zijne duistere eenzaam- 
heid. Geen sluimering look meer zijn oog, en nu en dan 
perste de smart hem klaagtoonen af. 

Eindelijk brak de morgen aan. Daar hoort hij voetstap- 
pen; zij naderen zijne gevangenis; men zal hem eindelijk 
voedsel, maar vooral drinken, water, brengen. De voet- 
stappen komen digter bij. De deur van den zolder wordt 
geopend. De bastiaan treedt binnen. Met vlammende oogen 



ziet de ongelukkige naar de handen van den binnentreden- 
de — maar niets, volstrekt niets wordt hem gebragt. De 
bastiaan opent een luik op den zolder, dat naar buiten uit- 
ziet en verwijdert zich zwijgende weder. 

Daar ziet de slaaf de //kreolen-mama" met de jonge negers 
en negerinnen, die aan hare zorg zijn toevertrouwd, het 
gebouw naderen, waarin hij is opgesloten. Elk der kinde- 
ren draagt de spijs en het water, die hun tot ontbijt moe- 
ten strekken. Digt bij het koffij-pakhuis gekomen , be- 
veelt de kreolen-mama hun zich neder te zetten, en hun 
voedsel te nuttigen. 

Dat was eene helsche uitvinding van den direkteur, om 
den honger en de dorst van den gevangene nog meer op te 
wekken, om zijn lust te prikkelen en zijne duldelooze smart 
te vergrooten, door hem te laten zien, hoe de kinderen, 
met de eetlust en graagte aan de jeugd eigen, alles verslon- 
den wat hun gegeven werd. De direkteur zelf stond op eeni- 
gen afstand, om zich aan 't gezigt van het vreesselijk lijden 
van den, door honger en dorst gemartelden, ongelukkige te 
goed te doen. Toen de maaltijd geëindigd was, trok de kreo- 
len-mama met hare troep weder af, en de uitgehongerde 
HERMAN bleef met zijne ellende alléén, nu nog verhoogd door 
de beelden van 't genot, in bananen en water verborgen , dat 
het gezigt der etende kinderen in zijne verbeelding had op- 
gewekt. 

Maar zulk eene barbaarschheid is onnatuurlijk, zult gij 
misschien zeggen. Wat kan de drijfveer zijn, die den di- 
rekteur tot zoo veel wreedheid vervoerde? Het verlies van 
zijn kalf mogt hem voor een oogenblik in drift doen ont- 
branden, nu toch, na vier-en-twintig uren, was die eerste 
opwelling bekoeld. Hoe was die blijvende lust tot marte- 
len mogelijk? "Wat had de slaaf hem dan gedaan? 

Tk ontken, dat er juist eene bijzondere oorzaak behoeft 



6 

te zijn, om sommige menschen in Suriname, die de vrije 
beschikking hebben over hunne medemenschen , door hen 
//slaven" genoemd, op te wekken, deze gruwelijk te mishan- 
delen en te folteren. Maar hier was zulk eene oorzaak. 
Gij zult haar leeren kennen , als gij den direkteur wilt vol- 
gen, die zich, na 't genot van 't gezigt der etende kreolen- 
kinderen en van den hongerenden herman, langzaam ver- 
wijderde. Hij keerde naar zijne woning terug. 

Hij zette zich in zijne waranda neder, en een bediende 
bragt hem zijne kofiBj. Terwijl hij bezig was, zich in dien 
geurigen drank te verkwikken, naderden twee slavinnen 
schoorvoetende den meester. De een was eene vrouw van 
veertig jaren of daaromtrent, maar die er veel ouder uitzag, 
de andere was hare dochter, een beeldschoon meisje van dien 
twijfelachtigen leeftijd, waarin het kind op het punt staat 
van zich tot maagd te ontwikkelen. De gitzwarte oogen, 
die anders schitterden van glans en levenslust, waren thans 
rood geweend, en ook hare moeder stortte bittere tranen en 
snikte overluid. Beiden vielen voor den onbarmhartigen 
direkteur op hare knieën. 

— //Genade voor bekman!" bad de moeder. 

— //Genade voor mijn vader!" snikte het meisje. 

De direkteur zette zeer bedaard zijne koffij neder, en zag 
de beide vrouwen, die voor hem geknield lagen, met een 
glimlach om de lippen, aan. 

— //Genade? maar wat gaat die koewachter u aan?" 

— //O gij weet het wel, Masra!" zeide de vrouw, //hij 
is mijn man, mijn man, dien ik lief heb; hij is de vader 
van mijn kind." 

-^ //Hij is mijn vader." Zeide het meisje. 

— //Nu ja, lief kind; uw vader, daarvoor houdt gij hem, 
maar daarvoor staat hij bij mij niet te boek. Gij hebt geen 
vader; ik ben uwe eenige familie", en hij lachte zoo vrien- 



delijk, als zijne door den drank misvormde gelaatstrekkeu 
het toelieten, en hij streelde liefkozend hare wangen. 

— //Ach! genade voor hermAln!" zuchtte op nieuw de 
moeder. 

— '/Nu, ofschoon gij wel weet, dat ik uwe betrekking 
tot HERMAN niet behoef te erkennen, noch de uwe noch 
die uwer dochter, wil ik toch goedertieren zijn. Ik zal 
den schurk los laten, maar onder de voorwaarde, die u 
bekend is. Gij moet mij uwe dochter afstaan. Gij moet 
u aan mij overgeven, lieve meid! Gij zult het goed bij 
mij hebben !" 

— //Maar ik mag dat niet toestaan, Masra! Mijn kind 
is nog te jong. Als zij den ouderdom heeft bereikt, dan 
kan zij aan uw verlangen voldoen, indien 't haar goed 
dunkt. Wacht tot zoo lang, Masra, ik bid, ik smeek het 
u; en schenk thans den armen herman vergiffenis." 

De direkteur wierp gloeijende blikken op de schoone 
vormen van het meisje, dat nog altoos voor hem geknield 
lag, en dat, toen zij zijne woorden vernam, van angst sid- 
derde over geheel haar ligchaam. Onbeschaamd greep hij 
haar aan : 

— //Doe wat ik verlang, diana, en uw vader is gered!" 
zeide hij op een en zachten toon, die van de afschuwelijkste 
dierlijke lust getuigde. Het meisje wrong zich los uit zijne 
armen, en verwijderde zich luid snikkende met hare moeder. 
Vreesselijk was de toestand, waarin zij den direkteur achter 
lieten. Zijne beenen knikten, al zijne zenuwen waren in 
beroering, geheel zijn ligchaam trilde. Hij liet zich op zijn 
stoel vallen, en 't duurde een geruimen tijd, eer hij tot zoo 
veel kalmte kwam, dat hij spreken kon. De vreesselijkste 
vervloekingen van zich zelven, van de_ beide slavinnen, van 
HERMAN, van alles wat hem omringde waren het eerste 
geluid, dat hij voortbragt. 



QV.»^.VA, V..*./ X.^J ,V^Vy*VWiU,jji 



8 

— //Ik zal 't u betaald zetten; gij zult het ondervinden, 
wat het zegt, mij te weerstreven. Eerst de koewachter, en 
dan gij zelf!" 

Ondertusschen bleef de neger op den koiSj zolder opgeslo- 
ten. De honger werd meer en meer ondragelijk, maar vooral 
de dorst. Naarmate de zon rees en de warmte drukkender 
werd, namen de smarten van den ongelukkige toe. 

— //Ach! een teug water! Een teug water!" kermde 
hij, maar niemand hoorde hem. Welke pen kan het lijden 
beschrijven van den ongelukkige, toen de hitte van den 
dag op 't hoogste was, vermeerderd door de benaauwde plaats, 
waarin hij was opgesloten. En daar zag hij in de verte 
door het geopende dakvenster de rivier stroomen; daar zag 
hij het water, waarnaar zijn uitgedroogde verhemelte smachtte! 

Tegen den middag liet de direkteur den bastiaan weder 
roepen. 

— //Is HERMAN nog opgcsloteu?" vroeg hij. 

— //Ja, Masra!" 

— ^En heeft niemand hem iets gebragt!" 

— //Niemand!" 

— i/Zoodat hij sedert gisteren morgen noch eten noch 
drinken gehad heeft!" 

— //Noch eten, noch drinken." 

— i/Nu dan zal hij wel honger hebben. Dan moet gij 
nu maar aan zijne vasten een einde maken. Breng hem een 
haring." 

— //Goed, Masra!" zeide de bastiaan, met eene uitdruk- 
king die bewees, dat dit bevel hem genoegen deed; //en ook 
wat bananen en water, niet waar?" 

— //Doe wat ik u zeg," donderde de direkteur hem toe, 
//niet meer en niet minder!" 

— //Goed masra," hernam de bastiaan, op eenen geheel 
anderen toon, en hij voldeed aan het bevel. 



9 

De beide vrouwen , die 's morgens voor den armen her- 
man om genade hadden gebeden , behoorden tot die kategorie 
van plantage-slaven, die men //huisslaven"" noemt. Hare 
werkzaamheden bestonden in huisselijken arbeid en zij ver- 
lieten nimmer de woning of haren omtrek. Behoeft het 
gezegd te worden, dat de direkteur haar in 't oog hield, 
opdat zij niet in 't geheim, den ouden koewachter te hulp 
kwamen ? Maar toch kon hij niet beletten , dat hare oogen 
rusteloos ronddwaalden en alles verspiedden , wat er met den 
gevangene plaats greep? Zoo zagen zij den bastiaan zijne 
schreden naar den koffijzolder rigteu. Wat hij droeg konden 
zij niet gewaar worden. Maar zij twijfelden niet, of 't zou 
voedsel zijn voor den armen slaaf. Zij verheugden zich! 

De bastiaan trad den koffijzolder binnen, sprak geen woord, 
maar lei de haring op den vloer neder. 

De uitgehongerde neger viel er op aan, als een tijger op 
zijn prooi. Hij zette zijne tanden in de visch, en ofschoon 
het zout hem brandde op tong en verhemelte en keel, toch 
belette die prikkel hem niet, om het voedsel te verslinden, 
dat hem aangeboden was. 

Maar wie schetst den toestand van den man, die, na in 
tweemaal vier-en-twintig uren geen droppel water genuttigd 
te hebben, thans zijn honger op zulk een wijze had trachten 
te stillen? Wie schetst den gloed, die zijne brandende in- 
gewanden verteerde, wie den dorst, die hem folterde. Zijne 
smarten maakten hem wanhopend; zijn wanhoop voerde hem 
tot razernij. 

— //Water!" jammerde hij //water!" en als een waanzin- 
nige hinkte hij over den zolder, a Water!" schreeuwde en 
gilde hij door het dakvenster, maar niemand andwoordde 
hem. En zijne foltering werd heviger met ieder oogenblik; 
en al het bloed scheen zich in zijn hoofd te verzamelen; en 
zijne oogen puilden hem uit het hoofd; en zijn borst hijgde 



10 

yan benaauwdheid en angst — en altijd ziet hij dat water 
der rivier, hij hoort het bruischen, het trekt hem meteene 
onwederstaanbare kracht tot zich. Daar stort hij zich plot- 
seling uit het dakvenster naar beneden; hij valt op zijn 
hoofd ; men hoort den slag ; de bastiaan en de slaven , moe- 
der en dochter vooraan, snellen toe, en vinden een lijk! 

Deze gebeurtenis werd onlangs in een gezelschap te Pa- 
ramaribo verhaald door iemand, die eerst sedert weinige 
maanden in de kolonie aanwezig was en er niet lang meer 
zou vertoeven, maar die in dat korte tijdsbestek vele rivie- 
ren was opgevaren en onderscheiden plantages had bezocht. 

— //Mogen de bijzonderheden met levendige kleuren zijn 
geschetst, het feit kan, geloof ik, niet ontkend worden", 
zei de hij. 

— //En wat zou dat nu bewijzen?" vroeg een der aan- 
wezigen. 

— //Dat bewijst, hoe regtvaardig de vonnissen zijn, die de 
regters uitspreken, aan wie de wet daartoe de bevoegdheid 
geeft, en hoe men zich houdt aan de strafien die bij het re- 
glement zijn voorgeschreven. — Dat bewijst, hoe de slaven 
aan de willekeur van wreede meesters, dikwijls van onmen- 
schen en beulen, zijn overgegeven! Dat bewijst, wat gruwelen 
er op die ver afgelegen plantages, waar elke koutrole bijna 
onmogelijk is, dikwijls gepleegd worden! Dat bewijst...." 

— //Ho ! ho ! wat slaat gij door ! Dat bewijst niets van 
dit alles, 't Is eene uitzondering op den regel; en boven- 
dien is de direkteur er voor gestraft." 

— //Voor dit feit?" 

— //Yoor dit feit, zoowel als voor hetgeen er op volgde. 
Want gij weet nog niet alles. Omdat de oude slavin hem 
hare dochter volstrekt niet wilde afstaan, en het meisje hem 
met geweld wederstreefde, heeft hij het kind op eene schan- 



11 

delijke wijze mishandeld, die de kieschheid verbiedt te ver- 
halen." 

— //En wat was zijne straf?" 

— /^Hij is tot eene zware geldboete en gevangenisstraf 
veroordeeld." 

— //Geldboete en gevangenisstraf voor zulke gruwelen ! 
Maar in alle geval hij is gestraft! 't Verheugt mij; en toch 
houd ik mijne stelling vol. Of gelooft gij, dat niet meer 
dergelijke mishandelingen plaats grijpen, al worden zij, om 
hare mindere afschuwelijkheid, minder ruchtbaar? Gelooft 
gij, dat er onder hen, die het lot' der slaven, bijnazonder 
kontrole, in handen hebben, niet meer zulke gewetenlooze 
beulen gevonden worden? En wanneer zij hunne slaven 
willen mishandelen, dan kunnen zij het doen, zelfs binnen 
de grenzen der wet." 

— //Ik blijf er bij, dat het eene uitzondering is, en dat 
het reglement tegen dergelijke misbruiken waakt." 

De spreker had in zoo verre gelijk, dat het reglement 
dergelijke misbruiken verbiecU; maar een reglement kan niet 
//waken;'' er moet gewaakt worden, dat alles volgens' het 
reglement geschiedt; en op de vraag, of dit werkelijk het 
geval is? durven wij een ontkennend antwoord geven. Dat 
de straflen regtvaardig worden opgelegd, beveelt het regle- 
ment niet; het zal wel van de veronderstelling uitgaan, dat 
dit altoos geschiedt. Het wijst alleen de personen aan, die 
het regt hebben straften op te leggen, en welke de aard 
dier straffen is. En wanneer nu iemand die straffen dage- 
lijks op denzelfden slaaf wil toepassen, ja meermalen eiken 
dag, dan zou hij binnen het reglement blijven. En als hij 
dat deed om dezelfde of dergelijke redenen, die den meester 
van HERMAN dreven, dan zou de wet hem niet kunnen 
bereiken, want van de motiven hunner vonnissen behoeven 
deze regters geen verantwoording te geven. 



12 

In artikel 28 wordt de bevoegdheid der direkteurs, wat 
het straffen betreft, op de volgende wijze omschreven. //De 
straffen, welke de gezagvoerders op plantages of gronden 
vermogen op te leggen zijn de volgende : 

a. //Onthouding van sterken drank of melassi, ten hoogste 
voor veertien achtereenvolgende dagen. 

h. //Opsluiting gedurende veertien dagen , alleen des nachts 
of gedurende dag en nacht. 

c. //Het aanleggen van eene ligte kettingboei , gedurende 
ten langste veertien dagen, alleen des daags of gedurende 
dag en nacht. 

d. l/Slagen met de gewone zweep; aan mannen ten hoog- 
ste vijf-en-twintig; aan vrouwen vijftien; aan jongens, tus- 
schen de zestien en veertien jaren oud, ten hoogste vijftien; 
en aan meisjes van denzelfden ouderdom ten hoogste tien. 

//Over de jongere slaven, die den ouderdom van veertien 
jaren nog niet ten volle bereikt hebben, zullen de gezag- 
voerders eene vaderlijke tucht uitoefenen. 

//Zwangere vrouwen mogen in geen geval met slagen of 
met kettingboei gestraft worden. 

//Een slaaf weigerende de straf, hem door den gezagvoer- 
der opgelegd, aan te nemen, zal niet van het werk geweerd, 
maar daaraan gelaten worden; doch zal inmiddels van die 
zaak door den gezagvoerder aan den eigenaar of adminis- 
trateur kennis worden gegeven , die daarin zal voorzien , zoo 
als hij vermeenen zal te behooren. 

//Het wordt echter den gezagvoerder vrijgelaten, om, zulks 
noodzakelijk oordeelende, den weerspannige praeventief te 
doen opsluiten." 

De magt van den administrateur der plantage is veel 
grooter. Zij wordt in artikel 29 aldus geregeld. //De straf- 
fen, welke eigenaars of administrateurs vermogen op te leg- 
gen, zijn : 



13 

a. //Verwijdering of verbanning naar eene andere plantage 
of grond."" 

b. //Hoogstens het dubbel der straften in het vorige arti- 
kel vermeld." 

//Administrateuren mogen echter op de plantage of grond, 
welke zij zelve bewonen, of waarop zij tevens de funktien 
van gezagvoerder waarnemen, het maximum der strajQFen, 
aan gezagvoerders veroorloofd, niet overschrijden." 

Maar nog zwaarder straffen kunnen op de slaven worden 
toegepast. Het volgende artikel 30 schrijft daaromtrent 
voor: //Eigenaren of administrateuren , oordeelende, dat een 
slaaf, wegens ongehoorzaamheid, opzettelijken onwil in het 
werken of andere ongeregeldheden en vergrijpen, eene ern- 
stigere correctie verdient, dan waartoe zij bevoegd zijn, 
zullen daarvan aan den Procureur-Generaal, of, in de dis- 
trikten IMickerie, aan den Landdrost aldaar kennis geven, 
en zullen deze autoriteiten, na onderzoek en bevinding, 
dat de zaak zonder tusschenkomst des Regters huisselijk 
kan worden afgedaan, eene zwaardere straf mogen opleggen." 

//Wanneer het noodig geoordeeld wordt, de straf op de 
plantage, waartoe de strafschuldige behoort, of waarop het 
vergrijp is bedreven, ten uitvoer te leggen, zal zulks niet 
geschieden dan in tegenwoordigheid van den Procureur- 
Generaal, van den genoemden Landdrost of «van eenen Bur- 
ger-Officier." 

Volgens artikel 31 mogen blank-officieren in geen geval 
eenige straf opleggen. Slechts eene praeventive opsluiting is 
hun geoorloofd, bij afwezigheid of ontstentenis van den ge- 
zagvoerder of zijnen plaatsbekleeder. 

Het houden van strafregisters wordt in artikel 35 be- 
volen in deze bewoordingen : //De gezagvoerders zullen 
naauwkeurig, daartoe opzettelijk aan te leggen, registers hou- 
den van door hen opgelegde en uitgevoerde straff'en. Zij 



14 

zullen die straffen tevens in de maandstaten vermelden. Het 
een en ander op eene boete van / 10 tot ƒ 50. Eigenaren 
en administrateuren zullen zich zoo veel mogelijk vergewis- 
sen van de naauwkeurigheid van het strafregister, in over- 
eenstemming van hetzelve met de maandstaten." 

Eindelijk volgen nog drie artikelen, waarin straffen wor- 
den bedreigd tegen hen, die de bepalingen van het regle- 
ment omtrent het straffen der slaven overtreden. Zij zijn 
van den volgenden inhoud : 

Artikel 36. //Overschrijding der bevoegdheid tot straffen 
door dengene, die zich daaraan mogt schuldig maken, ver- 
valt in eene boete van / 100 tot ƒ 300. Wanneer de over- 
schrijding, door verzwarende omstandigheden, in mishan- 
deling mogt ontaard zijn, zal dit als feitelijk geweld aan- 
gemerkt en als zoodanig gestraft worden." 

Artikel 37. "Het straffen van slaven door anderen dan 
die daartoe de bevoegdheid hebben, of met andere straf- 
werktuigen, dan bij het Reglement is toegestaan, wordt 
beschouwd als feitelijk geweld." 

Artikel 38. //Door de strafbepalingen, in dit Reglement 
vervat, wordt niet gederogeerd aan de bevoegdheid des 
regters, om gezagvoerders, eigenaren of administrateurs van 
plantages, die hun gezag doorgaand misbruiken , ongeschikt 
te verklaren, om eenig opzigt over de slaven te voeren, en 
aan dezelven het gezag daarover te ontnemen." 

Ziedaar wat het reglement omtrent het straffen der slaven 
op de plantages voorschrijft. Is het noodig over het meer 
of min doeltreffende dezer voorschriften te redetwisten? 
Zou het tot iets leiden , ze te berispen of tegen aanvallen 
te verdedigen? In Paramaribo, onder de oogen van het be- 
stuur, hebben wel eens afwijkingen plaats, die onopgemerkt 
blijven, is de opvolging van het reglement misschien groo- 
ter zeldzaamheid dan de terzijdestelling. Hoe zal het dan 



15 

op de plantages zijn, waar gij veel vrijer zijt, waar geen vrees 
voor opspraak u behoeft terug te houden, waar de direkteur 
de rol van een pacha vervult en de administrateur die van 
een Aziatischen despoot? Hoe het er soms toegaat, hebt 
gij uit een enkel voorbeeld kunnen zien. En al zullen vele 
direkteuren zulke wreedheden ook ten strengste veroordee- 
len, toch zullen allen erkennen, dat de reglementaire straf- 
bepalingen, ofschoon bij een koninklijk besluit vastgesteld, 
op de plantages zachtkens worden ter zijde geschoven. 

— //Mijnheer," zullen zij u zeggen, //het reglement? 
Dat beteekent niets. Wij zouden er mooi mede zitten, 
wanneer wij de voorschriften van dat ding moesten opvol- 
gen. Er gebeurt zooveel, dat een paar zweepslagen minder 
of meerder weinig afdoet. Artikel 28 spreekt van vijf-en- 
twintig; maar, geloof mij, daarom stoort ook niemand zich 
er aan." 

In weerwil van alle reglementaire bepalingen en voor- 
schriften, in weerwil van alle verordeningen en wetten, is 
de magt van den direkteur der plantages onbeperkt; en 
vreesselijk is de wijze, waarop van die magt, bij gebrek aan 
een behoorlijk toezigt van regeringswege, nog dagelijks wordt 
gebruik gemaakt. 

Er zijn, die dit ontkennen, en dit trachten te bewijzen, 
door u aan te toonen, dat wel degelijk van artikel 30 wordt 
gebruik gemaakt; dat, wanneer slaven, volgens de meening 
van eigenaren of administrateuren, eene meer ernstige cor- 
rectie verdienen dan zij mogen toepassen, niet zij zelve 
daartoe overgaan, maar wel degelijk de tusschenkomst van 
den Procureur-Generaal wordt ingeroepen, gelijk dat artikel 
voorschrijft. Om dit te betoogen wijzen zij op het feit, dat 
onder de negers, die op het piket van justitie te Paramaribo 
worden afgestraft, zich een niet onaanzienlijk getal planta- 
ge-slaven bevindt. Het feit is niet te ontkennen. Maar gij 



16 

zoudt u bedriegen, als gij het als een bewijs wildet aanne- 
men, dat er op de plantages niet meer wordt geslagen dan 
geoorloofd is. 

De plantage-slaven, die op het piket van justitie worden 
gestraft, zijn: of negers, die zich in de stad over het be- 
stuur hunner plantage komen beklagen, en voor wie dat 
beklag zeer dikwijls zulk eene pijnlijke uitkomst heeft; 
of weggeloopen slaven, die na eenigen tijd terug komen en 
dan aan de administrateurs te Paramaribo worden opgezon- 
den; of negers, die, om de een of anderereden, regtstreeks 
weerspannig tegen de gezagvoerders zijn geweest; of slaven, 
die met matrozen-ponten en tentbooten in de stad komen en 
dan van eenig misdrijf, meestal het verkoopen van //kost" 
en koffij, beschuldigd worden; of eindelijk slaven van de 
om de stad liggende plantages, die men eens, door de af- 
gerigte bastiaans van het piket van justitie, volgens de re- 
gels der kunst, de huid wil laten openslaan. 

Maar dit aantal plantage-slaven, op die wijze op het piket 
van justitie afgestraft, is volstrekt geen bewijs, dat tevens 
op de plantages zelve niet meer wordt geslagen en geen har- 
dere straffen worden opgelegd, dan het reglement toelaat. 
Als gij die etablissementen bezoekt en met eenige belang- 
stelling op de negers let, dan zult gij al dadelijk toestem- 
men, dat er veel waarschijnlijkheid bestaat voor de gegrond- 
heid dezer beschuldiging. Immers van de tien slaven, die 
gij ziet, zijn er negen, die de diepe sporen van de zweep 
op hunne gestriemde en opengeslagen of van likteekenen 
doorploegde dijen met zich omdragen. Gij zult er onge- 
lukkigen ontwaren, die een zwaar houten blok, drie of vier 
voet lang, een kwart voet dik en drie vierde voet breed, 
met zich slepen, daaraan vastgeklonken door de noodige 
ijzeren beugels, ketens en sloten. En als gij vraagt, welke 
strafwerktuigen dit zijn, zal men u antwoorden: //dat is de 



17 

kettingboei, die wij, volgens het reglement, den slaven mo- 
gen aanleggen." 

De bastiaans, aan Avie op de plantages het beulenwerk is 
opgedragen, zijn ook zelven slaven. Zij brengen zonder 
eenig tegenstreven, gewillig en gaarne de slagen toe, die de 
meester goedvindt dat zijne negers zullen pijnigen, 't Ge- 
beurt bijna nooit, dat zij daarbij eenig mededoogen aan 
den dag leggen. Met de uiterste gestrengheid en wreedheid 
gaan zij te werk. In den regel ontbreekt hun zelfs de ge- 
ringste vonk van barmhartigheid, en niet zelden gebruiken 
zij de zweep uit eigen beweging en laten de slagen op de 
huid hunner medeslaven met alle kracht en bloedig snerpen, 
zonder daartoe bevel te ontvangen. 

Dat bevreemde u niet. 't Is een gewoon verschijnsel, 
dat de verdrukte op zijne beurt weder anderen verdrukt, 
zoodra de gelegenheid zich aanbiedt. Maar bovendien is 
hunne betrekking, in vergelijking van den toestand hunner 
lotgenooten, ben ij denswaard, en 't behoud van die betrek- 
king is afhankelijk van hunne gestrengheid. Zij worden 
voor de pligten, die zij in dien post te vervullen hebben, 
langzamerhand gevormd door al wat zij om zich zien, en 
de hardvochtigheid, die zij voor de vervulling daarvan in de 
eerste plaats noodig hebben, wordt gedurig gevoed door de 
aanmoediging, de opwekking en het voorbeeld van den mees- 
ter, die door allerlei vleijerijen hen van hunne broeders af- 
trekt en tot zijne belangen overhaalt. Aan hen wordt, bij 
de uitdeelingen, ten koste der overige slaven, de grootste 
hoeveelheid uitgereikt. Door kleine geschenken worden zij 
geprikkeld, om den arbeid niet alleen goed te bewaken, maar 
ook de arbeiders met klem aan te zetten en voort te drijven. 
Zij zijn daarbij verantwoordelijk voor al wat er gebeurt. 
Niet zelden wordt hun op suikerplantages eenvoudig gelast, 
om een zeker aantal vaten suiker tegen eenen bepaalden tijd 

II. f> 



18 

gereed te hebben. Dan zijn zij wel verpligt, met de uiter- 
ste gestrengheid te werk te gaan, willen zij zei ven niet de 
ongenade van den meester zich op den hals halen. 

En gelooft gij niet, dat persoonlijke genegenheid of af- 
keer, haat en wraakzucht, zinnelijkheid en wellust bij zulke 
menschen krachtige drijfveeren zijn? Dikwerf knelt de 
zweep op het ligchaam van eenen slaaf, alleen omdat hij 
den bastiaan mishaagt y al verrigt hij ook zijne taak met 
voorbeeldeloozen ijver. Dikwerf wordt het ligchaam eener 
slavin door zweepslagen misvormd, alléén omdat zij den 
bastiaan öehaagt, maar aan zijne aanzoeken geen gehoor wil 
geven. Zoo is de toepassing der straf niet alleen afhanke- 
lijk van de luimen van den direkteur of van 't goedvinden 
van den eigenaar en administrateur, maar ook van de harts- 
togten en driften van den bastiaan. 

Nimmer ziet gij deze handhavers niet der geregtigheid, 
maar der vrees en onderwerping, of zij zijn met een zweep 
gewapend, niet als een bloot teeken hunner waardigheid, 
maar als een instrument, dat zij geen oogenblik kunnen 
missen, dat zij altijd bij de hand moeten hebben, om, na 
de strengen te hebben losgemaakt, ze onmiddelijk op de 
Auv\e negers" te kunnen doen neerkomen. In Engeland 
heeft men, toen de slavernij in de koloniën nog bestond, 
te regt begrepen, dat zulk een voorwerp in de handen der 
bastiaans een zeer gevaarlijk werktuig was, waarvan een 
schromelijk misbruik kon worden gemaakt. Daarom was 
het in het slaven-reglement van Britsch Guyana verboden 
op straffe van eene maand gevangenis en y 500 boete, om 
de bastiaans, 't zij bij den arbeid 't zij elders, een zweep 
of ander strafwerktuig te doen dragen. Waarom heeft 
men den Minister van Koloniën daarop niet gewezen, 
en hem aangespoord, om dat voorbeeld in zijn reglement 
te volgen? 



19 

— //Och, mijnheer!" zoo luidt eene gewone verontschul- 
diging omtrent deze overschrijding van magt, die gij van 
plantage-direkteuren menigwerf verneemt; //'t is waar, het 
reglement stelt een maximum van vijf-en-twintig en vijftien 
zweepslagen; maar dat is tegen de aloude gewoonte. Sedert 
onheugelijke jaren is men gewoon, het getal dier zweepsla- 
gen tot zestig, zeventig, honderd en meer op te voeren. 
Weken we nu van dit door zijnen ouderdom geëikt en eer- 
waardig gebruik af, dan zouden de slaven niet meer weten 
hoe zij 't hadden. Zij zouden alle ontzag voor ons verliezen, 
want voor hem, die aan honderd zweepslagen gewoon is, zijn 
vijf en-twintig eene kleinigheid. Zij zouden spoedig de 
bastiaans uitlagchen, als zij de zweep ophieven, en er zou- 
den denkbeelden van eigenwaarde en gevoel van kracht in 
hen worden opgewekt, die de schromelijkste gevolgen kunnen 
na zich slepen." 

Antwoordt gij nu op deze redenering, dat gij 't eene on- 
gehoorde en ongeoorloofde wreedheid vindt, dan zal menu, 
op een zeer ligtzinnigen toon en met het onnoozelste ge- 
zigt der wereld, toevoegen : 

— //Och neen, mijnheer! Als gij de zaak op de keper 
beschouwt, hebben de negers bij de toepassing der aloude 
gewoonte nog voordeel. Indien, bij voorbeeld, een slaaf 
zijne taak niet goed heeft afgewerkt (en wanneer men streng 
wilde toezien, doen zij dat bijna nimmer), zou ik hem, vol- 
gens het reglement, eiken avond regelmatig vijf-en-twintig 
slagen kunnen laten toetellen, 't welk in de week honderd- 
vijftig bedraagt. Doe ik dat nu niet, maar reken ik ééns 
in de week, in plaats van eiken dag, met hem af; en laat 
ik hem er dan in eens zestig geven, dan zult gij moeten 
toegeven, dat hij er nog negentig bij wint, en de rekening 
dus zeer in zijn voordeel sluit." 

tiet reglement heeft deze overtredingen zijner voorschrif- 

2-^ 



20 

ten tracliten te beletten. Het heeft daar tegen een waarborg 
meenen te stellen in artikel 35. De Minister verkeerde in 
de hoop, dat de volgende bepaling eene behoorlijke en 
krachtige kontrole over het straflen der plantage-slaven zou 
ten gevolge hebben : //De gezagvoerders zullen naauwkeurig, 
daartoe opzettelijk aan te leggen, registers houden van door 
hen opgelegde en uitgevoerde straffen. Zij zullen die straflen 
tevens in de maandstaten vermelden, op|eene boete van ƒ 10 
tot y 50. Eigenaren en administrateuren zullen zich zoo 
veel mogelijk vergewissen van de naauwkeurigheid van het 
strafregister, in overeenstemming van hetzelve met de maand- 
staten." 

Ziedaar de kontrole! De straflen moeten in //daartoe op- 
zettelijk aan te leggen" registers worden opgeteekend! Nu, 
gij kunt er van verzekerd wezen, dat er nog nooit in is 
aangeteekend, dat er meer dan vijf-en -twintig slagen zijn 
uitgedeeld. En toch is het de schuld niet der direkteurs, 
wanneer die opteekening niet juist mogt zijn. Dan is het 
eenvoudio; eene verg-issinor. Een enkel voorbeeld zal het 
u duidelijk maken. 

't Is in den vroegen morgen. De zon is even boven de 
kimmen. De direkteur verschijnt buiten en de bastiaans 
brengen hem 't berigt der werkzaamheden van den vorigen 
dag. Het blijkt, dat de neger ca jus zijn werk niet heeft 
afgewerkt, en dat blijkt uit de verklaring van den bastiaan. 

— //Dan moet ca jus zweepslagen hebben," is het ant- 
woord van den direkteur. 

CAjus wordt gehaald. De bastiaan laat een zweepslag 
op zijne dijen knellen. 

— Een!" zegt de direkteur, maar op hetzelfde oogenblik 
wordt hem zijne kofiBj gebragt. Die bezigheid doet hem 
voor een oogenblik de taak vergeten, waarmede hij juist 
bezig was. Nu dat gebeurt iedereen wei eens. En terwijl 



21 

Jiij den kop koffij aanneemt, en de suiker erin doet, enden 
dampenden drank door blazen verkoelt, gaat de bastiaan voort 
met de uitoefening van zijn ambt, zonder dat de direkteur 
er op let. Eindelijk is de koffij genoeg bekoeld, om ge- 
dronken te worden, en nadat hij de eerste teug heeft ge- 
nuttigd, zegt hij : 

— //Twee!" Had hij echter die verstrooijing niet gehad, 
en naauwkeuriger opgelet, dan had hij zeker //twaalf' ge- 
zegd — maar is dat nu zijne schuld? 

— //Drie!" telt hij, na weder een teug genomen te heb- 
ben, die toevallig maakte, dat de bastiaan hem weder een 
slag vooruit was. En op die wijze telt hij voort tot 

— //Vijf-en-twintig! Zoo is 't genoeg, bastiaan! Gij 
weet, ik geef er nimmer meer dan vijf-en-twintig." En hij 
teekent dat getal op in het register. 

Nog een ander voorbeeld. 

De direkteur komt in den suikermolen en verneemt, dat 
de slaaf pieïer //brutaal" is geweest. 

//Kom aan, bastiaan! Een pak voor dien brutalen hond !" 
beveelt de direkteur. Maar op het oogenblik, dat de bas- 
tiaan de strengen der zweep los maakt, wordt toevallig 
zijne tegenwoordigheid buiten vereischt. Terwijl hij zich 
verwijdert, begint de bastiaan, zonder dat hij het natuur- 
lijk vermoedt, de strafoefening. Waart gij even buiten 
den molen, gij zoudt het wel hooren, want de slagen knallen 
als geweerschoten; maar gij weet wat de gewoonte doet, de 
direkteur hoort er niets van. Nadat er zeker veertig slagen 
gevallen zijn, treedt hij weder binnen, en bij den eersten 
slag, dien daarna de bastiaan geeft, telt hij //een". Nu telt 
hij geregeld door, zonder dat zijne aandacht verder wordt 
afgetrokken. 

— //Twintig!" zegt hij eindelijk. //Hou op bastiaan! 
Wij willen hopen, dat dit van goede uitwerking zal wezen; 



22 

anders zullen wij een volgende keer tot vijf-en-twintig moC'* 
ten gaan." 

En hiermede is de zaak afgeloopen, en in het register 
wordt geboekt : //de neger pieter twintig zweepslagen we- 
gens brutaliteit", en de direkteur heeft zijn register zoo 
goed in orde, dat ieder er een voorbeeld aan mag nemen! 



II. 



HET DAGBOEK YAN ÏM REIZIGER. 



Hieronder volgen de aanteekeningen van een Nederlander, 
die een jaar lang in de kolonie Suriname heeft gewoond. 
Hij heeft er veel gereisd. Men hoort dikwijls verdedigers 
der slavernij aan hen, die van mishandelingen en gruwelen 
in Suriname spreken, het verwijt toevoegen, dat zij die ge- 
zien hebben, omdat zij ze wilden zien. Dat is niet op hem 
toepasselijk. Zonder eenige vooringenomenheid, heeft hij 
aanschouwd en gehoord en opgeteekend, wat. hij vernam. 
Over het straffen op de plantages is het volgende in zijn 
dagboek te lezen. 



Kort na mijne komst in de kolonie Suriname, in het jaar 
1852, woonde ik eene jagtpartij bij op het strand bij Braams- 
punt. Toen zij was afgeloopen, keerde ik met eene tent- 
boot naar Paramaribo terug. Maar dewijl het tij verander- 
de, stopte ik bij de eerste de beste suikerplantage, waar ik 
aankwam, om er het volgende gunstige getij af te wachten. 



24 

Gedurende den tijd, dat ik op dit eflekt vertoefde, wan- 
delde ik, daar de direkteur afwezig was, eens rond en kwam 
ook in de fabriek, waar op dat oogenblik niet gemalen werd , 
en men bezig was met liet repareren van 't een en ander. 
Ik bleef er zeker niet langer dan vijf minuten; maar in die 
vijf minuten zag ik de op eigen gezag opgeheven zweep 
van den bastiaan meer dan dertig malen ^ met de uiterste 
krachtsinspanning, kletsend nederkomen op het ligchaam 
eener jeugdige slavin. 

De tweede plantage, welke ik, eenige weken later, be- 
zocht, was weder een suiker-efiekt. Ik bleef er anderhalven 
dag. In al dien tijd zag ik ééns de zweep los maken, 
maar niet slaan. Het bleef bij eene bedreiging. Bij mijn 
vertrek herinnerde de direkteur, met wien ik veel over de 
slaven gesproken had, mij deze omstandigheid, en voerde 
ze aan als een bewijs voor de goede behandeling, die zijne 
negers onder zijn bestuur ondervonden. 

In den loop der maand November 1852 kwam ik toe- 
vallig op eene koffij -plantage. Er waren meer gasten, want 
het is de gewoonte van vele aanzienlijke ingezetenen van 
Paramaribo, om nu en dan eens eenigen tijd in het bin- 
nenland door te brengen. Reeds was de avond gevallen, 
toen de gezagvoerder met mij naar de koffij -loods wandelde, 
om te zien, hoe de slaven de koffij binnenbragten, welke 
dien dag geplukt was. Nog waren er geene, maar onder- 
scheiden //merktobben" stonden gereed, om er de koffij, 
die ieder oogenblik verwacht werd, in uit te storten. Ein- 
delijk kwam een slaaf en kort daarna nog een, en achter- 
eenvolgend de anderen. Er waren mannen en vrouwen, 
jongen en ouden onder, en zoo wel kleurlingen als zwarten. 
Zij droegen den oogst, dien zij dien dag geplukt hadden, 
plaatsten dien voor zich en wachtten daarna zwijgende, tot 
jneu het resultaat van hunnen arbeid zou hebben onderzocht. 



25 

Toen allen binnen gekomen waren, gingen de bastiaans, als 
altijd met hunne zweepen gewapend, rond en namen de hoe- 
veelheid op, die ieder had geplukt. Ook wij volgden hen en 
wierpen onze blikken op de verschillende //merktobben." 
In een paar was iets minder dan in de overigen. Buiten- 
gewoon in het oogvallend was het verschil echter niet, want 
de direkteur maakte er mij opmerkzaam op, en toen eerst 
zag ik het. 

Nu wendde zich een der bastiaans tot eene slavin en riep 
haar bij haren naam : 

— //josina!" 

Het meisje, dat jong en schoon was, zeer regelmatige 
gelaatstrekken en eene, van gemengd bloed getuigende, 
kleur had, scheen zich niet te haasten aan die oproeping 
gehoor te geven. Zij bleef op hare plaats, naar het scheen 
bezig, om de door haar geplukte kofiBj nog wat te rang- 
schikken. 

— //JOSINA !" klonk het op nieuw. 

Ofschoon ik toen reeds wist, dat men op de plantages, 
bij de geringste aanleiding, de zweep losmaakt, begreep ik 
toch volstrekt niet, wat hier zou plaats grijpen. Nieuws- 
gierig zag ik dan ook uit naar 't geen op deze met luider 
stem herhaalde oproeping van den zwarten gespierden bas- 
tiaan zou volgen. Maar de gezagvoerder, die met mij in 
gesprek was, verwijderde zich en, hoe ongaarne ook, ik was 
wel genoodzaakt hem te begeleiden. De beleefdheid ge- 
bood dit. 

Naauwelijks waren wij eenige, passen voortgegaan, toen 
reeds het knallen eener zweep met een slag als van een pi- 
stoolschot mijn oor trof, waarop meerdere slagen volgden. 
Nog was ik in de veronderstelling, dat men slechts vrees 
wilde aanjagen, en dat men de zweep liet hooren, om tot 
meer ijver aan te moedigen, toen een gesmoord angstgegil 



26 

zich, tusschen de slagen in, liet hooreii. Ik kon een 
gevoel van schrik en verbazing niet onderdrukken, en 
vroeg : 

— /rMijn God, wat is dit?" 

— /fOchl dat is niets!" was het antwoord. //De bas- 
tiaans gaan waarschijnlijk een paar meiden, die te weinig 
kofBj hebben te huis gebragt, een behoorlijk pak geven. 
Misschien moet nog wel de een of ander luijaard afgeran- 
seld worden. Zonder de zweep kan men dat volk niet 
regeren". 

Zoo kwamen dan die knallende zweepslagen wel degelijk 
op de huid eener slavin neder. Toen wij bij het woonhuis 
kwamen, had ik er reeds tachtig geteld. 

Alles scheen echter eene zeer gewone zaak te zijn. Een 
groot gezelschap van logeergasten zat er thee te drinken, 
maar niemand trok zich het lijden zijner natuurgenooten 
aan. Zelfs eene lieve jonge dame, die zich onder hen be- 
vond, was er even onverschillig voor als al de overigen. 
Ja, ik had het ongeluk het voorwerp te worden harer 
spotternij. 

— //Hoe zijt gij zoo bleek?" vroeg zij mij. En inder- 
daad zij had waarschijnlijk gelijk, want mijne zenuwen wa- 
ren tegen 't geen hier voorviel niet bestand. 

— //Hoe kunt gij 't vragen, lieve dame?" was mijn 
antwoord. 

— //Om die slaven, die eene teregtwijzing ontvangen? 
Nu, men kan wel zien, dat gij nog niet lang hier zijt." 

— //'t Is zonderling," liet een jong heer zich hooren, 
//dat allen, die hier pas komen, zoo teergevoelig zijn. Als 
zij hier maar eerst eenige maanden geweest zijn, dan wor- 
den zij wel wijzer." 

— //Dan leeren de menschen de zaak beter inzien ," zeide 
een ambtenaar van Paramaribo met groote deftigheid. //Dan 



27 

vestigt zich bij hen de overtuiging, dat in deze kolonie 
voortreffelijk voor de slaven wordt gezorgd, maar dat de 
zweep voor hen even noodzakelijk is, als de regen voor de 
koflij en het voedsel voor de meuschen." 

Onder dit gesprek dronk ik een paar kopjes thee; toen 
werd het mij te benaauwd, misschien minder door de warmte 
van den dampkring dan door dat gesprek. Maar hoe 
ontroerde ik, toen ik weder buiten kwam. Zeker was 
ik vier of vijf minuten binnen geweest, en nog altijd 
hoorde ik de zweep regelmatig knallen. Ik wandelde hier 
op en neder, en nog wel vier of vijf minuten lang drong 
dat afschuwelijk geluid mij in de ooren. Toen hield het 
geregeld slaan langzamerhand op, ofschoon, zeker nog wel 
gedurende twintig minuten, enkele slagen, die met grooter 
of kleiner tusschenpoozen gegeven werden, mijne ooren — 
neen, mijne ziel — pijnigden. 

Voor mij was het genoegen van dien avond vergald. 
Mijne huisgenooten praatten, lachten, vermaakten zich; 
voor mij was hetgeen ik had bijgewoond zoo nieuw, zoo 
vreemd, zoo afschuwelijk, dat het mij onophoudelijk voor 
de verbeelding stond. Zelfs de slaap kon ik niet vatten. 
Den ganschen nacht droomde en tobde ik over deze //af- 
straffing." Ik berekende, dat er tusschen de vier- en vijf- 
honderd slagen gevallen waren. Dit getal vergelijkende met 
de bepaling van het reglement, die aan mannen niet meer 
dan vijf-en-twintig en aan vrouwen niet meer dan vijftien 
zweepslagen veroorlooft, kwam ik tot de slotsom, dat wel 
twintig personen in deze gruwelijke pijniging moesten ge- 
deeld hebben. Toch begreep ik al dadelijk, dat er inbreuk 
op het reglement was gemaakt; want dat staat alleen aan 
administrateurs en direkteurs het straffen toe, verbiedt het 
zelfs aan den blank-officier; en hier had ik zeer. goed ge- 
zien, dat de bastiaans op eigen gezag en zonder bevel van 



28 

den direkteur, ofschoon dan ook met zijne toelating en goed- 
keuring, gehandeld hadden. 

Den volgenden morgen was ik reeds vroegtijdig op, en 
wandelde in den omtrek van het huis. Ik zocht den blank- 
officier op, en vroeg hem : 

— //Hoe veel slaven zijn er gisteren avond wel afge- 
straft?" 

Maar hoe verbaasd was ik, toen ik ten antwoord ontving : 

— //Drie vrouwen en één man, mijnheer!" 

— //Slechts drie vrouwen en één man? en ik heb wel 
vier-honderd slagen geteld? 

— //Dat zal wel zoo wezen, mijnheer!" 

— //En is dat geoorloofd?" 

— //Och, wat zal ik u zeggen? Het reglement spreekt 
van vijf-en-twintig slagen. Nu wij tellen dan ook niet ver- 
der, als wij tot vijf-en-twintig gekomen zijn. Maar wij 
slaan door tot de beesten hun pak beet hebben." 

— //Ieder dezer ongelukkigen heeft dus honderd zweep- 
slagen op zijn ligchaam voelen snerpen!" 

— //Ja, dat komt uit, als gij vier-honderd geteld hebt." 

— //En wat was hunne misdaad?" 

• — //De neger, die geranseld is, had het dubbel en dwars 
verdiend, 't Is een brutale kerel. Hij was gisteren op den 
kostgrond werkzaam; hij moest bananen naar huis brengen. 
Maar hij is lui geweest, en heeft bovendien de bastiaans 
bedrogen. Niet alleen heeft hij het bepaalde getal bananen 
niet binnen gebragt; maar den bastiaau, die op den kost- 
grond opzigt had, maakte hij wijs, dat hij de bananen reeds 
naar huis had gebragt, en aan den bastiaan, die bij huisde 
wacht hield, zeide hij, dat hij er niet meer brengen kon, 
omdat er nog niet meer geoogst waren." 

— //En wat hebben de vrouwen misdreven?" 

— //Dat was eigenlijk maar voor blinti-blinti" (dat wil 



29 

in de kreolen-taal zeggen //voor het oog"). /^Dat was meer 
om de anderen aan te moedigen, niet zoozeer omdat zij de 
straf verdiend hadden. Zij hadden niet zoo veel kofBj te 
huis gebragt als de overigen; 't scheelde wel weinig, maar 
't is dan toch altijd goed, de achterblijvers zulk eene ver- 
maning te geven; anders volgen de overigen al spoedig hun 
voorbeeld, en zoo zou het al minder en minder worden". 

Wel had de blank-officier gelijk. Er was geen de minste 
billijke reden tot deze gruwelijke mishandeling van drie 
weerlooze vrouwen. Geen zweem van onderzoek naar de 
reden, waarom zij minder dan de anderen te huis bragten, 
had vooraf plaats gegrepen. En toch had zulk een onder- 
zoek waarschijnlijk zeer geldige verontschuldigingen aan 't 
licht gebragt; want de eigenaar zelf verklaarde mij later, 
dat de koffij-oogst zeer was tegengevallen. 

Maar bovendien luidt § rr van art. 13 van het reglement 
aldus : //Het plukken (van de koffij) is kompagnieswerk." Dat 
wil zeggen, dat er geene taak mag worden opgegeven, en 
de negers dus geene bepaalde hoeveelheid behoeven te huis 
te brengen. 

En nu vraag ik : veronderstel, dat inderdaad de drie 
vrouwen niet zeer vlijtig waren geweest; veronderstel, dat 
de slaaf zich aan den hem verweten onwil had schuldig 
gemaakt, staan deze overtredingen in eenige verhouding tot 
de bloedige zweepslagen? De neger brulde van pijn, naar 
de blank-officier mij verhaalde, en was de zweep gedurig 
■ ontsprongen en ontvlugt. Maar de bastiaans kenden hun 
ambacht; zij wisten hem toch gedurig te' raken. Daaraan 
waren de tusschenpozen en de onregelmatige slagen toe te 
schrijven, die ik op het laatst der strafoefeni ng gehoord had. 

In de maand Januarij 1853 bragt ik ongeveer drie weken 
in de boven-Cottica door. Op mijne reis derwaarts stapte 
ik het eerst op een post, dien ik echter niet nader zal aan- 



tl 
30 

duiden, omdat ik zoo veel mogelijk personen wil sparen en 
alleen feiten verhaal, opdat men in Nederland den waar- 
achtigen toestand der slavernij in Suriname mag leeren 
kennen. 

Uit het vaartuig stappende, 'twelk mij over had gevoerd, 
was het eerste dat mijne oogen trof een onder-officier, die 
gereed stond, om een jong meisje met een teertouw te slaan. 
't Was de meester en zijne slavin. Zij was eene zestienjarige 
mestiezin, even blank als haar heer. Zij had zijn drift en 
toorn opgewekt, omdat zij, met al het huiswerk belast, voor 
een oogenblik de kinderen, die almede aan hare zorg waren 
toevertrouwd, om andere bezigheden te verrigten, alleen had 
gelaten. Nimmer zag ik een voorwerp, dat dieper sporen 
van smart en lijden vertoonde en op 't gelaat, in de hou- 
ding en in geheel het voorkomen zoo veel stille wanhoop en 
vertwijfeling uitdrukte. Zij scheen gebukt, neergedrukt, 
vernietigd onder 't juk, dat zij droeg en hare ziel scheen 
gebroken. Ook nu weder boog zij zich gedwee en onder- 
worpen voor de kastijding, die zij op het punt stond te 
ontvangen. 

Mijne komst gaf eenig uitstel aan de strafoefening. Haar 
meester verwelkomde ons en liet haar voor een oogenblik 
staan. Maar 't was niet meer dan een uitstel. Naauwelijks 
had de onder-officier mij mijne kamer aangewezen en mij 
derwaarts gebragt, naauwelijks was ik bezig mij daarin op 
mijn gemak te stellen, of ik hoorde de slagen, die op het 
arme kind nedervielen en de bange zuchten en gesmoorde 
kreten, die haar door de pijn werden afgeperst. 

Gedurende mijn kort verblijf had ik gelegenheid, dit be- 
klagenswaardige schepsel meer van nabij gade te slaan. Zij 
was het eigendom van een Israëliet in Paramaribo en aan 
de lieden, waar ik haar aantrof, verhuurd. Haar vader en 
grootvader, die zij echter nimmer gekend en die haar noch 



31 

hare moeder immer erkend hadden, waren blanken, gelijk 
hare kleur bewees. Ik bleef slechts eenen nacht, maar ik 
had gelegenheid genoeg, om eene reden te vinden voor de 
uiterlijke teekenen van moedeloosheid, bijna aan idiotisme 
grenzende, die ik in haar opmerkte. Hare verwarde en zonder 
eenige, anders aan haren leeftijd zoo eigen, zorg opgemaakte 
haren , haar vermagerd ligchaam, hare uitgeteerde leden , de dofie 
en schroomvallige blik van hare helder blaauwe, van hare 
Europesche afkomst getuigende, oogen, haar vuil en ge- 
scheurd //pantje", de verwarring en de angstige gejaagdheid, 
waarmede zij de bitse en stroeve bevelen harer meesteresse 
ontving en die oorzaak waren, dat zij zich in de uitvoering 
dikwijls vergiste en gedurige verwijten en nieuwe straffen 
op den hals haalde — dat alles vestigde bij mij het ver- 
moeden, dat dit jonge meisje het slagtoffer was van aan- 
houdende mishandelino-en. 

En ik bedroog mij niet. De soldaten van den post, hoe 
ongevoelig en ruw ook van aard, hadden toch mededoogen 
met het ongelukkige kind, en verklaarden mij, dat er geen 
dag voorbijging, waarop zij niet werd geslagen of door den 
onder-officier of door zijne vrouw of door beiden. Twee 
officieren, die ik later te Paramaribo ontmoette, en die hier 
ook op verschillende tijden eenige dagen hadden doorge- 
bragt, waren mede getuigen geweest van het lijden van het 
arme meisje. Beiden hadden haar zien //afstraffen", en bij 
de komst van één hunner had zij, ofschoon zestien-jaren 
oud, bijna geheel naakt door het huis geloopen, terwijl heure 
haren, als een gevolg van ontvangen slagen, aan elkander 
kleefden van geronnen bloed. 

Toen ik den volgenden dag vertrok, gaf ik haar eene 
kleinigheid. Met bevreemding staarde zij mij aan; ik moest 
het haar duidelijk maken, dat het voor haar was; aan zoo 
iets was zij niet gewoon. Drie weken later op dezen post 



32 

terugkomende, genoot ik de voldoening te zien, dat zij mij 
niet vergeten had, en dat mijne geringe gift een gevoel bij 
haar had opgewekt, dat haar evenzeer vereerde als het een 
bewijs was , dat de mishandelingen haar nog niet geheel 
verdierlijkt hadden. Met een pijnlijken glimlach, die haar 
om de lippen speelde, ontving zij mij en betuigde zij mij 
hare dankbaarheid. Als ik aan haar denk, gevoel ik nog 
een innig mededoogen met het arme meisje. Ik kan haar 
niet helpen — moge God zich harer ontfermen! 

Bij het opkomen van den vloed zette ik mijne reis verder 
voort, en eerst 's avonds laat kwam ik op eene volgende 
plantage. Gastvrij, gelijk overal in Suriname, werd mij eene 
kamer aangeboden; en de vermoeijenissen der reis deden mij 
spoedig inslapen. Maar reeds ten vier ure des morgens 
ontwaakte ik. De reveille der slaven, die toen al geslagen 
werd, had mij gewekt. Even na het aanbreken van den 
dag kwam ik beneden. Ik groette den direkteur, mijn 
vriendelijken gastheer; maar naauwelijks had ik mij neer- 
gezet, of het eerste, dat mijne ooren trof, was het knallen 
eener zweep, en het eerste, dat ik ^' zag, eene slavin, die 
vlugtende door een der bastiaans met zweepslagen om het 
huis werd gedreven. Kort daarna werden een slaaf en eene 
slavin, die verklaarden ziek te zijn, voor den direkteur ge- 
bragt. Het regende harde woorden en vervloekingen en 
scheldwoorden. 

— //Ziek? Wat ziek? Luije beesten zijt gij. Uw werk 
wilt gij ontduiken. Bastiaan zet ze aan den arbeid, en als 
zij niet vlijtig hun pligt doen, dien hun dan maar een 
dressi toe". 

Daarmede werden zij weggezonden. Eenige oogenblikken 
later vond ik den slaaf, krimpende van buikpijn, op den 
grond liggen. 

Dien zelfden morgen vertrok ik, en stopte bij eene vol- 



33 

gende plantage, om er het opkomen van den vloed af te wachten. 
Niets merkte ik er op, dat van wreedheid of mishandeling 
getuigde, 't Was een suikereffekt, dat met stoom werkte. 
Reparaties aan de machineriën waren oorzaak, dat de gan- 
sche slavenraagt op het veld werkzaam was. Over 't alge- 
meen hadden de negers dezer plantage, eene der grootsten 
van de kolonie, een goed voorkomen. Het aanzienlijk getal 
kinderen, dat ik er zag en de meerdere geboorten dan de sterf- 
gevallen pleitten voor eene goede behandeling. Reeds ten 
vier ure in den namiddag kwamen de slaven van hunnen 
arbeid te huis. Hunne woningen waren in veel beter toe- 
stand, dan men gewoonlijk op de plantages aantreft, eneene 
menigte pluimvee, het eigendom der slaven, liep hier bij 
die woningen rond. 

Van dit effekt vertrekkende, bereikte ik weldra het doel 
mijner reis. Daar zijnde, maakte ik nu en dan uitstapjes 
naar de omliggende plantages. Zoo bezocht ik eens eene 
katoen-plantage, waar ik, tegen 't vallen van den avond buiten 
zittende, uit het ziekenhuis een aanhoudend gekerm vernam. 
Toevallig kwam de blank-officier voorbij. Ik riep hem, 
en vroeg hem, of er zulke zware zieken waren. 

— //Dat juist niet, mijnheer," was het antwoord. //Maar 
de andere blank-officier, wij zijn hier met ons tweeën, 
speelt tevens de rol van geneesheer; want gij moet weten, 
dat hij vroeger als ziekevader aan boord van een oorlogschip 
heeft gediend, en er dus vrij wat van weet. Zoo even heeft 
hij een zijner patiënten een dressi toegediend, 't Is een 
jongen, die lang aan dysenterie had gelegen, welke einde- 
lijk in //grondvreterij" is overgegaan. Nu zijn zulke grond- 
vreters onverzadigbaar. En zoo heeft ook die jongen dezen 
morgen bananen gestolen en zich daarin te goed gedaan. 
Zijn doktor is hem daarom met een eind touw op de huid 
geweest. Anders niet !" 

II. 3 



34 

Na eeiiige dagen nam ik de terugreis naar Paramaribo 
weder aan. Op de plantage, waar ik, veertien dagen vroe- 
ger, den bastiaan eene vrouw met zweepslagen om het woon- 
huis had zien drijven, wachtte mij nu ook weder een der- 
gelijk tooneel. Er had juist uitdeeling van bananen plaats. 
Een meisje van hoogstens veertien jaren haalde zich den 
toorn van denzelfden bastiaan op den hals, omdat zij het 
waagde haar eigen rantsoen weg te nemen , voor dat de bas- 
tiaan het zijne had. Woedend gaf deze haar een slag met 
de zweep. Het meisje nam de vlugt. De bastiaan haar na. 
En 't zou ongetwijfeld slagen geregend hebben, indien de 
direkteur niet gezien had, dat dit voorval mijn wrevel op- 
wekte en ik mij verontwaardigd verwijderde. Toen kwam 
hij tusschen beide. En toch hoorde ik den bastiaan tot 
het weenende meisje zeggen : 

— //Mie sa wiepie yoe töe!" (Ik zal u toch wel vinden!) 

Mijne terugreis verder voortzettende, bevond ik mij den 
volgenden dag weder op eene andere plantage om er het getij 
af te wachten. Met eenen gids wandelde ik van daar naar 
een naburig effekt. Langs het pad, dat hier de verschil- 
lende plantages in de nabuurschap met elkander verbindt, 
loopt een sloot. Toen wij in de nabijheid van een dier ef- 
fekten kwamen , zagen wij een slaaf op die sloot toeschieten 
en zich aan den kant van het water nederzetten. Hem na- 
derende zagen wij, dat hij bezig was zijne dijen te bevoch- 
tigen, en hoorden wij hem van pijn kermen en klagen. 
Hoe jammerlijk waren die ligchaamsdeelen van den armen 
man, die van ouderdom reeds gekromd was, gewond en 
gehavend! Dik gezwollen door duidelijk zigtbare striemen, 
schenen zij van boven tot beneden, met een minstens een 
duim dik touw omwonden; dat waren de indrukselen van 
het foltertuig, waaronder de slaaf zoo even geleden had. 



^ 



35 

Ziedaar wat ik, zonder het juist te zoeken, op een togt 
in de boven Cottica gezien heb, die een week of drie duur- 
de. Alles wat ik heb medegedeeld was niet het gevolg van 
een opzettelijk onderzoek, maar van het bloote toeval, dat 
het mij onder de oogen bragt. Men kan er uit afleiden , hoe 
veel meer in dat tijdsverloop in dezen omtrek zal gestraft 
zijn, hoeveel zweepslagen er dagelijks op de ligchamen der 
plantage-slaven vallen. 

Eenigen tijd later maakte ik een uitstapje naar een ander 
gedeelte der kolonie. Op een der plantages, waar ik aan- 
kwam, vond ik een vriend, die daar sedert een paar dagen 
logeerde. Ook ik bleef er mij wat ophouden, en gezamen- 
lijk ondernamen wij van daar uit kleine togten naar naburige 
eflekten. 

Zoo hadden wij op zekeren dag in den vroegen morgen 
de woning, die ons gastvrij had opgenomen, verlaten en 
liepen wij door het veld, vergezeld van eenen jongen slaaf 
van zestien of zeventienjarigen ouderdom, pierrot was 
zijn naam. De vlugge, ijverige en nette knaap was het ei- 
gendom eener naburige plantage, maar door den direkteur 
van dat effekt, een oude kennis van mijnen vriend, tot zijne 
bediening tijdelijk afgestaan. 

Wij liepen langs het zeestrand en pierrot vermaakte ons 
met allerlei verhalen en grappen. Gelijk gewoonlijk had ik 
een geweer bij mij, en schoot ik een vogel, die echter neer- 
vallende in het water te regt kwam. Onmiddellijk wierp 
PIERROT zijne kleederen van zich, sprong in het water, 
haalde den vogel en bragt hem ons, alles in een oogenblik 
en vlug, trots den besten jagthond. Maar onwillekeurig viel 
mijn blik op zijne dijen. Wel trachtte hij zich zoo te wenden 
en te keeren , dat zij ons niet in 't oog vielen , maar toch zag 
ik, dat zij overdekt waren met half genezen zweepstriemen. 

3* 



36 

— //Zoo, PIERROT," zeide ik, //'t schijnt dat men u ook 
beet heeft gehad. Uwe dijen zien er alles behalve bevallig 
uit. Nu, gij zult het er wel naar gemaakt hebben." 

— //Ach, Mijnheer!" zeide de jongen met een diepe zucht, 
//spreek daar, bid ik u, niet over." En hij zeide dit zoo 
ernstig en gemoedelijk, dat ik er een gewetenszaak van 
maakte, dit onderwerp nog verder aan te roeren. Maar te 
huis komende deed ik er onderzoek naar, en zie hier wat 
ik vernam. 

Naast het efl'ekt, waartoe pierrot behoorde, lag eene 
andere plantage, die eene aanzienlijke slavenmagt bezat. 
Onder die slaven was een jong, schoon meisje van een zeer 
jeugdigen leeftijd, dat de aandacht van een der bastiaans 
tot zich had getrokken en door hem gedwongen was, zijne 
bijzit te worden. Vrees was het eenige gevoel, dat haar 
tot dien ouden, terugstootenden en norschen neger had 
gebragt, en niets anders dan vrees wist hij haar in te boe- 
zemen. 

PIERROT kwam nu en dan op dat effekt, om boodschap- 
pen aan den direkteur van zijn eigen meester over te bren- 
gen. Bij eene dier gelegenheden zag hij het meisje. Eenige 
vriendelijke woorden werden gewisseld. Reeds den volgen- 
den dag was hij er weder, en zonderling moge het zijn, 
maar 't scheen, dat sedert dit oogenblik zijn meester veel 
meer boodschappen voor den direkteur dezer plantage had 
dan vroeger; althans de boodschaplooper kwam er dagelijks, 
en toevallig ontmoette hij bijna altijd hetzelfde meisje, 't Kon 
niet missen, die ontmoetingen eindigden in een minnehan- 
del, en de jongelieden wisten gedurende eenigen tijd hun 
verboden liefde aan aller oogen te onttrekken. 

Maar op zekeren dag bragt de direkteur der plantage, 
waartoe pierrot behoorde, aan zijnen buurman een bezoek. 
Beiden zaten te zamen een glas grog te drinken, toen 



37 

plotseling de oude bastiaan, in hevige woede ontstoken, 
zich aanmeldde. 

— //Masra," zeide hij , //er is een schelmstuk gepleegd.*' 

— //Zoo waarlijk ! en wat is dat dan?" 

— //Mijne vrouw is mij ontrouw geworden." 

— //Uwe vrouw? ik wist niet, dat gij er een had. 

— //Ja wel, Masra, de slavin juno." 

— //Dat jonge ding? En wie heeft u dan bedrogen?" 

— //Een slaaf van de naburige plantage, pierrot, die 
hier dikwijls komt boodschappen doen." 

— //PIERROT?" vroeg de direkteur der naburige plantage 
met verbazing en klimmenden toorn, //pierrot? die schelm- 
sche jongen?" 

De beide direkteuren beschouwden het als eene zeer ern- 
stige zaak, als een geval van bedenkelijke gevolgen, indien 
het niet exemplaar werd gestraft. Eene slavin, die de eer 
heeft tot bijzit van eeuen bastiaan verheven te worden ! Een 
slaaf, die de oogen tot de vrouw van eenen bastiaan durft 
opslaan! Dat strijdt tegen alle regelen der ondergeschikt- 
heid, 't Zou weldra met alle orde en discipline uit zijn, 
indien dit ongestraft bleef. Om het gezag der bastiaans in 
het algemeen en van dezen bastiaan in 't bijzonder te hand- 
haven, moet er eene executie plaats hebben, die bij de sla- 
venmagten der beide plantages diepen indruk verwekt. De 
beide direkteuren zijn 't in alle opzigten volkomen eens, 
stellen de wijze vast, waarop de strafoefening zal geschieden, 
en nemen van elkander een hartelijk afscheid. 

— //Nu tot morgen, waarde vriend!" 

— //Tot morgen. Ik zal zorgen, dat mijne gansche sla- 
venmagt hier ten zeven ure aanwezig zij, en zelf zal ik de 
plegtigheid komen bijwonen." 

Zoo scheidden ze. 

Den volgenden morgen waren, op het bepaalde uur, de 



38 

negers der beide plantages voor de woning van den direk- 
teur verzameld, en zijn buurman zat naast hem. De beide 
schuldigen, pierrot en het meisje, werden door den belee- 
digden bastiaan voorgebragt. Op zijn bevel moesten beiden 
zich genoegzaam geheel ontkleeden. En nu ontvingen zij , 
naakt en ten aanzien der gansche vergadering, van den- 
zelfden bastiaan ieder meer dan vijftig zweepslagen. 

Ik laat de beoordeeling aan eiken onpartijdigen over. De 
strenge zedemeester, die den geheimen minnenhandel der 
beide slaven afkeurt, zal toch moeten erkennen, dat de wij- 
ze, waarop het misdrijf gestraft werd, weinig geschikt was, 
om de zedelijkheid, wier wet men overtreden had, bij de 
slaven te bevorderen. 

Ik zou nog veel kunnen verhalen van 't straffen der sla- 
ven, dat ik, op mijne togten in Suriname, in 't voorbijgaan 
heb gezien. Ik eindig met nog een enkel voorval, 't welk 
in hooge mate mijne belangstelling heeft opgewekt. 

Op de plantage M. B. lag een matrozen-pont gereed, om 
naar Paramaribo te vertrekken. De slaaf januarij zou daar- 
mede goederen derwaarts brengen. Hij was 'een vertrouwde 
neger, aan wien reeds dikwijls dergelijke kommissiën waren 
opgedragen, en die er zich altijd behoorlijk van had gekwe- 
ten. Ook van zijne mede-slaven genoot hij het volste ver- 
trouwen. Vandaar dat, even voor zijne afreis, velen hun- 
ner naar de rivier snelden, waar het vaartuig gereed lag, 
om aan januarij allerlei kommissiën op te dragen, die hij 
in de stad voor hen moest verrigten. Daar brengt er een 
hem een vogel, dien hij gevangen had, met verzoek om dien 
voor hem te verkoopen; ginds komt een ander met een eend, 
die hij met zorg had opgekweekt en gemest, om die te 
gelde te maken; een derde draagt hem op, eenige vruchten 
aan zijne moeder te bezorgen, die te Paramaribo het eigen- 



39 

dom is van een kreool en daar gebrek lijdt; een vierde heeft 
een pakje voor eenen goeden vriend ; een vijfde een mandje — 
en zoo zijn er in menigte, die hem allen wat opdragen. De 
gedienstige en goedhartige januarij neemt alles aan, groet 
hen hartelijk en vertrekt met zijn matrozen -pont. 

Na eene voorspoedige reis, komt hij weldra te Paramaribo 
aan. De agenten van policie visiteren zijn vaartuig. Alles 
wat er zich in bevindt, ook de door de slaven hem ter 
bezorging medegegevene voorwerpen , worden aan een naauw- 
keurig onderzoek onderworpen. Daar vinden ze, in een der 
aan hem toevertrouwd mandjes, verboden waar — een weinig 
koffij ! Zoodra een slaaf die bij zich heeft, dan is het gestolen 
goed. Oogenblikkelijk wordt niet alleen het mandje, maar al 
de overige zaken, de kippen, eenden, vruchten, in een woord 
alles wat den slaven behoort, in beslag genomen , en janu- 
arij wordt naar het binnenfort Zeelandia gebragt en daar 
gevangen gezet. Drie weken blijft hij daar. Eindelijk stelt 
men hem ter beschikking van den administrateur zijner 
plantage te Paramaribo. Hij verklaart, niet te hebben ge- 
weten, wat zich in het gekonfiskeerde mandje bevond, en 
er was geen 't minste bewijs, dat de trouwe en eerlijke 
slaaf het wel zou hebben geweten. Maar dat neemt niet 
weg, dat de administrateur, in een slechten luim wegens de 
moeijelijkheden die dit voorval hem veroorzaakte, van oor- 
deel is, dat januarij moet boeten voor alles wat er ge- 
beurd is en voor de kosten, die zijn onderhoud in het 
binnenfort heeft na zich gesleept. 

JANUARIJ wordt naar het piket van justitie gezonden, met 
eene aanvraag van den administrateur om vijf-en-zeventiy 
zweepslagen wegens het stelen van koffij. De justitie geeft 
het //fiat". En vijf-en-zeventig zweepslagen doorploegen het 
ligchaam van den trouwen, onschuldigen neger. Zoo werd 
hij naar de plantage M. B. teruggezonden. 



40 

Bij zijne aankomst bevond ik mij juist op dat efFekt. Hij 
zag er deerlijk gewond uit. Zijne raauw geslagen dijen 
veroorzaakten hem bij voortduring zulke duldelooze pijnen, 
dat hij ter naauwernood kon gaan. Ik zat bij den direk- 
teur, toen hij aan kwam strompelen, en aan dezen zijn weder- 
varen verhaalde. 

— //Die arme man!" zeide ik. //Zou hij werkelijk on- 
schuldig zijn?" 

— //Ik houd het voor zeker," antwoordde mij de direk- 
teur. f/Hij heeft de koffij stellig niet ontvreemd; zelfs ge- 
loof ik niet, dat hij met den inhoud van het mandje bekend 
was. Hoogstens kan hem onvoorzigtigheid te laste worden 
gelegd van maar op goed geloof alles mee te hebben geno- 
men, wat de slaven hem toevertrouwden". 

Wij spraken nog over dit voorval, toen de woorden van 
den direkteur volkomen bevestigd werden. Een der slaven , 
die de afzender van het mandje was, meldde zich uit eigen 
beweging aan, en verklaarde, dat hij de kofSj van de nabu- 
rige plantage M. S. had ontvangen. 

Eenige dagen later vertrok ik. januarij vergezelde mij, 
om bij de policie het in beslag genomene op te vragen. 
Alleen eenig, tot het verrigten van boodschappen hem mede- 
gegeven, geld ontving hij terug; van de kippen, eenden, 
vruchten en al het overige, dat den slaven toebehoorde, 
kwam niets te regt. 

Men moet volstrekt niet over alle direkteuren en slaven- 
houders hetzelfde oordeel vellen. Zoo heb ik voor eenigen 
tijd kennis gemaakt met den heer kosteron, die tegen- 
woordig een voortreffelijk meester is, ofschoon hij, volgens 
zijne eigen verklaring, vroeger zeer tegen de slaven inge- 
nomen was, en meende, dat ten opzigte van zulke lage en 
verachtelijke wezens ééne onbillijkheid meer of minder niet 



41 

iii aanmerking behoefde te komen. Maar hij was door eene 
gebeurtenis in zijn leven, die hij nimmer zou vergeten, tot 
andere gedachten en tevens tot een andere gedragslijn geko- 
men. Op deze wijze verhaalde hij mij dat merkwaardig voorval. 

//Het was in den kleinen regentijd, dat ik, op zekeren 
dag, het plan maakte, om een bezoek te brengen aan een 
mijner vrienden, direkteur eener plantage, op eeiiige uren 
afstand van de mijne gelegen. Ik gaf den bastiaan 's avonds 
bevel, om daartoe een kleine korjaal, die tevens geschikt 
was om er een zeil op te zetten, in gereedheid te brengen, 
en te zorgen, dat ik er den volgenden morgen gebruik van 
kon maken. 

Eeeds vroeg in den ochtend had ik alles zoodanig gere- 
geld, dat ik kon vertrekken. Toen ik dus de noodige be- 
velen voor dien dag gegeven had, vroeg ik den bastiaan : 

— //Hebt gij gezorgd, dat de korjaal in orde is?" 

— //Ja, Masra," antwoordde hij, //ik heb dat aan dirk 
opgedragen. Hij is dan ook aan 't werk gegaan; maar nu 
zegt hij, dat het roer weg is, en indien dat niet terug wordt 
gevonden, zult gij niet kunnen vertrekken". 

Ik was door dit berigt, gelijk gij begrijpen kunt, niet 
weinig te leur gesteld. Als men van meening is, een aan- 
genaam uitstapje te maken, en men wordt plotseling in de 
uitvoering verhinderd, dan heeft dat bij de meeste raenscheu 
eenen ongunstigen invloed op het humeur. Daarbij kwam, 
dat een ellendige slaaf oorzaak was van mijne teleurstelling. 

— //Eoep DIRK hier!" riep ik in hevige gramschap den 
bastiaan toe. 

DIRK was een jonge slaaf van naauwelijks zeventien jaren, 
een Afrikaan van onvermengd ras. Hij was nu reeds een 
goede arbeider. Ofschoon zijne krachten nog niet volkomen 
ontwikkeld waren, werkte hij reeds zoo goed als een vol- 
wassen neffer. 



42 

■ — //Waar hebt gij het roer van de korjaal gelaten ?" riep 
ik hem toe, toen de bastiaan hem bij mij bragt. 

— //Ik heb het niet gevonden, meester!" was zijn ant- 
woord. 

— //Maar gij hadt het moeten vinden! Nu zijt gij 
oorzaak, dat ik niet gaan kan!" 

— //Ik niet, Masra! Ik kan geen roer maken!" 

— //Brutale hond ! Ik zal u vinden !" zoo schreeuwde 
ik het uit, mijn drift niet langer meester; en ik gaf den 
bastiaan bevel, hem twintig zweepslagen te geven. 

Aan dat bevel werd voldaan. Maar naauwelijks had de 
arme jongen de straf ondergaan, of 't viel mij in, dat ik 
zelf het roer had geborgen, ten einde naar dat model nog 
een tweede te laten maken. Ik schaamde mij voor mij 
zei ven, om het onregt, dat ik begaan had — maar 't was 
maar een slaaf! een neger! Onmiddellijk liet ik het roer 
naar de korjaal brengen, en ik begon mijne reis. 

Onder de slaven, die mij vergezelden, was ook dirk. 
Ofschoon hij zoo even eene afstraffing had gehad, zat hij 
thans weder te pagaaijen (roeijen)', als of er niets gebeurd was. 

Toen wij een half uur waren voortgeroeid , begon een ons 
gunstig windje zich te verheffen. Het zeil werd uitgespan- 
nen en het ligte vaartuig scheen door het water te vliegen. 
Naarmate wij de zee meer naderden, nam de wind toe, zoo 
dat hij weldra tot een storm klom. Daar brak plotseling 
de mast, en in een oogenblik sloeg de korjaal om. 

Daar ik niet kon zwemmen, had ik een zekeren dood 
voor oogen. Ik zonk oogenblikkelijk en verloor weldra 't 
bewustzijn. 

Toen ik weder tot mij zei ven kwam , lag ik op het strand 
in de armen van denzelfden dirk, dien ik eenige uren te 
voren onregtvaardig had laten slaan. Hij was bezig mij te 
wrijven en mij zijnen adem in mond en neusgaten te bla- 



43 

zen. Naauwelijks had ik de oogen opgeslagen , of hij riep 
mij toe : 

— //Hoe is het, meester?" 

— //Beter mijn jongen," was mijn antwoord, //maar hoe 
kom ik hier? Wat is er met mij gebeurd?" 

Hij verhaalde mij nu, dat hij, op het oogenblik waarop 
hij mij zag zinken, mij had willen grijpen, maar door de 
snelheid van den stroom was weggedreven, gelijk zijne 
makkers. Hij had zijnen meester echter niet willen verla- 
ten, en 't was hem, ofschoon met de uiterste krachtsin- 
spanning en, gelijk men denken kan, niet zonder levens- 
gevaar, eindelijk gelukt, mij te vatten, en al zwemmende 
naar den wal te slepen. 

Ik had mijn leven aan mijnen slaaf, mijnen nog kort te 
voren door mij mishandelden slaaf, te danken. Een vurig 
dankgebed steeg uit mijnen boezem tot God, maar tevens 
de belofte, dat ik voortaan een goede heer voor mijne slaven 
zou zijn. Ik heb woord gehouden, en 't heeft mij volstrekt 
geen moeite gekost; want ik heb ondervonden, dat, hoe 
zachter en billijker men zijne slaven behandelt, zij des te 
gemakkelijker te regeren zijn, en men de orde des te beter 
onder hen kan bewaren". 



Tot zoo ver het verhaal van den heer kosteron. Mog;- 
ten er vele zulke slavenhouders zijn ! De slavernij zou dan 
altoos nog wel eene ongeoorloofde en de menschlieid verne- 
derende inrigting wezen, maar zij zou althans minder diep 
rampzalige slagtoffers maken. Geloof niet, dat de edele 
daad van den jongen neger dirk eene zeldzaamheid, een 
uitzondering op den regel is. Lees de verslagen der Maat- 
schappij tot nut van 't algemeen, die in de verschillende 
jaargangen van den Surinaamscheu almanak voorkomen, en 
gij zult zien , hoe menigwerf slaven hun leven gewaagd heb- 



44 

ben, om blanken te redden. Maar niet altoos ontvangen 
de geredden zulke goede indrukken van de edelmoedigheid 
hunner redders! Wat mij betreft, ik heb de overtuiging, 
dat, wat men ook van het karakter van den n eg-er moge 
zeggen, hij voortreffelijke eigenschappen bezit, die alleen het 
vooroordeel kan ontkennen. 

Mijne aanteekeningen omtrent hetgeen ik zelf van mis- 
handelingen en wreedheden jegens slaven gepleegd, gedu- 
rende een verblijf van eenige weken in de divisiën van Su- 
riname, gezien heb, zal ik hier eindigen. Dit alleen wil ik 
er nog bijvoegen. Ik ontmoette onlangs den direkteur eener 
plantage, een dier ruwe, hardvochtige, diep bedorven men- 
schen, die u eene huivering aanjagen, als gij denkt dat aan 
hunne willekeur het lot van zooveel wezens is toevertrouwd. 
Hij beroemde er zich op, dat het hem gelukt was, zonder 
eenige moeite eene //slavenmagt" van een houtgrond naar 
zijne plantage, een suikerefiekt, over te brengen. 

— //Maar zij kennen mij, de beesten!" riep hij uit; //zij 
weten met wien zij te doen hebben, en niemand durft een 
woord, zelfs een gebaar zich te veroorlooven tegen mijnen 
wil. En weet gij, door welk middel 't mij gelukt, zulk 
een invloed op die schurken te verkrijgen. Ik ben er dade- 
lijk bij, zoodra er wat gebeurt, en ik versmoor ieder kwaad 
onmiddelijk in de geboorte, door de krachtigste middelen, 
die mij bekend zijn. Er zijn direkteurs, die met eene kleine 
vermaning beginnen en dan bij herhaling al zwaarder en 
zwaarder straffen. Ik niet. Ik begin met het zwaarste, en 
daardoor sidderen zij voor mij als voor den duivel. Zoo 
kregen een paar wijven, een van de oude en een van de 
nieuwe slavenmagt rusie met elkander. Dadelijk liet ik ze 
allebei aan de likkergoot ophangen en haar ieder twee- 
honderd zweepslagen toedienen". 

— wEn waren zij niet dood?" vroeg ik. 



45 

— //Dood? Och mijnheer, gij kent dat zwarte kanail- 
legoed niet! Zij kunnen nog veel meer dan twee-honderd 
zweepslagen uithouden". 

— //Hoe veel zouden zij dan wel kunnen verdragen?" 

— //Dat is verschillend, maar altoos meer dan twee- 
honderd. Eigenlijk kan men maar blijven doorslaan tot — " 

Maar ik zal zijne afgrijselijke en de goede zeden kwet- 
sende verklaring niet verder opteekenen. 



ITI. 



HUIS-SLAYEN. 



Wij zullen de direkteuren der plantages geen onregt doen. 
Wij erkennen, dat er onder zijn, die eene wreede ge- 
strengheid jegens de slaven in acht nemen, alléén omdat 
hunne administrateurs hen daartoe verpligten. Hun be- 
staan is vooral tegenwoordig onzeker, nu zoo vele plan- 
tages verlaten worden, en er daardoor overvloed ontstaat 
van voor de betrekking van direkteur geschikte personen. 
Geheel onderworpen aan den wil van die kleine despoten, 
die te Paramaribo gevestigd zijn en hun lot in handen heb- 
ben, die hen naar welgevallen kunnen ontslaan en aanstel- 
len, en die niets in aanmerking nemen dan hun eigen be- 
lang, zijn zij wel verpligt, zich naar het verlangen en de 
luimen dier oppermagtige gebieders te schikken. Daardoor 
worden vele gebragt tot eene harde en onregtmatige behan- 
deling der werklieden, die aan hun opzigt zijn toevertrouwd, 
want zelfs de geringste klagt bij den administrateur ten 
voordeele der slaven, zelfs de meest gegronde reklame, om 
in de verwaarloosde belangen en behoeften dier ongelukkigen 
te voorzien, zou als een bewijs van zwakheid en ongeschikt- 



47 

lieid worden aangemerkt. De administrateur wil, gelijk wij 
gezien hebben, niets anders, dan hooge procenten trekken 
van 't geen de plantage, die hij administreert, jaarlijks op- 
brengt; hij wil niets anders dan, door het leveren van vele 
produkten, zich van de gunst zijner principalen verzekeren. 
Daarom zal hij niet vragen naar de middelen, waardoor die 
produkten zijn verkregen; dat is hem volkomen onverschil- 
lig; hij ziet naar de vruchten, niet naar den boom. Zijn de 
inkomsten gestegen en slaven onder den arbeid en de mis- 
handelingen bezweken, dan brengt het eerste de eigenaren 
in eenen goeden luim , zoodat ze te eerder gelooven dat het 
laatste aan heerschende ziekten of andere //oorzaken van 
Hoogerhand" moet worden toegeschreven; zoo is hij zelf 
rijker geworden en tevens verantwoord ; zoo is hij over zijnen 
direkteur volkomen te vreden. Of deze de slaven dubbel 
werk heeft laten verrigten, weinig voedsel heeft gegeven en 
hen met de zweep heeft voortgedreven, met tamarinderoeden 
heeft gegeeseld, hen heeft mishandeld en gemarteld, daar- 
over bekommert hij zich niet. Maar indien de jaarlijksche 
opbrengst afneemt, en alzoo zijne voordeden verminderen, 
dan ondervindt de gezagvoerder van het efl'ekt het hooge 
ongenoegen van den despoot te Paramaribo. Is het won- 
der, dat vele direkteuren, tegen hunnen wil en in weerwil 
hunner betere beginselen, wreede meesters worden voor 
hunne negers? 

Tel niet alle administrateurs tot hen, die wij hier u heb- 
ben voorgesteld. Ook brave lieden worden er onder gevon- 
den, die hun eigenbelang niet op den voorgrond plaatsen, 
althans niet ten koste der menschelijkheid willen bevoordee- 
len, en die zich goede rentmeesters betoonen van 't geen 
aan hunne zorg werd toevertrouwd. 

Maar ook niet van alle direkteurs hebben wij het beeld 
geschilderd. Er zijn er, die, niettegenstaande hunne af- 



48 

hankelijke positie, hunne slaven onberispelijk behandelen, 
en die liever alles zouden willen ten beste geven, dan zich 
aan wreedheden en gruwelen schuldig maken. Maar er zijn 
er ook, die alléén uit eigen aandrift, door natuurlijke hard- 
vochtigheid, opvliegenden toorn en vooral menigwerf door de 
uitwerking van den drank daartoe aangehitst, hunne weer- 
looze slaven mishandelen, pijnigen en folteren. Bij zulke 
diep gevallen menschen, die alle zedelijk gevoel hebben 
verloren, hebben vooral ook de slaven, die in hunne onmid- 
delijke nabijheid leven, de zoogenaamde //huis-slaven" der 
plantages, aan wie de arbeid in de woning is opgedragen, 
dikwijls veel en bitter te lijden. Onder die ongelukkigen 
meenen wij ook, en in de eerste plaats, de slavin te mogen 
rangschikken, die de direkteur, als hij ongetrouwd is, tot 
zijne konkubine heeft verheven. 

Geloof niet, d-at deze eer zulk eene vrouw altijd gelukkig 
maakt. Zij moge daardoor beter voedsel, betere kleeding, 
een gemakkelijker leven zich verwerven, aan den anderen 
kant grieven haar menigwerf verdriet en smarten, die de 
overige slaven niet kennen. En bovendien zij blijft slavin, 
ook al wordt zij de moeder zijner kinderen, ook al bewijst 
zij hem de teederste toegenegenheid en onbaatzuchtigste 
liefde. Veronderstel nu, dat zij een dragelijk, ja betrekke- 
lijk een gelukkig leven leidt, zoo lang zij bij hem is; maar 
wanneer hij haar verstoot, dat hij eiken dag kan doen, of 
wanneer hij de plantage verlaat, dan deelt zij weder in het 
lot van de overige slaven; dan moet zij misschien weder 
naar het veld, dan knelt de zweep weer op haar ligchaam, 
dan is zij weerloos in de magt van den ruwen bastiaan. En 
hare kinderen, de zonen en dochters van eenen vrijen, van 
eenen blanken, van een Europeaan, van een Nederlander, 
van een Christen — hare kinderen volgen haar en blijven 
slaven. Menig direkteur is er, die met zijne slavin leeft als 



49 

met eene echtgenoot en die zijne kinderen , als een zorgdra- 
gende vader, verzorgt en voedt; maar hij is niet in staat 
hun de vrijheid te schenken; zij behooren aan de plantage, 
al zijn 't ook zijne kinderen en al is 't ook de moeder zij- 
ner kinderen; zijne geldelijke middelen kunnen de waarde 
voor hunne vrijheid op verre na niet bereiken. Begrijpt gij, 
wat hij gevoelen moet, bij het vooruitzigt, dat zijn kroost, 
't welk hij lief heeft, het eigendom is van een ander, dat 
zijne kindeken slaven blijven? 

Ook aan voorbeelden van anderen aard ontbreekt het niet. 
Vaders treft gij aan, die het gevoel missen, dat zelfs de 
dieren voor hunne jongen, ja, de tijgers voor hunne welpen 
hebben. Vaders worden er gevonden, die voor hunne kin- 
deren hardvochtige en onbarmhartige meesters zijn en in hen 
niets anders zien dan slaven. Een enkel voorbeeld slechts 
tot bewijs. 

Onder de lijfeigenen, die eenige jaren geleden, na den 
dood van een der aanzienlijkste ingezetenen van Paramaribo, 
publiek verkocht werden, behoorde ook eene slavin, die van 
hare meesteres eene voortreffelijke opvoeding had genoten, 
verre boven die, welke anders gewoonlijk aan privé-slavem 
te beurt valt. Maar die opvoeding verhinderde niet, dat zij 
aan den meestbiedende werd afgestaan. Die meestbiedende 
was de heer casion, direkteur eener aanzienlijke plantage, 
en een niet onbemiddeld man. Hij nam de slavin naar die 
plantage mede en leefde er met haar. Zij schonk hem drie 
kinderen, waaronder eene dochter juija, die op hare beurt, 
onder de oogen en door de zorg harer moeder, tot een 
beschaafd en beminnelijk meisje werd gevormd. 

De vader bemoeide zich weinig met zijne kinderen en was 
in den regel stuursch en norsch tegen hen. Die natuurlijke 
geaardheid werd nog versterkt door het misbruik van sterken 
drank, waaraan hij zich schuldig maakte en waarvan hij 

II. 4 



50 

gedurig meer de slaaf werd. En 't gewone gevolg van 
zulk een kwaad bleef niet uit. Hij verwaarloosde de be- 
langen, die aan hem waren toevertrouwd; hij was een beul 
voor de negers, en toch gingen de inkomsten der plantage 
jaarlijks achteruit. Eindelijk ontving hij zijn ontslag, en 
vertrok met de zijnen naar Paramaribo. Daar leefde hij 
vrij armoedig, voornamelijk van den ijver en de werkzaam- 
heid zijner slavin, de moeder zijner kinderen. 

Zijne dochter was nu eene beeldschoone mistiezin van 
zestien jaren, die de oogen van alle //kenners" tot zich trok. 
De ontslagen direkteur merkte dit met genoegen op — want 
hij meende op de schoonheid van het meisje eene voordee- 
lige speculatie te kunnen bouwen, 't Duurde ook niet lang, 
of hij sloot eene zeer winstgevende overeenkomst — niet 
om zijn kind te verkoopen — slechts om hare eer was het 
te doen! * 

Maar de overeenkomst stuitte af op de fierheid van het 
meisje, julia vernam het verlangen van haren vaderen meester 
met oogen, die schitterden van afschuw en vastberadenheid. 
Zij gaf een bepaald weigerend antwoord. En wat nu die 
vader deed — 't zij hij vleide, of bad, of dreigde — 't 
was alles te vergeefs. Hij nam zijn toevlugt tot strenger 
maatregelen; — hij sloeg haar — maar ook dat baatte niet. 

Eindelijk was het geduld van den heer casion ten einde. 
Hij nam het eenige wettige middel, dat hem overbleef, te 
baat; hij zond zijne slavin, die nu toevallig tevens zijne 
dochter was, naar het piket van justitie. 

De prokureur-generaal bevond zich op het piket van jus- 
titie, toen het bevallige meisje, haar gelaat bedekkende 
en met de rood geweende oogen ter aarde gekeerd, naar de 
strafplaats werd gebragt. De bastiaans wilden onmiddelijk 
hun pligt doen, want zij vroegen naar niets anders dan 
naar de wettigheid der aanvrage : was hij, die~ de straf 



51 

eischte, eigenaar, dan was het hun genoeg; of hij tevens 
de vader was, dat ging hun niet aan. Zij hielden zich 
aan het reglement van den Minister! 

Maar den prokureur-generaal trof het. Een vader zijn 
eigen kind laten geeselen ! Hij onderzocht de zaak — maar 
hij vond tot zijn leedwezen, dat zij geheel in orde was. 
Hij kon er niets tegen doen, dat een vader zijne eigene 
dochter op eene wettige wijze door beambten van het Ne- 
derlandsche Gouvernement met eene zweep bloedige slagen 
liet toebrengen. Die dochter was tevens de slavin van dien 
vader, zijn eigendom, dat hij voor zich kon laten werken 
en straö'en — al naar zijne luimen het mede bragten. 

De wet maakte toen geen het minste onderscheid tusschen 
de regten van eenen meester op zijne slavin, 't zij die slavin 
zijn kind was of niet. Ook thans nog is dat onderscheid 
in de wet onbekend. Wanneer er onder de^ werking der 
reglementen van 6 Mei IS51, nog weder een monster is 
(en zij zijn er!), die 't zelfde eischt wat de heer casion 
eischte, dat zijne eigen dochter op het piket van justitie worde 
//afgestraft," — er zou niets aan te doen zijn; aan dien 
eisch, op de Nederlandsche wet gegrond, zou de prokureur- 
generaal gevolg moeten geven. Al de slaveneigenaren van 
Suriname hebben begrepen, dat dit onderscheid niet behoeft 
in acht genomen te worden, en daarom zwijgt het reglement 
er van. Zij hebben begrepen , dat eene slavin geslagen moet 
worden als de meester het verlangt, al is zij ook zijne doch- 
ter! 't Is, wij moeten het erkennen, zeer konsekwent. //Sla- 
ven hebben geene bloedverwanten; slaven hebben geen vader, 
alléén eene moeder", zoo luidt de algemeen in Suriname aange- 
nomen praemisse; natuurlijk is dus de konklusie, dat, bij het 
toepassen van straffen door Gouvernements-beambten, niet 
naar den vader van den slaaf of de slavin wordt gevraagd. 

En toch stuitte het den prokureur-generaal, dat hij 

4* 



52 

zweepslagen moest laten geven aan een kind, op den eisch 
van den vader, die alleen door eene zondige wet niet haar 
vader maar haar meester was. Wat de wet ook mogt be- 
palen, hij gevoelde al het teedere, heilige, onverbreekbare 
van den band, dien de natuur ook tusschen die beide wezens 
had gelegd; hij gevoelde al het afschuwelijke der daad, waar- 
toe zijn ambt hem verpligtte, en hij trachtte er zich van te 
ontslaan. Hij liet de slavin voor zich komen en hij erkende 
in haar gelaat eene treffende gelijkenis met dat van denman, 
die haar wilde laten geeselen. "'t Was dezelfde mond , dezelfde 
neus, dezelfde oogen, dezelfde vorm van het aangezigt; 't 
waren dezelfde trekken, maar bijhaardoor zachtheid, vrien- 
delijkheid en onschuld met een waas van lieftalligheid over- 
dekt — bij hem door den sterken drank en eenen vroegen 
ouderdom misvormd, en door eene afzigtelijke uitdrukking 
gekenmerkt, die van zijne schromelijke uitspattingen, zijn 
verdierlijkten aard getuigde, 't Was hetzelfde gelaat, maar 
meteen donkeren gloed gekleurd, die het Afrikaansche bloed 
der moeder verried. 

De prokureuT-generaal ondervroeg het meisje, en toen hij 
haar gehoord had, was hij kennelijk met de zaak verlegen. Er 
zou niet veel aan te doen zijn, als de eigenaar der slavin zijne 
aanvraag niet introk, want op vijftien zweepslagen kon hij 
zonder eenige opgave van reden aanspraak maken. Misschien 
echter zou een goed woord eenigen indruk op hem uitoefenen ; 
daarom ontbood hij den heer casion bij zich. Kort daarna 
verscheen deze reeds. Hij verkeerde in eenen zeer opgewon- 
den toestand, die klaarblijkelijk aan den drank zijnen oor- 
sprong verschuldigd was. 

— //Gij verlangt eene afstraffing voor de slavin jülia?" 
vroeg hem de prokureur -generaal op minzamen toon. 

— //Ja mijnheer! Zij heeft het dubbeld verdiend. Zij 
is ongehoorzaam en brutaal, 't Is mij onmogelijk het lan- 



i 



53 

ger met haar uit te houden. Zij moet een pak hebben, dan 
zal zij wel gedweeër worden." 

— //Maar bedenk toch — 't is uw eigen kind! Gij zult..." 

— //Nu wat zou dat? Verhindert mij dat in mijn regt, 
om haar af te straffen als ik het verkies?" 

— //Niet in jiw regt; maar mij dunkt, gij moest de zaak 
nog eens vooraf bedaard overwegen, 't Heeft toch zulk een 
haast niet. Misschien hebt gij er later berouw van. Zij 
zal zich wel beter gedragen en in 't vervolg uwe bevelen 
gehoorzamen. — Zult gij niet, julia?" vroeg de prokureur- 
generaal, zich tot het meisje keerende, dat, in een hoek van 
het vertrek gedoken, stille tranen der wanhoop stortte. 

— //Ik zal alles doen wat mijn meester beveelt, alles, behalve 
dat ééne verlangen, dat ik niet mag inwilligen," was het 
antwoord der slavin, op onderworpen maar vast beraden toon. 

— //Gij hoort het, mijnheer," riep de vader, in woede 
opvliegende. //Gij hoort het. Geloof mij, gij hebt nimmer 
eigenzinniger en koppiger schepsel gezien!" 

— //Ik raad u nogmaals, doe het niet, mijnheer casion! 
Uw geweten zal u geen rust laten. Uwe eigene dochter..." 

— //Wat geweten ! Ik ben geheel in mijn regt ! Neen ik 
ben dubbel in mijn regt; eerstens, omdat mijne slavin mijne 
dochter is, en ten tweede, omdat mijne dochter mijne slavin is." 

Er was niet aan te doen — maar wij zullen den verderen 
afloop met een sluij er bedekken, 't Is een al te afschuwelijk 
schouwspel. 

't Is geene toegenegenheid, geen liefde, 't is alleen zin- 
nelijke lust, die den direkteur der plantage en andere Eu- 
ropeanen te Paramaribo aan de slavinnen verbindt , waarmede 
zij als hunne bijzitten leven. Verwelkt de schoonheid dier 
ongelukkige, dan is ook die band verbroken, en hard is 
het lot, dat zij dikwijls van denzelfden man moet verduren. 



54 

die de vader is harer kinderen. Zoo is het nog niet lang 
geleden, dat zulk een onverlaat de vrouw, die hem al hare 
toegenegenheid met voorbeeldige trouw had geschonken, op 
eene gruwelijke wijze mishandelde. De slavin, die hemeen 
zoon had geschonken, die voor hem en dat kind zorgde, zoo 
goed als de beste echtgenoot en moeder, werd dagelijks door 
hem geslagen en gepijnigd. Zelfs door den bastiaan liet hij 
haar zweepslagen geven. Wij zullen geen tafereel voorstel- 
len van 't geen in de woning dier plantage plaats greep. 
Noemden wij den naam van dien laaghartige, dan zou bijna 
iedereen in Suriname kunnen getuigen, dat wij niet over- 
drijven; want zoo buitengewoon waren de mishandelingen, 
die zijne slavin van hem moest lijden, dat zij aanleiding 
gaven tot het vervaardigen van het volgende lied in het 
Neger-Engelsch. Dit lied is onder de slaven algemeen be- 
kend geworden, 't Is een volkszang, dien gij te Paramaribo 
bijna dagelijks kunt hooren. 



Meneri, meneri, da piekien, pardon, 
Membrie wan tem , membrie wan tron 
Fa yoe ben lobbie mie so té 
En fa mie lobbie joe jette. 

Bastian fon! bastian fon! 

Da oeman meekie mie hatie bron! 



a. 



Té na condré yoe kon fa srifiman , 
Mie no ben sabie san na wan man, 
Fa yoe ben lobbie mie so té... 
En fa mie lobbie yoe jette. 

Bastian fon ! bastian fon ! 

Da oeman meekie mie hatie bronl 



55 

3. 

Mie ben dckalli yoe mooi scrifimau , 
Yoe poeloe ihie na mie nennc Anan ; 
Fa yoe ben lobbi mie so te', 
En fa mie lobbi yoe jettte. 

Bastian fon ! bastian fon ! 

Da oeman meekie mie hatie bron! 



Té joe ben bossi joe jaba 
Mie ben takki kaba! kabal 
Da falsie lobbie yoe no ké, 
Ho fassi yoe doe so to de'. 

Bastian fon ! bastian fon ! 

Da oeman meekie mie hatie bron! 



Pardon Meneri! Pardon! pardon! 
Yoe ben lobbi da skiën wan tron; 
Mie beggi yoe! mie beggi ké! 
Meneri a no nofifo jette? 

Bastian fon! bastian fon! 

Da oeman meekie mie hatie bron! 



Meneri, meneri, membrie da piekien 
Da sorri yoe me lobbi krien 
Mie beggi yoe, mie beggi ké! 
Bastian a no noffo jette? 

Bastian fon , bastian fon ! 

Da oeman meekie mie hatie bron. 



5() 

7, 

Hoe fassi? mie takki fon ! 
Da oeman meekie mie hatie bon! 
Mie takki fon ! fon hin so té , 
Al was si a fal don deddé. 

Bastian fon, bastian fon! 

Da oeman meeki mie hatie bron! 



Dit lied, waarin geen geesten vernuft zijn te miskennen 
en dat inderdaad treiBTende en aandoenlijke regels heeft, zou 
in 't Nederduitsch aldus kunnen luiden. Dezelfde hand, 
die ons èn het oorspronkelijk èn deze vertaling heeft ge- 
zonden, schrijft ons, dat de Nederduitsche overzetting het 
Neger-Engelsch bijna woordelijk teruggeeft. 



Vergeef, mijnheer! vergeef! vergeef! 

Denk aan vroegere tijden, denk hoe gij mij eens bemindetï 

Gelijk gij mij toen lief hadt, 

Bemin ik u nog altijd! 

Bastiaan, sla! bastiaan, sla! 

Die vrouw vervult mijn hart met toorn ! 



Toen ge als blankofficier in 't land kwaamt, 
Had ik nog nooit bemind; 
Gelij]^ gij mij toen lief hadt. 
Bemin ik u nog altijd! 

Bastiaan , sla ! bastiaan , sla ! 

Die vrouw vervult mijn hait met toorn! 



57 

3. 



Gij naamt mlJ toen weg van mijne moeder , 
En ik noemde u : „schoone blanke!" 
Gelijk gij mij toen lief hadt, 
Bemiu ik u nog altijd! 

Bastiaan , sla ! bastiaan , sla ! 

Die vrouw vervult mijn hart met toorn! 



4. 



Gij overladet mij , uwe jaba , met kussen , 
En 'k riep weerstrevend: „hou op! hou op!'' 
Was dat alles slechts schijn? 
Hoe kunt gij mij zoo behandelen ! 

Bastiaan, sla! bastiaan, sla! 

Die vrouw vervult mijn hart met toorn. 



5. 



Genêi, mijnheer! mijnheer, gena! 

Denk, dat gij dit ligchaam eens bemindet! 

Ik bid u , ik bid u , 

Is 't nu nog niet genoeg? 



y< 



Bastiaan , sla ! bastiaan , sla ! 

Die vrouw vervult mijn hart met toorn. 



Mijnheer! mijnheer! denk aan het kind, 
Dat van mijn zuivere liefde getuigt. 
O ik bid u, ik bid u, 
Bastiaan is 't nu nog niet genoeg? 

Bastiaan , sla ! bastiaan , sla ! 

Die vrouw vervult mijn hart met toorn. 



58 
7. 

Hoe is 't ? Ik zeg u , sla door ! 

Die vrouw vervult mijn hart met toorn ! 

Ik zeg u, sla door! sla door! 

Al is 't ook, dat zij 't besterft. 

Bastiaan , sla ! bastiaan , sla ! 

Die vrouw vervult mijn hart met toorn ! 

Zoo zingen de slaven te Paramaribo ; zoo verkondigen zij 
den liefderijken en reinen aard hunner meesters; zoo klinkt 
uit den mond der Heidenen de roem en de lof der Chris- 
tenen ! 

Onder de huis-slaven van den direkteur speelt ook de 
i'voeteboy" een voornamen rol. Men zou hem in Oost-In- 
dië zijnen //lijfjongen" noemen. Hij bedient zijnen meester 
en vergezelt hem overal. 

In 1849 en 1850 bekleedde een Duitscher van geboorte, 
dien wij paiil zullen noemen, de betrekking van direkteur 
en mede-administrateur eener plantage aan de rivier Cottica. 
Reeds meermalen was hij tot geldboeten veroordeeld wegens 
al te gruwelijke en al te algemeen bekend geworden mis- 
handelingen zijner slaven, die men daarom wel had moeten 
vervolgen; die geldboeten had hij betaald, maar op zijn 
gedrag hadden zij geenen invloed gehad. 

Zijn voeteboy was een vlugge oppassende jongen van veer- 
tien jaren, de zoon van een der bastiaans. Hij kende alles 
wat een voeteboy behoort te kennen, vloog op de wenken 
van zijnen meester, wist zijne verlangens te voorkomen en 
diende hem met groote bereidvaardigheid , goedwilligheid 
en trouw. 

MARtus (zoo heett/C hij) was altijd bij zijnen heer; hij 
volgde hem als zijne schaduw. 



59 

Op zekeren dag had hij hem, gelijk gewoonlijk, op zij- 
nen togt naar de akkers en velden , waar de slaven aan den 
arbeid waren , vergezeld. Hij droeg sigaren , een geweer en 
een met brandewijn gevulde veldflesch. Het was juist in 
den kleinen regentijd, zoodat de voetpaden en landen, 
waarover zij trokken , door het water in zulk eenen toestand 
waren gebragt, dat zij het gaan zeer moeijelijk maakten. 
Daarbij voegden zich onophoudelijk elkander opvolgende 
buijen, zoodat het een zeer afmattende togt was; en zij te- 
gen den middag, van boven tot onder beslikt en druipnat, 
te huis kwamen, marius hielp zijnen heer onmiddellijk, 
om van kleederen te verwisselen , en toen dit was afgeloopen 
en de heer paul zich op zijn gemak had nedergezet , dacht 
de voeteboy ook eenige oogenblikken voor zich te zullen 
hebben, om zijne natte kleederen te droogen en van de ver- 
moeijenis wat uit te rusten. 

Maar hij vergiste zich. Naauwelijks was zijn heer ge- 
zeten , of hij riep : 

— //Jongen, breng mij papier en inkt!" 

In een oogwenk was aan 't bevel voldaan. Nu meende 
hij, dat hij zich veilig kon verwijderen; maar nog had hij 
geene tien schreden afgelegd, of op nieuw hoorde hij de 
wel bekende stem, en spoedde hij zich terug. 

— //Luijaard ! waar zit gij? Ziedaar! breng dezen brief 
naar den heer ugt op de plantage Morgenrood ! Spoed 
u, want er is haast bij!" 

Zonder een woord te spreken, zonder zelfs door 't ge- 
ringste teeken of gebaar zijne teleurstelling te kennen te 
geven, nam marius den brief aan en vertrok naar de plan- 
tage Morgenrood, die een uur of drie van daar verwijderd 
was. De regen viel met stroomen neder; daarom verborg 
de knaap den hem toevertrouwden brief onder zijne kleede- 
ren, om dien tegen nat worden te beveiligen; en zoo vol- 



60 

deed hij, trots zijne vermoeijenis en de guurheid van het 
weder, aan de bevelen van zijnen meester. 

Hij naderde reeds het doel van zijnen togt en wilde zich 
gereed maken, om zich bij den direkteur der plantage Mor- 
genrood aan te melden, toen hij met schrik gewaar werd, 
dat de brief verdwenen was. Hij had dien onder weg ver- 
loren. Een onbeschrijfelijke angst maakte zich van hem 
meester. Hij wist wat hem te wachten stond, als hij met 
dit berigt te huis kwam; hij kende den toorn en de woede 
van zijnen onbarmhartigen heer; wat zou hij doen? 

Bedenk, dat het een knaap van veertienjarigen leeftijd was. 
Terwondert het u, dat de jongen wanhopend werd en in 
zijne vertwijfelingeene dwaasheid deed? Hij nam de vlugt. 
Hij ijlde naar de bosschen en wildernissen in de nabijheid 
der plantage, en verschool zich in de doolhoven van de 
eeuwig groene vegetatie dezer eenzame en verlaten savannen 
van Suriname. 

Maar 't duurde niet lang, of hij was wel verpligt, hoe 
vreesselijk zijne ontvangst ook wezen zou, om naar zijnen 
meester terug te keeren. De guurheid van het weder, de 
natte kleederen, waarin hij nu reeds zoo veel uren had 
doorgebragt, gevoegd bij de wilde vruchten , die hij in groote 
hoeveelheid had gegeten, om zijnen honger te stillen, dit 
alles had ten gevolge, dat hij, na nog naauwelijks vier-en- 
twintig uren in deze wildernissen de slavernij ontvlugt te 
zijn, door hevige kramppijnen, door de beuaauwdheden der 
koorts, die hem deed klappertanden, en door ellende en ge- 
brek, gedrongen werd, om de slavernij weder op te zoeken. 

't Zou moeijelijk zijn, den toestand te schetsen, waarin, 
gedurende deze afwezigheid van den knaap, de direkteur 
had verkeerd. Hij had aan zijnen collega en buurman van 
Morgenrood geschreven over cene zaak, die niet de plantage 
maar hem persoonlijk betrof, en aan het antwoord, dat hij 



(51 

!zou ontvangen, lieclitte hij veel. Toen de avond begon to 
vallen, had hij reeds naar marius gevraagd, maar de jongen 
was nog niet terug. Een paar uren later werd hij onge- 
duldig, en beloofde hij reeds bij zich zelven den knaap eene 
vrolijke te huis komst. Maar toen hij zich ter ruste wilde 
begeven, had men. nog niets van den voeteboy vernomen. 
Wat mogt de reden zijn van dit uitblijven.'^ Nu, hij zou 
het den volgenden dag wel vernemen. Maar dit zwoer hij , 
dat de jongen, die zeker bij de slaven van Morgenrood was 
blijven spelen en //malengeren," het zich bitter zou beklagen. 

De morgenstond brak aan; de direkteur ontwaakte; zijne 
eerste vraag was naar marius; maar nog altijd was de 
voeteboy niet terug. 

Het was middag geworden. De direkteur zat in zijne 
kamer met een zeer ontstemd humeur. Allen, die hem om- 
gaven, moesten het ontgelden. En 't was niet te verwon- 
deren, want alles herinnerde hem marius, en ieder oogen- 
blik ondervond hij, dat niemand hem zoo goed kon bedienen 
als marius. Juist had men hem zijn derde glas bitter 
gebragt, dat hem niet half zoo goed smaakte als gewoonlijk, 
want alleen marius kende de maat van het bitter, die hem 
't meest beviel; juist wilde hij 't glas aan den mond bren- 
gen, toen de voeteboy het vertrek binnen kwam. Hoe was 
hij sedert den vorigen dag veranderd ! Toen vlug en gezond, 
met van jeugdig vuur schitterende oogen; nu die oogen dof ; 
nu krimpende van pijnen bevende van angst; nu in weinige 
uren door gebrek en ziekte vermagerd. Zoo sleepte hij zich 
voort tot bij den stoel van den meester, en wierp hij zich 
voor zijne voeten neder. 

— //Pardon! mijnheer, pardon! voor uwen armen voe- 
teboy !" 

Een afschuwelijke vloek was het eerste, dat over de lippen 
van den direkteur kwam. 



62 

— //Zoo schurk! Zijt gij daar terug? Gij ziet er mooi 
uit! Waar zijt gij geweest?" 

De knaap vertelde de zaak, gelijk zij gebeurd was. Hij 
voegde er niets bij, hij liet er niets af, hij sprak de een- 
voudige waarheid , in kinderlijke onschuld en opregtheid des 
harten. 

— //Ik was bevreesd, meester, voor uwen toorn; ik sid- 
derde voor de slagen, die mij misschien wachtten; en toen 
ben ik in 't bosch gevlugt. Dat was verkeerd gehandeld. 
Maar spoedig is de straf op den misslag gevolgd. Ik ben 
ziek geworden ; hevige pijnen verscheuren mij op dit oogen- 
blik nog de ingewanden — vergeving, meester!" en hij 
kuste de voeten van den heer patjl. 

— //Vergeving? Dat kunt gij begrijpen, mannetje. Gij 
zijt ziek, niet waar? Welnu, ga dan maar eens mede. Wij 
zullen u wel genezen. De bastiaans zijn naar het veld, 
daarom zal ik u maar helpen". 

Zoo stond de direkteur op en begaf zich naar het zieken- 
huis, gevolgd door den armen voeteboy, die van pijn, ver- 
moeijenis en uitgestane ellende naauwelijks gaan kon. Met 
eigen hand sloot hij hem daar in de boeijen en verwijderde 
zich. Gelukkig voor marius, dat er zich nog een neger 
bevond, die eene erge ziekte had doorgestaan en nu aan de 
beterhand was. Door zijne tusschenkomst ontving hij wat 
water, om zijnen dorst te lesschen. 

Sedert eenige weken bevond zich op deze plantage een 
nieuwe blank-officier. Hij was een jonge man van zeer fatsoen- 
lijken huize. Buiten zijne schuld ongelukkig geworden, had 
hij, door den nood gedwongen , ten laatste tot deze ellendige 
betrekking zijn toevlugt moeten nemen. Genoeg had hij 
hier reeds gezien, om een afkeer te gevoelen van het plan- 
tageleven, maar zijn toestand dwong hem, om te doen het- 
geen hij met hart en ziel veroordeelde en verafschuwde. 



63 

Toen hij dien dag weder zijne nederige plaats aan de tafel 
van den direkteur had ingenomen, en door de onaangename 
stemming, waarin deze zich bevond, menig bitter verwijt 
en vernederend woord had moeten hooren , wilde hij zich bij 
't einde van den maaltijd in stilte verwijderen, toen de heer 
PAUL hem toeriep : 

— //Blijf, ik heb u nog wat te bevelen." 

— //Zeer wel, mijnheer," was het beschroomde antwoord. 

— //Begeef u naar het ziekenhuis; daar zult gij eenen 
jongen vinden, die zich schandelijk heeft gedragen en een 
ongehoord pak verdiend heeft. Gij verstaat mij, mijnheer, 
niet waar? Ongehoord! Neem eenen bastiaan mede, en 
laat hem ëene geeseling met tamarinde roeden toedienen, waar- 
aan hij eenige dagen genoeg heeft. 

De blank-officier sprak geen woord, stond op en ging 
heen om het bevel te volbrengen. Hij ontmoette eenen 
bastiaan en gelastte hem, tamarinderoeden te halen en hem 
dan naar het ziekenhuis te vergezellen. De bastiaan ge- 
hoorzaamde en kwam onmiddelijk met het strafwerktuig 
terug. Beiden rigtten nu hunne schreden naar het ziekenhuis. 

Eeeds van verre hoorden zij klaagtoonen uit dat gebouw 
opgaan. 

— //Wie is de jongen, die gestraft moet worden ?" vroeg 
de bastiaan, toen hij, naderbij komende, het gekerm dui- 
delijk kon onderscheiden. Hij vroeg dat met eene belang- 
stelling, anders ongewoon in eenen bastiaan. 't Scheen, dat 
die stem hem verontrustte. 

— //'t Is MARius, de voeteboy van den direkteur," ant- 
woordde de blank-officier ; en op hetzelfde oogenblik traden 
zij het ziekenhuis binnen. 

Plotseling ijlde de bastiaan naar den kranken knaap, die 
nog van pijn kermde. Hij wierp zich op den jongen, drukte 
hem aan zijne borst en scheen wanhopend. 



64 

De blankofficier begreep niet, wat er omging. Zulk eene 
teerhartigheid voor eenen slaaf, dien hij moest straften, had 
hij in eenen bastiaan nog nimmer gezien. 

— //Nu, wat doet gij?" vroeg hij aan den neger, die 
den jongen nog altoos liefkoosde, en door deze vraag tot 
bezinning scheen te komen. 

— //Ach! mijnheer, marius is mijn kind, mijn eigen 
zoon, dien ik zoo hartelijk lief heb. Ik ben er van over- 
tuigd, dat hij onschuldig is, want hij is een brave, oppas- 
sende jongen. Hoe zijt gij toch in dezen toestand geraakt?" 
vroeg hij den knaap. 

Deze verhaalde nu al wat er gebeurd was, terwijl de 
bastiaan hem in zijne armen hield en zijne krarfke leden 
wreef. 

— //Ziet gij, mijnheer?" zeide hij, toen 't verhaal ge- 
ëindigd was, //ik wist wel dat hij geen schuld had." 

— //En toch moet hij afgestraft worden," antwoordde 
de blankofficier, //de bevelen van den direkteur zijn stellig, 
en ik raag daarvan niet afwijken." 

— //En moet ik dat doen?" vroeg de bastiaan opsprin- 
gende, 't Scheen, dat hij nu eerst al het vreesselijke van 
zijnen toestand inzag. //Moet ik mijn kind met deze 
Toeden geeselen? Ik, de vader?" 

— //Ja! wat kan ik er aan doen?" hernam de blank- 
officier. 

— //Wees ons genadig!" smeekte de bastiaan, zich voor 
hem op de knieën werpende. //Heb mededoogen met mijn 
kind, met mijn onschuldigen, kranken jongen!" 

— //Maar hoe kan ik dat?" vroeg de blankofficier, wiens 
hart reeds overwonnen was, en die er misschien evenveel 
onder leed als de vader. 

— //Op deze wijze!" riep de neger opspringende. Hij 
greep de stokken, gaf er den voeteboj een paar slagen mede. 



65 

die niet hard aankwamen, en sloeg ze vervolgens op de 
brits, waarop de zieke lag, aan stuk. 

De blankofficier was ontroerd om twee redenen; vooreerst 
om het tooneel, dat hij bijwoonde en bovendien om de 
moeijelijkheden, waarin hij zich wikkelde, wanneer hij aan 
de stem der menschelijkheid en van zijn goed hart gehoor gaf. 
Hij begreep, dat dit bedrog, indien het dien naam ver- 
diende, geen geheim kon blijven, en dan zouden de gevolgen 
voor hem niet uitblijven. Toch volgde hij den weg, dien 
zijn geweten hem aanwees als de beste. Hij keerde zich 
om , verliet het ziekenhuis en begaf zich naar den direkteur, 
om hem te berigten, dat aan zijne bevelen voldaan was. 

— //Hoe veel slagen?" vroeg deze. 

— //Vijftig!" 

— //Slechts vijftig? En zijn ze goed geweest?" 

— //Ja, mijnheer?" 

— //En hoe is de jongen?" 

— //Hij lag, na de afstraffing, in zwijm, en is thans meer 
dood dan levend." 

De direkteur begaf zich naar het ziekenhuis, om zich met 
eigen oogen te overtuigen van den toestand van zijn slagt- 
offer. 

Daar vond hij den bastiaan nog zeer vertrouwelijk bij 
MARius zitten. Reeds dit wekte zijne achterdogt. Boven- 
dien was de jongen volstrekt niet in den toestand, dien de 
blank-officier beschreven had. 

— //Wie heeft hier de afstraffing uitgevoerd?" vroeg hij 
aan den bastiaan. 

— //Ik mijnheer!" 

— //Zoo gij. Nu dan begrijp ik het wel!" en met 
een verliet hij het ziekenhuis en liet vader en zoon alléén. 
Buitengewone gramschap, drift en woede kookten in zijn 
gemoed. 

II. 5 



66 

— //Dat volk wil mij bedriegen!" schreeuwde hij , terwijl 
hem 't schuim op den mond stond, //maar ik zalhen vinden." 

Onmiddellijk ontbood hij den eersten bastiaan bij zich, 
en beval hem, dadelijk aan het kind honderd slagen met 
tamarinde-roeden toe te brengen, zoo hard en zoo vreesselijk 
als hij 't ooit had gedaan. 

Nu werd hij gehoorzaamd. Den armen jongen werden 
honderd slagen toegebragt. Wij zullen geen tafereel ophan- 
gen van de wijze, waarop deze executie plaats greep, noch 
von den toestand, waarin de knaap zich bevond, toen zij 
was afgeloopen. 

Acht dagen later werd marius uit de boeijen ontslagen, 
en binnen eene maand was hij een lijk! 

Er zou een boek te schrijven zijn van al 't geen op deze 
plantage voorviel, zoo lang de heer paul er direkteur en 
mede-administrateur was. Slechts enkele feiten deelen wij 
nog met korte woorden mede. 

Op zekeren dag zat hij voor zijne woning, en huilde een 
kind digt in zijne nabijheid, 't Verveelde hem en hij gaf 
het een schop, zoodat het op eene, een paar voet lager ge- 
legen, steenen vloer viel, en aan de gevolgen overleed. 

De slavin mimi was hoog zwanger, maar werd toch dage- 
lijks tot den zwaren veldarbeid gebezigd. Zij waagde het, 
op eenen morgen, zich tot den direkteur te wenden , met de 
bede van meer in de nabijheid der woning hare taak te mo- 
gen hebben, omdat vooral het loopen naar en van het veld 
haar zoo zwaar viel. 

— //Goed!" was het antwoord, //gij zult in 't geheel 
niet meer werken." Maar tevens liet hij haar opsluiten , en 
tot den tijd harer bevalling 's morgens en 's avonds drie 
drooge bananen uitreiken, als 't eenige voedsel dat ze hebben 
mogt. Was het wonder, dat de arme vrouw een dood kind 
ter wereld bragt en zelve op den rand des grafs verkeerde? 



67 

De heer paul had tot huishoudster de slavin cecilia, 
die eenen grooten invloed op hem uitoefende; maar die in- 
vloed was voor de slaven hoogst verderfelijk, want zij was 
eene jaloersche, hardvogtige, kwaadaardige, wreede vrouw. 
Eeeds verscheiden kleurling-slavinnen , waarvan zij de me- 
dedinging vreesde, waren, ten gevolge van hare bemoeij in- 
gen, naar suiker-effekten verbannen, waar, gelijk men weet, 
de arbeid veel zwaarder is dan op katoen-plantages. Nu 
was er eene nieuwe huismeid gekomen, eene jonge mulattin. 
Ook haar zag cecilia met naijverige oogen aan. 

Op zekeren dag gelastte haar de direkteur eene soort van 
gebak te maken, die in zijn land zeer gezocht was. Na- 
tuurlijk wist de Surinaamsche slavin niet, hoe men in Pom- 
meren spijzen bereidt. Toch zei zij 't niet, want reeds 
meermalen was zij gestraft geworden, wanneer zij verklaar- 
de 't een of ander niet te weten of te kennen. Zij klaagde 
haren nood bij den blank-officier, die langzamerhand de 
vriend en vertrouweling der slaven was geworden. Deze 
hielp haar te regt — en 't gebak was uitmuntend. Maar 
nu bleek het den direkteur dan ook ten duidelijkste, dat het 
slechts onwil was, wanneer zij voorgaf iets niet te kunnen. 
Als ze dit kon, waarom dan niet al het overige, dat men haar 
opdroeg? Zoo kon de ongelukkige mulattin niets doen, of 
het wekte het ongenoegen van den heer paul op. cecilia 
deed al het mogelijke, om dien onwil te voeden; want die 
gehate mededingster in hare oogen moest verwijderd wor- 
den, 't Gelukt haar eindelijk den direkteur te bewegen, om 
de mulattin aan den mede-administrateur te Paramaribo te 
zenden, ten einde daar op het piket der justitie te worden 
afgestraft. 

Maar die mede-administrateur kende zijnen collega, on- 
derzocht wat er gebeurd was en zond de kleurling terug, 
met het berigt, dat hij de zaak niet begreep, maar dat hij 

5-* 



68 

zelf op de plantage zou komen, om nadere inlichtingen te 
verkrijgen. Eenigen tijd later komt hij werkelijk. De sla- 
vin wordt door den bastiaan voor het woonhuis gebragt. 
Door den blank-officier ingelicht omtrent al hetgeen er met 
haar gebeurd was, zocht de mede-administrateur haar te 
redden, maar de heer paul wilde van niets hooren. De 
mede-administrateur vreesde zijnen collega, want deze kende 
zijne geheimen; hij vreesde de rapporten, die omtrent de 
administratie, welke hij voerde, aan de eigenaren zouden 
kunnen worden gemaakt, en hij had dus tegenover den di- 
rekteur niet veel kracht. Hij gaf toe. De slavin werd ont- 
kleed, en veertig zweepslagen deden haar het ligchaam 
bloeden. 

Maar mogt de menschelijke geregtigheid al werkeloos 
zijn, toch werd hij eindelijk in zijn boosaardige willekeur 
verlamd. Er was eene hoogere magt, die de weerloos aan 
hem overgegeven slaven van hem verloste. 

In *t begin van 1851 werd hij krank. Gedurende verschei- 
den weken had hij een bitter lijden te verduren, dat met zijnen 
dood eindigde. Dat krankbed bewees, hoe diep in Suriname 
het denkbeeld wortel schiet, dat slaven eigenlijk geen men- 
schen zijn. Hetzelfde, wat men, aan vrijen gedaan, als misdaad 
en zonde beschouwt, wordt, jegens slaven bedreven, eene 
geheel onschuldige daad; wordt ongeveer op dezelfde lijn be- 
schouwd als wat men aan dieren doet. Dat krankbed bewees, 
hoe sterk het vooroordeel der blanken is tegen de ongelukkige 
negers, zoodat zelfs in oogenblikken, wanneer gewoonlijk 
alle begoochelingen verdwijnen, wanneer men zijne zonden 
betreurt en zelfs zijne vijanden vergeeft, de Surinaamsche 
slavenhouder, die zich met God tracht te verzoenen, en in 
eene ernstige en zachtmoedige stemming verkeert, onwille- 
keurig en werktuigelijk zijne lijfeigenen daarvan uitsluit. 
De heer pa ut. had vreesselijke ligchaamssmarten ; de ge- 



69 

neesheer gaf hem weinig hoop op herstel; met gelatenheid 
en onderwerping verdroeg hij zijn leed, en hij bad God om 
barmhartigheid en genade. Zijn voeteboy, de opvolger van 
den armen marius, verliet de kamer en de legerstede van 
zijnen meester bijna niet, en bediende hem nacht en dag 
met voorbeeldige zorgvuldigheid en trouw. Maar geen won- 
der, dat het gedurig nachtwaken den knaap nu en dan de 
oogleden van slaap deed toevallen. 

Reeds bij verscheiden gelegenheden had de kranke direk- 
teur tot twee en driemaal moeten roepen, eer de jongen 
hem hoorde, en naar mate zijne krachten afnamen, kostte 
zulk eene inspanning hem meer moeite. Daarom liet hij , 
toen een paar vermaningen niet hielpen , eenen bastiaan ko- 
men en den knaap voor zijn doodbed een aantal zweepslagen 
geven. Den volgenden dag blies hij den laatsten adem uit, 
om te verschijnen voor een regterstoel, waar menig meester 
de plaats van zijnen slaaf zal benijden ! 



IV. 



STR4FBËDREIGII\GËIN TEGEN DE UUM. 



— *««ia-f— 



Wij moeten nog enkele bepalingen van het reglement be- 
treffende //de tucht" wat nader toelichten. Uwe aandacht is 
ongetwijfeld gevallen op dat gedeelte van artikel 2.8, waar 
den slaaf het regt wordt gegeven , eene hem opgelegde straf 
te weigeren, en daarvan te appelleren. //Een slaaf,"" zoo 
luidt het, //weigerende de straf, hem door den gezagvoerder 
opgelegd, aan te nemen, zal niet van het werk geweerd maar 
daaraan gelaten worden; doch zal inmiddels van die zaak 
door den gezagvoerder aan den eigenaar of administrateur 
kennis worden gegeven, die daarin zal voorzien, zoo als hij 
vermeenen zal te behooren." 

— A-Ziet gij? de slaaf is zoo weerloos niet als men het 
voorstelt. Hij behoeft zich aan eene straf, die hem wordt 
opgelegd, niet te onderwerpen, vóór hij in hooger beroep 
is gekomen. Is dat geen waarborg tegen overijling en on- 
regtvaardigheid?" 

Wij antwoorden zonder eenige omwegen : neen ! dat is 
geen de minste waarborg. 

Beschouw het rtikel nog eens naauwkeurig. Op wien 



71 

mag de slaaf zich beroepen? Niet op een regterlijk kolle- 
gie, niet op een regterlijk of Gouvernements-ambtenaar; maar 
op den administrateur of eigenaar der plantage. De neger 
mag zich over den gezagvoerder beklagen bij den lastgever 
van dien gezagvoerder. Die lastgever moet regt spreken 
tusschen den direkteur en den slaaf. Wien zou hij gelijk 
geven? Vergeet bij de beantwoording dezer vraag niet de 
algemeene denkwijze in Suriname, dat door alle middelen 
het gezag der vrije bevolking moet gehandhaafd worden, en 
dat niets het gezag meer ondermijnt, dan wanneer men 
vrije personen tegenover slaven in het ongelijk stelt. Ver- 
geet niet, dat de administrateur belang heeft bij de rust 
en orde der plantage, en dat daartoe het gezag van den 
direkteur moet geschraagd worden. De administrateur is 
een despoot, ook over den gezaghebber; hij is naijverig op 
zijne magt, ook tegenover den gezaghebber; maar als het 
de slaven geldt, dan zal hij die magt niet ligt anders too- 
nen, dan in den geest van het reglement, dat is: dat hij 
de bevoegdheid heeft, om nog zwaarder straften op te leg- 
gen dan de direkteur. 

En bovendien houden wij ons overtuigd, dat het lezen 
dezer bepaling menig direkteur, die zich de moeite heeft ge- 
troost van het slaven-reglement eens door te loopen, eenen 
glimlach zal hebben afgeperst. //Wat is dat !" zoo riep er een 
in verbazing uit, //zie ik wel? Ja, waarlijk, het staat er: 
////Een slaaf, weigerende de straf, hem door den gezagvoer- 
der opgelegd, aan te nemen"" Maar denkt de man, die 

dat ding gemaakt heeft, dan waarlijk, dat een slaaf iets 
weigeren kan? 't Zou er mooi uitzien! En nog wel de 
straf weigeren , die de gezagvoerder hem oplegt ! De schur- 
ken zouden ze altoos weigeren, als men daaraan maar voet 
gaf. Nu wij zorgen wel, dat zij niet weigeren kunnen, 
want de bastiaans raken hen, voor zij er om denken!" 



72 

Zou de slaaf wel weten, dat hij het regt heeft, om in 
hooger beroep te komen vóór hij de straf ontvangt? Zou 
hem dit artikel bekend zijn? Zou het gansche reglement 
hem bekend zijn? Is het in 't neger-engelsch vertaald? 
en#is er hem mededeeling van gedaan? Yolstrekt niet! 
Zijn er slaven, die weten wat er in staat, dan zijn zij er 
toevallig achter gekomen. 

Wij gelooven niet, dat er vele voorbeelden zijn van sla- 
ven , die geweigerd hebben de straf te ontvangen ; maar nog 
minder van direkteuren, die aan deze weigering, naar het 
voorschrift van het reglement, gevolg gaven. 

Er wordt wel eens door slaven bij den administrateur 
geklaagd, maar nadat zij de straf hebben ondergaan. Als 
zij die geduldig hebben geleden en voor verdere mishande- 
lingen vreezen, dan klagen zij wel eens. Is er geen kans 
dat de administrateur spoedig op de plantage zal komen , dan 
wagen zij het, naar Paramaribo te gaan en zich bij dien 
//gran masra" (grooten heer) te vervoegen. Maar die het 
eens gedaan heeft, zal het meestal voor de tweede maal niet 
ligt weder doen, want er zijn honderd kansen tegen een, 
dat hij in 't ongelijk wordt gesteld. Vooreerst is het reeds 
eene verregaande //brutaliteit," te veronderstellen, dat een 
direkteur tegenover zulk een verachtelijk wezen, als een slaaf 
is, ongelijk han hebben. Er zijn administrateurs, bij wie 
deze overtuiging zoo diep is gevestigd, dat zij tot stelregel 
hebben aangenomen, om den neger, die het waagt zich te 
beklagen, met het dubbelde der eerste kastijding te korri- 
geren. Maar bovendien; veronderstel eens, dat de slaaf bij 
eenen administrateur, die andere beginselen heeft (gelijk er 
Gode zij dank! nog zijn), inderdaad regt verkrijgt; veron- 
derstel, dat den direkteur 't verkeerde zijner handelwijze 
wordt onder 't oog gebragt; hoe zal de slaaf door dezen ont- 
vangen worden, als hij op de plantage terugkomt? wat zal 



73 

er dan zijn lot zijn? welke behandeling heeft hij, na die 
overwinning, van zijnen direkteur te verwachten? 

De administrateuren kunnen, volgens artikel 29, het dub- 
belde der straffen opleggen, waartoe de direkteur de bevoegd- 
heid heeft. Zij mogen dus aan mannen vijftig, aan vrou- 
wen dertig, aan jongens tusschen veertien en zestien jaar 
dertig en aan meisjes van dienzelfden ouderdom twintig 
zweepslagen laten geven. Maar ook dat erkent het reglement 
niet in alle gevallen als eene voldoende straf wegens //onge- 
hoorzaamheid, opzettelijken onwil in het werken, of andere 
ongeregeldheden en vergrijpen." Als de administrateuren of 
eigenaren van oordeel zijn, dat de slaven eene nog ^^ern- 
stiger correctie" verdienen, dan kan de prokureur -generaal 
tot eene zwaardere straf autoriseren. Wordt die autorisatie 
verleend, dan spelen de tamarinde-roeden eene vreesselijke 
rol. Wordt zij verleend, dan ontvangt de prokureur-gene- 
raal, gelijk voor dezelfde autorisatie ten opzigte van privé- 
slaven, tot belooning voor zijne moeite één gulden. Wordt 
die autorisatie niet verleend, dan is dat' eene winstderving 
voor dien hoogen ambtenaar. Ook hier weder is hij dus 
geplaatst tusschen zijn voordeel, als hij den slaaf laat straffen , 
en zijne schade, als hij hem vrijspreekt. 

Dit vooral is in ons oog een zeer onzedelijk beginsel. 
En toch is het onlangs vernieuwd. Ziehier de resolutie, 
waarbij die vernieuwing plaats had. 

De Gouverneur der Kolonie Suriname , 

Gelezen hebbende eene missive van den Minister van Koloniën, dd. 
15 Mei 11. La B. N". *V79» inhoudende magtiging, om als nog, door 
opname in het Gouvernementsblad, aan het publiek de noodige kennis 
te doen dragen van de daarbij bedoelde wijzigingen van het tarief van 
emolumenten van den prokureur-generaal en de aan dezen hoofdambte- 
naar toegevoegde beambten van policie, zoodanig als voorloopig bij 
Gouvernemcnts-rcsolutic van 4 December 1848, N°. 1549 was beiiaalil 



74 

geworden ; komende die wijzigingen hierop neder , dat voortaan zal kun- 
nen worden berekend : 

a. Door het hoofd der policïe : 

Voor het arrest en ontslag van een slaaf, in stede van ƒ 4 en ƒ 2, 
als bij het Tarief van emolumenten (Publikatie van 1828. N». 
29) bepaald is ƒ 1.00. 

Voor een , na onderzoek der zaak te geven , speciaal verlof 
tot afstraffing van slaven, in de plaats van/" 4, volgens 
het opgemeld tarief bepaald, de som van „ 1.00. 

b. Door de ondergeschikte agenten en dienaren : 

Voor het ontvangen en bewaren van een slaaf, welke in 

custodie overnacht „ 0.50. 

Voor het begeleiden heen en weder van ter custodie verwezen sla- 
ven, als hunne dienst daartoe begeerd wordt, 50 cent, — ko- 
mende daarmede te vervallen de emolumenten van ƒ2 en ƒ 1 , 
wegens het overnachten van gearresteerde of ter custodie opgeslo- 
ten slaven. 
Den Kolonialen raad gehoord, 
Heeft goedgevonden en verstaan : 

Alsnog de vorenstaande wijzigingen te brengen ter kennis van het 
algemeen, door opname van deze resolutie in het Gouvernements-Ad- 
vertentieblad en in het Gouvernements-blad. 

Paramaribo, den 13 September 1852. 
De Gouverneur voornoemd, 
O. VON SCHMIDT AUF ALTENSTADT. 
Ter ordonnantie van den Gouverneur, 
De waarn. Gouvernements-Secretaris. 
A. KIKKERT SCHOTBORGH. 

//Maar meent gij dan," zal men vragen, //dat een proku- 
reur-generaal, voor eenen ellendigen gulden, eene onregt- 
vaardiffheid zal begaan?" Ik antwoord: neen! Ik neem 
aan, dat die hooge ambtenaren zich niet bewust zijn, ooit 
tot het straffen van eenen neger autorisatie te liebben ver- 
leend, alleen om dien gulden te verkrijgen, die hun dan te 
beurt valt. En toch wenschte ik, dat hij nimmer tusschen 
de toestemming en een gulden aan den eenen kant — en de 
weigering en niets aan den anderen kant, geplaatst was. 



75 

Toch wenschte ik voor de eer van het Nederlandsche Gou- 
vernement, dat het nimmer zulke //emolumenten" had toe- 
gestaan. 

Wat ik wilde? Ik wenschte, dat men den prijs, door 
de slavenhouders voor eene //ernstige correctie" hunner sla- 
ven te betalen, niet verminderd maar aanzienlijk verhoogd 
had. Die som had men echter niet ten voordeele van den 
prokureur-generaal en de ondergeschikte dienaren en agenten 
der policie moeten bestemmen , maar ze in 's lands kas doen 
storten. 

Vooral de artikelen 32, 33 en 34 verdienen onze aan- 
dacht. Reeds meermalen spraken wij van privé-slaven, die 
uit Paramaribo naar de plantages gezonden worden. Ook 
dat is op zich zelf reeds eene straf en eene zeer zware straf. 
//De stads-slaaf," zegt de heer lans, //ziet op den plan- 
tage-slaaf neder, als de burger op den boer." Neen 't is 
veel erger. Het leven van den privé-slaaf in Paramaribo, 
hoe ongelukkig en beklagenswaardig ook, is nog verre te 
verkiezen boven het lot van den plantage-slaaf. En toch 
heeft de eigenaar te Paramaribo de bevoegdheid, niet alleen 
om den neger, die zich in zijue oogen schuldig heeft ge- 
maakt aan eenig vergrijp, naar eene plantage te verbannen, 
maar ook, om zijnen slaaf als hem dit voor deeliger uitkomt, 
aldaar te verhuren. 

Als de privé-slaaf zich nu op de plantage bevindt, dan 
wordt hij, volgens artikel 32, in alles gelijk gesteld met de 
slaven van het efi'ekt. Hij, die aan den veldarbeid nimmer 
gewoon was, moet dus hetzelfde werk verrigten als de ne- 
gers, die er van der jeugd af bij zijn groot gebragt. De- 
zelfde taak, die dezen reeds zwaar genoeg valt, wordt op 
zijne schouders gelegd. Is het wel te veronderstellen, dat 
hij ze ooit op den bepaalden tijd gereed zal kunnen heb- 



76 

ben ? Maar dan ook worden dezelfde strafoefeuingen op hem 
toegepast, die den plantage-slaaf bedreigen. In Paramaribo 
was hij toch nog door eenige kontrole tegen al te gruwzame 
mishandeling beschermd, maar nu in 't geheel niet; nu is 
hij weerloos aan de willekeur van den bastiaan overgeleverd , 
die nog minder reden heeft, om hem te sparen, dewijl hij 
ook door de slaven als een vreemdeling beschouwd wordt. 

't Is voorwaar niet te verwonderen, dat men dit verzen- 
den van stads-slaven naar de plantages , 'twelk vele eigenaren 
alleen uit winstbejag doen, tevens tot eene straf heeft ver- 
klaard. En zoodanige verbanningen hebben menig werf plaats. 
Niet zelden doet men het, om 't een of ander slagtoffer der 
wreedheid van zijnen heer aan het oog der wereld te ont- 
trekken. Wij hebben daarvan vroeger reeds voorbeelden 
medegedeeld. Somtijds geschiedt het ook, om slaven, die 
van een niet te bewijzen misdrijf verdacht worden, te ver- 
wijderen. 

Ook vrouwen deelen in ditzelfde lot; ook zij worden dik- 
wijls uit Paramaribo naar de plantages verbannen; ook zij, 
die voor huisselijke diensten of vrouwelijke handwerken waren 
opgevoed, moeten dan veldarbeid verrigten. Dan biedt de 
prostitutie haar het eenige middel aan, om haren toestand te 
verbeteren. Hare handen staan natuurlijk verkeerd voor de 
taak, die haar wordt opgelegd. Als zij zich dan aan de 
bastiaans ten beste geven, kunnen zij de zweepslagen ont- 
gaan, die anders hare ligchamen misvormen. 

Een mijner vrienden vond op eene plantage de slavin 
SYLVIA, die door hare meesteres, mevrouw eliza, derwaarts 
was verbannen, om daardoor de mishandelingen te verber- 
gen, die de ongelukkige ondergaan had. Hij zag dat schoone, 
bevallige meisje nu terug als een diep gevallen, onteerd, 
zedeloos schepsel! 



77 

Maar er komen in het reglement ook strafbepalingen voor 
tegen hen, die hunne bevoegdheid tot het straffen van sla- 
ven overschrijden. Volgens artikel 36 wordt die overschrij- 
ding gestraft met eene boete van f 100 tot ƒ 300, en 
wanneer zij, door verzwarende omstandigheden, in mishan- 
deling mogt ontaard zijn, zal dit als feitelijk geweld aange- 
merkt en als zoodanig gestraft worden. 

Wij hebben gezien, dat dit reglement de plantage-slaven 
nog veel meer aan de willekeur hunner meesters prijs geeft, 
dan de privé-slaven — en nu is eene geldboete van hoog- 
stens f 300 de straf, die kan worden opgelegd, wanneer een 
direkteur, in plaats van vijf-en-twintig zweepslagen, waartoe 
hij de bevoegdheid heeft, den slaaf er honderd of een paar 
honderd laat toebrengen. Bijna dagelijks wordt het regle- 
ment, ook met betrekking tot de strafi'en, overtreden, want 
er is geen toezigt dat zijne voorschriften handhaaft; maar 
wanneer het, in weerwil dezer gebrekkige kontrole, een 
enkele maal gebeurt, dat de overschrijding van de bevoegd- 
heid tot straffen gekonstateerd wordt, dan komt er de over- 
treder met eene boete van ƒ" 100, hoogstens/" 300 af. Als 
van den slavenhouder, die in de afgelegen en eenzame stre- 
ken, waar hij zijn verblijf heeft, duizendmalen het regle- 
ment overtreedt, zonder dat het hem bewezen kan worden, 
eindelijk een enkele maal aan het licht komt, dat hij eene sla- 
vin, in plaats van door vijftien zweepslagen, door twee-honderd 
heeft gepijnigd en gefolterd; als 't bewezen wordt, dat die 
marteling alléén haren oorsprong nam uit de walgelijkste 
onzedelijkheid en de verachtelijkste wraak; — dan wordt 
zulk een monster gestraft.... met eene geldboete! 

Of verwacht gij veel van die bedreiging, dat wanneer, 
door //verzwarende omstandigheden", de magtsoverschrijding 
in mishandeling mogt ontaard zijn, de straf zwaarder zal 
wezen. Wat zijn verzwarende omstandigheden ? Daar zweep- 



78 

en roede-slagen geoorloofd zijn, zal het, zoo lang geen 
verminking heeft plaats gehad of het leven niet in gevaar 
is gebragfc, wel altijd moeijelijk te bewijzen zijn, dat er 
inderdaad mishandeling plaats had. 

Ook artikel 17, ofschoon dagelijks de overtredingen plaats 
grijpen, waartegen het gerigt is, wordt bijna nimmer toe- 
gepast. //Het straffen van slaven", zoo luidt het, //door 
anderen, dan die daartoe de bevoegdheid hebben, of met 
andere strafwerktuigen dan bij dit reglement is toegestaan, 
wordt beschouwd als feitelijk geweld." Dagelijks worden, op 
de plantages, slaven gestraft door anderen, dan die daartoe de 
bevoegdheid hebben. //De blank-officieren mogen", volgens 
artikel 31, //in geen geval eenige straf opleggen", en zij doen 
het toch. De bastiaans behooren alleen de instrumenten te 
wezen, waardoor de straf, die de direkteur of administrateur 
uitspreekt, wordt toegepast; en de bastiaans brengen dage- 
lijks uit eigen beweging zweepslagen toe! 

Eindelijk kent artikel 38 aan den regter de bevoegdheid 
toe, //om gezagvoerders, eigenaren en administrateuren van 
plantages, die hun gezag doorgaand misbruiken, ongeschikt 
te verklaren, om eenig opzigt over de slaven te voeren, en 
aan hen het gezag daarover te ontnemen". Daar aan H 
getuigenis van slaven tegen hunnen meester in regten niet 
veel waarde wordt gehecht, is 't reeds moeijelijk een enkel 
feit van mishandeling te bewijzen; maar hoe is 't nu mo- 
gelijk, om een doorgaand misbruik van gezag tot klaarheid 
te brengen, zoodat er eene veroordeeling op volgt? Moet 
iemand reeds vroeger veroordeeld zijn, voor men hem aan 
n doorgaand misbruik van gezag" kan schuldig verklaren? 
Zoo ja, hoe veel malen? 

Ziedaar de straffen, waarmede menschen bedreigd worden , 
die een bijna onbepaald gezag uitoefenen over hunne mede- 



79 

menschen; die de slaven beschouwen als zaken , voorwerpen , 
dieren, als wezens, jegens welke men geene zedelijke ver- 
pligtingen heeft; die, gelijk wij thans zullen aantoonen, 
bijna geheel zonder toezigt het lot hunner ongelukkige lijf- 
eigenen regelen. Ergerlijk is de verschooning, waarmede de 
overtreders van het reglement worden behandeld, in tegen- 
overstelling van de bevoegdheid, die hun tegenover hunne 
slaven wordt geschonken. De slaven, bij de minste over- 
treding, of geheel naar de luimen van hunne meesters zon- 
der eenige overtreding, gestraft met vijf-en-twintig zweep- 
slagen — de meester met ƒ 100 boete! 

Ook hier weder blijkt de invloed, dien de slavenhouders 
zelve op den inhoud van dit reglement hebben uitgeoefend. 
Zij, tegen wie de strafien bedreigd worden, hebben ze er 
in gebragt. 



■ '« g^ -^ g)» 



V. 



HET TOËZIGT. 



Met vrijmoedigheid hebben wij ons afkeurend oordeel over 
de reglementen uitgesproken, die voorschrijven, hoedanig de 
toestand behoort te zijn van bijna veertig-duizend onzer mede- 
menschen in Suriname. Maar tevens hebben wij aangetoond, 
dat die reglementen niet worden nageleefd, dat het even 
goed is, alsof zij niet waren geschreven; en reeds menig- 
werf gaven wij met een enkel woord te kennen, dat het 
gebrekkige toezigt van Gouvernementswege over de behan- 
deling der slaven door hunne meesters daarvan oorzaak is. 
Al waren de voorschriften der reglementen ook zoo voor- 
treffelijk, gelijk zij nu afkeurenswaardig zijn, dan nog 
zouden zij niet baten, tenzij eene strenge, onpartijdige en 
voor hare taak berekende magt met het ten uitvoer leggen 
dier voorschriften belast is. 

't Is waar, dat de regering van Suriname, volgens de 
bevelen des Konings , de beschermster der slaven behoort te 
wezen. Artikel 72 van het Eeglement op het beleid der 
regering in de kolonie Suriname, vastgesteld bij 's Konings 
besluit van 9 Augustus 1833 no. 89, is inderdaad treffend 



81 

en schoon. //De slavenbevolking" ^oo luidt het, //wordt 
aan de bijzondere bescherming van de koloniale regering 
aanbevolen. Zij zal steeds de doelmatigste middelen aan- 
wenden, om, voor zoo verre zulks, zonder inbreuk op de 
regten der eigenaren en zonder de rust en veiligheid der 
koloniën in de waagschaal te stellen, geschieden kan, den 
toestand der slaven te verbeteren en derzelver welzijn be- 
vorderlijk te zijn". 

Zoo luidt het voorschrift. En toch, in weerwil van dat 
voorschrift, schijnt de koloniale regering slechts de roeping- 
te kennen, om de slaveneigenaars , in het bezit van hunne 
negers en hunne willekeurige beschikking over het ligchaam 
en de ziel dier ongelukkigen, te handhaven en te rugsteunen. 
Zoo schijnt het; want wat is de uitkomst van die //doel- 
matige middelen", die zij moet aanwenden , //om den toestand 
der slaven te verbeteren en hun welzijn te bevorderen?" 
Wij kennen niets anders, dan de beide reglementen, die in 
1851, dus negentien jaren later, zijn afgekondigd. Toen 
eerst zijn wettelijke bepalingen vastgesteld omtrent de wijze, 
waarop de slavenhouders hunne slaven behooren te voeden, 
te kleeden, te straffen en te laten werken. Tot dien tijd 
voorschriften, barbaarscher dan de geschiedboeken van eenig 
land kunnen aanwijzen, of geene regelen hoegenaamd; tot 
dien tijd de slaven geheel aan de willekeur hunner meesters 
overgelaten. Toen eerst voorschriften, maar die alléén het 
belang der meesters beschermen. Toen eerst voorschriften, 
maar zonder eenigen invloed, omdat de krachtige hand ont- 
breekt, die de overtreders aanwijst en de schuldigen vervolgt 
en straft. 

De hoofdpersoon, aan wien, in Suriname, de onmiddelijke 
zorg is opgedragen voor de huishoudelijke belangen der 
kolonie, onder welke speciaal de belangen der slaven- genoemd 
worden, is de Gouverneur. Van dien ambtenaar, deeenige, 

II. 6 



82 

die misschien onpartijdig boven de vrijen en slaven staat, 
zou men met grond een onafhankelijk en regtvaardig oordeel 
over de negerbevolking mogen verwachten. Maar die Gou- 
verneur kan natuurlijk niet alles weten. Hij moet organen 
hebben, waardoor de gebeurtenissenter zijner kennis komen. 
Een enkel man, wien zulk eene uitgestrekte magt wordt 
toevertrouwd, kan niet alles in persoon onderzoeken en 
navorschen, niet tot de geringste bijzonderheden van zijn 
bestuur doordringen, niet van alles, wat in zijn gebied voor- 
valt, zich met eigen oogen overtuigen. Hij moet voorgelicht 
en ondersteund worden in de uitoefening zijner hooge en 
gewigtige, maar moeitevolle en zware taak. Daartoe strekt 
in de eerste plaats de koloniale raad. 

Dat kollege is zamengesteld uit den prokureur-generaal, 
den administrateur van financiën en //zes van de aanzien- 
lijkste ingezetenen, zijnde gedeeltelijk grondbezitters in de 
kolonie woonachtig en gedeeltelijk vertegenwoordigers van 
afwezige grondbezitters". 

Ziedaar zes eigenaren of administrateurs van plantages 
eerste raadslieden van den Gouverneur ! Zijn zij onpartijdig 
wanneer het slaven geldt? Zij zijn eigenaren van slaven; 
zij zijn sedert jaren gewoon aan de wijze waarop de slaven 
in Suriname worden behandeld; zij hebben belang bij de 
hoegrootheid der taak, die den slaven mag worden opgelegd 
en de hoeveelheid voedsel, die hun moet worden gegeven; 
zij hebben belang bij de handhaving der magt, die de mees- 
ters tot dus ver op de slaven bezaten ; zij hebben belang bij 
de voortdurende ondergeschiktheid, lijdelijkheid en onder- 
werping der slaven, die, volgens het algemeen gevoelen in 
Suriname, ondermijnd wordt en gevaar loopt, wanneer sla- 
ven tegenover hunne meesters in 't gelijk worden gesteld. 
Wij willen veronderstellen, dat nimmer administrateurs in 
den kolonialen raad zitting hebben gehad , als wij in dit boek 



sa 

hebben leeren kennen, zonder echter op ons te nemen die 
veronderstelling te verdedigen als zij bestreden wordt; wij 
nemen aan, dat alleen de voortreflelijksten der //vertegen- 
woordigers van afwezige grondbezitters" in dat hooge kol- 
lege zijn opgenomen; maar 't waren toch menschen, die 
zich onmogelijk van de heerschende denkwijze en vooroor- 
deelen der kolonie geheel konden losrukken, die hun eigen 
belang en 'tgeen zij daarvoor hielden niet zoo gansch en 
al op zijde konden zetten. Is het te verwachten, dat zulke 
menschen over slaven en slavernij zullen oordeelen als zij, 
die geene slaven bezitten, zoo onpartijdig, zoo belangeloos, 
zoo regtvaardig? 

De Gouverneur is verpligt, het advies van den kolonialen 
raad in te winnen, zoo dikwijls er nieuwe wetten, regle- 
menten of bepalingen voor de kolonie Suriname door hem 
noodig worden geacht. Kan hij er op rekenen, altijd een 
advies te zullen vernemen, dat op waarheid en regt steunt, 
zoo dikwijls het slaven geldt? De Gouverneur heeft de 
bevoegdheid dit advies te vragen, wanneer hij in gewigtige 
zaken, tot zijne uitvoerende hoedanigheid betrekking heb- 
bende, de voorlichting en raadpleging van den kolonialen 
raad mogt begeeren. Kan hij er van verzekerd zijn, dat 
die eigenaren en administrateurs de slavernij, in zulke ge- 
vallen, niet van de schoonste zijde zullen voorstellen, dat 
zij de misbruiken , waarover zij moeten adviseren, niet zullen 
vergoelijken en bedekken, dat zij ieder verzet of ongere- 
geldheid der negers, hoe ook door de handelingen der sla- 
venhouders geprovoceerd, niet altoos als eene vreesselijke en 
onvergefelijke misdaad der slaven zullen voorstellen? 

De zes ingezetenen, eigenaren en administrateuren van 
plantages, die tot den kolonialen raad behooren , moetenden 
ouderdom van vijf-en-twintig jaren bereikt hebben, gedu- 
rende ten minste twee jaren in de kolonie hebben gewoond 

6^ 



S4 

en mogen den Gouverneur tot in den derden graad van 
bloedverwantschap of zwagerschap niet bestaan. Jaarlijks 
treedt een hunner af, maar hij is dadelijk weder benoem- 
baar. De benoeming geschiedt door den Gouverneur, onder 
nadere goedkeuring des konings , uit eene nominatie van drie 
personen, hem door den raad aangeboden. 

Gij ziet, dat de ingezetenen tot dus verre geen invloed 
hebben op de zamenstelling van den kolonialen raad. In 
het reglement op het beleid der regering, dat de Minister 
van Koloniën, een paar jaren geleden, aan de Tweede Ka- 
mer der Staten-Generaal heeft aangeboden, deed hij het 
voorstel, om aan de vrije ingezetenen daarop eenen krachti- 
gen invloed te geven, door regtstreeksche verkiezing der 
leden van dien raad. 

Zoodra alle ingezetenen van Suriname vrij zullen zijn, 
behoort, naar mijne meening, dit regt aan die ingezetenen 
verzekerd te worden. Wij zijn voorstanders van het stelsel , 
door den Minister van Koloniën in zijn aan de Tweede Kamer 
ingediend wetsontwerp op het beleid der regering in West- 
Indië nedergelegd. Maar zoo lang Suriname's bewoners in 
twee afdeelingen zijn gesplitst, waarvan de eene, de meer- 
derheid, aan de willekeur van de andere, de minderheid , is 
prijs gegeven; zoo lang de emancipatie der slaven niet heeft 
plaats gehad, zullen wij elke uitbreiding van burgerschaps- 
regten bestrijden, elke versterking van den invloed der in- 
gezetenen op het bestuur trachten te verhinderen. 

Het Gouvernement is, in dezen staat van zaken, behoort 
althans te zijn, de scheidsman, de regter tusschen de min- 
derheid en de meerderheid, tusschen de vrijen en de slaven, 
tusschen de verdrukkers en verdrukten. Het Gouvernement 
behoort de laatsten tegen de eersten in zijne bescherming 
te nemen. 

Maar naarmate gij nu aan de vrijen meer invloed ver- 



85 

leent op de handelingen van dat Gouvernement, naar die mate 
geeft gij de slaven prijs aan de willekeur hunner heeren. 

Tot dus verre heeft elke poging, om de slaven te eman- 
ciperen, schipbreuk geleden vooral op den onwil der slaven- 
houders. Hoe vele jaren hoort gij niet reeds het oude bekende : 
//wij keuren de slavernij af, maar wij willen geene plotselinge 
vrijverklaring; wij willen emancipatie, maar langzaam en 
voorzichtig; wij willen eerst de negers voorbereiden tot de 
vrijheid!" Zoo heeft men gesproïcen. Wat heeft men ge^ 
daan? Niets, volstrekt niets! Zoo spreekt men nog, zoo 
zal men blijven spreken — en ondertusschen blijven die 
veertig-duizend ongelukkigen slavenketenen dragen. Zoo 
zal men blijven spreken, tenzij eene krachtige en moedige 
hand tusschen beide mogt komen en handelen; tenzij een 
Minister van Koloniën, met eene vaste overtuiging, eenen 
onverzettelijken wil en eene grondige kennis, niet meer over 
de zaak spreke maar de handen aan het werk sla. 

Maar wilt gij nu dien invloed , die elke poging tot eman- 
cipatie deed mislukken, nog versterken door zijne werking 
op het bestuur te vergrooten? Wilt gij aan die vrijen, die 
vijandig staan tegenover de slaven, nog grooter magt geven 
over de toekomst der slaven? Gelooft gij niet, dat daardoor 
de emancipatie, nu reeds door hunne werking bemoeijelijkt, 
volstrekt onmogelijk zal worden? 

Thans worden de leden van den kolonialen raad door het 
Gouvernement benoemd; dat han ten minste eene keuze 
doen uit zulke administrateurs en eigenaren, die jegens de 
slaven het minst partijdig en onchristelijk gezind zijn. 
Moesten de ingezetenen kiezen, zij zouden bij uitsluiting, 
althans bij voorkeur, hen benoemen, die de vermeende regten 
der slavenhouders zouden verdedigen tegen elke inbreuk, 
ook van menschelijkheid en christendom, die de slavernij 
zouden willen handhaven ten eeuwigen dage. 



86 

De koloniale raad, gelijk die thans is zamengesteld, geeft 
weinig waarborgen voor de uitoefening van een en onpartij- 
digen invloed op den Gouverneur, wanneer het slaven geldt. 
Is het met die van de overige ambtenaren, welke den land- 
voogd omgeven, beter gesteld? Wij gelooven het niet. Zou 
de algemeen in Suriname heerschende geest hen op den duur 
zelfstandig laten? En bovendien bijna allen zijn op de een 
of andere wijze aan de plantages verbonden, en in hunne 
belangen ten opzigte van slaven niet vrij. Velen bezitten 
zei ven slaven. Een ander is de schoonzoon van een slaven- 
eigenaar. Een derde heeft vrienden of betrekkingen, die 
bij eene verbetering van het lot der negers of hunne eman- 
cipatie schade zouden lijden. Zij zijn niet meer onafhanke- 
lijk in hun oordeel, en, welke voort refl'elijke menschen zij 
mogen wezen, wanneer het de negers geldt, deelen zij inde 
gewone zienswijze, die in de kolonie epidemisch schijnt 
te zijn. 

Intusschen, zult gij zeggen, blijft altoos de kans bestaan , 
dat de Gouverneur, als hij enkele malen eene inspectie-reis 
doet, uit eigen oogen zien zal. 't Is waar, zij bestaat, 
maar zij is zeer gering. Komt gij of een ander op eene 
plantage, dan zal men geene moeite aanwenden, om 't geen 
er voorvalt te verbergen. Maar komt er zulk een hoog ge- 
plaatst persoon als de landvoogd, dan zijn er duizend mid- 
delen, om hem de zaken zoo voor te stellen, als men 't 
liefst heeft, dat zij gezien worden. De werkzaamheden wor- 
den voor dien dag op die wijze geregeld, dat ieder moet 
verklaren, dat zij buitengewoon ligt zijn. De slaven, die 
in wonden en lidteekenen in 't oog vallende bewijzen dragen 
van ondergane mishandelingen, worden tijdelijk verwijderd 
of met een kleedingstuk versierd, dat de dijen bedekt. Nog 
een zeker werkend middel bezit men , om de gelaatstrekken 
der slaven te verlevendigen, hen in eene opgeruimde stem- 



87 

ming- te brengen en hun 't voorkomen van gelukkige men- 
schen te geven, 't Grootste genoegen van de negers is de 
dans. Welnu, men geeft hun eene //balj aarpartij" of een 
//doe"", dat is, men veroorlooft hun een vrijen dag, om die 
uitspanning te genieten. Wil men 't hun bijzonder aange- 
naam maken, dan voegt men er een //switi moffo", eene 
extra uitdeeling van wat bakkeljaauw of gezouten vleesch 
bij. Zij zijn als de kinderen; alle smart is vergeten en ie- 
der, die 't niet beter weet, meent de gelukkigste menschen 
der wereld te zien. 

Gedurende den tijd, dat prins hendrik de kolonie Su- 
riname met zijne tegenwoordigheid vereerde, gaf men eens 
zulk een //doe". Gelijk gewoonlijk bij zulke plegtige fes- 
tiviteiten, was er voor de negers eene danszaal opgerigt. 
Zij was geplaatst op een der tuinen en zaamgesteld uit wat 
ruw, rondhout of sparren, die men op eenigen afstand van 
elkander in den grond had gestoken. Een zeil was daarover 
heen gespannen, zoodat het vertrek aan alle zijden open 
maar boven gedekt was. De vloer, waarop gedanst werd, 
bestond uit de aarde, die men zoo veel mogelijk efien had 
gemaakt. Aan den binnenkant was de zaal met vele vlag- 
gen behangen, en zij werd verlicht door eenige zoogenaamde 
klok-lantarens. 

De dansers zijn nooit meer dan één paar tegelijk, die van 
tijd tot tijd worden afgewisseld. Ook muzijk luistert het 
feest op. Zij wordt door zeer eenvoudige instrumenten voort- 
gebragt. Twee of drie negers kloppen met stokjes op eene 
plank, geaccompagneerd van eene soort van trom, uit een 
hollen boom vervaardigd, over welks ééne uiteinde een bees- 
teuvel is gespannen. Het instrument gelijkt veel naar een 
houten scheepspomp. Door de negerinnen , die om de dans- 
zaal geschaard staan, wordt onophoudelijk bij deze muzijk 
gezongen. De zang is zeer eenvoudig en eentoonig, maar 



88 

de woorden, die zij zingen, hebben altijd eenige beteekenis. 
't Zijn woordspelingen of zinspelingen op 't een of ander 
voorval; somtijds is het bittere ironie, dikwijls zijn 't klaag- 
toonen; alles afhankelijk van de omstandigheden of van de 
gemoedsgesteldheid der slavinnen. Niet zelden zijn het gees- 
tige zetten , korte en krachtige uitdrukkingen , iets waartoe de 
taal bijzonder geschikt is. Dezelfde woorden en zangtoonen 
worden onafgebroken eenige uren lang herhaald. 

Prins HENDRIK, door den Gouverneur begeleid, zag met 
belangstelling naar dit vreemde schouwspel. Hi] vatte na- 
tuurlijk den zin niet van het lied, waarvan de toonen hem 
in de ooren klonken, en hij verkeerde in dat opzigt in 't 
geval van de meeste blanken, die zulke feesten bijwonen. 
Bijna niemand hunner stelt zoo veel belang in de scherts 
en den geest der slaven, dat zij die uit hunne geïmprovi- 
seerde zangen trachten te begrijpen. Ook de Gouverneur 
begreep waarschijnlijk niet, wat de negers zongen; maar al 
had hij het begrepen, dan nog zou hij het den prins niet 
hebben uitgelegd, want weet gij wat zij zongen? De zang 
was regelregt tot hem, den begeleider van den vorst, gerigt, 
en luidde, in onophoudelijke herhaling, aldus : 

„Yoe sorrie hin da boen, 
Yoe moessie sorrie hin da ogrie toe !" 

De letterlijke vertaling dezer eenvoudige woorden, maar 
voor de slaven, voor den Gouverneur en voor alle Surina- 
menaars, indien zij ze verstonden, vol zin en beteekenis, 
zou op deze wijze kunnen worden uitgedrukt : 

„Gij laat hem al het mooije zien, 
Gij moest hem den leelijken kant ook laten kijken!" 

Dat noem ik fijne ironie. Beschaafder, maar tevens scher- 
per en snijdender kon het den Gouverneur moeijelijkverwe- 



89 

teu worden, dat hij eenzijdig was in zijne voorstellingen 
aan prins hendrik, gelijk de administrateurs en direkteurs 
der plantages weder op hunne beurt aan den Gouverneur, 
dewijl zij, op dergelijke festiviteiten, de slaven in eenen 
door danslust en vreugde opgewonden toestand, niet in 
hunne ware gedaante, lieten zien. 

De tweede, of eigenlijk de voorname persoon, die als be- 
schermer der slaven in Suriname zou kunnen optreden, is 
de prokureur-generaal , daar hij, als hoofd der regterlijke 
en administratieve policie, in 't algemeen verpligt is (blij- 
kens het Verslag van den Minister over 1849) //tot de 
naauwkeurige handhaving van alle keuren, publikatiën en 
wetten, welke op de dagelijksche policie betrekking hebben, 
hetzij ze de veiligheid en gezondheid der ingezetenen, het 
behoud der openbare rust en de ongestoorde uitoefening van 
elks regten beoogen, hetzij ze met eenig ander onderwerp 
van algemeen welvaren in verband staan." Gij veronder- 
stelt, dat onder die //ongestoorde uitoefening van elks reg- 
ten" ook de regten zouden behooren, die, hoe gering ze 
dan ook mogen zijn, in de reglementen aan de slaven wor- 
den toegekend. Gij hebt uwe hoop op dien ambtenaar ge- 
bouwd, dat hij althans de verdediger der verdrukten tegen 
de verdrukkers zal zijn; dat hij zal waken tegen de over- 
overtreding der koninklijke besluiten; dat hij zal zorgen 
voor de voeding der slaven overeenkomstig de voorschriften 
en tegen de mishandeling dier weerlooze menschen. Ook 
die verwachting is ongegrond. Met den besten wil, met 
het diepste besef zijner heilige verpligtingen , zou het den 
prokureur-generaal bijna onmogelijk zijn. 

Vooreerst verzoek ik u in 't Verslag van den Minister 
eens na te gaan, wat zoo al de overige werkzaamheden zijn, 
die dezen ambtenaar zijn opgedragen. Ik zal er 't een en 
ander uit afschrijven. 



90 

„De prokurenr-generaal is gehouden , de strenge hand te houden aan 
de koloniale verordeningen, welke ten aanzien van de reinheid en het 
onderhoud der straten, wegen en grachten, van de bruikbaarheid van 
waterloozingen , ter verhoeding van brand en andere algemcene onheilen, 
ter voorkoming van besmettelijke kwalen , en wat dies meer zij , in de 
kolonie bestaan. 

„Hij draagt zorg, dat de openbare markten op geene andere plaatsen 
worden gehouden, dan die daartoe bij verordeningen zijn aangewezen. 
„Hij heeft het toezigt over den ijk der maten engewigten, en houdt 
de hand aan de deswege bestaande bepalingen. 

„Hij heeft het toezigt over de bakkers , slagers en andere neringdoende 
lieden, wier waren aan eenige zetting of prijsbepaling onderworpen 
zijn, en is uit dien hoofde verpligt, van tijd tot tijd te onderzoeken, 
of zij ingevolge deze zetting of prijsbepaling hunne waren leveren. 

„In het bijzonder is aan hem de bewaring en de handhaving van de 
rust en goede orde op de publieke wegen , straten en openbare plaatsen 
en derhalve het weren van alle ongeregeldheden, vechterijen, balda- 
digheden, zamenrottingen en wat dies meer zij , ten ernstigste opgedra- 
gen} en is aan hem te dien einde de bevoegdheid toegekend, om de 
personen, welke zich daaraan schuldig maken, uiteen te doen drijven. 
„Hij moet een waakzaam toezigt houden over de boschnegers en 
Indianen, welke zich in Paramaribo bevinden, van de eene zijde zor- 
gende, dat aan hen geenerlei leed geschiede, en dat men hen in hunnen 
handel en wandel, zoo lang die niet strijdig is met de openbare orde 
of de regten van anderen , ongemoeid late , doch ook van de andere 
zijde, ernstig verhoedende, dat zij zich aan eenige daden schuldig ma- 
ken, strijdig met de algemeene rust, orde en veiligheid. 

„De prokureur-generaal moet voorts in het algemeen zorg dragen voor 
het nakomen van al de wetten , plakaten , besluiten en verordeningen , 
wier handhaving vroeger was opgedragen aan den raad-fiskaal, den 
kommissaris van policie en den eersten wethouder. 

„De prokureur-generaal viseert alle scheepsmanifesten van in- en 
uitklaring, doch laat zich, alvorens dit visum te stellen, exhiberen een 
door de respektive kapiteins geteekend extrakt uit de monsterrollen , 
ten einde te konstateren , welke schepelingen zij binnen de kolonie 
hebben aangebragt en welke zij weder met zich van daar vervoeren 
zullen. 

„Hij houdt een naauwkeurig register van al de in de kolonie aan- 
komende en van daar vertrekkende personen , en zoekt zich bekend te 
maken met hun doorgaand gedrag en middelen van bestaan. 



91 

„Alle aanvragen tot visscherspassen (vergunningen aan vrije personen, 
om voor den tijd van drie of zes maanden te vissclien met open booten, 
„korjalen" genaamd , en bemand met gehuurde vrije personen of slaven) , 
welke door of van wege het Gouvernement worden afgegeven , moeten 
door den prokureur-generaal worden geviseerd. 

„De prokureur-generaal ontvangt alle aangiften van het overlijden 
van slaven, die te Paramaribo sterven, en houdt daarvan een afzon- 
derlijk register. Hij ziet toe, dat geene begrafenis van eenigen slaaf 
plaats hebbe, zonder dat hem daarvan alvorens de tijd en plaats zij 
bekend gemaakt. 

„Voor zoo verre de prokureur-generaal mogt oordeelen, dat de be- 
staande keuren of reglementen van algemeene of plaatselijke policie in 
een of ander opzigt aanvulling of verbetering mogten behoeven , of dat 
eenige nieuwe keur of wetsbepaling te dezen aanzien zoude moeten 
worden ontworpen, is hij gehouden zijne beschouwingen dienaangaande 
aan den Gouverneur voor te dragen." 



Ziedaar eenige werkzaamheden, waartoe de prokureur- 
generaal, als hoofd der policie, geroepen is. Bovendien 
oefent hij bij het geregtshof, bij het college van kleine 
zaken, bij de regtbanken van gedelegeerde heeinraden en bij 
het militair geregtshof, het publiek ministerie uit. Daarbij 
is hij, gelijk wij zagen, lid van den kolonialen raad. 

Gelooft gij, dat iemand, met deze werkzaamheden belast, 
de belangen der slaven zoodanig kan behartigen , als hunne 
exceptionele positie noodig maakt? Gelooft gij, dat hij aan 
elke zaak tusschen eenen slaaf en zijnen meester dien tijd 
voor een kalm, onpartijdig, behoorlijk onderzoek zal wijden, 
welke door de zonderlinge en onnatuurlijke verhouding van 
beiden wordt vereischt? Gelooft gij, dat het hem mogelijk 
is, de talrijke aanvragen tot zwaardere straften dan vijf-en- 
twintig zweepslagen nimmer in te willigen, dan nadat hij 
op goede gronden de overtuiging heeft verkregen, dat de 
slaaf het dubbelde of driedubbelde van die marteling ver- 
dient? Hij wordt bijgestaan door eenen luitenant van po- 



92 

licie en verdere ambtenaren. Welnu de meeste zaken, die 
slaven betrefl'en , worden aan deze laatsten overgelaten. 

Den proknrenr-generaal ontbreekt het aan den noodigen 
tijd. Reeds dit is genoeg, om aan te toonen, dat hij geen 
verdediger der slaven kan zijn. Wij behoeven nu niet te 
onderzoeken, in hoeverre de betrekking van openbaar aan- 
klager geacht mag worden de gewoonte mede te brengen, 
om altijd en overal schuld en misdrijven te zien, zoodat 
dezelfde persoon, die haar waarneemt, op hetzelfde oogenblik 
raoeijelijk een onpartijdig regter kan zijn. Wij behoeven 
niet te vragen, of hij, die in Suriname met de handhaving 
der wet belast is, niet dikwijls, al is het ook tegen zijne 
overtuiging, verpligt wordt, in den geest der bestaande in- 
stellingen, tot verdrukking der slavenbevolking mede te wer- 
ken, 't Is overbodig na te gaan, in hoeverre somtijds de 
personen , die het ambt van prokureur-generaal hebben vervuld, 
de algemeen te Paramaribo heerschende gewoonte volgden 
van vele schulden te hebben en traag in 't betalen te zi^jn, 
zoodat zij bij de slaveneigenaars onder de verpligting van 
schuldenaars lagen. Dat alles kunnen wij in 't midden la- 
ten, nu 't gebleken is, dat dien hooggeplaatsten ambtenaar 
de tijd ontbreekt, om zich het lot der slaven behoorlijk aan 
te trekken. 

Hoewel de prokureur-generaal aan het hoofd der policie 
is geplaatst, strekt hij zijne meer bijzondere bemoeijingen 
slechts tot de stad Paramaribo uit. In de overige gedeelten 
der kolonie, of in de zoogenaamde divisiën, zijn de heem- 
raden, en onder hen meer uitsluitend de //burger-kapiteins", 
met de handhaving der policie, elk in zijne divisie, belast. 

Wie zijn deze //heemraden?" In den regel zijn het de 
leden van den kolonialen raad; dus geene gouvernements- 
ambtenaren, maar eigenaren en administrateurs van planta- 
ges — slavenhouders! Hun werkkring is bepaald in het 



93 

Reglement op de verdeeUng der kolonie Suriname in dis- 
irikten, en ter verzekering der puhlieJce rust en veiligheid 
in dezelve (Gouvernementsblad 1842, n". 3). Tot dien werk- 
kring behoort ook de zorg, dat de slaven-reglementen stipt 
worden nageleefd. Artikel 13 van dat reglement is duide- 
lijk : //krachtens de hun opgedragen kommissie, zijn heem- 
raden met het oppertoezigt van het huishoudelijke beheer 
in de divisiën belast, en zorgen zij alzoo voor eene stipte 
naleving van alle wetten, publikatiën en verordeningen van 
inwendige policie , inzonderheid wat de behandeling van en 
goede orde onder de slaven betreft; zullende zij voornamelijk 
zorgen voor de stipte naleving der plantage-reglementen, 
voor zoo verre die reeds bestaan of eventueel zullen worden 
uitgevaardigd". 

Met het toezigt over de stipte naleving der plantage- 
reglementen zijn alzoo belast de heemraden, dat is = ei- 
genaren en administrateurs van plantages! 

En onder dezen zorgen daarvoor meer uitsluitend de bur- 
ger-kapiteins, bijgestaan door hunne ondergeschikte officieren. 

Wie zijn wederom die //burger-kapiteins?" Zij zijn bijna 
uitsluitend — direkteurs van plantages! Zij moeten zelfs 
//ten minste zes jaren het beheer over eene plantage hebben 
gevoerd !" 

Wie zijn de luitenants? De blank- officieren der plan- 
tages ! 

Aan die burger-kapiteins = plantage-direkteuren wordt in 
artikel 34 van het Reglement op de verdeeling der kolonie 
Suriname in distrikten enz., het volgende voorgeschreven : 
//De burger-kapitein zal aan de eene zijde zorg dragen voor 
eene goede behandeling der slaven, en aan de andere zijde 
de hand houden aan eene beraden tucht en discipline over 
de negermagten; voornamelijk zorgende, dat de bestaande 
verordeningen, of het plantage-reglement, dat eventueel zal 



94 

worden uitgevaardigd, stiptelijk worde nageleefd; zullende 
hij verpligt zijn, daarvan te rapporteren, wanneer, door 
wien het ook zij, van hetzelve wordt afgeweken". 

Ziedaar het toezigt, dat over de behandeling der slaven 
op de plantages wordt uitgeoefend. Ziedaar de waarborgen 
voor de handhaving van het reglement. 

Heeraraden = administrateurs. 

Burger-kapiteins = direkteurs. 

Luitenants = blankofficieren. 

De leden van den kolonialen raad hebben er belang bij , 
om de slavernij van Suriname in het schoonste daglicht te 
stellen en de bijna dagelijks plaats grijpende misbruiken op 
de plantages zoo veel mogelijk te bewimpelen — want zij 
zijn administrateurs of eigenaren van slaven. 

Hebben diezelfde leden, wanneer zij als heemraden fun- 
geren, een ander, meer vrij en onafhankelijk standpunt? of 
zullen zij, in weerwil hunner partijdige positie, onpartijdig 
handelen? zullen zij, ofschoon belang hebbende bij den gun- 
stigen toestand der slavenhouders, toch de belangen der sla- 
ven verdedigen? De wetgever schijnt van dit denkbeeld 
te zijn uitgegaan , toen hij , eene meer dan Romeinsche deugd , 
eene volmaakte Christelijke zelfverloochening bij hen ver- 
onderstellende, hen niet alleen met de kontrole van anderen , 
die dezelfde belangen hebben als zij, maar ook van hunne 
eigen daden belastte. 

Al de heemraden zijn eigenaars of administrateurs, som- 
migen beiden te gelijk; de meesten zijn met het oppertoezigt 
over onderscheiden plantages belast; anderen voeren admi- 
nistraties te zamen met aan den kolonialen raad geheel 
vreemde personen. Hoe meer al die plantages opbrengen, 
des te voordeeliger voor hen. Weinig aan de slaven ten 
koste te leggen; de negers tot zwaren arbeid te dwingen, 
ziedaar de middelen, om die opbrengsten op te drijven. En 



95 

nu moeten diezelfde heemraden het reglement van den Mi- 
nister van Koloniën handhaven. Zij moeten zorgen, dat op 
hunne eigen plantages en die van anderen de voorgeschreven 
taken niet worden overschreden ; dat de straflen niet zwaarder 
zijn, dan de administrateurs en direkteurs mogen opleggen; 
dat de woningen behoorlijk zijn ingerigt; dat de kranken, 
ouden en zwakken worden verzorgd. Dit alles is hunne taak. 
Zij zijn tusschen hun belang en hun pligt geplaatst, 
gelijk misschien niemand meer, — vindt gij dan in hen 
eenigen degelijken waarborg? Zouden zij dan menschen zijn 
van zulk een buitengewone geestkracht, bovennatuurlijke 
zelfbeheersching, strenge zedelijkheid en zuivere menschen- 
liefde, dat gij het oppertoezigt over de goede behandeling 
der slaven veilig aan hen kunt toevertrouwen? Kan de 
Minister, nu de zorg voor de handhaving van zijn reglement 
geheel in hunne handen is, eenig vertrouwen hebben, dat 
er alles toegaat gelijk het behoort? Zijt gij er gerust op, 
dat thans zulke verkeerdheden , wreedheden en gruwelen in 
uwe kolonie Suriname niet meer kunnen plaats grijpen, volk 
van Nederland! als gij in dit boek hebt gelezen, nu de 
heemraden = administrateurs waken, dat de administrateurs 
(die bij karige voeding en zwaren arbeid der negers te spoe- 
diger rijk zijn) zich houden aan de voorschriften van het 
reglement? Meent gij, dat zij niet zullen vreezen ,' de overtre- 
dingen van anderen aan het licht te brengen en te vervolgen, 
loopen zij ook gevaar, dat de hunne daardoor tevens bekend 
al zullen worden? Meent gij, dat zij geheel vrij zijn van de 
vooroor deelen en den heerschenden geest van Suriname? 
Dat zij een afschuw hebben van de leer, dat de slaaf zich 
over de behandeling van zijnen meester niet mag beklagen? 
Dat zij niet instemmen met hen, die beweeren, dat, al 
worden den neger ook de noodzakelijkste levensbehoeften 
onthouden, al is hij ook het slagtoffer van mishandeling en 



96 

wreedheid, de vrije nog altoos tegenover den slaaf gelijk 
moet hebben , ten einde de ondergeschiktheid van den slaaf 
en het zedelijk overwigt der vrije bevolking niet in de 
waagschaal te stellen? Zou hun gevoel van pligt sterker 
zijn, dan alle vooroordeel en eigenbaat? 

En nu de burger-kapiteins, die, onder de heemraden, 
//zorg moeten dragen voor eene goede behandeling der sla- 
ven?" zijn zij geen krachtige waarborg, dat de direkteurs 
der plantages de voorschriften der reglementen behoorlijk 
opvolgen? Ik behoef u alleen te antwoorden, dat deze burger- 
kapiteins voor verre weg het grootste gedeelte uit die direk- 
teuren der plantages zelven worden gekozen. Zij kontroleren 
dus zich zelven en hunne vrienden. Bovendien herinnert 
gij u de afhankelijke positie waarin zij geplaatst zijn; hoe 
geheel hun lot in handen is van de administrateurs; hoe 
zij ieder oogenblik door dezen van hunne betrekking kun- 
nen worden ontzet. En zij zijn niet alleen van de admi- 
nistrateurs hunner eigen plantage de blinde werktuigen, ook 
die van de anderen moeten zij ontzien. Immers al die admi- 
nistrateurs in Suriname maken één ligchaam uit, dat geen 
zijner leden ongestraft laat beleedigen. Verliest een direk- 
teur den eerbied voor één dezer despoten uit het oog, dan 
haalt hij zich de vijandschap van allen op den hals. 

Ziedaar de ambtenaren van het Gouvernement, die voor 
de handhaving der reglementen moeten waken. Zeggen wij 
te veel, wanneer wij die reglementen als niet geschreven 
beschouwen? Hebben wij geen regt ieder argument voor de 
goede behandeling der slaven van de hand te wijzen, dat 
aan de kontrole van zulke ambtenaren ontleend is? 



VI. 



DE GODSDIËINST. 



Veronderstel eens, dat de voorschriften omtrent het on- 
derhoud, den arbeid, de huisvesting- en de tucht der slaven 
even voortreffelijk waren als zij nu berispelijk zijn, dan zou 
er in de reglementen toch nog altoos één hoofdgebrek wezen, 
zóó groot, dat al het overige het niet zou kunnen vergoeden. 
Indien de verzorging en behandeling van lastdieren daarin 
geregeld waren, dan zou men met die vier onderwerpen, 
onderhoud, arbeid, huisvesting en tucht, kunnen volstaan; 
maar nu het wezens geldt van ons geslacht, met dezelfde 
organisatie, dezelfde fakulteiten en eigenschappen, dezelfde 
bestemming als wij; nu het menseken ^ onze medemenschen , 
onze broeders geldt — nu is het voornaamste vergeten. 

Niet alleen aan de voldoening der eischen van het lig- 
chaam heeft de mensch behoefte, in veel hoogere mate aan die 
der ziel. Niet alleen het ligchaam moet zich vormen en ont- 
wikkelen, maar bovenal de geest. Wat het voedsel is voor 
het vleesch, dat is de godsdienst voor 't gemoed. Geen 
vertrouwen, geen moed, geen hoop zonder haar. Zij geeft 
regel, reinheid, leiding aan de genietingen dezer aarde en 

II. 7 



98 

is de eenige troosteres bij wederwaardigheden en rampen, 
bij tegenspoed, vervolging, verdrukking en ellende. Ont- 
houd haar aan den ongelukkige en gij geeft hem aan wan- 
hoop en vertwijfeling ten prijs. En geen volk is zoo woest 
en verstooten buiten alle grenzen der beschaving, of het 
vermoedt eene hoogere orde van zaken, of het denkt aan 
voorwerpen, waarvoor de armoede der taal geen naam heeft. 
Ditzelfde geldt van iederen mensch in 't bijzonder. Zijn 
voortreiTelijke aanleg moge onderdrukt, moge schijnbaar ver- 
nietigd worden, hij was ons toch oorspronkelijk van de hand 
des Scheppers ingeplant; en hoe diep wij mogen gevallen 
zijn, hoe geheel verkocht aan het kwade, nu en dan gevoe- 
len wy toch zijnen magtigen invloed. Ook de Surinaamsche 
slaaf, hoe diep ook gezonken en vernederd, bewijst, dat hij 
dien aanleg bezit. Hij heeft behoefte aan godsdienst, of- 
schoon zijne godsvereering eene aaneenschakeling zij van 
dwaze bijgeloovigheden. Hij is vatbaar voor een reiner en 
heiliger godsdienst, als zij hem maar gebragt wordt; de ne- 
gers, die thans reeds hunne knieën voor Christus buigen, 
bewijzen het. 

Maar waar vindt gij nu in de reglementen eenig spoor 
van de overtuiging des wetgevers, dat hij 't lot van zulke 
wezens regelde? Geen enkel voorschrift omtrent het onder- 
wijs, dat den slaaf in zijne jeugd zal gegeven worden. Geen 
bepaling hoegenaamd omtrent zijne godsdienstige opleiding 
en de gelegenheid, die zijn meester hem moet schenken, 
om God te dienen naar zijne overtuiging, om tot die dienst 
gevormd te worden. In dat opzigt is die meester volkomen 
vrij. De regering heeft gemeend, den slaveneigenaar regelen 
te moeten voorschrijven omtrent de wijze, M^aarop hij in de 
stoffelijke behoeften van zijnen neger zal moeten voorzien; 
met het toezigt van de zorg voor zijne hoogere behoeften 
laat zij zich volstrekt niet in. 



99 

Wij zijn er van verzekerd, dat menigeen, dit lezende, 
de schouders ophaalt en zich over onze onnoozelheid regt 
vrolijk maakt. 

— //Welk eene dwaasheid!" zegt de een. //De negers 
behoefte aan onderwijs en godsdienst? Nu gij kent dat 
verachtelijke ras niet, anders zoudt gij zóó niet spreken!" 

— //De negers onze natuurgenooten, onze broeders?" 
vraagt een ander. //Ik ben u zeer erkentelijk voor de on- 
derscheiding, waarmede gij mij vereert! Maar als gij die 
//broeders en zusters" wat meer van nabij kendet, zoudt gij 
op zulk eene bloedverwantschap evenmin trotsch zijn als ik!" 

— //Zoudt gij dan waarlijk eene verpligting voor den 
meester in de reglementen willen schrijven, om hunne slaven 
eene fatsoenlijke opvoeding te geven?" roept een derde. 
//Dan was het spoedig met deze kolonie, met onze bezittin- 
gen en met ons gedaan ! Dan zouden zij ons weldra de 
wetten voorschrijven, ons, hunne meesters, verdrijven en 
doodslaan, en zich zelven ongelukkig maken; want negers 
kunnen zich zelven niet regeren. Zie maar op St. Domingo." 

— //En 't zou u wat helpen," verzekert een vierde. //Men 
mag zeggen wat men wil, maar 't negerras is voor geen 
arbeid met het hoofd, geene ontwikkeling van den geest 
geschikt. Er zijn allerlei soorten van hondenrassen, som- 
migen, als de poedels en jagthonden, die men alles kan 
leeren, anderen die altoos dom blijven. Zoo is 't ook met 
de menschen. Sommige menschenrassen, gelijk bij voorbeeld 
het onze, zijn tot hoogere geestbeschaving en daardoor voor 
de belijdenis eener meer zuivere godsdienst geschikt. Bij 
anderen zou daartoe alle moeite vergeefs zijn. Dat is nu 
door den Schepper eenmaal zoo verordend. Wilt gij wijzer 
wezen, dan de Maker zelf, dan kunt gij de zaken wel in 
de war helpen, maar daarom zal de neger toch niet veran- 
deren. Laat de slaven maar bij hunne voorvaderlijke gods- 

7* 



100 

dienstige begrippen; die passen juist voor hen, en anderen 
krijgt gij er toch niet in." 

Zulke meeningen hoort men niet zelden, met de meeste 
onbeschaamdheid, openlijk uitspreken. 

Maar ofschoon de eigenaren en administrateurs niet ver- 
pligt zijn, om daartoe verlof te geven, ofschoon velen in 
Suriname het afkeuren of er den spot mede drijven, toch 
ontvangen op dit oogenblik twee derde gedeelten der ge- 
heele slavenbevolking op de plantages meer of min gods- 
dienstig onderwijs. 

Dat is de alles overwinnende kracht van het Christen- 
dom. Elke stoflelijke tegenstand wordt door de onweder- 
staanbare werking van zijnen heiligen en magtigen geest 
verdrongen, en naarmate die tegenstand heviger is, de be- 
zwaren talrijker zijn, het terrein, waarop gearbeid moet wor- 
den, meer hindernissen en beletselen aanbiedt, naar die mate 
worden ook de bezielende krachten zijner arbeiders, het geloof 
en de liefde, heiliger en vuriger, zoodat eindelijk de zege- 
praal moet volgen. Verwondert het u? Maar dan kent gij 
dat geloof niet, dat bergen verzet; dan hebt gij nooit iets 
gevoeld van die liefde, die Christus de smarten van het 
kruis heeft doen trotseren, en die Hij in de harten der 
zijnen uitstort. Die liefde is lankmoedig, zij is goedertie- 
ren; die liefde is niet afgunstig; die liefde handelt niet 
ligtvaardig; zij is niet opgeblazen; zij handelt niet onvoege- 
lijk; zij zoekt zich zelve niet; zij verbittert zich niet; zij 
denkt geen kwaad; zij verblijdt zich niet in onregtvaardig- 
heid, maar zij verblijdt zich in 'tgeen deugdelijk is; zij 
bedekt alle dingen; zij gelooft alle dingen; zij hoopt alle 
dingen; zij verdraagt alle dingen. 

Suriname, zoo diep gezonken en onteerd door de slavernij, 
is eene schoone werkplaats dier Christelijke liefde geworden. 
D^ar heeft zij zoodanig op het hart van menigen slaven- 



101 

eigenaar gewerkt, dat hij althans voorwaardelijk aan zijne 
neo-ers vrijheid geeft, om Christelijk onderwijs te ontvan- 
o-en. Daar schenkt zij, door hare arbeiders, troost en moed 
in de ziel van velen, die, zoo lang zij leven, tot bitter 
lijden zijn gedoemd; daar stort zij kalmte, onderwerping en 
o-eduld in de harten van gepijnigden en mishandelden; daar 
opent zij de poorten van een zaligen hemel voor de blikken 
van hen, die op aarde de knellende ketenen en den lood- 
zwaren last der slavernij moeten torschen. 

In het jaar 1720 bezigtigde een jongeling van twintig- 
jarigen leeftijd de verzameling schilderijen, die zich te Dus- 
seldorp bevindt. Aan zijne kleeding, houding en manieren 
zoudt gij dadelijk gezien hebben, dat hij tot de hoogste 
krino-en der maatschappij behoorde; maar de waardigheid van 
zijn voorkomen en de diepe ernst op zijn gelaat zouden u 
tevens onmiddelijk de overtuiging hebben gegeven, dat de 
ijdelheden dier kringen hem geen voldoening gaven. Hij 
wandelde de zaal rond, om zich in de voortbrengselen der 
kunst te verlustigen; maar vooral ééne schilderij scheen zijne 
aandacht te boeijen. Voor eene voorstelling der kruisiging 
van den Zaligmaker bleef hij stil staan en verzonk hij in diep 
gepeins, 't Was als of dit tafereel hem uitsluitend boeide, 
zoodat hij al het overige vergat, en alleen oogen had voor 
dit zielroerend tooneel van afgrijselijk lijden, maar tevens 
van nooit geëvenaarde menschelijke grootheid en goddelijke 
liefde. Daar viel hem eene spreuk in de oogen, onder de 
schilderij geplaatst : 

„Dit deed ik voor n; wat hebt gij voor mij gedaan?" 

Loodzwaar zonk die vraag hem op het hart. Nog maar 
weinig kon hij er op antwoorden. Maar zij had zijne toe- 



302 

komst beslist. Had Christus zich opgeofferd voor de 
menschheid, hij zou, uit erkentelijke liefde, geheel zijn 
volgend leven toewijden aan de taak, om ongelukkige men- 
scjien tot CHRISTUS te brengen. 

't Is de jonge graaf van zinzendorp, dien gij voor 
deze voorstelling der kruisiging ziet staan en dit voornemen 
hoort opvatten. En 't bleef bij geen voornemen. Geheel 
zijn leven wijdde hij aan christus. Hij stichtte de be- 
kende Herrnhuttersche Euangelische Broeder-gemeente, en 
de beoefening van Christelijke liefde, die uit deze vereeni- 
ging, tot dit oogenblik, hare heldereen verkwikkende stra- 
len naar alle zijden doet schitteren, is zijn antwoord op de 
vraag : //Wat hebt gij voor mij gedaan?" 

Krachtig heeft die vereeniging op de Christen-wereld ge- 
werkt, om haar op te wekken, te reinigen en te heiligen. 
Talloos en rijk in vruchten zijn de liefdewerken, door haar 
onder Christenen verrigt, om dwalenden te regt te brengen, 
lijdenden te troosten en zondaars tot christus te voeren; 
maar krachtiger nog heeft zij in de Heiden- wereld, door 
liefde tot christus gedreven, Zijnen geest trachten uit te 
storten, 't Was de graaf van zinzendorf zelf, die, in 
navolging van den beroemden a. h. franoke, bij de Broe- 
der-gemeente 't eerst het plan vormde, om christus ook 
aan de Heidenen te doen verkondigen, en aldus de grenzen 
van het Godsrijk op aarde uit te breiden. Verbazend is de 
werkzaamheid van de Herrnhutters of Moravische broeders 
op dit uitgestrekte veld; talrijk zijn de zendingen, door de 
Broeder-gemeente in verschillende tijden en onder verschil- 
lende volkeren gevestigd (1). 

(1) Zie hierover onder anderen het door de Broeder-gemeente zelve 
uitgegeven werk, getiteld : Uebersicht der Missions-Geschichte der Evan- 
gelischen Brüderkirche in ihrem er sten Jahrhundert. Gnadau 1832 
en 1833. 



103 

Ook naar die ongelukkige bevolking, wier toestand wij 
in deze bladen geschetst hebben, rigtte deze vereeniging 
hare blikken. Gelijk de grootste eenvoudigheid, nederigheid 
en bescheidenheid hen en hunnen arbeid altoos en overal 
kenmerkt, zoo zetten ook hare zendelingen eerst in Deensch 
West-Indië, later in Suriname in stilte en bijna ongemerkt 
zich neder. Eeeds in 1735 kwamen hare eerste boden er 
aan en vestigden zich te Paramaribo. In een bekrompen 
woning, zonder eenigen ophef te maken van het grootsche 
plan, dat zij kwamen volbrengen, leidden zij een zeer een- 
voudig, zelfs armoedig leven, terwijl zij van hun eigen 
handenarbeid hun onderhoud moesten vinden. Maar reeds 
van den aanvang hadden zij met vooroordeelen , vijandschap 
en tegenwerking te kampen. De eerste moeijelijkheden 
werden hun aangedaan van een e zijde, vanwaar zij krach- 
tige ondersteuning en warme sympathie hadden kunnen 
verwachten. Zij hielden hunne godsdienstoefeningen, vol- 
gens de voorschriften hunner gemeente, in hunne eigen 
woning. Toen de kerkeraad van Paramaribo dit vernam, 
was hij daarover zeer verstoord. Slechts de predikanten 
mogten godsdienstoefeningen houden, en zij, eenvoudige 
handwerkslieden, mogten zich niet aanmatigen de gewigtige 
taak dier «-eerwaarde heeren" te vervullen, 't Ligt in den 
aard hunner vereeniging en in 't karakter hunner instellin- 
gen en voorschriften, dat zij allen twist tegen eiken prijs 
vermijden; zoodra er tegenkanting komt, en zij die door 
lijdzaamheid niet kunnen overwinnen, trekken zich terug, 
om 't langs eenen anderen weg op nieuw te beproeven. 
Zoo ook hier. Toen zij in hunne godsdienstoefeningen be- 
lemmerd werden , kochten zij een half uur van de stad , eene 
kleine, vervallen plantage, waar men hen ongestoord God 
op hunne wijze liet dienen. Maar toen zij nu langzamer- 
hand hunne zending trachtten te vervullen, om den armen 



104 

slaven eene kracht Gods te brengen, waardoor zij het lood- 
zware juk, dat hun was opgelegd, met geduld zouden kunnen 
torschen en de slavenketenen , hoe knellend ook, met moed 
en zonder wanhoop zouden dragen; toen zij allengs met 
sommige negers zich in aanraking stelden en het vertrouwen, 
de gehechtheid en de liefde dier ongelukkigen zochten te 
winnen, — toen kwam de tegenwerking van de eigenaren 
en de regering. Na tien jaren lang vruchteloos alle pogin- 
gen te hebben aangewend, om deze bezwaren te overwinnen, 
waren zij eindelijk in 1745 genoodzaakt de zending op te 
heffen. En toch gaven zij 't niet op, maar vestigden zich 
in 1754 weder te Paramaribo, terwijl zij in 1757 Saron aan 
de Saramaka en in 1759 Ephrem aan de Corentijn stichtten. 
Overal bijna, waar zij voor 't eerst werkzaam waren, be- 
stonden tegen de ondernemingen der Herrnhutters, gelijk 
tegen elke nieuwe zaak, groote vooroor deelen. Maar door 
hun voorbeeldeloos gedrag, hunne onderworpenheid en ne- 
derigheid, en door hunne warme liefde, begon dat vooroor- 
deel algemeen, en ook in Suriname langzamerhand althans 
zóó veel te verminderen, dat zij meenden, op nieuw te 
kunnen beproeven, hunnen arbeid vooral onder de Arawak- 
ken en onder de Boschnegers of afstammelingen van weg- 
geloopen slaven weder op te vatten. In 1767 kochten zij 
in Paramaribo eene woning met een stukje grond. Zij 
namen tien of twaalf negers in hunne dienst, om met 
dezen gezamenlijk hun handwerk uit te oefenen en zoo in 
hun onderhoud te voorzien. Des Zondags hielden zij gods- 
dienstige bijeenkomsten, bij welke ook anderen, vrijen en 
slaven, werden toegelaten. Weldra ondervonden zij, dat 
zij niet vruchteloos arbeidden. In 1776 ontving de eerste 
slaaf aldaar den doop en in den loop van dat jaar werden 
nog acht anderen tot de kleine gemeente toegevoegd. In 
1778 konden zij eene kleine kerk bouwen, die weldra ver- 



105 

groot moest worden; terwijl zij in 1779 het eerst het euan- 
gelie aan de slaven op eene plantage mogten verkondigen. 
Maar slechts zeer langzaam nam het getal der negers toe, 
die zij in hunne gemeenschap opnamen. In de eerste vijf- 
en-twintig jaren klom het niet hooger dan tot drie honderd. 
Toen echter in 1826 het vijftigjarig feest van den doop 
van den eersteling uit de slaven gevierd werd, waren er 
sedert dat tijdstip reeds 2477 gedoopt en konden reeds 
achttien honderd leden daaraan deel nemen. Op het einde 
van 1843 was het geheele getal der gemeenteleden, daarbij 
gerekend de nieuw ingeschrevenen, 3374. En volgens de 
laatste opgave, bevonden zich, op 't einde van 1853, te 
Paramaribo onder hun herderlijk opzigt 5135 slaven. 

Maar zij bepaalden zich niet bij de hoofdstad. Veel 
verder reikte hun arbeid. Ook die ongel ukkigen , die op 
de plantages in de distrikten, in slavenketenen geklonken, 
hun leven lang, van den morgen tot den avond, rusteloos 
moeten arbeiden, rillende onder de zweep van den drijver, 
zonder de vertroosting der godsdienst, zonder hoop op de 
rust in een ander leven, — ook de slaven der plantages 
van Suriname waren de voorwerpen hunner Christelijke liefde. 
Zij bezochten de effekten en trachtten, onder veel tegenwer- 
king van onverschillige of onwillige meesters of bestuurders, 
toegang tot de negers te verkrijgen. En wilt gij weten, 
wat het resultaat is dezer volhardende pogingen? Bij het 
einde van het jaar 1853 waren op 166 plantages 9651 
slaven door hen gedoopt en 3083 die zich voorbereidden 
om gedoopt te worden; terwijl in 't geheel 19,419 zich in 
Suriname onder hun herderlijk opzigt bevonden. 

De zetel, van waar al deze werkzaamheid uitgaat, vindt 
gij te Paramaribo in de straat, waaraan zij hunnen naam 
hebben gegeven, de Herrnhutterstraat. Daar ziet gij de 
geheele linkerzijde door huizen bezet, die hun toebehooren, 



106 

en waarin allerlei bedrijven, door schoenmakers, kleederma- 
kers, bakkers, kooplieden enz. worden uitgeoefend. Die- 
zelfde handwerkslieden zijn de voertuigen, waardoor Chris- 
tus zijn Euangelie aan de slaven brengt. In de groote 
kerk, waarop mede in deze zelfde straat uw oog met welge- 
vallen rust, vindt gij eiken Zondag slaven en vrijen bijeen, 
om door hen gesticht, vermaand en opgebouwd te worden 
in het geloof. Eerbiedige aandacht en stilte bij de gemeente, 
hartelijke en eenvoudige taal bij den voorganger geven u 
een diepen indruk en de vaste overtuiging, dat het zaad, 
hier uitgestrooid, niet zonder vrucht zal blijven. Maarniet 
alleen den Zondag wijden deze edele menschen vrienden aan 
het heil hunner ongelukkige medemenschen. Door hunnen 
omgang, door hunnen handel en wandel, door geheel hun 
leven trachten zij godsvrucht, deugd en liefde onder de 
neger bevolking van Suriname's hoofdstad te verspreiden. 
Eiken dag vindt gij de deuren van het kerkgebouw geopend. 
Eiken dag ziet gij daar eene talrijke schaar kinderen ver- 
zameld, 't Zijn jonge slaven en slavinnen, aan wie de 
meesters vergunnen, dat zij deel ontvangen aan het groote 
geschenk, dat deze vreemdelingen nu reeds sedert bijna een 
eeuw aan eene Nederlandsche kolonie brengen. Eiken dag 
zijn eenigen hunner ijverig volhardend in het onderwijzen 
dezer negerjeugd. Zij leeren hun in 't Negerengelsch lezen 
en de beginselen der godsdienst. 

Bovendien hebben zij enkele vaste standplaatsen of zen- 
delingposten in de distrikten. Van daar uit en van Para- 
maribo bezoeken zij bij beurten de plantages , om de eenige 
blijde boodschap, die den armen slaaf hier op aarde wacht, 
aan die ongelukkigen te brengen. 

Zijn zij daar welkom? Ik durf, na al wat ik er van 
gehoord heb, met volle overtuiging antwoorden : bij de 
negers, ja. De kracht der liefde heeft zich ook hier weder 



107 

niet verloochend. Zij bezitten het vertrouwen der slaven 
in hooge mate. Zij worden door dezen gehouden voor 't 
geen zij zijn, hunne vrienden, hunne warme vrienden. En 
hoe kan het ook anders? 

//Zalig zijn de dooden, die in den Heere sterven, van 
nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten van hunnen 
arbeid!" Zou dat woord, uit hunnen mond, den slaaf niet 
welkom zijn? Den slaaf, die op aarde nimmer rust heeft? 
Zou hij niet aangetrokken worden door hen, die hun den 
Eenige prediken, van wiens lippen tot alle menschen, ook 
tot de slaven, de troostwoorden vloeiden : //Komt allen tot 
mij, die belast en beladen zijt; Ik zal u ruste geven!" 

In den regel hebben de negers de blanken niet leeren 
hoogachten en liefhebbeu. Al hunne smarten en ellende 
hebben zij aan dezen te danken. Gelijk dieren worden zij 
naar den arbeid gedreven en gezweept; als menschen worden 
zij nimmer erkend, behandeld, geprezen of beloond. Gelijk 
dieren worden zij gevoed, opdat hun ligchaam in staat blij - 
ve, om te kunnen werken; als menschen wordt op hunne 
behoeften en de bevrediging der eischen hunner hoogere 
natuur niet gelet. Maar de Herrnhutters zijn de blanken, 
die in hen menschen zien en hen als menschen behandelen; 
die het menschelijke in hen trachten te vormen, op te wek- 
ken en te volmaken; die hun leeren, dat zij naar Gods beeld 
zijn geschapen, en door vernieuwing des harten dat beeld, 
hoe ook verduisterd, in zich kunnen doen herleven; die 
hun eene andere, betere wereld leeren kennen, waar geen 
slavenketenen meer zijn, waar geen menschen hen meer 
kunnen verdrukken en vernederen, waar zij vrij' zullen zijn. 
De Herrnhutters komen tot hen, niet om arbeid van den 
slaaf te eischen, maar om den ongelukkigen broeder te troos- 
ten, te bemoedigen en te verbeteren. De Herrnhutters be- 
strafl'en hen, maar uit liefde — en nog nooit hebben zij 



108 

gehechtheid, toegenegenheid, liefde van een blanke onder- 
vonden! Gelooft gij niet, dat de Herrnhutters hun welkom 
zijn? Gelooft gij niet, dat zij met vreugde die groote tent- 
boot zien naderen, die hun den eenigen leeraar, leidsmanen 
vriend, dien zij hier op aarde bezitten, weder aanbrengt? 

En de meesters? Zien zij ook met genoegen die vrede- 
boden hunnen grond betreden? 

Wij zullen niet spreken van 'tgeen in vroeger jaren plaats 
vond. Wij zullen ons alleen bepalen bij den laatsten tijd, 
en dan durven wij zeggen : er zijn vele plantages, waar zij 
ook door den direkteur en administrateur en den eigenaar 
met open armen worden ontvangen, waar zij zelfs worden 
uitgenoodigd, om veel en aanhoudend te komen en te blij- 
ven; er zijn er, waar zij niet gaarne worden gezien, en hun 
arbeid bedektelijk en in 't geheim wordt tegengewerkt; en 
er zijn er, helaas! nog, waar hun de toegang wordt gewei- 
gerd. 

Geen beter en juister berigt over de wijze, waarop de 
Moravische broeders en hun arbeid door de blanke bevol- 
king worden bejegend, zou ik kunnen geven, dan met de 
eigen woorden van een hunner uitnemendste zendelingen. 

De heer otto tank, destijds hoofdvoorstander van de 
zending der Euangelische Broedergemeente in de kolonie 
Suriname, schreef in de maand Mei 1848 eene circulaire 
//aan de heeren Eigenaars en Administrateurs van plantages 
in de kolonie Suriname". 

Wij zullen dat merkwaardig stuk in zijn geheel laten 
volgen, 't Heeft een veelzijdig belang. Behalve 'tgeen wij 
u in de eerste plaats willen aanwijzen, de bejegening van 
den arbeid der zendelingen door de meesters, zult gij er 
eene gewigtige bijdrage in vinden tot bevestiging van veel, 
dat gij in deze bladen hebt gelezen. Maar bovendien zal 
de geschiedenis dezer circulaire, die wij daarop laten vol- 



109 

gen, u leeren, met hoeveel beleid, voorzigtigheid en terug- 
houding de Herrnhutters moeten handelen , opdat hun niet 
verboden worde, om aan de arme slaven den eenigen troost, 
die hier op de wereld hun overblijft, den troost van het 
Euangelie te brengen. 

jcDaar de Heeren Eigenaars en Administrateurs van vele 
plantaadjes in Suriname de Moravische broeders hebben uit- 
genoodigd, om aan de Negers op hunne bezittingen Chris- 
telijk onderrigt te geven, en wij deze uitnoodiging met be- 
reidwilligheid hebben aangenomen , waardoor deze zaak zich 
zoodanig heeft ontwikkeld, dat thans Yg der geheele sla- 
venbevolking op de plantaadjes meer of min aan onze her- 
derlijke zorg zijn toevertrouwd, acht de ondergeteekende 
het noodzakelijk, om aan de gezamenlijke Heeren eenig 
denkbeeld te geven van den tegenwoordigen stand van za- 
ken, hoe dit onderrigt tot nu kon worden medegedeeld, en 
om tevens langs dien weg hen uit te noodigen, hunne mo- 
gelijke wenschen voor de toekomst met betrekking tot deze 
gewigtige zaak bekend te maken. 

//Dit is vooral in den tegenwoordigen tijd noodzakelijk, 
omdat het meer dan waarschijnlijk is, dat de slaven in de 
aangrenzende Fransche Kolonie Cayenne zullen worden vrij- 
gelaten, en de weg daarheen voorde slaven, die zouden wil- 
len wegloopen, bezwaarlijk zoude kunnen gesloten worden. 
In dat geval zou Christelijk onderrigt en Christelijke be- 
schaving het eenige zijn, dat zij door hun wegloopen zouden 
verliezen; het eenige, dat hen daarvan zou kunnen terug- 
houden. En te meer zou men hebben te bedeuken, wat in 
deze zaak kan gedaan worden, daar de slaven op de plan- 
taadjes in Suriname allen zeer wel weten, dat zij in Berbice 
vrij konden zijn, en bovendien toegankelijk zijn voor de 
booze inblazingen der vele vrije lieden in de Kolonie, die 



110 

tot het getal dergenen behooren, die niets hebben te ver- 
liezen, en die aan de slaven aanhoudend veel van regten 
en vrijheden hebben verhaald. Wij, de leeraars der Negers, 
mogen geen woord over dergelijke zaken uiten; wij hebben 
geen verlof het eenige wapen tegen die valsche voorspiege- 
lingen, de waarheid en eene opregte en gepaste voorstelling 
van maatschappelijke vrijheid en onafhankelijkheid, te ge- 
bruiken; integendeel, wanneer een slaaf ons, over hetgeen 
hij van elders gehoord heeft, vragen doet, mogen wij slechts 
met stilzwijgen antwoorden, hetgeen onzen invloed zeer ver- 
zwakt. 

//Dit alles maakt het mij tot pligt, onze tegenwoordige 
betrekking tot de Negers aan de Heeren in overweging te 
geven. 

//Het onderrigt heeft tot nu op de meeste plantaadjes 
slechts mondeling plaats, en meerendeels alleen op eenige 
daartoe gestelde uren, en dat om de 6 of 12 weken. Op 
zeer weinige plantaadjes is het ons geoorloofd, onderwijs 
in het lezen te geven; schoon het hoofdbewijs voor de 
waarheid onzer leer steeds blijft : //er staat geschreven," 
hetgeen natuurlijk weinig kracht kan hebben, wanneer de 
lieden zelve niet kunnen lezen. Op geen j)lantaadje wordt 
ons vergund, behalve in het lezen, ook in andere kundig- 
heden te onderwijzen. Op vele plantaadjes krijgen wij de 
kinderen en jonge lieden nooit te zien. Wij moeten van 
de eene plantaadje naar de andere reizen, en wanneer wij 
verlof ontvangen, godsdienstoefening te houden, zoo mogen 
wij ons alleen op de daartoe verleende uren met de Negers 
inlaten, b. v. van 9 — 12 of van 2 — 5 ure. In het dorp 
der Negers mogen wij ons niet dan op bepaalde vergunning 
begeven, en dan nog alleen, om zieken of ouden te bezoe- 
ken; den overigen tijd moeten wij in het bijzijn der Blan- 
ken doorbrengen, en ons op een afstand van de kleurlingen 



111 

houden, ja als vreemden ons jegens hen gedragen. Meerdere 
vrijheid in het verkeer wordt door de Koloniale wetten ver- 
boden, die den slaaf als een overheerden vijand beschouwen. 
Eene opzettelijke vergunning van de Heeren Eigenaars , vol- 
gens welke wij ons onbelemmerd aan onze roeping en ons 
werk konden toewijden, zou ons veelmeer vertrouwen schen- 
ken bij de Negerslaven , die tot heden in ieder Blanke een' 
vijand meenden te zien, en wij zouden op rijker vrucht van 
onzen arbeid mogen hopen. 

//Het is mijne persoonlijke overtuiging, die op ondervin- 
ding gegrond is , door mij in West-Indië en Noord- Amerika 
opgedaan, dat niet de beschaving, al ontwikkelt zij zich 
vrij, maar wel de, door onthouding van onderrigt, in stand 
gehoudene ruwheid, den slaaf voor zijn regtschapen Heer 
gevaarlijk maakt. Slechts een voorbeeld : de Heer steven- 
soN, eigenaar der plantaadje North-Side op St. Croix (Deensch 
West-Indië), die zijne slaven, zelfs in eigen persoon , velerlei 
onderrigt en beschaving zoekt aan te brengen, kan zijne 
plantaadje met zijne geheele familie maanden achtereen 
verlaten. (Zelf was ik op zijne plantaadje en vergezelde 
hem van daar op zijne reis, toen hij voor de derdemaal 
naar Noord-Amerika ging). Gedurende dien tijd zijn de 
sleutels en alles, wat vertrouwen vereischt, in handen van 
niemand, dan van zijne negerslaven, die over zijne bezit- 
tingen waken als over hunne eigene, en die hem door hunnen 
arbeid, van een' armen, met schulden bezwaarden man, tot 
een' welvarenden en onaf hankelijken bezitter eener uitstekend 
bebouwde plantaadje hebben verheven. Sedert de invoering 
van het geregeld schoolonderwijs op St. Croix, en nadat 
aldaar van de Negerslaven slechts 5 dagen wordt geëischt, 
is het eiland bij uitnemendheid in kuituur vooruitgegaan, 
en van onrust of oproer is geen spoor te vinden. 

//Zulke feiten, mijne Heeren! spreken overtuigend, en 



112 

daar hetgeen ik persoonlijk gezien en gehoord heb, zeer ver- 
schilt van hetgeen vrij algemeen, aan deze zijde des Oceaans, 
over de geheel of gedeeltelijk vrij geworden slaven-koloniën 
geschreven en gesproken wordt, veroorloof ik mij, u wei- 
meenend te vragen : onderzoekt den toestand en de betrek- 
kingen aldaar, en gij zult bevinden, dat, hoe meer onderwijs 
en Christelijke beschaving de Negerslaven hebben ontvangen, 
zij zich des te beter gedragen; ja dat de geheele toestand 
van Heeren en slaven zoo veel te gelukkiger is geworden. 
Niet een eenigen Engelschman, en onder hen waren aan- 
zienlijke planters, heb ik aangetroffen, die den toestand der 
slavernij zou teruggewenscht hebben, veeleer dankten zij 
God, uit zulk eene jammerlijke betrekking verlost te zijn. 
De toestand der Engelsche koloniën in de West-In dien, is, 
volgens de getuigenissen der hooge Overheid, op de plaats 
zelve ingewonnen, over het geheel genomen gunstig; maat- 
schappelijk geluk en welvaren, in verbond met zedelijkheid 
en kunstvlijt nemen overal toe in uitgebreidheid en kracht. 
//Dit is mijne eigene ondervinding, en ik zou meenen 
laakbaar te handelen. Mijne Heeren! wanneer ik mijne 
overtuiging voor u, gelijk het voor vrije Nederlanders be- 
taamt, niet eerlijk en rondborstig deed kennen. Daarom 
wil ik ook dit niet terughouden. Terwijl ik Suriname reeds 
kende, heb ik nu ook de meeste slavenlanden, in West- 
Indië en Noord- Amerika, bezocht en naauwkeurig gade ge- 
slagen, met deze uitkomst, dat ik de slaven nergens aan 
die slechte hehatideling Jieb onderworpen gezien^ als in 
Suriname. Waar ziet men elders de Negers naakt en door 
zweepslagen gewond langs de straten gaan? Zelfs niet bij 
den arbeid zijn de Negerslaven op de Deensche eilanden 
ongekleed. Waar, dan bij ons, moet de Neger straf on- 
dergaan, alleen omdat hij eene klagt heeft ingeleverd ; waar 
worden zij zoo onmenschelijk gestraft als bij ons? Het 



113 

naast met ons gelijk staan de Eranschen, en dan volgen 
de Spanjaarden. Van daar dat de vruchten der geweldige 
emancipatie op Hayti zoo beklagenswaardig zijn ; hoe sterker 
de boog gespannen is, des te heviger springt hij. Maar ook 
daar beginnen de Engelsche zendingen, hoezeer zij slechts 
langzamerhand veld kunnen winnen, reeds schoone vruchten 
te dragen. Om dezelfde redenen zullen de uitkomsten van 
de mogelijke emancipatie in de Fransche Koloniën ook 
weinig verblijdends opleveren. 

//Daar die gebeurtenis met hare gevolgen ook op Suriname 
grooten invloed zou kunnen hebben, en daar ik door de 
Voorzienigheid in zoodanige betrekking tot deze Kolonie 
geplaatst ben, dat ik eene innige belangstelling moet voeden 
voor haar welvaren en geluk, zoo verzoek ik U, Mijne 
Heeren! deze mijne openhartige verklaring niet te misdui- 
den, en uwe gedachten en wenschen met betrekking tot het 
te verleenen onderwijs aan uwe Negers mede te deelen, op- 
dat dit ons tot rigtsnoer zij. 

//De Zendelingen der Broedergemeente hebben zich in 
Suriname steeds met voorzigtigheid en bescheidenheid ge- 
schikt in de daar bestaande betrekkingen; zij hebben den 
Negers voorgehouden, dat zij in die betrekking, waarin zij 
geroepen werden tot het Evangelie, den Heere Christus 
konden erkennen en dienen; zij hebben zich steeds onthou- 
den, de emancipatie der slaven te beoogen of te willen 
bewerken ; zij hebben in stilte menigen tegenstand verdragen 
van hen, die vijandig tegen het Christendom en vreesachtig 
waren voor de geringste verandering in de bestaande in- 
stellingen, ziende en hopende op de vrucht van hun werk. 
Dit kon zoo gaan, zoo lang de werkzaamheid der zende- 
lingen tot de stad en een klein getal plantaadjes beperkt 
was. Maar nu in de laatste jaren een zoo groot getal geo- 
pend is voor de verkondiging van het Evangelie, is de 

II. 8 



114 

overtuiging levendig geworden en tot rijpheid gekomen, dat 
de betrekking en omgang der zendelingen met de Negers 
niet geheel dezelfde kan blijven, zoo gebrekkig die tot 
nu heeft plaats gehad. Het is toch niet genoeg, dat de 
plantaadje geopend wordt voor den zendeling, indien men 
op de plantaadje alles in het werk stelt, om de betrekking 
tusschen den zendeling en de Negers zoo veel mogelijk te 
beperken, en alle eenvoudige toenadering en zamenspraak 
met de Negers in hunne woningen strengelijk verbiedt; in- 
dien men de vrijheid, die men gegeven heeft om de plan- 
taadje te betreden, zoo veel mogelijk weder terug neemt en 
den zendeling wantrouwend bespiedt en niet duldt, dat hij, 
buiten de uren van godsdienstoefening, een vrij woord met 
de Negers spreekt. Op al de plantaadjes waar zoo gehandeld 
wordt, is het blijkbaar dat de zendeling slechts tot op eene 
zekere hoogte wordt gebruikt als werktuig, om de Negers 
in ondergeschiktheid en bedwang te houden, als had men 
een voorgevoel, dat het middel der zweep eenmaal ongenoeg- 
zaam zal worden bevonden. Zoo lang de werkzaamheid der 
zendelingen van kleineren omvang was, konden zij den 
tegenstand stil verdragen en de hoop op beteren toestand 
vasthouden; maar nu de werkkring in den laatsten tijd over 
vele plantaadjes is uitgebreid, en het blijkt dat de aanvan- 
kelijke invloed van het Christendom aanleiding geeft tot 
steeds meerdere botsingen met hen , die de werking van dat 
Christendom eenzijdig begeeren, alleen in zoo ver het mogt 
kunnen dienen, om de Negers te beheerschen, nu is de tijd 
gekomen om open te spreken, in de eerste plaats tot de 
Eigenaars der plantaadjes, die over het lot der slaven heb- 
ben te gebieden , om van hen, onder medewerking der hooge 
Regering, te verzoeken, die verbeteringen in het Bestuur 
over de Negers tot stand te brengen, die wenschelijk en 
doelmatig kunnen worden geacht. 



115 

'//Wanneer de zendelingen worden uitgenoodigd plantaadjes 
te bezoeken, die, op begeerte der eigenaars in het vaderland 
of ook op sterken aandrang der Negers, die bij alle stelsel- 
matige onkunde, waarin zij worden gehouden, niet zelden 
naar onderwijs en naar het Evangelie begeerig zijn, worden 
opengesteld, dan voldoen zij hieraan met bereidwilligheid en 
blijdschap, zoo veel hunne krachten dit toelaten. Maar aan 
niemand dringen zij hunne bezoeken op. Wanneer nu 
evenwel dezelfde Bestuurders van plantaadjes, die hen uit- 
noodigen te komen, niet zelden aan de andere zijde onder 
allerlei voorwendsels dat bezoek ontduiken, en de zendelin- 
gen onverrigter zake van de eene plantaadje naar de andere 
worden gezonden, dan is dit een toestand, die niet alzoo 
kan blijven voortgaan. Want of de Bestuurder moet zijne 
uitnoodiging door de welgemeende ontvangst der zendelingen 
achtervolgen, en hen in de gelegenheid stellen, om over- 
eenkomstig hunne roeping meer of minder werkzaam te zijn, 
of de zendelingen zouden verpligt zijn, van zulke plan- 
taadjes, waar men hen ongaarne ziet, zich terug te trekken, 
daar zij hunnen tijd en hunne krachten, die hun bij de 
uitgebreidheid van het werk dierbaar moeten zijn, niet 
nutteloos mogen verspillen. 

//Het is om deze en andere redenen, mijne Ileeren! dat 
de ondergeteekende in het algemeen het lot uwer Negers 
aan uwe belangstellende en ernstige overweging dringend 
aanbeveelt, en u tevens verzoekt op het liierbij gaande blad, 
onder de algemeene aanmerkingen aan te teekenen, wat 
naar uw oordeel tot verbetering van den toestand der slaven 
zou kunnen leiden, en voorts te bepalen, of het uwe begeerte 
is op uwe plantaadjes, waar U. E. onverdeeld of voor een 
gedeelte Eigenaar is, aan onze zendelingen vrijen toegang 
tot de Negers te geven en te doen geven, ook in hunne 
woningen, en hen in de gelegenheid te stellen om aan de 



116 

Negers, zoowel aan kinderen als volwassenen, een zooveel 
mogelijk volledig en ook vrij onderwijs te geven, dan of 
U. E, bij het verleenen van vrijen toegang, het onderwijs 
tot lezen alleen zoudt beperkt willen zien, dan eindelijk, 
of het, gelijk niet mag verwacht worden, uw wil is, dat alles 
blijve, zoo als het is, en de slaaf onderworpen blijve aan 
den wil en de willekeur van den Bestuurder (direkteur) der 
plantaadje. 

//Indien bij de Eigenaars de begeerte mogt gewekt worden, 
en er middelen beraamd en door God gezegende pogingen 
in het werk werden gesteld, om het lot en de toekomst der 
Negerslaven, voornamelijk ook door onderwijs en godsdien- 
stige opleiding, en door vrijgeven van den Zondag, te ver- 
beteren, dan zou het zendelingswerk eene groote uitbreiding 
moeten erlangen, en van de zendelingen, van het zendelings- 
bestuur, dat hen heeft afgevaardigd, en ook van de vrienden 
der goede zaak in Nederland, zoude groote inspanning 
worden vereischt, omdat op vele plaatsen vaste posten en 
kerken zouden moeten worden gesticht, waar zendeling- 
leeraars hunne woonplaats konden vestigen, en waar de 
Negers van verschillende plantaadjes zich zouden kunnen 
vereenigen. Hoe aangenaam en wenschelijk zou het zijn, 
wanneer vele weigezinden, op voorgang der Eigenaars van 
slaven, zich vereenigden in de weloverlegde en vast be- 
doelde poging, om het lot der slaven, dat toch niet altoos- 
durend zoo kan blijven, te verbeteren, door alle afdoende 
middelen, waarop de zegen des Heeren voorzeker ruim en 
goedgunstig zou rusten!" 

Op één gewigtig punt in deze cirkulaire moet ik voor 
alles opmerkzaam maken. Dikwijls hoort men in Suriname 
het werk der Moravische broeders veroordeelen en afkeuren. 
Zij moesten beginnen met de negers te beschaven en eerst 



117 

daarna hun de leerstellingen van het Christendom inprenten. 
Meu behoorde de grondslagen eener algemeene geestontwik- 
keling bij de slaven te leggen, eer men hen tot zulk eene 
verheven godsdienst als de onze trachtte te brengen. //Maak 
er eerst menschen van, eer gij hen tot Christenen verklaart !" 
roepen vele sla veneigenaren, met een medelijdend schouder- 
ophalen, den onvermoeiden arbeiders in den wijngaard des 
Heeren toe. 

Maar uit dezen brief van den heer tank blijkt op nieuw 
overtuigend, en van elders is het genoegzaam bekend, hoe 
onbillijk en onverdiend zulke verwijten zijn. Yeronderstel 
eens, dat de opmerking juist was; veronderstel eens, dat het 
Evangelie alleen kracht en vertroosting bezat voor hen, die 
vooraf buiten dat Evangelie om, zich op eenen aanzienlijken 
trap van algemeene beschaving hadden weten te plaatsen; 
neem aan, 'tgeen wij als eene onwaarheid geheel verwerpen, 
dat de arbeid der Moravische broeders tot nu ijdel en te 
vergeefs is geweest; neem dat alles aan; maar beantwoord 
nu dan ook de vraag : mag men in Suriname den zende- 
lingen daarvan een verwijt maken? Ziet gij dan niet, dat 
diezelfde menschen, uit wier mond dat verwijt wordt ge- 
hoord, hun verbieden, om de middelen aan te wenden, 
die tot deze //voorafgaande beschaving" kunnen leiden? Wij 
willen veronderstellen, dat zij, die den toegang tot hunne 
plantages aan de zendelingen weigeren, zich van dergelijke 
verwijten onthouden. Maar ook zij, die hen toelaten, hebben 
daartoe geen het minste regt. Want onder welke voorwaarde 
laten zij hen toe? De heer tank verhaalt het u. //Het 
onderrigt heeft tot nu op de meeste plantages slechts mon- 
deling plaats. Op zeer weinige plantages is het den zen- 
delingen geoorloofd, onderwijs in het leze)i te geven. Op 
geene plantage wordt hun vergund, behalve het lezen, ook 
in andere kundigheden te onderwijzen". 



118 

Is het mogelijk? Tot het onderwijs in 't lezen wordt 
slechts noode verlof gegeven ! Schrijven mogen geene slaven 
leeren. En waarom niet? Men vreest zamenspanningen 
van de negers; men vreest, dat zij de schrijfkunst ge- 
bruiken zullen als een middel, om met elkander in ver- 
standhouding te komen, hoogst gevaarlijke, algemeene ver- 
eenigingen tot stand te brengen, en alzoo ieder oogenblik 
de kolonie met ondergang te bedreigen. 

Veronderstel eens, dat er grond is voor die vrees. Welk 
een onnatuurlijke, gedrochtelij ke instelling is dan die der 
slavernij. De geringste ontwikkeling van de negers wordt 
geschuwd, omdat zij 't onmogelijk zou maken, hen langer 
te regeren! Maar wij houden die vrees voor overdreven, 
een bewijs, en niets anders, van een verontrust geweten. 
De ontwikkeling, die de Moravische broeders hun aanbren- 
gen, is een Christelijke, en leert hen in de eerste plaats 
zich geduldig te onderwerpen aan het lot, dat hun bescho- 
ren is, ook daarin, ofschoon de boosheid der menschen niet 
voorbijziende, toch het bestuur der Yoorzienigheid erken- 
nende en eerbiedigende. Waar deze beginselen worden ge- 
predikt, behoeven de slaveneigenaren niet te vreezen, dat 
door de negers het middel zal worden misbruikt, waardoor 
zij tot beschaving worden gebragt. 

Wanneer gij de wenschelijkheid en noodzakelijkheid eener 
emancipatie der slaven tracht te bewijzen, dan zal men vrij 
algemeen, ook in Suriname, 't u gewonnen geven. Maar 
er wordt onmiddelijk eene voorwaarde bijgevoegd. 

— //Geene plotselinge emancipatie!" 

— //En waarom niet?" 

— //Wel de reden ligt voor de hand. De slaven zijn nog 
niet //rijp" voor de vrijheid. Zij zouden zich zelven en ons on- 
gelukkig maken. Eene behoorlijke voorbereiding voor dien ge- 
wigtigen overgang van slavernij tot vrijheid moet voorafgaan*'. 



119 

Wij nemen dit aan. Maar hoe is daarmede te rijmen 
uw bezwaar tegen het onderwijs der slaven? Want, nadat 
gij zulke enge en beperkte grenzen om den werkkring der 
Herrnhutters getrokken hebt, en hen belet, ja uitdrukkelijk 
verbiedt iets tneer aan de vorming der slaven te doen, zult 
gij toch dat weinige, waartoe gij verlof geeft, wel geen 
onderwijs willen noemen. 

Hoe is nu die hoogst noodige voorbereiding, die gij ver- 
langt, nog mogelijk? Hoe zal zij ooit plaats grijpen, indien gij 
den eenigen weg, die tot haar leidt, het onderwijs verhindert? 

Inderdaad de handelwijze is af keurenswaard, maar de 
methode getuigt van duivelsche list. Aan den eenen kant 
zegt men : geene emancipatie zonder voorafgaande voorbe- 
reiding der slaven voor de vrijheid! Maar als gij nu die 
voorbereiding, door het eenige middel dat er bestaat, door 
onderwijs, wilt tot stand brengen, roept men aan den 
anderen kant u toe : geen onderwijs, want dat zou gevaar- 
lijk zijn voor de rust der kolonie! 

Wanneer gij de cirkulaire van den heer tank vergelijkt 
met bijna alle overige stukken, die van de Herrnhutters 
uitgaan , dan valt een merkwaardig onderscheid in 't oog. 
Bijna nooit vindt gij er iets, zelfs de geringste toespeling 
in, over 't lot der slaven, over de wenschelijkheid en mo- 
gelijkheid der vrijlating, en over de moeijelijkheden en 
hindernissen, die hun, in hunnen schoenen werkkring, in 
den weg worden gelegd. Zij zwijgen standvastig over dit 
alles, omdat zij zich anders onophoudelijk onaangenaamhe- 
den en toenemende tegenwerking op den hals zouden halen. 
En die onaangenaamheden vreezen zij, niet voor zich zel- 
ven, maar voor de arme slaven, wier lot daardoor nog 
ondragelijker zou worden. Intusschen weet men ook daar- 
van partij te trekken. Het stilzwijgen van mannen, die 
meer dan eenig Europeaan weten, wat op de plantages ge- 



120 

schiedt, wordt als bewijs tot verdediging en goedkeuring 
van de behandeling der slaven aangevoerd. Komt een of 
ander gruwel aan het licht, dan wordt dit aangegrepen, om 
den zendelingen te verwijten, dat zij, daarvan kennis dra- 
gende, hebben gezwegen. Waagt een hunner, zoo als de 
heer tank, een enkele maal iets te openbaren, dan wordt 
hij tot een leugenaar, een opgewonden en gevaarlijk per- 
soon, een oproerraaker, verklaard. Voor de verdedigers der 
slavernij is, al naar het hun 't best gelegen komt, het 
zwijgen evenzeer als het spreken der waarheid misdaad in 
de zendelingen. 

Na de cirkulaire van den heer tank, zijn de zendelingen 
aan dien regel der stilzwijgendheid nog meer getrouw ge- 
weest. En weet gij waarom? Juist die cirkulaire heeft 
hen in zeer veel moeijelijkheden gewikkeld. Toen het stuk 
in Suriname bekend werd, ging er een kreet van veront- 
waardiging op. Zdd de partij der slaven tegen hunne 
meesters te trekken! Zulke beschuldigingen in te brengen! 
Zonder mededoogen een slip van het gordijn op te heflen, 
waarachter de behandeling der negers verborgen is! Open- 
lijk op te treden als de verdediger der regten van eene be- 
volking, die in 't oog harer meesters volstrekt geene regten 
bezit! Dat kon er niet bij blijven. 

Drie ingezetenen van Paramaribo trokken zich de zaak 
aan, en riepen de Moravische broeders ter verantwoording. 
Zij vervoegden zich bij den heer h. w. pfenningek,, na de 
gedwongen verwijdering van den heer tank, hoofd-voor- 
stander van de zending der Euangelische broedergemeente 
in Suriname, en verlangden van hem de beantwoording van 
een aantal vragen, ten einde daardoor de beschuldigingen 
van den heer tank te wederleggen. Indien hij weigerde, 
hieraan te voldoen, zouden zij //zich gedrongen gevoelen, 
de tusschenkomst van het Gouvernement in te roepen." 



121 

Als gij de beginselen der Broederschap kent , hunne zacht- 
heid en lijdelijkheid, hun bepaalden afkeer van alle twee- 
spalt en strijd, hunne zucht, om elke botsing te vermijden, 
opdat de groote zaak, waarvoor zij leven, de uitbreiding 
van het Godsrijk op aarde, er geene schade bij lijde, — 
dan zal 't u niet verwonderen, dat deze eisch hen iu eenen 
zeer moeijelijken toestand bragt. Aan den eenen kant stond 
de waarheid, die zij niet mogten verkrachten, en hun broeder, 
dien zij niet mogten verloochenen, al was hij ook van hun 
srewonen regel afgeweken; aan den anderen kant werden 
zij gedrongen, om te ontkennen, wat in een algemeen 
bekend geworden stuk door hun Hoofdvoorstander was ge- 
schreven, onder bedreiging van eene aanklagt bij het 
Gouvernement. Daarbij was er hun, voor hunnen werkkring, 
alles aan gelegen, om de vrije bevolking van Suriname niet 
tegen zich in te nemen, want, al deed het Gouvernement 
hun ook geene moeijelijkheden aan, toch was een enkel 
woord van den meester genoeg, om hun den toegang tot 
den slaaf te weigeren. Die Meester was in dat opzigt vol- 
komen vrij, en hij is het nog. De reglementen schrijven 
hem voor, hoe veel voedsel hij zijnen neger moet geven, hoe 
veel arbeid hij van hem mag eischen, maar wat hij doen 
wil met de geestvermogens en de ziel van den slaaf, daar- 
mede laat de regering zich niet in. 

Op negen-en-vijftig vraagpunten werd van de zendelingen 
antwoord geëischt. Als gij ze leest, dan geven zij u den 
indruk van een 4nkwisitoriaal onderzoek. De Moravische 
broeders hebben zich er aan onderworpen, en de vragen 
beantwoord. 

Deze beantwoording beschouwden de drie iïigezetenen van 
Paramaribo, die de vragen hun hadden voorgelegd, als eene 
regt vaardiging van de handelwijze der slavenhouders van 
Suriname ten opzigte hunner negers, als eene overwinning op 



122 

de waarheidsliefde van den heer tank. Eene te Paramaribo 
gedrukte brochure, onder den titel van n Onderzoek^ ten 
gevolge der cirhulaire van den Heer otto tank, Hoofd- 
voorstander van de zending der Euangelisclie Broeder- 
gemeente in de kolonie Suriname, aan de in Nederland 
gevestigde eigenaren en administrateurs van lüantaadjen in 
die kolonie" moest tot bewijs strekken van het onwaarach- 
tige der berigten en voorstellingen van den heer tank, en 
van de glansrijke wijze, waarop voor de meesters dat onder- 
zoek was afgeloopen. Daarin komen de negen-en-vijftig 
vragen en de antwoorden der zendelingen voor. Die ant- 
woorden moeten voor de vrije bevolking der kolonie tot 
eene vrijspraak strekken van de tegen haar ingebragte be- 
schuldiging. 

Wij moeten bekennen, dat dit stuk op ons eenen geheel 
anderen indruk heeft gemaakt. Zij, die de vragen beant- 
woorden, mogen de cirkulaire van den heer tank geheel 
voor zijne rekening laten; zij mogen zich, door uitdrukkelijk 
stilzwijgen, onttrekken aan de bevestiging van veel dat er 
in voorkomt en zelfs enkele, doorhem ingebragte, bezwaren 
ontkennen; zij mogen afkeuren, dat de heer tank zich 
verwijderd heeft van den door de Broederschap aangenomen 
regel, om zich met de uitwendige toestanden en instellin- 
gen en met de staatkundige en burgerlijke aangelegenheden 
van het land, waar zij werkzaam zijn, niet in te laten; zij 
mogen het //eenen niet gei.oeg overdachten stap" noemen, — 
toch geeft de beantwoording, vooral me# het oog op de 
omstandigheden, waaronder zij geschiedt, den indruk, dat 
de cirkulaire van den heer tank in 't algemeen niets dan 
waarheid bevat. Tot bewijs zal ik 't een en ander mede- 
deelen uit de inleiding tot de antwoorden, en daarna en- 
kele van die antwoorden zelve, met de daarbij behoorende 
vragen. 



123 

Opmerkelijk is de grond, waarop de heer pfenninger, 
namens de overige zendelingen, de cirkulaire van den heer 
TANK afkeurt. Die grond is geen andere, dan dewijl hij 
zich op een terrein had begeven, waarop de Moravische 
broeders nimmer willen wezen. Zelfs hoopt hij om die 
reden ^ dat van de zijde van het Hoofdbestuur der broe- 
derschap dit stuk openlijk zal worden herroepen. Maar 
de waarheidsliefde van den schrijver der cirkulaire wordt 
niet in twijfel getrokken en zijne bekendheid met den toe- 
stand der slaven niet geloochend. Men had verondersteld, 
dat hij uit de archiven der broeders in Suriname de in de 
cirkulaire vermelde feiten had geput. //Neen," zegt de heer 
PFENNiNGER, //uit cigcu aauschouwing. 't Is mij bekend 
geworden, dat de heer tank verscheiden malen, en nog 
eens kort voor zijn vertrek uit deze kolonie, verscheiden 
togten naar plantages heeft gemaakt, op welke toen toeval- 
lig veel moeijelijkheden en verwikkelingen op die effekten 
plaats grepen, zoodat hij ongetwijfeld al het geschrevene 
eenigermate naar eigene aanschoiming heeft verhaald. Gij 
zoudt met regt kunnen beweren, dat de waarnemingen. Op 
eenige togten verzameld, dezen naam niet verdienen; maar 
bedenk daarbij, dat de heer tank ook die koloniën en be- 
zittingen van andere natiën , waarvan hij in dezelfde cirku- 
laire gewaagt, slechts eens op zijne reis derwaarts heeft 
gezien, en toch eene, gelijk hij zich uitdrukt, //op eigen 
ervaring gegronde persoonlijke overtuiging" van den toestand 
aldaar meent te hebben verkregen, dien hij met den toestand 
van Suriname vergelijkt. Op die wijze zult gij het verklaar- 
baar vinden, dat hij op zijne togten in deze kolonie, met 
welke hij in 't algemeen vroeger veel meer bekend was dan 
met de overigen, zich een zelfstandige beoordeeling heeft 
gevormd. 

//Hoe bereidvaardig als ik u nu ook alles wil mededeelen, 



124 

wat wij tot beantwoording uwer vragen te zeggen hebben, 
moet ik u echter uitdrukkelijk verzoeken, deze antwoorden 
als geheel onafhankelijk te beschouwen van de bewuste cir- 
kulaire, die wij noch verdedigen noch ophelderen kunnen, 
en als ik mij , bij eenige plaatsen uit dat stuk , eene meening 
over de beteekenis veroorloof, dan is dit volstrekt niet meer 
dan eene meening gelijk men die van het door een ander 
geschrevene kan hebben, wiens beweegredenen bij het schrij- 
ven men niet kent". 

Wij behoeven niet meer af te schrijven, om te doen zien, 
dat de beantwoording der hun voorgestelde vragen , volstrekt 
niet moet beschouwd worden als een^e daad, waardoor de 
zendelingen den heer tank verloochenen of in 't algemeen 
de waarheid der cirkulaire ontkennen. Integendeel zij be- 
wijzen, dat hij, die bij groote schranderheid gedurende vele 
jaren de geheele kolonie had doorkruist, in de gelegenheid 
is geweest om die waarheid te kennen, al moge hij zich 
dan ook in enkele bijzonderheden hebben vergist. De in- 
druk, dien ik, èn van de inleiding èn van de beantwoor- 
ding der vragen heb ontvangen, is, dat in 't algemeen de 
waarheid van 'tgeen de heer ïank heeft medegedeeld boven 
alle bedenking verheven blijft; maar dat zijne broeders in 
Suriname met groote voorzigtigheid en vreesachtigheid, 
lofwaardig misschien wanneer men op hunne bedoeling let, 
zich van de zaak hebben trachten af te maken. 

Tot bewijs zal ik nog enkele vraagpunten met de door 
den heer pfenninger daarop gegeven beantwoording laten 
volgen. Eerst zal ik enkelen kiezen, die betrekking hebben 
op de behandeling der slaven; daarna eenige anderen, 
die als eene bijdrage kunnen strekken tot de kennis der 
wijze, waarop de zendelingen in Suriname hunnen arbeid 
vervullen. 

Men had gevraagd : //Welke bewijzen of gronden bestaan 



125 

er voor de meening, dat de negerslaven tot heden, in iede- 
ren blanken een vijand meenden te zien?" 

Het antwoord is ontwijkend: //'t Is ons onbekend, waarop 
dit beweren in de cirkulaire gegrond is, of in welken zin 
het woord vijand moet worden verstaan". 

Verscheiden vragen waren gedaan over den toestand der 
slaven, b. v. //Worden de slaven in Suriname werkelijk zoo 
slecht behandeld als in de cirkulaire wordt beweerd? Waarin 
bestaat die slechte behandeling en welke bewijzen of gron- 
den bestaan er voor deze beschulding? Waarin bestaat het 
onmenscltelijke der straffen, die nog zouden toegepast wor- 
den ? Door wieu en waar heeft de heer tank of hebben de 
overige zendelingen o^imenscJielijke straffen zien opleggen? 
Wanneer zendelingen straffen hebben zien opleggen, zdó 
zwaar, dat zij ze onmenschelijk noemen, welke waren de 
gepleegde misdrijven?'' 

Op al die vragen is het antwoord almede ontwijkend. 
Het luidt : //Daar wij ons nimmer gedurende eeue aan- 
eengeschakelde tijdruimte op plantages ophouden, zijn 
wij niet in staat, om de misdrijven en straffen der ne- 
gers zóó te kunnen gadeslaan, dat wij daarover een op 
eigen ervaring gegrond oordeel mogen uitspreken. Overi- 
gens is ook niets zóó vreemd aan ons beroep, als het 
gadeslaan en beoordeelen van de handhaving der policie 
op de plantages". 

Even ontwijkend is het antwoord op de volgende vraag : 
//Is het eene waarheid, dat de neger, althans sedert de laatste 
jaren, straf ondergaat, alléén omdat hij eene klagte heeft 
ingeleverd, en welke bewijzen of gronden zijn er voor deze 
beschuldiging?" 

Men antwoordt : //Wij zijn niet in staat deze vragen te 
beantwoorden, daar wij niet in de gelegenheid zijn, een 
naauwkeurig onderzoek te doen naar de meerdere of mindere 



126 

gegrondheid dezer bewering van de cirkulaire; welke bewij- 
zen de heer ïaistk daarvoor heeft, weten wij niet". 

Op nog twee belangrijke vragen moeten wij de aandacht 
vestigen. De eerste luidt : //Is het eene waarheid, dat de 
negers, anders dan wanneer zij door de justitie of policie 
gestraft worden, door zweepslagen gewond, langs de straten 
gaan? En vindt ook dit straffen, gedurende de laatste jaren, 
niet oneindig minder plaats dan vroeger?" De tweede is 
van dezen inhoud : //Is het niet eene waarheid, waaromtrent 
de zendelingen volkomen in staat zijn getuigenis af te leggen, 
dat de behandeling der slaven in 't algemeen, vooral sedert 
het laatste tiental jaren, aanmerkelijk beter is dan vroeger, 
en dat zulks, vooral sedert de laatste jaren, meer en meer 
in 't oog valt". 

Het antwoord luidt : //Deze vragen moeten bevestigend 
beantwoord worden, voor zoo ver wij kennis van de zaak 
kunnen hebben". Wij zullen niet te veel hechten aan deze 
laatste bijvoeging, die als eene zekere voorwaarde of reserve 
kan beschouwd worden, 't Is ook onze overtuiging, dat 
de gruwelen , waarvan hier sprake is, vroeger veel algemeener 
waren. Sedert men in Nederland meer het oog op de kolonie 
heeft gevestigd en de drukpers er zich mede bemoeit, vooral 
ook sedert de kwestie der emancipatie meer aan de orde is, 
zijn de mishandelingen der slaven minder talrijk en durft 
men zich er althans minder openlijk schuldig aan maken. 
Ongetwijfeld heeft ook de arbeid der Moravische broeders 
zelf, de invloed van hunnen omgang, hun voorbeeld van 
menschelijkheid en Christelijke liefde, gelijk mede de euan- 
gelieprediking van eenige predikanten, weldadig op sommige 
vrijen gewerkt, zoodat zij uit een zuiver Christelijk begin- 
sel hunne slaven beter behandelen dan vroeger. Dat neemt 
echter niet weg, dat, ofschoon vergelijkender wijze eenige 
verbetering is te bespeuren, iets dat wij in dit geschrift 



127 

nergens hebben ontkend, de toestand der negers toch nog 
altoos diep beklagenswaardig is en blijven zal, zoo lang de 
slavernij bestaat. 

Indien alzoo deze verantwoording der Moravische broeders 
de regtvaardiging moet zijn van de beschuldigingen, die de 
heer tank tegen de Surinaamsche slavenhouders heeft iii- 
gebragt, dan betwijfelen wij, of zij in 't oog van onpartij- 
digen vrijspraak zullen vinden. 

Werpen wij nu een blik op de tweede kategorie van vra- 
gen , voor zoo verre zij betrekking hebben op den arbeid der 
zendelingen. De antwoorden zullen ons, beter dan wij het 
kunnen, een juist begrip geven van de schoone taak, die 
de Moravische broeders onder de slaven vervullen en van 
de tallooze bezwaren, waarmede zij te kampen hebben. 

//Is het door ongenoegzaamlieid van het getal der zende- 
lingen", vragen de drie ingezetenen van Paramaribo aan den 
heer pfenninger, //dat het onderwijs op de meeste planta- 
ges slechts om de zes of twaalf Aveken plaats heeft, of is 
het omdat eigenaren en administrateuren het niet meermalen 
willen gedoogen?''' 

Het antwoord is van den volgenden inhoud : //Aan den 
eenen kant, is het aantal zendelingen somwijlen en ook 
tegenwoordig (1848) niet voldoende voor het veelomvattende 
werk, vooral veroorzaakt door onvoorziene ziekte- en sterf- 
gevallen. Aan den anderen kant moest ook een bezoek op 
eene plantage meermalen achterwege blijven, omdat de broe- 
ders haar niet konden bereiken. Yooral is het te betreuren 
geweest, dat de bloote afwezigheid van den direkteur, op 
de meeste plantages, het afwijzen onzer reizende broeders 
ten gevolge had " 

Men vraagt : //Is het niet eene waarheid, dat op ver de 
meeste plantages, zoo niet op allen, waar de zendelingen 
onderwijs geven, in plaats tan eenige daartoe gestelde nreu 



128 

(volgens de cirkulaire), de gekesle dag wordt toegestaan tot 
het onderwijs dier slaven, die er gebruik van willen ma- 
ken, — tenzij de zendelingen zelven, hetzij uithoofde van 
tijdsgebrek, hetzij om van het getij te profiteren om naar 
eene andere plantage te vertrekken, slechts een halven dag 
kunnen vertoeven?" 

Men antwoordt : //Het is volkomen waar, dat op de 
meeste plantages niet slechts eenige uren, maar de gansche 
dag tot het onderwijs der negers wordt afgezonderd. Maar 
wij gelooven, dat het ook niet de bedoeling der cirkulaire 
zijn kan, dit in twijfel te willen trekken. Veeleer schijnt 
ons, uit den zamenhang, de meening te zijn, dat behalve 
de uren der predikatie, die natuurlijk niet den ganschen 
dag kan duren, niet overal de gelegenheid wordt geschonken 
dat de zendeling de negers in hunne woningen bezoeke, of 
de doops- en avondmaals-kandidaten afzonderlijk op zijne 
kamer onderwijs geve. 

//Het is in alle opzigten waar, dat het niet overal gaarne 
gezien wordt, dat de leeraar negers bij zich op zijne kamer 
laat komen, om hen bijzonder onderrigt te geven of over 
sommige onderwerpen met hen te spreken. 

//Hoezeer wij ook afkeerig zijn van de goede orde der 
plantages te storen, zou het toch zeer wenschelijk zijn, als 
het den leeraar vrij stond, om zijne leerlingen ook op zijne 
kamer te mogen spreken, zoodat hij hun op die wijze den 
ganschen dag kon toewijden" 

Op de vraag : //Hoe moeten de woorden : vrij geven van 
den Zondag in de cirkulaire verstaan worden : letterlijk als 
Zondag^ of als dag van godsdienstoefening ?''' antwoordt de 
heer pfenningek : 

//Volgens den zamenhang, waarin deze woorden in de 
cirkulaire voorkomen, schijnt de steller dien tijd te bedoe- 
len, waarop een genoegzaam aantal vaste standplaatsen voor 



129 

zendelingen zal zijn aangelegd; en voor dezen tijd het vol- 
ledig vrijgeven van den Zondag der gansche Christelijke 
kerk en het ophouden van allen zoogenaamden //zondags- 
arbeid" te bedoelen. 

//Waar wij bereids zulke vaste standplaatsen hebben, is 
dit ook ons verlangen, gelijk mede, dat de overige hooge 
feestdagen der kerk mogen worden vrij gegeven, zoo als wij 
dit in eene cirkulaire aan verscheiden heeren administrateu- 
ren, bij het aanleggen van den post Leliendaal, tegelijk 
met nog meer andere wenschen, naauwkeurig hebben uit- 
eengezet. 

//Waar wij echter nog slechts bezoeken kunnen brengen, 
is het voor ons van belang, dat de kerkdag vrij gegeven 
worde, en dat op dien dag alle negers in de gelegenheid 
worden gesteld, om de prediking te kunnen bijwonen en 
zich met ons te kunnen onderhouden. Wij hopen, dat op 
alle plantages, gelijk dit reeds op velen het geval is, alle 
vier of zes weken, zeker één dag voor dit doel zal worden 
toegestaan. 

//Daarbij is het noodig, dat op dien dag geenerlei werk 
voor of tusschen de kerkuren worde verrigt, daar anders 
het meerendeel der toehoorders slaapt of verstrooid is. Nog 
hinderlijker is het^ wanneer straffeti, die de negers moeten 
ondergaan, op den morgen van deri kerkdag voltrokken wor- 
den, gelijk dit hier en daar soms gebeurd is". 

Opmerkelijk vooral is het antwoord op de vraag : //Op 
welke plantages en door wien is het verboden geworden, 
onderwijs in het lezen te geven?" 

//Ofschoon wij het aantal der plantages niet naauwkeurig 
kunnen opgeven, waar het onderwijs in het lezen door 
den direkteur ongaarne wordt gezien , al wordt het er even- 
wel geleerd, zoo kunnen wij niet anders dan verklaren , dat 
ons gevallen voorkomen, waarin dit werkelijk plaatsgrijpt; 

II. 9 



130 

enkele malen is het zelfs gebeurd, dat wij er geen verlof 
toe konden verkrijgen; en één geval is ons bekend, dat 
de direkteur de in liet kerklokaal achtergebleven alfabeth- 
kaarten verscheurde, nadat zich de leeraar verwijderd had. 
//Zeer goed zou het zijn, indien de heeren administrateu- 
ren hunnen wensch, dat zoo veel tijd en omstandigheden 
het toelaten, ook onderwijs in het lezen gegeven worde, in 
hunne aan de plantage te geven bevelen uitdrukten. Iets 
volledigs kan van onzen kant slechts daar worden verrigt, 
waar vaste standplaatsen zijn, of negers, die ons daarbij 
ondersteunen en in de afwezigheid van den leeraar mede 
onderwijs kunnen geven. Dit laatste behoorde meer plaats 
te vinden en krachtiger bevorderd te worden". 

Wij laten eindelijk nog eenige uittreksels uit enkele ant- 
woorden volgen, die voornamelijk betrekking hebben op de 
prediking, het onderrigt en den omgang met de slaven. 

//Volstrekt geweigerd is het ons zeer zelden, om de kinde- 
ren en jonge lieden te zien; maar toch gebeurt het dikwijls, 
dat men hen niet aanspoort om naar de kerk te gaan, in 
welk geval de kinderen natuurlijk liever bij hun spel blijven. 
Eene plantage is ons bekend, waar men het ons zelfs niet 
toestaat, de kinderen te zien, omdat men het voor eene 
dwaasheid houdt, kinderen naar de kerk te zenden; iets, 
dat echter in strijd is met de woorden van onzen Heer en 
Heiland : //Laat de kinderen tot mij komen!" 

//Daarentegen mag men het prijzen, dat op verscheiden 
plantages de direkteur op den kerkdag uitdrukkelijk bevel 
geeft, om alle kinderen naar de kerk te zenden, daar hij 
zegt : //voor de kinderen moet ik zorgen; de volwassenen 
mogen hun wil volgen", 't Ware te wenschen, dat men er 
algemeen zoo over dacht. 

//De reden waarom en het doel waarmede het houden van 
godsdienstoefening op de plantages somwijlen wordt gewei- 



131 

gerd, zijn wij zeer zelden in staat te onderzoeken; maar wij 
moeten gelooven, dat de beide in de vraag vermelde om- 
standigheden wel plaats grijpen, namelijk, onwil of luim 
van den direkteur der plantage — en het onverwachts ver- 
schijnen der zendelingen, zoodat de negers reeds te veld 
arbeiden. 

//Ofschoon wij het aantal plantages niet naauwkeurig 
kunnen opgeven, waar het niet gaarne wordt gezien, dat 
wij ons in de woningen en de hospitalen der negers begeven, 
is dit echter hier en daar werkelijk het geval, en 't valt ons 
ook niet moeijelijk te begrijpen, dat dit wel zoo zijn moet, 
dewijl zeer vele direkteuren in ons slechts den blanken en 
vrije, maar niet den slaven-on derwij zer zien, en zij het, van 
't eerste standpunt beschouwd, voor de goede orde eener 
plantage niet passend vinden, dat een vrije het voorbeeld 
van zulk eene groote toenadering en gemeenzaamheid geeft. 
Ondertusschen zult gij gemakkelijk begrijpen, dat wij het 
vertrouv/en onzer leerlingen moeten winnen,' als wij onder 
hen werkzaam zullen zijn, en dat dit nergens gemakkelijker 
kan verkregen worden, dan bij het bezoeken hunner wonin- 
gen. Gij zult het daarom billijken, dat wij den slaven meer 
moeten naderen, dan 't u voor anderen wel wenschelijk 
toeschijnt. Overigens zijn er ook slechts weinig plantages, 
waar het ons geheel en al verhinderd werd, huisbezoek te 
doen. Op eene plantage, heeft de direkteur de negers 
verboden, den leeraar in hunne huizen te roepen", 

//Op de vraag" //welke eigenaren of administrateuren in 
Suriname hebben de zendelingen belemmerd zich aan hunne 
roeping en hun werk toe te wijden?" //kunnen wij, getrouw 
aan het door ons op den voorgrond gestelde beginsel, slechts 
antwoorden, dat, behalve de reeds vermelde gevallen, een 
aantal plantages niet meer bezocht kunnen worden, en dat 
wel drie plantages dewijl de nieuwe eigenaren het niet meer 

9* 



132 

toelaten; drie plantages, dewijl zij het slechts des Zondags 
willen veroorloven, iets waaraan wij ons, met den besten 
wil, niet kunnen houden; en ee^^e plantage, dewijl men geen 
dag verloren wil laten gaan, omdat de plantage ook negers 
in huur heeft. Op twee plantages kunnen wij de deels elders 
gedoopten geen verder onderwijs meer geven, omdat op 
hunne plantage geene kerk is, en het bezoek der kerk op 
naburige plantages hun niet geoorloofd is". 

//Ten slotte heb ik nog slechts de verzekering te geven, 
dat wij ook in 't vervolg met Gods hulp, naar de door de 
broederkerk altoos gevolgde beginselen, zullen trachten voort 
te werken. Wij zullen ons verblijden en het dankbaar er- 
kennen, als de Heer regt velen van hen, die in de gele- 
genheid zijn, om dat werk te bevorderen, daartoe genegen 
wil maken, en zullen van onzen kant niet in gebreke blij- 
ven, van tijd tot tijd om datgene te verzoeken, 'twelk ons, 
ter bereiking van het doel, nuttig schijnt, maar ons tevens, 
gelijk tot heden, van alle nuttelooze klagten onthouden. 
Daarentegen zullen wij steeds met vreugde bereid zijn, in- 
lichtingen te geven en voorstellen te doen, waar eene ver- 
betering bedoeld en gewenscht wordt. 

//Eenige wenschen, die ons tegenwoordig na aan 't hart 
liggen, veroorloven wij ons hierbij uit te spreken : 

1. Daar de betrekkelijk geringe bevattelijkheid der ne- 
gers bekend is, en het dus eene zeer onvolkomen zaak blijft, 
als zij slechts bij bezoeken op plantages gelegenheid kunnen 
erlangen, om Christelijk onderwijs te genieten: zou het zeer 
te wenschen zijn, dat al zulke plantages, die zóó nabij een 
onzer vaste standplaatsen liggen, dat de negers haar ge- 
voegelijk tot het bijwonen der zondagskerk kunnen berei- 
ken, diegenen harer slaven, welke hun verlangen daartoe 
te kennen geven, ook daartoe in de gelegenheid wilden 
stellen, kinderen niet uitgesloten. Men heeft daartegen de 



133 

bedenlcing ingebragt, dat daaruit gemakkelijk zoogenaamde 
//konkelijen" kunnen ontstaan , maar wij gelooven dat daartoe 
andere gelegenheden door de negers nog gemakkelijker zul- 
len benuttigd worden, dan juist deze. Maar hoe weinig 
moeite zou het in hebben, om te kon troleren, of de negers 
werkelijk in de kerk geweest zijn, als zij met een open 
naamlijst, door den direkteur geteekend, worden gezonden, 
waarop de leeraar het uur van aankomst en vertrek bekend stelt. 
//Wilde men nog meer voorzorgen nemen, dan kon men 
hen onder begeleiding van den blankofficier zenden. Eene 
kleine moeite, die men zich getroost, ten einde het onder- 
wijs der negers te verbeteren , is ongetwijfeld een goed belegd 
kapitaal, waarvan de rente hier reeds vergoed wordt, en 
waaraan in ieder geval eene eeuwige belooning niet zal 
ontbreken. 

2. Daar het opkomende geslacht altoos veel gemakke- 
lijker te vormen is, dan reeds volwassen negers, zou het 
zeer wenschelijk zijn, als de kinderen, zoo veel mogelijk, 
naar een onzer vaste standplaatsen onder behoorlijk opzigt, 
ter school werden gezonden, of wanneer, waar dit niet 
uitvoerbaar is, ten minste één of eeuige bekwame kinderen 
voor zekeren tijd naar zulk eene plantage gezonden werden, 
om daar grondig te leeren lezen, opdat zij later, op vaste 
uren, hunne kameraden op hunne plantages weder kunnen 
onderwijzen. 

3. Onze arbeid is op vele plantages thans zoo ver ge- 
vorderd, dat wij onder de negers ook avondmaalgangers 
hebben, 't Behoeft geen betoog, dat de heiligheid van het 
avondmaal niet toelaat, om het op elke plantage te houden, 
dewijl overal geene geschikte lokalen aanwezig zijn; ook is 
het wenschelijk bij de viering van deze plegtigheid geene 
al te kleine gemeente te hebben. Om deze redenen hebben 
wij getracht, alle kommuuikanten uit den omtrek op eene 



134 

daartoe geschikte plantage tot het vieren van het heilige 
avondmaal te vereenigen. Meestentijds is ons dit ook toe- 
gestaan, maar in 't laatste jaar zijn twee gevallen voorge- 
komen, waarin 't ons geweigerd werd. Daarom zou 't zeer 
wenschelijk zijn, indien er een bepaalde last werd gegeven, 
dat men de kommunikanten nimmer mag verhinderen zich 
derwaarts te begeven, waar het heilige avondmaal wordt 
gevierd. 

//Wij meenen ons dit verzoek te eer te mogen veroorlo- 
ven, dewijl het geval zich zelden voordoet en er zoo weinig 
kommunikanten zijn, dat wij, ook zonder zaakkennis, even- 
wel weten, dat een wezenlijk nadeel door het inwilligen 
van dit verlangen nimmer kan ontstaan. 

4. Op suiker-plantages is het dikwijls zeer bezwaarlijk, 
een geschikt lokaal voor de godsdienst te vinden; als het 
kookhuis niet beschikbaar is dan moet de molen gebruikt 
worden , die dikwijls voor alle wind en weder bloot staat, 
zoodat de krachtigste verheffing der stem niet toereikend is 
om door allen verstaan te worden, vooral wanneer de sluis 
niet digt is en het water gedurig ruischt. Dat ook de ge- 
zondheid van den redenaar daarbij gevaar loopt, ligt in den 
aard der zaak. 

//Daarom wagen wij het de bede uit te spreken, dat men 
op suiker-plantages van dezen aard, bedacht moge zijn op 
het bouwen van gewone maar ruime en aan de windzijde 
gesloten pinna-huizen, met eene kleine kamer voor 't kate- 
chiseren der aanstaande doopelingen en kommunikanten, op 
eene rustige plaats. Dat zou ongetwijfeld zonder belangrijke 
kosten kunnen geschieden. 

5. Overal, waar wij godsdienstoefening houden, moet 
ons streven zijn, dat de negers, bij het hooren van Gods 
woord, zich rustig en eerbiedig gedragen. Dit is onder- 
tusschen alleen daar te bereiken, waar voor behoorlijke 



135 

zitplaatsen is zorg gedragen. Wij spreken hier alzoo den 
wensch uit, dat men op alle kerk-plantages , waar 't eeuig- 
zins mogelijk is, op het aanschaffen van gewone banken 
bedacht zij". 

Wij hebben u, met de eigen woorden der zendelingen, 
eenig denkbeeld trachten te geven van hunnen veelomvattenden 
en moeijelijken arbeid, van de vooroordeelen en tegenwer- 
king, waarmede zij hebbeu te kampen, en van de voor- 
beeldelooze standvastigheid en volharding, waarmede zij alle 
bezwaren trachten te overwinnen. Hun beginsel van zich 
met niets anders in te laten dan met hunnen eigen werk- 
kring, binnen de naauwste grenzen getrokken, verdient 
ongetwijfeld goedkeuring en toejuiching; want wij gelooven, 
dat met dit beginsel alleen het hun mogelijk is geweest, 
zulke verbazende resultaten te verkrijgen, als wij thans 
reeds aanschouwen. Maar aan den anderen kant is het te 
betreuren, dat zij verpligt zijn geweest, zich binnen die 
naauwe grenzen te houden. Zij toch zouden 't best in staat 
zijn geweest, om den waarachtigen toestand der slavenbe- 
volking van Suriname aan Nederland te leeren kennen. Zij 
zouden misschien reeds lang zulk een afkeer van de slavernij 
en verontwaardiging over 'tgeen in onze eigen koloniën 
geschiedt bij de Nederlandsche natie hebben kunnen opwekken, 
dat, door de kracht der publieke opinie, de instandhouding- 
onmogelijk zou zijn geworden. Niemand is daartoe beter in 
staat dan zij. Niemand verdient ook meer vertrouwen, dan 
deze mannen, die met eene buitengewone zelfverloochening, 
hun leven hebben gewijd aan de vorming, leiding en ont- 
wikkeling van eene, door de geheele wereld verlaten, diep ramp- 
zalige bevolking. Waarom zouden zij de waarheid niet spre- 
ken , als een hunner verklaart : //Nergens heb ik de slaven aan 
die slechte behandeling onderworpen gezien, als in Suriname"? 



136 

Welke andere beweegreden dan reine menschenliefde kan 
hen dringen, als zij getuigenis afleggen van 'tgeen zij zei ven 
in onze kolonie gezien en gehoord hebben? Zulke mannen 
verdienen en vinden geloof. En 't is juist daarom, dat ik 
de cirkulaire van den heer tank heb medegedeeld en 'tgeen 
daarop gevolgd is heb verhaald. 

Lang heb ik geaarzeld. Ernstig heb ik mij afgevraagd, 
of 't misschien niet beter was van de geheele zaak geen mel- 
ding te maken, uit vrees dat vernieuwde tegenwerking tegen 
hunnen heiligen arbeid er door zou ontstaan. Maar ik ben 
tot het besluit gekomen, dat het pligt was ook deze feiten 
niet onaangeroerd te laten. Men han het toch den Moravi- 
schen broeders niet ten kwade duiden, dat ik, zonder hunne 
toestemming gevraagd te hebben en zonder met hen in eenige 
betrekking te staan, gebruik maak van eene te Paramaribo 
gedrukte brochure. En aan den anderen kant wordt, juist 
door de cirkulaire van den heer tank en de daarop gevolgde 
wisseling van vragen en antwoorden , in 't algemeen het merk 
der waarheid gedrukt op de voorstelling van den toestand 
der slaven , gelijk die in deze bladen voorkomt. Men moge 
twijfelen aan de waarheid van de feiten, die ik heb medege- 
deeld, men mag^ na de verklaringen der Moravische broe- 
ders, niet meer twijfelen, of zulke en dergelijke feiten in 
Suriname dagelijks hunnen plaats grijpen. 

De Moravische broeders gaan voort op den weg, dien zij 
nu bijna eene eeuw lang hebben betreden. In 1850 hebben 
zij 't plan gevormd, om eene groote school in te rigten tot 
het vormen van jonge slaven tot onderwijzers hunner lotge- 
nooten. In eene cirkulaire aan de eigenaren en adminis- 
trateuren der plantages van 14 September 1850 hebben zij 
dat plan uiteengezet. Wij laten het stuk hieronder volgen. 

//Eene veeljarige ondervinding in ons zendelingswerk, zoo 



137 

hier als elders, heeft ons geleerd, dat, om de onder de negers 
heerschende afgoderij en het heidensche bijgeloof met den 
wortel uit te roeijen en Christelijken wandel en zedelijkheid 
onder dit onwetend volk algemeen in te voeren, het niet 
genoeg is, slechts de oudere in het heidendom opgegroeide 
negers het zaligmakend Evangelie van tijd tot tijd te ver- 
kondigen, maar dat het vooral noodig is, de aankomende 
jeugd reeds vroeg te onderrigten, met Gods woord bekend 
te maken en Christelijk op te leiden. 

//Ofschoon wij nu tot dat oogmerk reeds op eenige onzer 
vestigingen voor de negerkinderen scholen hebben aangelegd, 
zoo zijn deze, naar verhouding, slechts voor weinigen toe- 
gankelijk en worden zij in den regel niet zóó bezocht, als 
wij het wel zouden wenschen. Daar het nu onze innige wensch 
is, dat Christelijk onderwijs en kennis onder de negerbevolking 
dezer kolonie nog meer worde verbreid, dan het tot nu toe 
mogt plaats vinden, en daar wij overtuigd zijn, dat de be- 
reiking van dezen onzen wensch bevorderd en onze zende- 
lings-bemoeijingen ondersteund zullen worden daardoor, dat 
de negers Gods woord in hunne eigene taal kunnen lezen, 
zoo veroorloven wij ons de vrijheid U, Weledele Heeren, 
onze daartoe betrekkelijke wenschen, voorstellen en plannen, 
met vriendelijk verzoek om uwe welwillende beoordeeling en 
medewerking, voor te dragen. Wij vermeenen, dat er eerst 
dan eene algeraeene verbreiding van Christelijke kennis en 
beschaving der zeden kan bereikt worden, wanneer op vele, 
zoo mogelijk alle, plantagiën dezer kolonie, scholen worden 
opgerigt, waar, door daartoe gescliikt gemaakte slaven-jon- 
gens, aan de kinderen onderwijs gegeven wordt in het lezen, 
zingen en de bijbelsche geschiedenis, zoo als dit op eenige 
weinige plantagiën, b. v. op Johan en Margaretha aan de 
Beneden-Commewijne, bereids met goed gevolg geschiedt. 

//Het is onze bedoeling niet, dat door deze scholen de 



138 

aankomende jeugd aan den arbeid zal worden onttrokken. 
Daarom zouden wij voorstellen, dat het een zoodanig opge- 
leiden slaaf wierd vergund, drie malen 's weeks, telkens 
drie achtereenvolgende voormiddag-uren, dus negen uren in 
de week, al de Creolen der plantage, van 4 tot 13 jaren, 
in een daartoe ingerigt lokaal te verzamelen, om hun het 
bovenvermelde onderwijs te verstrekken. En kon het zijn, 
zoo zoude hij ook eenige keeren in de week, na volbragten 
arbeid, een avondschool houden voor zoodanige jongelieden 
en volwassenen, als daartoe zouden willen toetreden; wij 
zouden in dat geval tevens om de noodige verlichting van 
het schoollokaal verzoeken. 

//Wij gelooven , dat het verlies aan arbeid voor eene plan- 
tagie, by eene zoodanige school-inrigting, slechts onbeduidend 
zal zijn, terwijl het voordeel daarentegen uit de onmisbare 
verbreiding van Christelijke grondbeginselen, uit het toene- 
men van gehoorzaamheid, vlijt en liefde tot orde, welke het 
Woord Gods ons leert en tot pligt stelt, dat verlies ruim 
zal opwegen. 

//Waar nu op eene plantagie zich reeds een jonge neger- 
slaaf bevindt, die in staat is, de kinderen te onderwijzen, 
zouden wij verzoeken, zoodanige scholen dadelijk te mogen 
instellen en bij onze bezoeken op de plantagiën te mogen 
nazien en in goeden gang houden. Daar echter zulke be- 
hoorlijk onderwezene en tot het geven van onderrigt bekwame 
slaven slechts op weinige plantagiën zullen gevonden worden, 
zoo zijn wij voornemens, op de ons toebehoorende plantagie 
"Beekhuizen eene centrale school, tot vorming van onder- 
wijzers voor de plantagiën, op te rigten onder de leiding 
van een bekwamen, bepaaldelijk voor het vak van onderwijs 
gevormden zendeling, die reeds door veeljarige ondervinding 
in het geven van onderrigt is geoefend. 

//Wij zullen , wanneer gij , Weledele Heeren, deze onderne- 



139 

ming goedkeurt, en genegen zijt, die door uwe medewerking 
te schragen, zooveel jongelieden van omstreeks 15 jaren, als 
gij ons zult willen toevertrouwen (ten getale van ongeveer 30 
of 40), van elke plantagie eenen, opnemen. Deze zouden wij, 
gedurende twee jaren (in hunne eigene taal), in de godsdienst, 
in het lezen van Gods Woord, in de bijbelsche geschiedenis 
en in het zingen onderwijzen, waarmede wij nog een weinig 
rekenen uit het hoofd zouden verbinden. Buiten de dage- 
lij ksche schooluren zouden wij hun (des Zondags uitgeno- 
men) opleggen, om, zooverre zij daartoe in staat zijn, zel- 
veu den hun noodigen kost, onder behoorlijk opzigt, te 
bouwen en hen in 't algemeen voortdurend bezig te houden, 
opdat zij niet, later op hunne plantagiën teruggekeerd, aan 
den arbeid en de werkzaamheid ontwend mogen zijn. Voor 
versnapering zoude mede niet behoeven gezorgd te worden. 
Zouten visch, en alles wat verder tot het onderhoud behoort, 
zouden wij hun uit de ons toegezegde giften van Christelijke 
vrienden in het moederland verstrekken. Alleen van kleeding 
zouden zij moeten voorzien worden. Dat overigens het 
onderrigt kosteloos gegeven wordt, zal van zelfs begrepen 
worden. Ook zouden wij de leerlingen van de tot hun 
eigen gebruik benoodigde schoolboeken voorzien. 

//De eeuige voorwaarde, die wij op 'het aannemen van 
leerlingen zouden stellen, is deze : dat aan de aldus door 
ons opgeleide onderwijzers, wanneer zij na verloop van twee 
jaren op hunne plantagiën zullen zijn teruggekeerd, worde 
toegestaan, om zoodanige scholen, als wij boven bedoeld 
hebben, te houden, en dat wij die van tijd tot tijd mogen 
komen in oogenschouw nemen. Het zal ons overigens altijd 
aangenaam zijn, wanneer diegene uwer, welke ons leerlingen 
toezenden, nu en dan onze centrale school willen bezoeken 
en zich van de vorderingen der leerlingen overtuigen. De 
voldoende resultaten eener dergelijke school op Rust en 



HO 

Werh, alwaar de heeren le chevaliek en gulcher te Ara- 
sterdam onzen waardigen medearbeider, den heer wunsche 
sedert eenigen tijd hebben in staat gesteld, om negen kna- • 
pen van hunne plantagiën tot aanstaande plantagie-onder- 
wijzers op te leiden, bemoedigen ons, om eene zoodanige 
school op eene grootere schaal te ondernemen, en wij vertrou- 
wen, dat de zegenrijke invloed daarvan, niet alleen op de 
daarbij betrokkene plantagiën, maar in de geheele kolonie 
merkbaar zal zijn. 

//Vergunt ons, Weledele Heeren, hierbij nog de uitdruk- 
kelijke verzekering te geven, indien dit noodig mogt zijn, 
dat het hoofd- ja eenig doel, hetwelk wij daarbij in het oog 
hebben, de uitbreiding is der godsdienst van onzen Heer 
en Heiland jezus Christus, en den daarmede steeds hand 
in hand gaanden Christelijken wandel en zedelijke bescha- 
ving des volks, en dat wij ons van allen invloed, die niet 
daartoe strekt, zorgvuldig zullen verwijderd houden; dat 
•wij derhalve de ons toevertrouwde slaven noch aan hun 
standpunt zullen trachten te ontrukken, noch hen daarmede 
ontevreden te maken, maar dat ons streven integendeel zal 
zijn, om hen in den stand, waartoe zij door Gods beschik- 
king behooren, nog nuttiger, gelukkiger en tevredener te 
doen zijn. 

//Wij eindigen deze met het verzoek, om het U voor- 
gehouden plan aan een ernstig onderzoek te onderwerpen, 
en, in het geval het, zooals wij hopen en wenschen, Uwe 
j goedkeuring en ondersteuning mogt verwerven , Uwe aanmel- 
dingen spoedig aan den ondergeteekende te doen toekomen, 
die steeds met genoegen zal bereid zijn, om, wanneer dit 
noodig mogt zijn, nadere inlichtingen te geven." 

De oprigting van zulk eene normaalschool was een plan, 
dat vooral in Suriname de heilrijkste gevolgen zou hebben. 



141 

Er zijn daar vele hinderpalen, ook in de plaatselijke ge- 
steldheid, die de goede werking en uitbreiding van het 
godsdienstig onderwijs in den weg staan. De bevolking is 
er verdeeld in vele kleine gemeenschappen van zestig tot 
vierhonderd slaven, die op verre afstanden door 't geheele 
land verspreid liggen. Dit maakt, dat er bijna geene cen- 
trale vereenigingen tot uitoefening der godsdienst mogelijk 
zijn. Daarin zou ten deele worden voorzien, indien in 't 
vervolg elke plantage eenen onderwijzer en voorganger in 
de godsdienst onder de slaven had. 

Maar welke is de uitslag van deze edele poging geweest? 
De Minister deelt ons mede, dat het Gouvernement in 1851 
op zich genomen heeft, de onderneming, zoo veel zulks van 
de Regering afhangt, te ondersteunen en ook twee jonge 
slaven van de gouvernements-plantage voor die school heeft 
toegezegd — zie daar alles! Maar, ofschoon dan niet uit 
officiële, toch uit even geloofwaardige bronnen weten wij, 
dat de zendelingen slechts zeer weinig medewerking onder- 
vinden, om op deze wijze aan de slaven onderrigt door on- 
derwijzers van hunnen eigen landaard te bezorgen. Op 
enkele lofwaardige uitzonderingen na, is het voorstel met 
ijskoude onverschilligheid ontvangen en zonder uitvoering 
gebleven. 

Wij hebben een enkelen blik geworpen op de werkzaam- 
heden der Herrnhutters in Suriname. Maar heeft Nederland 
dan volstrekt niets gedaan op het uitgestrekte veld, dat zij 
bearbeiden? Heeft het de gansche zorg voor de godsdien- 
stige en zedelijke ontwikkeling van deze 40,000, slavenke- 
tenen torschende, natuurgenooten aan vreemden overgelaten? 
Waren in Suriname zelf geene Nederlandsche ingezetenen, 
die iets verrigtten in dit gedeelte van den wijngaard des 
Heeren? 't Verheugt ons op deze vragen een antwoord te 



142 

kunnen geven, dat althans niet geheel ontkennend behoeft 
te zijn. 

In het jaar 1828 vereenigden zich vijf ingezetenen van 
Paramaribo, waaronder twee predikanten, om een genootschap 
te stichten, waarvan het doel door hen werd uiteengezet in 
den volgenden brief aan den heer j. van den bosch, die zich 
toen, als Commissaris Generaal, in West-In dië bevond. 

//De ondergeteekenden, zich overtuigd houdende van den 
heilzamen invloed, welken, sedert ruim eene halve eeuw, de 
Moravische broeders op de godsdienstige vorming der slaven 
en vrijlieden in deze kolonie gehad hebben, en wenschende 
aan deze belangrijke instelling meer uitbreiding te geven, 
hebben geoordeeld, dat, ter bereiking van dit doel, allezins 
dienstbaar zou zijn de oprigting van eene Maatschappij of 
Genootschap, ten oogmerk hebbende de bevordering van het 
godsdienstig onderwijs onder onze zwarte bevolking, door 
middel der Moravische Broeders. 

//De bedoelingen en werkzaamheden dezer maatschappij 
worden genoegzaam kenbaar door de zoo even gegeven om- 
schrijving. 

//Het doel zou niet zijn bevordering van godsdienstige 
beschaving in het algemeen, maar bijzonder onder de zwarte 
bevolking dezer volkplanting, waartoe wij negerslaven en 
vrijnegers, zoo ook de kleurlingen of gemanumitteerden of 
ook vrijgeborenen, die tot het ontvangen van godsdienstig 
onderwijs genegen zijn, betrekken; en men zoude dit doel, 
bij uitsluiting van andere daartoe leidende middelen, eeniglijk 
trachten te bereiken door middel der Moravische Broeders, 
welker goede pogingen tot godsdienstige vorming onzer 
slaven, men door de meest gepaste middelen zoude trachten 
te ondersteunen, ten einde den kring hunner werkzaamheden 
uit te breiden, en aan hun onderwijs eene meer en meer 
doelmatige strekking te geven. 



143 

//De blaiiTce bevolking der kolonie te gering zijnde, dan 
dat men een voldoend resultaat alleen van haar ten deze zou 
kunnen te gemoet zien, acht men het, ten einde hiertoe te 
geraken, voor alles noodig, dat deze Maatschappij zich 
gelijktijdig, zoo in deze volkplanting als in het Moederland, 
vestige, ten einde men alzoo beproeve, wat men met ver- 
eenigde krachten zou kunnen uitwerken, om op eene wen- 
schelijke uitkomst te kunnen doen hopen. 

//Het ligt in den aard der zake, dat de eerste en voor- 
naamste bemoeijingen dezer Maatschappij zouden behooren 
te zijn de daarstelling van een genoegzaam fonds, hetwelk 
uit de j aarlij ksche contributiën der leden en de vrijwillige 
giften harer begunstigers zoude worden te zamengebragt. 

//Indien de pogingen ter daarstelling van een zoodanig 
fonds met eenen eenigzins gunstigen uitslag zouden mogen 
worden bekroond, zou het moeten worden aangelegd : 

1°. om, voor zooverre de voorlianden zijnde penningen 
nog niet genoegzaam zouden mogen worden bevonden, om 
aan de bestaande instelling, door vermeerdering van leeraars 
als anderzins, eene meerdere uitgestrektheid te geven, de 
middelen van vervoer van Paramaribo naar de plantagiën en 
terug voor de broederen gemakkelijk te maken. Zulks zou 
kunnen geschieden door het aankoopen van eenig vaartuig, 
hetwelk ter vrije beschikking der broederen zou staan, 
waarbij men ook wel zou willen voegen den aankoop van 
de daarbij behoorende roeinegers, indien men niet vreesde, 
dat zoodanige aankoop het fonds, vooral in den beginne, 
te zeer zou verzwakken, en men overigens niet de meest 
gegronde hoop voedde omtrent de goede gezindheid van het 
Gouvernement, om ten dezen met landsslaven of zooo-e- 
naamde vrije arbeiders te willen ondersteunen; 

2°. om, bij versterking en vermeerdering der geldmiddelen, 
het getal der alhier gevestigde Broederen te vergrooten. 



144 

//Men kan toch niet ontkennen, dat, bij vergrooting van 
dat getal, de gelegenheden tot het ontvangen van godsdien- 
stig onderwijs zich uit den aard der zaak zou moeten ver- 
menigvuldigen; gelijk het evenzeer ontwijfelbaar is, dat aan 
zoodanige wenschelijke vergrooting tot dus verre hinderlijk 
is geweest de kostbaarheid, waarop, zonder ondersteuning 
van buiten, de uitzending van meerdere leeraren der broe- 
dergemeente zou te staan komen; 

3". om, bij eene zoodanige vermeerdering van leeraren, 
hun de gelegenheid te verschaffen, of gemakkelijk temaken, 
om in Paramaribo de hand te slaan aan het onderwijs der 
slavenkinderen, ten einde zij in de beginselen van het lezen 
en schrijven niet langer onkundig blijven, en zij dus met 
te meer vatbaarheid het godsdienstig onderwijs zouden kun- 
nen ontvangen ; 

4".- om ook buiten Paramaribo, liefst op eenig bevolkt 
middenpunt, in eene der divisiën, een etablissement op te 
rigten, waar twee, drie of meerdere broeders; hetzij bij 
afwisseling, hetzij bij uitsluiting, hun vast verblijf zouden 
houden, ten einde van daar, zoo aan het e ven gemeld onder- 
wijs der jeugd, als bijzonder aan de godsdienstige belangen 
der slavenmagten in den omtrek, voor zoo verre de eigena- 
ren of administrateuren zulks zouden willen gedoogen, be- 
vorderlijk te zijn; 

5". om, door verspreiding van het verwacht wordende 
Neger-Engels ch Nieuw Testament, tegenover den Neder- 
landschen tekst, tot de kennis der Heilige Schrift, bijzonder 
onder de geringere volksklasse in deze kolonie, bij te dragen." 

Deze brief werd vergezeld van een Reglement voor de 
op te rigten Maatschappij , waarin het beheer en de regeling 
der zaken aan twee afdeelingen werd opgedragen, waarvan 
de eene te Paramaribo en de andere in Nederland te 'sGra- 
venhage zou zijn gevestigd. 



145 

Het plan vond ondersteuning bij den heer van den 
BOSCH. Ook in Nederland gevoelde men zich opgewekt er 
gevolg aan te geven. Aan de persoonlijke belangstelling en 
medewerking van den toenmaligen koning willem I is vooral 
ook het ontstaan en de bloei der Maatschappij te danken. 
Eenige invloedrijke mannen in 's Gravenhage vormden zich 
tot eene afdeeling van de 3Iaatschappij ter bevordering van 
het godsdienstig ondenoijs der slaven in de holonie Suriname ^ 
en bij besluit van 4 Julij 1829 werd daarop eene koninklijke 
goedkeuring gegeven en tevens magtiging verleend, om, tot 
bereiking van het doel, de noodige inzameling van gelden 
te doen. 

In den geest, uitgedrukt in den zoo even medegedeelden 
brief, is deze Maatschappij werkzaam geweest. Zij heeft 
geen eigen nieuwen werkkring geopend, maar zich aan de 
Moravische broeders aangesloten. De stichters der Maat- 
schappij wendden zich tot de Bestuurders der Broederge- 
meente, noodigden hen uit, nog meer arbeiders naar Suri- 
name te zenden, en daartoe de ondersteuning der Maat- 
schappij in het streven naar hetzelfde doel wel te willen 
aannemen. Onmiddelijk toonde zich dat bestuur daartoe 
bereid, en op dien weg heeft deze instelling hare werkzaam- 
heden voortgezet. Zij heeft de kommunikatie-middelen, om 
de plantages te bezoeken, voor de Herrnhutters gemakkelij- 
ker gemaakt; zij heeft de vestiging van zendelingen te 
Charlottenhurg aan de Cottica, te Worsteling Jacobs^ te 
Salem in het opperdistrikt Nickeri en op andere plaatsen, 
zoowel door haren invloed bij het Gouvernement als door 
aanzienlijke geldelijke bijdragen, bevorderd; en zij heeft 
getracht de werkzaamheden dier zendelingen, vooral door 
het geven van geldelijke subsidiën, te steunen en te be- 
vorderen. Sedert de stichting der Maatschappij tot het 
einde van 1853 is aan de Moravische Broeders door haar 

II. 10 



146 

uitgekeerd eene som van f 53,294,33. Bovendien is nog 
tot andere doeleinden, als het aankoopen van Charlottenburg 
en van vaartuigen en roeinegers, door haar eene som besteed 
van ƒ■ 29,534,41; zoodat zij in 't geheel, gedurende devijf- 
en-twintig jarea van haar bestaan, in 't belang van 't gods- 
dienstig onderwijs der slaven, eene som heeft uitgegeven van 
f 101,828,74. Maar ook uit deze cijfers blijkt weder op 
eene bedroevende wijze, hoe gering de belangstelling der 
vrije bevolking van Suriname is in het lot der arme slaven. 
Tan deze ƒ 101,828,74 werd eene som van ƒ 80,630 door 
de Christenen in het Moederland bijgedragen. Het overige 
verkreeg de Maatschappij van interessen en vooral van sub- 
sidiën, die het Gouvernement verleende. Slechts een zeer 
gering gedeelte werd door de kontributiën van leden in de 
kolonie zelve bijeengebragt. 

Het vijf-en-twintigjarig bestaan der Maatschappij werd 
onlangs, in het kerkgebouw der Moravische Broedergemeente 
te Paramaribo, plegtig gevierd. Haar voorzitter, de predi- 
kant c. M. MOES, sprak bij die gelegenheid eene indruk- 
wekkende feestrede uit, en uit het verslag der lotgevallen 
van de Maatschappij, dat in die vergadering werd gelezen, 
hebben wij de bijzonderheden aangetroflen, welke wij zoo 
even herinnerden. Aan het kerkgebouw had men een fees- 
telijk aanzien gegeven; festoenen en kransen van vrolijk 
groen en frissche bloemen versierden de galerijen. Boven 
het spreekgestoelte prijkten in sierlijk schrift de woorden 
van Jesaja 60, 1^ //Waakt op, wordt licht!"; en op dat 
gestoelte, met witte draperien behangen, las men, omgeven 
van een groenen krans, de woorden : //Gaat henen in de 
geheele wereld en predikt het Evangelie aan alle schepse- 
len !" Een groote schaar bezette reeds in den morgen de 
ingangen der kerk. De gouverneur, verscheiden civile en 
militaire autoriteiten en andere aanzienlijken woonden de 



147 

plegtigheid bij. Het feest werd afgewisseld door algemeen 
gezang van al de aanwezigen , en door hymnen en choralen, 
voorgedragen door eenige Moravische broeders en zusters. 

En toch, in weerwil van die feestviering, neen juist in 
dat feest, blijkt de weinige belangstelling, die men te Pa- 
ramaribo in het godsdienstig onderwijs der slaven stelt. Er 
komen, behalve de reeds vermelde cijfers, nog eenige woor- 
den voor in 't Verslag der lotgevallen van de Maatschappij , 
die om dit te bewijzen welsprekender zijn dan een uitgewerkt 
betoog. //Het getal onzer leden hier te lande bepaalt zicli 
slecJds tot twee-en-zestlgT Van de duizenden Christenen, 
die in Suriname dagelijks de ligchamelijke en zedelijke el- 
lende der arme slaven aanschouwen, zijn er slechts twee-en 
zestig, die jaarlijks twee-en-een-halve gulden voor hunne 
verbetering, vorming en opleiding over hebben! 

Is het ook aan dien in Suriname heerschenden geest toe 
te schrijven, dat de Maatschappij grond heeft gegeven tot 
de beschuldiging van, onder den schijn van godsdienstbe- 
vordering, vooral den arbeid der Moravische Broeders te 
willen overheerschen, en hen als werktuigen gebruiken, om 
de slaven te beter in onderwerping te houden? Het bestuur 
der Maatschappij beweert wel, zich niet te willen bemoeijen 
met de wijze der Euangelie- verbreiding, die geheel over te 
laten aan de Moravische Broeders, en alleen ten doel te heb- 
ben het verzamelen van gelden tot hunne ondersteuning. 
Maar juist daardoor heeft dat bestuur zekere magten invloed 
over de zendelingen verkregen, te schadelijker, omdat, al- 
thans te Amsterdam en vooral te Paramaribo, plantage-eige- 
naars en andere belanghebbenden mede in het bestuur van 
de afdeelingen zijn. Velen hunner willen slechts den arbeid 
der zendelingen kontroleren, al wat hun schadelijk daarin 
schijnt tegengaan, en wijzen alle roeping tot andere onder- 
steuning en tot het wegnemen van bezwaren en tegenwerking 

10* 



148 

af, met de bewering, dat zij slechts geroepen zijn, om geld 
te verzamelen. 

In de feestrede van den heer moes komen nog eenige 
hoogst opmerkelijke zinsneden voor, die bijzonder geschikt 
zijn, om den in de kolonie heerschenden geest te leeren 
kennen. Zij werden in Paramaribo zelf, den 4 Julij van 
dit jaar, uitgesproken, en zij zullen dus eer verzachtend, 
vergoelijkend en verschoonend wezen, dan van overdrijving 
te beschuldigen zijn. 

//Wat vruchten" zoo vraagt de heer moes, //droeg de 
arbeid der Moravische Broeders onder de slaven? Luttel, 
nietig zijn zij, naar het oordeelvan velen; verderfelijk zelfs 
zoo als sommigen beweren. Ziet, men moet zelf geloovig 
zijn, zal men het geloof en zijne vrucht bij anderen willen 
en kunnen opmerken en erkennen, en het valt dikwijls dui- 
delijk genoeg in het oog, dat dit bij dezulken, die zich 
hier zoo ongunstig uitlaten , ten eenenmale ontbreekt. Daar- 
enboven, zeker werken sommigen, die met het beheer van 
slaven zijn heiast, door eene onchristelijke behandeling , de 
christelijke beschaving bij dezen harder tegen, dan die door 
de zendelingen bij hunne bezoeken, die slechts schaars wor- 
den toegelaten, kan worden bevorderd''"'. 

//Sommigen houden" zoo zegt de heer moes op eene 
andere plaats, //de Christelijke opleiding voor den slaaf voor 
onnoodig, ja zelfs verderfelijk. Anderen zijn van oordeel, 
dat hem eerst of gelijktijdig eene uiterlijke standverwisse- 
ling moet worden geschonken!" Tegen deze redeneringen, 
die meestal uit eene onreine bron voortkomen, trekt de 
redenaar met kracht te velde. //Men verklaart de slaven 
gaarne voor onmondigen of minderjarigen. Zijn zij dit, wee 
dan dengenen, die hunne voogden zijn willen, of die zich 
daartoe door den Allerhoogsten gesteld achten, ja! wee in 
de daad allen, die op hunnen toestand eenen belangrijken 



149 

invloed kunnen uitoefenen, zoo zij aan de behoorlijke lig- 
charaelijke zorg niet ook die voor het eeuwig zieleheil paren, 
en hunne slaven, zonder zich daarover te bekommeren, in 
de duisternis laten omdolen, of wel opzettelijk van de ge- 
meenschap des Eenigen Ilemelschen redders buitensluiten !" 
Wij verheugen ons, dat zulke taal (e Paramaribo is ge- 
hoord. God geve aan allen, die daar geroepen zijn om voor 
waarheid en regt te strijden, den moed en de kracht, om 
onbevreesd en zonder aanzien des persoons te verkondigen 
'tgeen noodig is, om de slavernij te doen haten en aan de 
ongelukkige slaven een beter lot te schenken! Gij vindt 
in Suriname onder de vrije bevolking naauwgezette Chris- 
tenen, die geen der uiterlijke pligten, door hun kerkge- 
nootschap voorgeschreven, ooit zullen verzuimen — maar 
die meenen, dat dit zeer goed gepaard kan gaan met eene 
harde en meêdoogenlooze behandeling hunner slaven. Zij 
slaan geen godsdienstoefening over, zij wonen godsdienstige 
bijeenkomsten bij, zij hooren met veel stichting over de 
christelijke liefde prediken, — maarte huis gekomen, laten 
zij hunne medemenschen dwangarbeid verrigten en met 
zweepslagen martelen, bevorderen onder hen de walgelijkste 
onzedelijkheid, en onthouden hun den troost van het Chris- 
tendom ! 

— //Er zijn weder een paar Moravische Broeders aange- 
komen; hebt gij 't reeds gehoord?" vroeg op zekeren tijd 
de predikant A. aan den ouderling B., die hem een be- 
zoek bragt. 

— //Zoo?" antwoordde het kerkeraadslid, en hij voegde 
er bij met al de verachting, die 't hem mogelijk was in 
zijne woorden te leggen, //ik houd niet van dat volk. Zij 
komen hier maar om onze slaven in den grond te bederven." 

De predikant zag den broeder ouderling met verbazing 



150 

aan. Hij was nog niet lang in de kolonie; de maatschappij, 
waarin hij leefde, was hem nog vreemd; zulk een oordeel 
over mannen, voor wier zelfopoffering hij altoos den diep- 
sten eerbied had gekoesterd en over wie hij in Nederland 
nooit anders dan met de grootste achting had hooren spre- 
ken, scheen hem zoo zonderling toe, dat hij geen antwoord 
wist te geven. 

— //Ja, dominé, gij kent die menschen nog niet," zoo 
vervolgde de heer B., toen hij de verbazing van den pre- 
dikant bespeurde, //als gij wat langer hier zijt geweest, zult 
gij zelf erkennen, dat zij een bederf zijn voor dit land". 

— //Ik moet u zeggen, mijnheer, dat ik u volstrekt niet 
begrijp. Leg mij dat, bid ik u , eens uit. De Herrnhut- 
ters een bederf voor de kolonie!" 

— //De slaven zijn niet anders te regeren, dan door hen 
op een afstand te houden. Er moet tusschen hen en de 
vrijen een diepe, breede kloof zijn. Ons moeten ze vreezen 
en eerbiedigen als hoogere wezens. Zij moeten de overtui- 
ging hebben, dat wij hunne meesters zijn, die eigenmagtig 
over hen kunnen beschikken , en die hun lot geheel in 
handen hebben. Maar dat besef verliezen zij, door die 
verwenschte Herrnhutters". 

— //Ik zie dat niet in. Ik heb altijd gehoord, dat de 
zendelingen hen leeren, hunne meesters te gehoorzamen". 

— //'t Is wel mogelijk, dat zij hun dat leeren. Manr toch 
verliezen de slaven hun ontzag, wanneer zij dezelfde gods- 
dienst hebben als wij. Ik heb er nog onlangs een trefi'end 
voorbeeld onder mijne eigen slaven van gezien". 

— //Doe mij 't genoegen mij dat te verhalen; want ik 
moet bekennen, dat ik nog volstrekt niet begrijp, wat gij 
bedoelt". 

■ — //Zeer gaarne! Ik heb een slaaf, present, die reeds 
dertig jaren in mijne dienst is. Vroeger had ik nimmer 



151 

over hem te klagen. Eiken morgen zond ik hem uit, om 
zijn eigen onderstand en bovendien een gulden voor zijnen 
meester te verdienen, en ik moet het, hem ter eere, zeggen, 
dat miste nooit ! Waren er eens niet veel schepen , was er 
weinig vertier aan den waterkant, toch wist hij op de een 
of andere wijze mij mijn geld te bezorgen. Hoe hij dat 
deed, daarmede liet ik mij natuurlijk niet in; dat was voor 
zijne rekening; zoo veel vrijheid moet men hun laten. 

Zoo ging het, zonder dat ik ooit eenige klagten over hem 
had, tot nu een paar jaren geleden. Toen veranderde hij 
geheel en al. Zijne pligten begon hij te verwaarloozen , want 
gedurig kwam hij te huis, zonder het geld, dat hij aan 
zijnen meester behoorde te brengen. De eerste maal zag ik 
het door de vingers. Eeeds vijf-en-twintig jaren lang was 
het goed gegaan; nooit had hij verzuimd; ik meende edel- 
moedig te kunnen zijn en 't onopgemerkt laten. Maar kort 
daarna gebeurde het al weder. Nu begreep ik, dat het mijn 
pligt was PRESENT ernstig onder handen te nemen. 

— //Zeg eens, schoft!" zeide ik tot hem, //waarom hebt 
gij mij mijn geld niet gebragt?" 

— //Ach! meester, vergeef het mij. Gij weet, hoe lang ik 
u reeds gediend heb. Nu word ik oud; ik ben niet meer zoo 
sterk als vroeger ; en met den besten wil , zal 't mij niet meer 
mogelijk zijn,u eiken dag een gulden te huis te brengen". 

Ik moet zeggen, dat dit indruk op mij maakte. Men 
zegt wel eens in Europa, dat wij harde en slechte meesters 
zijn voor onze slaven, maar men belastert ons. Ik had 
medelijden met den ouden present en ik gaf hem afslag tot 
zestig centen. Indien hij mij deze geregeld te huis bragt, 
dan beloofde ik hem, dat ik voortaan te vreden zou zijn". 

— //Dat was braaf van u!" riep dominé A. den broeder 
ouderling toe; maar ik ben er van overtuigd, dat hij het 
later niet meer //braaf" zal genoemd hebbeu; dat hij het uit- 



152 

zenden van werk (wrokko na passi) thans voor een schan- 
delijk woekeren met de beste krachten en zedelijkheid der 
slaven zal houden, hoe laag de meester het daggeld ook 
moge stellen. 

— //'t Verheugt mij, dat gij mijn gedrag goedkeurt," 
hernam het kerkeraadslid; //maar gij zult zien, hoe slecht 
mijne goedheid vergolden werd. In weerwil van den afslag, 
dien ik aan present had toegestaan, kwam hij toch al 
spoedig weder in zijne verpligtingen te kort. Op nieuw, 
en nu met eene ernstige bedreiging, onderhield ik hem. 

— //Hoor eens" zeide ik, //indien gij nu nog eens den 
luijaard speelt en mij mijn geld niet brengt, dan zend ik u 
naar het piket van justitie". 

Toen viel de schobbejak op zijne knieën en kuste de 
mijne, en huilde en jammerde als een bezetene. 

— //Vergeving, meester! goede meester, ik heb u onlangs 
bedrogen; thans wil ik de waarheid zeggen. Niet omdat 
ik te oud ben, niet omdat ik niet meer werken kan, ben 
ik den laatsten tijd nalatig geweest in mijne verpligting, 
om u geld te huis te brengen. Ik werk harder en ijveriger 
dan ooit in mijn leven; ik span mijne krachten in, gelijk 
nooit te voren. Maar wat ik vroeger deed, mag ik thans 
niet meer doen. Vroeger, als mijn dagwerk mij het u ver- 
schuldigde niet had opgebragt, wist ik wel middelen, om 
aan geld te komen. Was het noodig dan kwanselde en 
dobbelde ik, ja, ik stal het, als ik 't niet anders kon krij- 
gen; nooit heeft mij iemand betrapt. Maar thans mag ik 
niet meer! Ik moet door arbeid uw geld kunnen verdie- 
nen, of ik breng het niet te huis. Mijne oogen zijn geo- 
pend; ik mag niet langer zondigen tegen God; ik moet 
eerlijk en rein van handel en wandel worden". 

— //Sprak op die wijze een eenvoudige slaaf?" vroeg de 
predikant A. met eenige bevreemding. 



153 

— //Ja, dominé, ik was even verwonderd als gij. Ik 
vroeg aan present, hoe hij aan deze zonderlinge redene- 
ringen was gekomen? En hij noemde mij de zendelingen, 
als de wonderdoktors, die deze //bekeering" en //wederge- 
boorte" (zoo drukte hij zich uit) bij hem hadden te weeg 
gebragt. Zoo leeren zij de slaven, de bevelen hunner mees- 
ters te overtreden, onder allerlei voorwendsels en schoone 
woorden. Zoo leeren zij hen, zich een oordeel aan te ma- 
tigen over 't geen wij hun gebieden. Ik begreep dan ook, 
dat ik, door strenge maatregelen, de gehoorzaamlieid in 
mijnen present moest herstellen, die, naar het scheen, 
door den invloed der Herrnhutters vrij wat geleden had. 

— //Schobbejak," zeide ik hem, //dat geteem beteekent 
niets. Met uwe praatjes heb ik niets te maken, 't Zou 
wel zonderling zijn, dat gij vroeger jaren achter een op 
eene oneerlijke wijze mijn geld hadt verdiend. Ik geloof 
er niets van. Kort en goed; ik heb u afslag gegeven; 
maar gij zorgt dat gij nu te huis brengt 't geen ik u be- 
volen heb — of de zweep zal het u wel leeren". 

En de zweep heeft het hem geleerd; maar toen eerst 
bleek het regt duidelijk, hoe gevaarlijk die zendelingen zijn. 
Ik zal 't u verhalen. Een dag of wat later kwam hij we- 
der te kort, en nu was mijn geduld ten einde. 

— //Present!" zei ik op zeer bedaarden toon, zonder 
mij eenigzins driftig te maken, //present, de maat is vol, 
gij gaat naar het piket van justitiel" en ik gaf een anderen 
slaaf bevel, hem derwaarts te brengen. De oude schelm 
begon te beven over zijn gansche ligchaam. 

— //Ach Meester!" riep hij weenende, //zie 't nog een- 
maal door de vingers!'^ 

— //Neen, present, het is nu te laat. 't Spijt mij, maar 
gij moet op uwen ouden dag met de zweep kennis maken". 

Nu stortte hij zich neder voor mijne voeten, en kuste 



154 

die, en huilde en lamenteerde. Verbeeld u, dominé, wat 
hij zei. 't Is waarlijk heiligschennis, in den mond van 
zulk een zwarten deugniet. //Meester!" riep hij, //christus 
heeft gezegd, dat men zeventigmaal zevenmaal moet verge- 
ven. O vergeef ook mij om de wille van dien christus!" 

— //En gij hebt hem vergeven?" zei de predikant A. met 
een bewogen stem en tranen in zijne oogen. vGij hebt hem 
vergeven! O zeg het mij spoedig, ouderling der Christe- 
lijke gemeente!" 

Broeder B. zag den dominé verwonderd aan. //Wel neen !" 
hernam hij met een gelaat, waar de uiterste bevreemding op 
te lezen stond, //Wel neen! Ik heb hem naar het piket van 
justitie gezonden, met eene aanbeveling, om hem niet te 
sparen. Waar zou het heen, indien die schelmen bemerk- 
ten, dat zij, door vrome woorden, de straf konden ontgaan, 
die hun van regtswege toekomt. Zij wierden weldra allen 
vroom, maar met ons, hunne meesters, was het gedaan". 

— //Mijn God, welk een land!" zuchtte de predikant A. 

En toch, in weerwil dezer vooroordeelen , in weerwil van 
de schade, die, door zulke begrippen der Christenen, aan 
de zaak van christus wordt toegebragt, toch hebben de 
werkzaamheden der Moravische broeders rijke vruchten af- 
geworpen. In den volgenden staat geef ik u eene voorstel- 
ling van die vruchten in cijfers. Ik heb u reeds verhaald, 
dat zich den Isten januarij van dit jaar 19,419 slaven onder 
hun herderlijk opzigt bevonden. De volgende bijzonderhe- 
den èn van die slaven, gelijk zij tot verschillende zende- 
lingsposten of parochien behooren, èn van de zendelingen, 
zoo als zij het herderlijk opzigt onder elkander hebben 
verdeeld, zullen van de werkzaamheden der Moravische 
broeders eenig begrip kunnen geven. 

Te Paramaribo zijn elf huisgezinnen, tot de 



155 

Herrnhutters belioorende, en bovendien nog 

twee broeders werkzaam in eene gemeente van 5,135 leden. 

Op Beekhuizen zijn twee huisgezinnen ge- 
vestigd, en voor de rivieren Suriname en 
Para, die van Paramaribo uit bezocht wor- 
den, zijn één huisgezin en één broeder die 
onderwijs geven aan 2,919 // 

Voor Cailiarina SojMa, van waar uit de 
rivier Saramaka wordt bediend, is één huis- 
gezin bestemd, onder 1,306 // 

Op Charlottenhurg zijn drie huisgezinnen 
en een broeder, voor 5,300 // 

Op Anna^sburg bevindt zich één huisgezin, 
onder 1,647 // 

Leliendaal heeft 'een huisgezin, dat het 
opzigt en leiding heeft van 1,358 // 

Op Rust-en-werk zijn twee huisgezinnen 
werkzaam, waarvan echter thans één uitlandig 
is; aan hunne zorgen zijn toevertrouwd . . 801 // 

Op Salem ^ in het distrikt Coroni, is één 
huisgezin onder . ' 808 // 

Op Nieuw-Bamherg is één huisgezin (thans 

uitlandig) bestemd voor . 145 // 

Zoodat er in de kolonie Suriname thans 19,419 perso- 
nen zijn, die van de Moravische broederschap onderwijs 
genieten. 

Maar niet alleen het getal, dat geheel vrijwillig en zonder 
eenigen dwang dat onderwijs geniet, ook het resultaat van 
dat onderwijs is zeer verblijdend. Wij zullen, om er eenig 
denkbeeld van te geven, bij voorkeur de woorden van den 
heer moes overnemen, omdat zij voor eenige maanden in 
Paramaribo zelf zijn uitgesproken. Ook hij noemt die uit- 
komst eene //veelzijds verblijdende," en hij schetst haar 



156 

aldus : //minder afgoderij en bijgeloof, minder grove on- 
tucht, moordzucht, oneerlijkheid en andere schandelijke 
zonden; meerdere ordelijkheid, goed willige volgzaamheid, 
onderlinge verdraagzaamheid, levendiger schuldbesef en ver- 
langen naar Gods genade, waardiger en ijveriger deelneming 
aan de openbare Godsvereering. Neemt men in aanmerking 
de vermindering en verzachting van ligchamelijke straffen, 
van lieverlede ingevoerd, den z waren last, waaronder de 
slaaf over 't algemeen gebukt gaat, de belemmeringen, die 
de staat van slavernij aan den voortgang van het goede als 
van zelf in den weg stelt, en de geringe aanmoediging, die 
zij, welke daarin geplaatst zijn, doorgaans ondervinden: 
neen! dan is de heilzame invloed van den arbeid der zen- 
delingen onder de vele duizenden, tot welke die zich hier 
heeft uitgebreid, en ook zelfs daarbuiten, dan is de kracht 
van CHRISTUS, die hen bezielt en versterkt, en die door 
hun woord in Hem gelooven, onmiskenbaar. Moet ook niet 
de goede, kalme geest, die de slavenbevolking in het afge- 
loopen tijdvak over 't algemeen bleef kenmerken, daaraan, 
voor een goed gedeelte althans, worden toegeschreven?" 

Die gelukkige uitkomst is, onder Hooger zegen, toe te 
schrijven aan den volhardenden ijver der Moravische Broe- 
ders en vooral ook aan de goede geaardheid en den uitste- 
kenden aanleg der negers, 't Is waar, zij staan, overgela- 
ten aan zich zei ven, op eenen zeer lagen trap van zedelijk- 
heid en godsdienst, maar over 't algemeen hebben zij gezond 
verstand en een helder natuurlijk oordeel, gevoel van regfc- 
vaardigheid en billijkheid, kinderlijke goedhartigheid en vele 
andere eigenschappen, die slechts ontwikkeld en geleid be- 
hoeven te worden, om hen uit de dierlijkheid, waartoe hun 
uiterlijke toestand hen dikwijls verlaagt, op te beuren en 
te verhefien. Ik weet wel, dat ik hier tegenspraak ontmoet. 
De heer kappleb, is onder anderen van gevoelen, dat er in 



157 

den neger te weinig geesten energie zit, om eene godsdienst 
te kunnen aannemen, die boven zijne bevatting gaat. Naar 
zijne meening zal de slaaf, wanneer hij van het Christendom 
niet het voordeel heeft, dat zijn arbeid er door verligt wordt, 
in weerwil van alle onderwijs, nimmer eenig belang stellen 
in de pr diking. En evenwel gevoelt dezelfde heer kappi,ek, 
zich gedrongen, om te verklaren, dat, al gelukt het den 
Hernihutters ook niet, om alle bijgeloof en heidensche be- 
grippen in hunne gemeente uit te roeijen, zij toch ijverig 
bezig zijn, om hunne leerlingen orde en huisselijke deugden 
te leeren en hunne zeden te verbeteren. 



Een mijner vrienden verhaalde mij een paar zijner ontmoe- 
tingen op plantages met slaven, die 't onderwijs van zende- 
lingen genoten. Hij is geen dweeper; hij is een man van 
de wereld; hij heeft, zonder eenige vooringenomenheid met 
de zendelingen, op hun arbeid toevallig een oog geslagen. 
Ik zal mij de mededeeling veroorloven van 't geen hij mij 
schrijft, overtuigd dat ieder onbevooroordeelde met mij zal 
erkennen, dat onder de slavenbevolking in Suriname het 
goede zaad, door de euangelieboden, in geen onvruchtbare 
aarde wordt gestort. 

//Ik was dezen middag tegenwoordig bij het godsdienstig 
onderwijs, dat een der Moravische broeders aan de slaven 
dezer plantage gaf. Op nieuw ben ik versterkt in mijne 
overtuiging, dat de Surinaamsche negers, natuurlijk op en- 
kele uitzonderingen na, die men onder alle volkeren aantreft, 
voor eene godsdienstige opleiding vatbaar en daartoe ook 
gezind zijn. Een twintigtal slaven en slavinnen van ver- 
schillenden leeftijd was in een koffijloods bijeen, en de 



158 

zendeling zat onder hen. Hij behandelde, op eene zeer 
eenvoudige en voor zijn gehoor berekende wijze, eenige 
voorvallen uit het leven van jezus. 

Met ingespannen aandacht luisterden zij. De belangstel- 
ling en deelneming in het lot van den Heiland, toen Zijn 
lijden werd geschetst, stond op aller gelaat te lezen. Nu en 
dan deed de zendeling eene vraag, waarop meestal een zeer 
juist antwoord werd gegeven, dat niet alleen van een gezond 
natuurlijk oordeel getuigde, maar vooral ook van afschuw 
van het onregt dat jezus werd aangedaan en van veront- 
waardiging over 't gedrag der vijanden van den Heer. 
Eindelijk verhaalde de leeraar de hemelvaart van Christus. 
Nu zag ik, in de wijd geopende oogen, de uiterste verba- 
zing schitteren. 

— //Is dat waar gebeurd?" vroeg er een. 

— //Voorzeker!" was het antwoord. 

— //Té.... na tappo a dé go? (Is Hij h...e...e...l naar 
boven gegaan?)" vroeg een ander, terwijl hij tevens lang- 
zaam den wijsvinger naar den hemel verhief. 

— //Ja wel," hernam de zendeling. 

— //Yoe ben sie, masra? (Hebt gij 't zelf gezien, mijn- 
heer?)" riep een derde. 

— //Neen, maar 't is een verhaal van geloofwaardige 
menschen, die er bij zijn geweest." 

— //Dan wie no kan bliebie, masra. Bekaassie no wan 
sannie hibbie leiki soman kan go na tappa, zondro a faldoun 
bakka. Smookko wowan kan go ! vogle kan go wan biggie 
passie, ma moesse kom bakka. (Dan kunnen wij het niet 
gelooven, mijnheer; omdat niets, 't geen de zwaarte van een 
mensch heeft, naar boven kan gaan, zonder weer neer te 
vallen. Alleen rook kan dat doen; ook vogels, maar tot 
een zekere hoogte, en dan zijn zij gedwongen terug te 
keeren !)" 



159 

't Was voor den leeraar een raoeijelijk oogenblik. Langs 
den weg der natuurkunde, die zijne leerlingen met hem be- 
wandelen wilden, kon hij er onmogelijk komen. 

— //Hebt gij vertrouwen in mij?" vroeg hij eensklaps, 
en uit eenen mond riepen al de slaven : 

— //O ja! volkomen. Gij zijt een goede masra. Wij 
hebben u lief!" 

— //Welnu, geloof het dan, omdat ik het u zeg. En 
ik zeg het u, omdat het in dit Heilig Boek geschreven 
staat !" 

Gij ziet, dat de slaven niet gemakkelijk te overtuigen 
zijn, en niet werktuigel ijk napraten, wat hun geleerd wordt; 
dat de Moravische Broeders de ware methode hebben, om 
hen te leiden en op te voeden. De hefboom, dien zij ge- 
bruiken, is de liefde, en met die kracht doen zij wonderen. 

Onlangs woonde ik eene godsdienstoefening bij. Juist 
toen ik op de plantage Z. aankwam, meldde zich een zen- 
deling bij den direkteur aan, die verlof vroeg, om den vol- 
genden dag voor de slaven te prediken. Dat verlof werd 
gegeven, maar toen de leeraar zich verwijderd had, zeide 
mijn gastheer : 

— //'t Is lastig! Men durft het die menschen bijna niet 
meer weigeren; ten minste ik niet, want de eigenaren in 
Holland zijn er zeer op gesteld; en toch houd ik al dat 
preêken voor dwaasheid !" 

— //Inderdaad?" was mijn antwoord, //ik had er anders 
nog al wat goeds van gehoord!" 

— //Weet gij waarom de slaven gaarne kerk houden? 
Omdat zij dan geen arbeid behoeven te verrigten. Niets 
doen, luijeren, rusten, dat is het pleisierigste wat die zwarte 
ellendelingen kennen; en dat pleisier schenkt hun de kerk. 
Belang in de godsdienst stellen zij niet het minste; wees 
daarvan verzekerd. 



160 

— //Hoe laat wordt morgen de godsdienstoefening ge- 
houden?" 

— //Te tien ure." 

— //Zoudt gij mij willen toestaan, haar bij te wonen?" 

— //Gij haar bijwonen? Doe het niet; ik raad het u 
ten sterkste af; gij zult er niets aan hebben." 

— //En toch wenschte ik het, al was 't alleen, om mijne 
nieuwsgierigheid eens te voldoen." 

— //Nu, ik heb er niet tegen, als 't u genoegen kan 
verschaffen. Dit is althans zeker, dat gij zoo wel om den 
leeraar als om de zonderlinge gemeente hartelijk zult moeten 
lagchen." 

Ik ging den volgenden dag de godsdienstoefening bijwo- 
nen, maar ik lachte niet. 't Is waar, het uiterlijke der 
plegtigheid had niets opwekkends. 't Was een katoenloods, 
waarin de gemeente bijeenkwam, en er was volstrekt niets 
gedaan, om eenige achtbaarheid en waardigheid aan deze 
voor 't gebed bestemde plaats bij te zetten. En toch werd 
ik zoo geroerd en geschokt, als nooit te voren in eenige 
kerk. Toen ik in de katoenloods kwam, was de gemeente 
bijeen en de leeraar zijne rede reeds begonnen. Eene eer- 
biedige stilte heerschte in de vergadering. Een vijftigtal 
slaven was hier verzameld. Ik zag er jongelieden, even de 
kindsche jaren voorbij, en grijzen, gekromd van den arbeid 
en die de slavenketenen gedurende een menschenleven had- 
den getorscht. Ik zag er echte Afrikanen, en kleurlingen 
van allerlei schakeringen , tot mistiezen, die zoo blank waren, 
dat ik ze voor Europeanen zou hebben aangezien, indien ik 
niet beter had geweten. Ieder, die in deze vergadering zich 
bevond, had in gespannen aandacht het oog gevestigd op 
den leeraar. Allen luisterden naar hem, als of hij hun het 
zaligste dat zij kennen, de vrijheid, kwam aankondigen, 
't Was ook de vrijheid, die hij hun predikte, maar aan 



161 

gindsche zijde van het graf! In zeer eenvoudige "bewoor- 
dingen, stelde hij hun de zaligheid des hemels voor, voor 
allen die op Christus vertrouwen bereikbaar en voor allen 
het hoogste goed. Maar juist door haren eenvoud, geheel 
voor 't kinderlijk gemoed geschikt, greep ook mij die pre- 
diking aan. Ik werd, als de slaven, weggesleept door den 
prediker van 't euangelie; ik hoorde met hen, even inge- 
spannen als zij; en toen hun zacht, liefelijk, melodieus 
loflied ten hemel rees, voegde ik ook mijne stem hij de 
hunne; en toen hun dankgebed den goeden Yader van sla- 
ven en vrijen werd opgedragen, steeg er ook een vurige bede 
uit mijne borst. Diep getroffen keerde ik huiswaarts". 



Ziedaar een enkelen blik geworpen op de godsdienstige 
bijeenkomsten. Wilt gij een blik werpen in den persoon- 
lijken en meer vertrouwelijken omgang der zendelingen met 
de individuen, wilt gij een blik werpen in het inwendige 
gemoedsleven der slaven, die de opleiding der Moravische 
Broeders genieten, lees dan de i>Berigten uit de Heiden-we- 
reld^ uitgegeven door het zendeling -genootschap te ZeisV. 
Gij zult er door overtuigd worden, dat het goede zaad op 
de plantages van Suriname dikwijls in eene goede aarde valt. 
Gij zult tot tranen geroerd worden , zoowel door de kinder- 
lijke zachtmoedigheid en het onwrikbaar geloofsvertrouwen 
van menigen slaaf, als door den onbezweken moed, waar- 
mede mannen en vrouwen alles in de wereld verzaken, ge- 
varen, verguizing, ziekte en dood trotseren, — alléén om de 
ongelukkige slaven den eenigen maar ook den besten troost 
te brengen. Wij nemen van hen afscheid met u eene der 
voortrefielijksten dier edelen in haar leven en sterven voor 
te stellen, en doen dat met de woorden, die in JSTo. 4 der 

II. 11 



162 

irBerigten uit de Heidenwereld voor 1854" aan haar zijn 
gewijd. 

//De weduwe hartmann, geb. i^obach was eene der uit- 
stekendste onder de dienaressen op des Heeren wijnberg in 
Suriname. Hare werkzaamheid aldaar zal niet gemakkelijk 
vergeten worden. Stond zij vroeger haren echtgenoot in 
zijn beroep met deelnemenden ijver ter zijde, ook na zijn 
dood werkte zij met onvermoeide trouw onder hare zwarten 
voort. Waar het klimaat het ongezondste, de dienst het 
vermoeijendste, de ontbering en zelfverloochening helgroot- 
ste was, daar vond men haar als op haar lievelingsplek, 
steeds bereid om te helpen en bij te staan. Zij dacht niet 
aan zich zelve, maar slechts aan de zaak des Heeren, wien 
zij goed en bloed gaarne ten offer bragt. 

//Hare laatste levensjaren wijdde zij geheel aan het^ö^c^- 
land^ het zoogenaamde Doodenland, waar zoo vele onzer 
zendelingen en zoo spoedig na elkander of stierven of tot 
verdere dienst onbekwaam werden, en waarvoor eindelijk 
geene arbeiders meer konden gevonden worden. Daar 
woonde zij alleen onder de negers, deels te Nieuw Bamhay, 
de eigenlijke statie der Vrij-Negers zelve, deels op de hout- 
plantage Berg-en-Dal^ aan de grenzen des lands, waar zich 
mede eene kleine Gemeente uit de geloovigen bevindt. Zij 
hield de verlaten kudden bijeen, vermaande, troostte, leerde 
de volwassenen, onderrigtte de kinderen, was moederlijke 
verpleegster van allen. Met dit alles paarde zij de grootste 
nederigheid en belangeloosheid. Als dienstmaagd des Hee- 
ren nam zij geen lof aan van menschen. Zij liet zich door 
niets afschrikken, zoo min door den wrevel en haat van den 
tegen haar ingenomen direkteur der laatstgenoemde plantage, 
die haar stellig van daar verwijderd had, indien de vrees 
voor zijne negers hem niet had teruggehouden, als door de 
smarten der Elepha?itiasis , eene ziekte onder de negers, 



163 

maar die, gelijk haar, ook somtijds de Europeërs aantast. 
Met vreugde deelde zij in de verachting, de armoede, de 
tijdelijke droefenis en zelfs in de krankheid harer negers, 
om slechts hunne zielen te winnen voor het rijk des Mee- 
ren. De heldengeest onzer eerste Heidenboden, die naar 
West-Indië uittogen, scheen in haar te herleven; gelijk zij 
wilde zij slaaf worden , om der slaven wille. 

//De Heer schonk haar hier beneden reeds een rijk gena- 
deloon. Vele van hare kweekelingen zag zij voor hem ge- 
dijen; groot was de liefde en dankbaarheid, waarmede de 
negers aan haar gehecht waren; en zulk een zacht einde 
werd haar beschikt, dat zij volstrekt niets van de smarten 
des doods had uit te staan. Den 30 December 1853 stierf 
zij in vijf-en-vijftig jarigen ouderdom." 

Nog een enkel woord zij mij vergund over de pogingen , 
tot heil der slaven, van eene andere zijde aangewend. Ook 
het Nederlandsch Zendeling-Genootschap heeft in vroeger 
dagen zijne blikken naar Suriname gewend en zijne werk- 
zaamheden er begonnen, maar niet voortgezet. Reeds lang 
daarop bedacht, en in December 1820 door het Britsch en 
Buitenlandsch Bijbelgenootschap tot de uitbreiding des 
Evangelies in Suriname opgewekt, besloot het Genootschap 
in 1821, op raad van den predikant h. uden masman te 
Paramaribo, eene zending in de Nickeri te beproeven, waar 
toen de Moravische Broeders hun arbeid hadden gestaakt. 
In October 1822 vertrok de zendeling t. a. wix derwaarts, 
mede ondersteund door eene j aarlij ksche toelage der rege- 
ring. Hij arbeidde daar tot zijn dood in Julij 1839, met 
het gevolg, dat toen onder de negerslaven aldaar eene ge- 
meente bestond van 300 zielen. Na zijn dood werd die 
zendingpost, door gebrek aan zendelingen en geldelijke 
hulpmiddelen , eerst onvervuld gelaten en , na eenige vruch- 

11* 



164 

telooze pogingen tot het vinden van arbeiders, door het 
Zendeling-Genootschap geheel opgegeven. 

Met hoeveel warmte ik ook de beginselen van het pro- 
testantisme belijd , en hoezeer ik een afkeer heb van alle 
menschelijk gezag in zaken van geloof en godsdienst, toch 
zie ik met genoegen, dat ook de priesters eener afdeeling 
der Christenkerk, die Rome als hare autoriteit erkent, hunne 
krachten inspannen, om met hunne middelen en op hunne 
wijze ongelukkigen op te heffen uit de verdierlijking, waarin 
zij leven en de troost der godsdienst te brengen. Al wordt 
hun ook het euangelie gebragt, verduisterd door vele bij- 
voegselen en verward in een reeks van dwalingen en valsche 
begrippen, dat euangelie heeft zulk een heiligenden schep- 
pend vermogen, dat het aan de ongelukkige slaven zich ook 
in dien vorm niet onbetuigd zal laten; vooral niet, wanneer 
de priesters als menschen vrienden verschijnen, die door 
zachtmoedigheid en liefde hunne harten trachten te winnen. 

Daarom verheugt het mij, dat ook de E/Oomsch-Katholijke 
kerk voor 't welzijn der slaven werkzaam is. Vele bijzon- 
derheden omtrent den aard en de vruchten dier werkzaam- 
heid in Suriname zijn mij niet bekend. Te vergeefs heb 
ik getracht, daarvan 't een en ander te vernemen. De po- 
gingen, die ik daartoe heb in 't werk gesteld, zijnmislukt. 

De Verslagen van den Minister van Koloniën zijn over 
dit onderwerp almede zeer schraal. Volgens dat van 1849, 
waren onder de bevolking van Paramaribo 1129 Eoomsch- 
Katholijken, en behoorden van de slavenbevolking in Su- 
riname 5241 tot die kerk. 't Verslag van 1850 vermeldt 
alleen : //Het getal Eoomsch-Katholijken, zoo te Paramaribo 
als in het distrikt Opper-Nickerie en het etablissement Ba- 
tavia, is, gedurende het jaar 1850, met 370 personen ver- 
meerderd. Het personeel der E.oomsch-Katholijke kerk be- 



165 

stond uit drie bezoldigde en drie onbezoldigde geestelijken." 
In 't verslag van 1851 deelt de Minister het volgende mede : 
//De Eoorasch-Katli olijke gemeente telde, zoo te Paramaribo 
als te Coronie en op het etablissement Batavia, 1,181 vrije 
en 5,671 niet- vrije personen." Volgens het verslag van 
1853, was dat getal, bij 't einde van dat jaar, geklommen., 
tot 1,220 vrije en 5,908 niet-vrije menschen. 

Er is vooral één man onder de Roomsch-Katholijke pries- 
ters geweest, wiens zelfsopoflering tot het heil der slaven ik hier 
met warme sympathie mag vermelden, 't Is de heer J. grooff, 
dezelfde die, als hoofd der Roomsch-Katholijke missie in 
Nederlandsch Indië, uit Batavia werd verbannen, maar die 
in Suriname zijne werkzaamheid aan de lijdende slaven heeft 
toegewijd. De Minister zegt van hem, in 't Verslag van 
het beheer en den staat der koloniën over 1852 : //Na het 
verlies, 'twelk de Roomsch-Katholijke gemeente heeft gehad 
van haren bisschop, den Hoog Eerwaarden heer j. guooff, 
die op den 29sten April 1852 overleed, werd de dienst ver- 
rigt door vijf geestelijken, namelijk twee te Paramaribo, 
twee in de distrikten Nickerie en Coronie en een op het 
etablissement Batavia. De deelneming, die genoemd sterf- 
geval bij de geheele Surinaamsche bevolking heeft onder- 
vonden, mag als een blijk worden aangemerkt van den hoo- 
gen prijs, waarop bij allen werden gehouden de veelvuldige 
bewijzen van liefdadigheid, door den overledene betoond ten 
behoeve van personen, ook niet tot zijne gemeente behoorende, 
doch bovenal zijne onvermoeide pogingen en opofferingen 
tot leniging van het lot der ongelukkigen op het etablisse- 
ment Batavia." 

Dat etablissement was het tooneel zijner menschenliefde. 
Daar leefde hij jaren lang te midden der rampzalige slagt- 
ofi'ers van de afgrijsselijke melaatschheid. 't Is eene ziekte 
zóó besmettelijk en gevreesd, dat alle slaven onmiddellijk 



166 

ter beschikking staan van het Gouvernement en naar dit 
afgezonderd verblijf worden gevoerd, zoodra zij, door eene 
daartoe bestemde commissie, verklaard zijn als besmet met 
de melaatschheid of de daarmede gelijkstaande elephantiasis. 
Maar de heer gkoofp vreesde die besmetting niet. Hij 
woonde onder die ongelukkigen; hij stond hen bij in hunne 
ellende; hij gaf hun troost, hij bemoedigde hen, hij wees 
hen op de eindpaal van hun lijden aan gindsche zijde van 
het graf. 

Wij eindigen hier onze beschouwing van de pogingen, 
die in 't werk worden gesteld, om aan de slavenbevolking 
van Suriname het Christendom te brengen. Christendom 
en slavernij ! Zouden beiden zich o^ den duur met elkander 
verdragen? Wij gelooven het niet. Het Christendom zal 
de slaven vrij maken. Van het Evangelie hebben zij nu 
reeds kracht en troost, om de slavenboeijen te dragen zon- 
der vertwijfeling, aan het Evangelie zullen zij eens hunne 
emancipatie te danken hebben ! 



VII. 



WEGLOOPERS M BOSCHPATROllILLES. 



Verwondert het u, dat menschen, die slavenketenen te 
torschen hebben, zich daarvan gaarne bevrijd zien? Ver- 
wondert het u, dat velen der ongelukkigen, wier lot wij in 
deze bladen schetsten, zich aan den een wigdurenden dwang- 
arbeid, aan de altoos knallende zweep en aan 't gebrek en 
de ellende, door de vlugt trachten te onttrekken? En toch 
wordt dit in Suriname als een der grootste misdaden be- 
schouwd, waaraan een slaaf zich kan schuldig maken. Zij, 
die op deze wijze hunne vrijheid zoeken te verkrijgen, wor- 
den met den naam van //wegloopers" bestempeld, en dat is 
de verachtelijkste benaming, die men kent. Gij kunt er 
misschien zulk een groot zedelijk kwaad niet in zien, wan- 
neer menschen, die men wederregtelijk van hunne vrijheid 
heeft beroofd, en aan wie de mogelijkheid wordt ontnomen, 
om dien roof af te koopen en eene zekere som gelds voor 
hunne vrijheid bijeen te brengen, zich van hunne zooge- 
naamde meesters verwijderen, zoodra zij er kans toe zien; 
gij vindt het niet slechts verschoonbaar maar zeer natuur- 
lijk, dat zij eenen toestand ontloopen, die niet alleen hen 



168 

zelven, maar ook hunne kinderen diep rampzalig maakt. 
Gij meent, dat het voor u en ieder, die in handen van zee- 
roovers mogt gevallen zijn, een natuurlijke pligt des zelfs- 
behouds zou wezen, te trachten op elke wijze, het eenvoudigst 
door de vlugt, uwe vrijheid terug te zoeken. Maar de Su- 
rinaamsche slaveneigenaar denkt daar anders over. In zijne 
oogen is de slaaf, die vrij wil zijn, die niet langer zweep- 
slagen en ellendig voedsel en kettingboei wil verdragen, 
een der grootste misdadigers. Hij moet met de zwaarste 
lijfstrafïen zijne euveldaad boeten. 

Ook de wetgever in Suriname is van die meening. Vol- 
gens art. 1 der publikatie van 1 Mei 1838 (Gouvernements- 
blad n". 7) wordt de ontvlugting van eenen slaaf uit de 
kolonie Suriname, met het kennelijk oogmerk, om zich aan 
zijnen wettigen meester te onttrekken, gestraft met dwang- 
arbeid op een der landsetablissementen, of op de plantage 
zijns meesters, of op eenigen anderen, door dezen aan te 
wijzen grond, voor den tijd van ten hoogste ^éei»? achtereen- 
volgende jaren. Wanneer zoodanige ontvlugting is vooraf- 
gegaan of vergezeld geweest door de misdaad van diefstal, 
of eenig ander misdrijf tegen den eigendom, wordt de 
schuldige, volgens art. 2, gestraft met dwangarbeid voor den 
tijd van hoogstens vijftien jaren. Is de ontvlugting voor- 
afgegaan of vergezeld geweest door eeuige daad van verzet 
of geweld tegen personen, welke den vlugteling hebben aan- 
gehouden of trachten aan te houden, dan wordt de slaaf, 
volgens art. 3, met den dood gestraft. Heeft echter zulk 
eene daad van verzet of geweld geene verwonding of eenig 
ander schadelijk gevolg te weeg gebragt, dan kan ook de 
naaste straf aan die des doods door den regter worden toe- 
gepast. Als twee of meer slaven komplot tot ontvlugting 
buiten de kolonie gemaakt hebben en daarvan regtens vol- 
doende zal zijn gebleken, dan wordt de hoofdaanlegger, 



169 

volgens art. 4, tot levenslangen dwangarbeid, en ieder der 
medepligtigen tot dwangarbeid voor den tijd van tien jaren 
veroordeeld. 

Ziedaar eenige proeven van strafwetgeving voor de slaven 
in Suriname. Wilt gij nog meer? Be iwging tot ontvlug- 
ting van eenen slaaf, door daden van uitvoering gekenmerkt, 
wordt, volgens art. 8, met dezelfde straffen achtervolgd, als 
de ontvlugting, welke door aanhouding of uitlevering van 
den ont vlugten slaaf is verijdeld. 

Wilt gij nog meer? Let dan op de bepaling van art. 7. 
Zij is karakteristiek; zij is geheel in den geest der Suri- 
naamsche menschlievendheid. Geen straf, meent men daar, 
is doeltreffend voor eenen slaaf, wanneer zij niet met zweep- 
slagen of spaansche bokken gepaard gaat. Daarom schrijft 
het artikel voor : //zoo dikwijls, volgens de bepalingen in 
deze wet voorkomende, de straf van dwangarbeid tegen sla- 
ven moet worden uitgesproken, zal deze worden voorafgegaan 
door eene horrehtïe met slagen, ter bepaling des regters." 
En op welk eene krachtige wijze aan dit voorschrift de hand 
wordt gehouden, zal u, in een tal van feiten, ook uit den 
laatsten tijd, kunnen blijken. 

Züü heeft de slavernij, het beginsel der ongeregtigheid, 
moeten leiden tot eene reeks van steeds grootere wettelijke 
ongerefftioheden, ten einde haar te kunnen handhaven. Zoo 
heeft de wetgever in Suriname gezorgd voor het veilig bezit 
van de gewaande eigendommen der vrije ingezetenen. Zoo 
tracht hij , door te dreigen met boeijen en geeseling en 
den dood, de slaven in de kolonie en in de handen hunner 
meesters te houden. Maar dat was nog niet genoeg. Elke 
mogelijke menschlievendheid, elk ontwakend medelijden, 
ieder vonk van Christelijk gevoel voor den lijdenden broeder 
moest reeds in de geboorte worden gesmoord. Iedereen 
moest afgeschrikt worden, om de ougelukkigen , die het 



170 

wagen hunne ellende te ontvlugten, in de uitvoering dezer 
afschuwelijke misdaad de behulpzame hand te bieden. De 
vlugteling, die de mishandelingen van zijnen barbaarschen 
meester tracht te ontkomen, moet overal spionnen en po- 
liciedienaren en handlangers der justitie vinden, die hem 
overleveren aan den beul. In eiken mensch, dien hij op 
zijne vlugt ontmoet, zoowel mede-slaaf als vrije, moet hij 
eenen verklikker zien, die hem aanhoudt en naar den ker- 
ker voert. 

Wee u! zoo gij in Suriname barmhartig zijt jegens zulke 
ongelnkkigen ! Wee u! zoo gij hen, uitgeput van honger 
en dorst en vermoeijenis, in uwe woning opneemt en ver- 
zorgt en weder laat vertrekken! //Vrije personen, die de 
ontvlugting van een slaaf uit de kolonie door schuilhouding 
begunstigd, of middelen van transport daartoe hebben ge- 
geven, of zoodanige ontvlugting op eenige andere wijze 
hebben bevorderd, zullen worden gestraft met konfinement 
op een der lands-etablissementen voor ten minste een jaar 
en ten hoogste tien jaren, welke straf, in de gevallen bij 
dit artikel bedoeld, die van dwangarbeid zal zijn voor sla- 
ven, zoo dikwerf deze de ontvlugting van eenigen slaaf 
zullen hebben begunstigd of bevorderd." Zoo luidt art. 5 
der wet. God van geregtigheid en genade! ontferm Gij u 
over de slaven; ontferm u bovenal over hen, die Christenen 
heeten ! 

JPan jal "be fiontn^ ?«^5^t iot Ijeit^ i'xe aan 2'vne xei^ttx- 
Ijanlï füit: ,,ïi0mt qv gtjegente mens Öair^re! bsüü l)ft ko- 
ningrpk, 't voeik vooi ii beteilJ i& van Ise Qtonilen^^inQ ijtr 
jDeifli) af! 

ÏOant th btn Ijongm^ Qtwee&tf en qv l)ebt m^ ie eten ge- 
geven -^ ih ben ïrxrrjatt;^ gevoee&tf en g^o i\ebt mv ie ïnrinkfn 
gegeven^ ik maö een vteexaiieling ^ en g^ \:)ebi m^ o^pgenamen} 



171 

3k ma& naakt) m qv l)cbt mti gehUei; ik voa^ Krank 
sn Qv Ijfbt ntü bi}ocl)t; ik maö in Ixe Q£van$eni9 en q^ ^vt 
iet mr| gekomen." 

ÜJan gullen itr rjc^tnaariri^cn otttiO00rï>rn jCi^Qtn'be : ,,^fjer! 
roannf^r Ijfbbrn hjö u l)on^crt^ ^^jicn en sesfvj'iQb'^ xrf ïnar- 
0ti^, jen l)ebb;ert u ixr brinkrn i^eQcven? 

<£n luannffr ^fbbcn mv n vteembelxng gtfien en o^gena- 
tnrn? a( naakt, en jjckleeta? 

(&n toanneet ijMen mv xi krank en in iie j^eDangenis ge- 
zien en ^vn Ixrt u gekomenV' 

JDan jal Ibe fi,0nin^ antiooorïrïn en jeggen : ,,»0onoaar, 
ik ^tSSi u : fo^r ^ooüjCéI ;0o ï»it aan één van ieje mvne 
gexingste br^jeb^rs ;0£iraan l)cbt, l)fbt qv l)ct aan mr ^tbaan !" 

Niet alzoo! zegt de wet in Suriname. Als die broeder 
een slaaf is, die dagelijks zijn kind zag mishandelen door 
eenen hardvochtigen lieer, en in woede ontstoken, den knaap 
aan de zweepslagen van den bastiaan ontrukte, met zijne 
ijzersterke vuisten den beul van zich afsloeg, en in razernij 
het huis van zijnen heer ontvlugtte, dan zult gij hem niet 
herbergen als hij zich aanmeldt, dan zult gij hem niet voe- 
den als hij van den honger bezwijkt; maar dan zult gij 
den gruwel op u laden, waartegen de apostel waarschuwt 1): 
gij zult een menschendief worden. Gij zult hem vangen, 
als een wild dier dat uit zijne kooi is gebroken, en 
naar den regter slepen om gedood te worden. Als eene 
slavin, door bedreigingen en mishandelingen, door pijniging 
en marteling gedwongen om haren meester te wille te zijn, 
de hel waarin zij woont heeft ontloopen; als zij dolende in 
de bosschen en wildernissen, uitgeput van vermoeijenis en 
gebreken ellende, eindelijk voor uwe woning half stervende 
neervalt, als zij, in wanhoop en vertwijfeling, de handen 

1) 1. Thim. I, 10. 



172 

smeekend tot u opheft, dat gij hare brandende lippen met 
een dronk water zoudt verkwikken, en haar een schuilplaats 
geven tegen het monster dat haar vervolgt — dan zult gij 
haar overleveren aan den scherpregter , om_^ gegeeseld en in 
boeijen geslagen te worden. Geeft gij de dorstende te 
drinken en neemt gij haar op in uwe woning en verpleegt 
gij haar en beschermt gij haar, dan wordt gij veroordeeld 
tot tien jaar gevangenisstraf! 

Maar dat verbod, van zware strafbepalingen voorzien, is, 
in de oogen van den wetgever, nog niet voldoende om de 
slaveneigenaren in het voortdurend gerust bezit hunner ei- 
gendommen te beschermen. Men heeft zich van het laag- 
ste, het meest de openbare zedelijkheid verwoestende be- 
ginsel, de opwekking tot verraad door de hebzucht, bediend; 
men heeft door premiën den ijver en de waakzaamheid 
van alle ingezetenen van Suriname, zoo vrijen als lijfei- 
genen, gescherpt en aangevuurd. Men heeft getracht iedereen 
in die kolonie in een policiebeambte te herscheppen, door 
hem ten minste honderd gulden te beloven, als hij de ont- 
vlugting van eenen slaaf verijdelt. In art. 80 worden de 
schitterendste belooningen toegezegd aan allen, die zich 
zelven zoo diep weten te verlagen. //Vrije personen en 
slaven," zoo luidt het, //die de ontvlugting van eenen 
slaaf uit de kolonie door aanhouding verijdelen, of door 
ontdekking aan de bevoegde autoriteit van eenig komplot 
van slaven tot ontvlugting weten voor te komen, met dat 
gevolg, dat de schuldigen in handen der policie geraken, 
zullen, hetzij met premiën van ten minste honderd gulden 
voor lederen vlugteling, hetzij ook, wat slaven betreft, in 
bijzondere gevallen door het Gouvernement met den vrijdom 
worden begiftigd, en zulks tegen schadeloosstelling van 
den eigenaar." 

Men heeft nog meer gedaan. In naam des Koningswerd, 



173 

den 7 October 1839, door den Gouverneur-Generaal der 
Nederlandsclie West-Indische bezittingen, eene publikatie 
uitgevaardigd : //houdende bepaling der vanggelden en pre- 
miën, welke voor de aanhouding van weggeloopen of ont- 
vlugte slaven moeten worden betaald."" Daarin zijn de ver- 
schillende omstandigheden, waaronder een slaaf kan worden 
//aangehouden," geklassificeerd , en is, naar de meerdere of 
mindere moeite, die men met dat //aanhouden" heeft, de 
hoegrootheid der //vanggelden" geregeld. 

Deze bepalingen werken uitmuntend. Niemand, gij kunt 
er van verzekerd zijn, niemand zal in Suriname eene schuil- 
plaats aan een weggeloopen slaaf verleenen ; niemand zal hem 
opnemen; de blankeen de kleurling, de vrijeen de lijfeigene, 
iedereen, die hem op zijnen weg ontmoet, en hem als vlug- 
teling herkent, zal hem aanhouden en gevangen nemen. Mogt 
er eene uitzondering op dien regel zijn, dan wordt zij door 
de slaven gemaakt. Er zijn onder hen, die, tot beschaming 
van hen die zich blanke menschen noemen, uit mededoogeu 
de wet overtreden en de hun toegezegde premie in den steek 
laten; maar er zijn er ook, die even woedend als de mees- 
ters de wegloopers vervolgen. Verwondert het u? Maar 
bedenk toch, dat zij, door 't niet te doen, geeseling en 
kettingboei zich op den hals halen; bedenk, dat zij, door 
zich ijverig in dat werk te betoonen, kans hebben, om 
honderd gulden, ja — ó lokaas der helle! — het koste- 
lijkste dat zij kennen, de vrijheid te verdienen. 

En niemand in Suriname, zelfs niet den vroomsten Chris- 
ten, de welopgevoede vrouw, het zachtaardige en goedhar- 
tige meisje, schijnt het in de gedachten te komen, dat zij 
iets anders doen, dan 't geen natuurlijk is. Zoo veel kracht 
heeft de gewoonte. Zoo verpligt het beginsel des kwaads 
tot al zijne gevolgen. Zoo verderfelijk voor godsdienst en 
zedelijkheid werken slechte wetten. Gaaft gij aan een hun- 



174 

ner te kennen, dat gij medelijden hebt met de ongelukkige 
vlugtelingen, dat uw hart u dringt, om hen te helpen en 
te ondersteunen, dat gij niet ligt er toe zoudt komen, om 
iemand dien gij in dien toestand ontmoet of in uwe woning 
de vlugt ziet nemen, te verraden, men zou u niet begrijpen 
en voor half krankzinnig houden. 

Werp maar eens een' blik in dat aanzienlijke huis te 
Paramaribo, waarin een der meest achtingwaardige familiën 
woont. Gij ziet er den heer des huizes, met zijne vrouw 
en dochter en een talrijk gezelschap bijeen. Allen zijn 
in eene genoegelijke stemming, want het feest der verlo- 
ving van de schoone henkieïte, het eenige kind, de lust 
en de vreugd harer ouders, wordt er gevierd. De bruide- 
gom is een brave en oppassende jonge man, ambtenaar 
bij het Gouvernement der kolonie. Het geluk, dat de 
ouders te beurt viel, maakte hen erkentelijk en dankbaar 
aan den goeden Hemelschen Yader, zachtmoedig, meedoo- 
gend en vergevensgezind jegens de menschen. De predikant 
H., die mede dit feest bijwoont, kan het getuigen; hij was 
dien morgen de bemiddelaar geweest tusschen zijnen gastheer 
en een van diens bloedverwanten, van wien sedert jaar en 
dag haat en vijandschap hem hadden gescheiden, maar wien 
hij nu, door tusschenkomst van den leeraar, de hand der 
verzoening had aangeboden. De armen ondervonden, bij 
deze heugelijke gebeurtenis, zijne milddadigheid in ruime 
mate, en menig huisgezin, dat hij geregeld ondersteun- 
de, mogt zich dien dag in eene buitengewone gift ver- 
blijden. 

Onder de gasten bevond zich ook een jonge zee-officier, 
die, eenige dagen geleden, kersvers uit 't Moederland voor 
't eerst den voet in de kolonie had gezet, brieven van aan- 
beveling voor den heer des huizes had medegebragt en 
thans in dit uitgelezen gezelschap, te midden van hoogst 



175 

beschaafde en wel opgevoede menschen, eenen allergunstigsten 
indruk ontving van de zaraenleving te Paramaribo. Hij 
praatte en koutte en schertste en lachte met de jonge meis- 
jes en de bruid; hij had dol veel pleisier. Maar terwijl hij 
met dien genoegelijken arbeid bezig was, terwijl de bedien- 
den rondgingen en allerlei overheerlijke ververschingen aan- 
boden, terwijl de oude lui in een druk algemeen discours de 
nieuwtjes der stad en de kritiek der stadgenooten behan- 
delden, terwijl alzoo het feest in vollen gang was en al de 
feestgenooten in eene regt aangename stemming verkeerden, 
riep plotseling een hunner uit, tevens naar buiten op de 
straat wijzende : 

— //Zie eens Mijnheer m ver, daar brengt men uwe weg- 
geloopen slavin diana voorbij !" 

Aller oogen keerden zich naar het aangewezen punt, en 
zagen een jonge slavin, door eenige mannen geleid, voorbij 
de woning van den gastheer gaan. Het arme meisje weende 
bitter, had liare oogen naar den grond gekeerd en volgde ge- 
dwee den weg, dien men haar aanwees. 

— //Ja waarlijk," zei de heer rivek,, een der gasten, 
een deftig man van middelbaren leeftijd, //ik had niet dur- 
ven hopen, dat men haar zoo spoedig zou hebben opge- 
vangen. Men moet erkennen, dat de policie tegenwoordig 
toch vrij goed is." 

— //Is dat uwe slavin?" vroeg de bruid, die ook met 
nieuwsgierigheid naar het ongelukkige voorwerp van aller 
belangstelling uitzag. 

— //Wel zeker!" was het antwoord; //de feeks is een 
dag of vier geleden gaan loopen. Waarom, is mij een 
raadsel." 

— //Hé, wat jammer, dat ik het niet geweten heb," 
hernam het lieve meisje; //verbeeld u, mama! dat die meid 
eergisteren avond nog bij ons aan huis is geweest. Had 



176 

ik het maar kunnen denken, dan had ik haar toen reeds 
gemakkelijk kunnen laten pakken." 

— //Er is toch onmiddelijk aangifte van geschied, en als 
gij "'t Adoertentie-hlad maar hadt gelezen, dan hadt gij ge- 
zien, dat de prokureur-generaal er behoorlijk opgaaf van heeft 
gedaan." 

— //Nu," viel de gastheer in, //ze is nu toch gevangen. 
Wat zal de zweep ferm op die dikke meid klappen 1 Nog 
een glaasje wijn, mijnheer river. Ik wensch u geluk, dat 
gij dat schepsel terug hebt." 

En als of er niets gebeurd was, ging het gezelschap we- 
der voort met het zich zoo aangenaam en genoegelijk mo- 
gelijk te maken. 

Maar de jonge officier was, na dittooneel, stil geworden. 
Met verwondering had hij dit gesprek bijgewoond, met ver- 
bazing de aanmerking der bruid gehoord. Hij zag de an- 
dere meisjes eens aan, hij wilde zoo gaarne althans éénig 
medegevoel met die ongelukkige op een dier lieve gezigtjes 
lezen; maar 't was te vergeefs. Zij praatten weder en lach- 
ten als te voren; niemand kwam het in de gedachten, dat 
daar iets onnatuurlijks in gelegen was. 

Toen de zee-officier mijmerend en in zich zelf gekeerd 
naar huis ging, had hij niet meer zulke goede gedachten 
van de Paramaribosche zamenleving, als toen hij zich naar 
het feest begaf. 

Met zulke strenge wetten, met zulk een georganiseerd 
stelsel van algemeene bespieding, met zulke zeden in het 
maatschappelijke leven, zoudt gij veronderstellen, dat geen 
slaaf het wagen zal, zijnen meester te ontvlugten. Bedenk 
daarbij aan welke ellende zij zich blootstellen, die gelukkig 
genoeg zijn van werkelijk te ontvlugten, hoe zij in de wil- 
dernissen ronddwalen, kampende tegen gebrek, ontbering en 
duizenderlei gevaren. Neen, de slaaf zal het leven bij zijnen 



177 

meester, hoe hard het moge zijn, boven zulk een lot ver- 
kiezen. En toch vergist gij u. Dagelijks zijn de Cou- 
ranten, die te Paramaribo verschijnen, opgevuld met aan- 
kondigingen van slaven, die zich verwijderd hebben. Gij 
leest geen noramer van het Surmaamsch WeeJchlad., van de 
Surinaamsche Courant en Gouvernemenis Advertentieblad ^ 
van het Algemeen Niemos- en Advertentieblad , of gij vindt 
eeiie annonce van den Prokureur-Generaal van den volgenden 
inhoud : //Gedurende de afgeloopen week is bij de politie 
opgaaf gedaan, dat zich uit de stad en hare omstreken 
verwijderd hebben .... Elk en een iegelijk wordt ernstig 
aangemaand, om voorzei de slaven niet op te houden, te 
huisvesten of voor zich te doen arbeiden, daar men zich 
door zoodanige handelwijze zou blootstellen aan de straften 
bij de Publikatie van den 5 Eebruarij 1834. G. B. N». 1 
vastgesteld" (1). 

't Is waar dergelijke verwijderingen zijn nog niet altoos 
pogingen, om uit de kolonie te outvlugten, of naar de 
wildernissen de wijk te nemen. Er zijn daarom ook andere 
straffen gesteld voor hen, die zulke slaven //huisvesten"" en 

(1) Deze Publikatie luidt aldus : „Degenen, die overtuigd zullen wor- 
den, aan de verwijdering van eenen slaaf de hand te hebben geleend, 
of die denzclven na zijne verwijdering hebben opgehouden, door den- 
zelven te huisvesten , voor zich te doen arbeideu , of op eenigerlei wijze 
deszelfs verschuiling te hebben bevorderd, zullen schuldig worden ver- 
klaard aan het misdrijf van op- en schuilhouden van weggeloopen sla- 
ven, ten nadeele der wettige eigenaren of meesters, en te dier zake, 
naar gelang van omstandigheden , worden gestraft met eene gevangen- 
zetting op de forteres Amsterdam van ten hoogste twee maanden , of 
met geldboete van ƒ200, hetzij te zamen , hetzij afzonderlijk, en voor 
zoo verre de schuldigen zelve slaven zijn, met slagen en dwangarbeid 
voor den tijd van ten hoogste twee maanden op den grond of den ei- 
gendom van hunnen meester, of op zoodanige plaats, als door dezen 
zal worden aangewezen; behoudens de actie van schadevergoeding, 
welke aan den eigenaar van eenigen weggeloopen slaaf zal competeren. 
II. 12 



178 

//ophouden," 't geen voor eene geringere misdaad wordt 
gehouden dan het //bevorderen der ontvlugting." Maar 
zeker is het, dat de pogingen van slaven om hunne vrij- 
heid terug te erlangen, door naar de bosschen of over de 
grenzen de wijk te nemen, in weerwil van de straffen en 
de gevaren waaraan zij zich bloot stellen, menigvuldig voor- 
komen. Indien nu het lot van den slaaf zoo zacht en 
gelukkig was, als men 't in Suriname wil doen voorkomen, 
hoe zou dit verschijnsel dan te verklaren zijn? Zou het 
geen onoplosbaar raadsel wezen? 

In den laatsten tijd is er echter nog eene bijzondere 
reden geweest, waarom zoo vele slaven getracht hebben te 
ontvlugten. Die reden is het overbrengen der slavenmagten 
van de eene plantage naar de andere. Wanneer de gronden 
van een etablissement zijn uitgeput, of wanneer men eenig 
effekt wil sloopen of uit eenige andere oorzaak, worden 
vooral tegenwoordig de slaven van zulk eene plantage dik- 
wijls verwijderd en aan de slaven magt eener andere toege- 
voegd. De Minister van Koloniën heeft, in 't Verslag over 
1849, zeer te regt de bronnen opgenoemd, waaruit de te- 
genzin dier ongelukkigen tegen zulk eene verplaatsing voort- 
vloeit. //Ongaarne," zegt hij, //wordt de slaaf van den 
eenen grond naar den anderen verplaatst, gehechtheid aan 
den grond zijner geboorte is de oorzaak van dien tegenzin. 
Daarbij komt nog, dat de slaven zich niet gaarne van kofiBj- 
of katoengronden naar suikerplantages overgebragt zien, 
omdat de werkzaamheden op laatstgemelde zwaarder zijn." 

Zijn die redenen van tegenzin tegen verplaatsing te mis- 
prijzen? Is //gehechtheid aan den grond zijner geboorte" 
geen deugd? De slaaf is meestal onkundig van 't geen er 
buiten zijne plantage omgaat. Die plek is zijn wereld; en 
al is zij ook voor hem een tooneel van lijden en smart, 
daar zijn zijne ouders begraven, daar werden zijne kinderen 



179 

geboren, daar, aan dat oord, zijn al zijne herinneringen 
verbonden. O! de ellende moet wel groot zijn, demishan- 
delingen moeten wel het toppunt van afgrijsselijkheid berei- 
ken, wanneer hij van dat geliefde plekje zich losscheurt en 
naar de wildernissen de vlugt neemt ! 

Bij de, door den Minister opgegeven, redenen van tegenzin 
voegen wij er nog eene. Niet alleen zijn de werkzaamhe- 
den van den slaaf op de plantage, werwaarts hij over- 
gebragt wordt, gewoonlijk zwaarder, maar hij is ook onbe- 
kend met de hulpmiddelen, die zij in zijn voordeel kan op- 
leveren. Op zijn geboorteplek kent hij elke kreek, iedere 
zwamp, waarin een vischje voor hem spartelt. Met de ei- 
genschappen der gronden, met de wijze hoe zij 't gemakke- 
lijkst bewerkt worden, met alle bijzonderheden is hij ver- 
trouwd. Hier echter is hem alles vreemd; ook de slaven, 
die hij er aantreft, zijn hem vreemd. En hij wordt door 
hen niet met open armen ontvangen. Integendeel, zij zien 
hem met minachting, zelfs met haat, als een indringer aan. 
Heeft hij zich eene vrouw gezocht op eene aan de zijne 
grenzende plantage, dan wordt hij ook van haar en van 
zijne kinderen verwijderd, om die geliefde panden misschien 
nooit terug te zien. 

Is het alzoo te verwonderen, dat slaven van hunnen ge- 
boortegrond ongaarne vervoerd worden? Is het te verwon- 
deren , dat die tegenzin zich openbaarde , toen men de slaven 
van S., eenige jaren geleden, naar elders wilde overbrengen ? 
't Is eene suikerplantage aan de rivier de Suriname. Er 
behooren 500 akkers land toe, en gij vindt er eene sla- 
venmagt van 196 koppen. De slaven van W., dat een 
houtgrond was, zijn thans onder deze magt begrepen. JF. 
lag in eene vischrijke en dus voor de slaven zeer voor- 
deelige streek. Bovendien worden gewoonlijk de slaven op 
zulke houtgronden, gelijk wij vroeger zagen, het best be- 

12^ 



180 

handeld, eu hebben zij er, vergelijtender wijze, een dra- 
gelijk lot. 

Nq werd in 1848 aan den Gouverneur baron van kaders 
het verzoek gerigt, om de slavenmagt van JF. naar S. 
te mogen overbrengen. Wij hebben meermalen gehoord, 
dat deze landvoogd een menschlievend hart bezit en zich 
het lot der slaven, zoo ver zijn in dat opzigt beperkte 
magt gedoogde, dikwijls heeft aangetrokken. Ook in zijne 
beschikking op dit verzoek schijnt hij aan die beginselen 
getrouw te zijn gebleven; althans hij weigerde de toestem- 
ming, waarschijnlijk omdat hij de onbillijkheid inzag, die 
door deze overplaatsing den slaven zou worden aangedaan, 
of om eenige andere nog meer afdoende reden. Maar nu 
wendden zich de eigenaren tot den Minister van Koloniën. 
Deze dacht er anders over, en de heer van raders werd 
verpligt, de verlangde toestemming te geven. De slaven 
wilden de plantage niet verlaten en sommigen namen de 
vlugt. Toen werden de eigenaren, door de gewapende magt, 
door Nederlandsche soldaten, in de uitvoering hunner voor- 
nemens ondersteund. 

Bij Gouvernements-resolutie van 2 October 1849, werd 
aan den 2^^^ luitenant v. d. m. last gegeven, om met een 
detachement troepen naar 7F. te gaan, de slaven aldaar 
gevangen te nemen en met geweld weg te voeren naar S. 
De 1ste luitenant b. zou, met een ander detachement, de 
wegloopers, die in het bosch de wijk genomen hadden, na- 
zetten, opsporen en terug brengen. 

Aan dezen last werd voldaan. Met uitzondering van eenige 
weinigen, die men niet wedervond, werden de slaven met 
geweld naar de suikerplantage gesleept, waar zij voortaan 
den zwaren arbeid, aan zulk een etablissement verbonden, 
zouden verrigten. Zij onderwierpen zich aan hun lot, maar 
(is het vreemd?) altijd bleef een geest van ontevredenheid 



181 

onder heu heerscheii. Die ontevredenheid werd grooter, toen 
zij zich met de verdeeliug der werkzaamheden bezwaard 
gevoelden. Zij klaagden daarover bij den direkteur. Maar 
deze meende, dat de klagt onregtmatig was en alleen uit 
den morrenden en wrokkenden zin der slaven haren oor- 
sprong nam. Daaraan moest een einde komen, en alleen 
strenge maatregelen konden, volgens zijne overtuiging, de 
rust en de orde weder herstellen. Er had eene geduchte 
afstraffing plaats. 

Maar de direkteur bedroog zich. De slaven, wel verre 
van uit vrees voor nog zwaarder mishandeling, den nek te 
krommen onder het juk, namen hun toevlugt tot het in 
Suriname meest gehate en gevreesde eu toch natuurlijkste 
middel van verzet. Drie-en-dertig hunner, mannen, vrouwen 
en kinderen, verwijderden zich in 't geheim van de plantage 
en begaven zich naar de wildernissen, 't Berigt dezer ge- 
beurtenis bragt Paramaribo in rep en roer. 't Was als of 
een algemeene volksramp de kolonie getrofien had. ledereen 
trok zich de zaak aan en werk e naar zijn vermogen mede, 
om de //wegloopers" terug te vinden. Niemand bleef achter. 
't Gouvernement verleende zijne hulp — en 't gelukte ne- 
gen-en-twintig van deze misdadigers weder op te sporen en 
te vangen. 

Nu moest de wet worden toegepast. De wegloopers ston- 
den voor hunne regters. Zij verontschuldigden hunne vlugt 
door een tafereel op te hangen van hun lijden; men had 
zich aan allerlei onregtvaardigheden ten hunnen opzigte 
schuldi"- gemaakt. De eigenaar, de administrateur, de di- 
rekteur, de blank-officieren, de geneesheer der plantage 
werden als getuigen gehoord, 't Bleek zonneklaar, dat de 
klagten der beschuldigden geen den minsten grond hadden. 
Uit de boeken, die al deze geëmploijeerden van het eflekt 
hielden, bewezen zij, dat alles er regelmatig tn naar behoo- 



182 

ren was toegegaan. Al was ook deze eigenaar de vader, 
de administrateur zijn zoon, de direkteur een andere zoon, 
en de geneesheer mede een zijner zonen, toch verdienden 
deze vrijen en hunne aanteekeningen meer geloof dan de 
slaven. Wel mislukte de toeleg, om hen tevens te zien 
veroordeelen wegens een komplot of afspraak, om den di- 
rekteur der plantage te vermoorden; wel kon men het niet 
verder brengen, dan eene schuldigverklaring aan de misdaad 
van pogingen te hebben gedaan, om door de vlugt hunne 
vrijheid te verkrijgen, — toch meenden de regters, die in 
dat opzigt 't geheel eens waren met de algemeene opinie te 
Paramaribo, dat hier een streng voorbeeld moest gesteld 
worden. Den 22 en 23 Augustus 1852 ondergingen de 
/'booswichten" hunne, gelijk een Surinaamsch blad zich uit- 
drukte, nwel verdiende straf''' In naam des Konings werd 
hun het vleesch van het lijf geslagen. In naam des Konings 
werden aan vijf-en-twintig ongelukkige en weêrlooze mannen 
en vrouwen zeveniien-honderd-en-tien slagen toegebragt, 
waarvan de wonden zes weken na de strafoefening nog niet 
waren genezen. 

Een ooggetuige schrijft van deze gebeurtenis : //De wreed- 
heid, bij deze strafoefening aan den dag gelegd, gaat alle 
denkbeeld te boven. Het vonnis is geveld door de gedele- 
geerde regtbank, waarvan de leden zelve allen slavenhouders 
zijn. Twee dagen voor de strafoefening en toen het nog 
moest worden uitgesproken, hoorde ik iemand zeggen : ////De 
eigenaar van 8. is met dat al toch maar zeer te bekla- 
gen. Wat schade lijdt de man! Zijne slaven heeft hij 
nu wel terug, maar zij kunnen zeker in geen drie weken 
werken, als men hen naar behooren de tamarinde-roede doet 
gevoelen. En dat is toch maar te wenschen! Men heeft 
hem voorgesteld, de raauw geslagen ligchamen der beesten, 
die hem zoo veel nadeel berokkenen, met ongebluschte Jcalh 



183 

in te smeren. Maar ik heb hem dat ten sterkste ontraden. 
Dat zal de wonden nog veel langer openhouden. Laat hij 
zich liever aan het oude beproefde middel, sterk gezouten 
jielcel, houden."" 

//Niemand te Paramaribo ergert zich aan zulke woorden. 
Welke zeden ! Ongeveer drie weken na de strafoefening, 
zag ik vier der lijders, waaronder eene vrouw. Zij waren 
veroordeeld, om zoodra zij genezen waren, jaren lang in 
bandieten-boeijen geklonken, dwangarbeid te verrigten. Maar 
zij waren toen nog bij lange na niet in staat daarmede te 
beginnen. Geen der afzigtelijke wonden was nog genezen; 
breede en witte striemen liepen zwerende over hunne dijen. 
Bij elke beweging leden zij duldelooze pijnen. En toch liet 
men hun geen rust; zij moesten arbeiden!" 

In 't zelfde jaar 1852 werden de straffen, door de wet op 
het wegloopen gesteld, op de slaven van nog eene andere 
plantage toegepast. Ten gevolge eener ondoordachte hande- 
ling van den administrateur, werden de slaven van de plan- 
tage M. in den waan gebragt, dat zij zouden worden over- 
geplaatst naar een ander efi'ekt. Sommigen weigerden te 
werken, voor zij zekerheid hadden, dat dit niet zou ge- 
beuren; anderen namen de vlugt. De wegloopers had men 
spoedig weder opgevangen, en in de maand Junij werden 
de schuldigen veroordeeld en had de strafoefening plaats. 
Acht slaven, waaronder vier vrouwen , werden ook hier stren- 
gelijk met tamarinde-roeden gegeesseld. De laatste, die de 
martelplaats naderde, was eenejonge, schoone vrouw. Reeds 
was zij naakt aan den noodlottigen paal gebonden, toen 
men ontdekte, dat zij zwanger was. Zij werd weder los- 
gemaakt, maar men voegde haar toe : 

— //Nu, borgen is geen kwijtschelden! De straf is ge- 
schorst, maar niet geschonken. Dadelijk na de bevalling 
zal zij worden uitgevoerd. Reken daar op!" 



184 

Ziedaar een paar voorbeelden van de uitvoering der straf- 
fen, waarmee de wet de ongelukkigeu bedreigt, die het wagen 
hunne ellende te ontvlugten. Vooral in den laatsten tijd 
hebben onderscheiden pogingen tot ontvlugting plaats gehad, 
allen 't gevolg van het overbrengen van slaven magten naar 
andere plantages. Thans, nu de invoer van negers verboden 
is, de slaven van vele plantages langzamerhand door sterfte 
verminderen, en de suikerkultuur voor de eigenaren voor- 
deeliger wordt dan de overige spekulatiën, is dat overbren- 
gen natuurlijk dikwijls in 't belang der eigenaren. Door 
allerlei middelen tracht men dan de slaven te bewegen, om 
aan den wensch hunner meesters te voldoen en vrijwillig 
naar hunne nieuwe bestemming te gaan. 

Zoo had reeds sedert lang bij de administratie der plan- 
tage K. het plan bestaan, om de slavenmagt van daar over 
te brengen naar de plantage J. In de laatste helft van 
1852 meende men daartoe te moeten overgaan. Alles werd 
beproefd, om de negers te bewegen. Zoo was op de plantage 
K, in zeer langen tijd geen kleeding uitgereikt. Nu hield 
men eene ruime uitdeeling op de plantage J., lei er tevens 
een stel kleederen voor de slaven van K. gereed en zorgde 
dat hun dit bekend werd, meenende, dat zij door 't voor- 
uitzigt van zulk begeerlijk goed, 't welk zij zoo lang hadden 
moeten ontberen, zich zouden laten verlokken om derwaarts 
te gaan. Maar men vergiste zich; de liefde voor den ge- 
boortegrond was sterker; met uitzondering van eenige wei- 
nige kinderen en grijsaards, viel niemand in den gespannen 
strik. 

Wat deed men nu? De spekulatie op de begeerlijkheid 
der slaven was mislukt, men maakte toen eene berekening 
op hun gevoel. Diezelfde menschen, die altoos beweren, dat 
de negers in den regel alle menschelijke en edele aandoe- 
ningen missen, diezelfde vrijen, die de slaven in dat opzigt 



185 

niet veel hooger stellen dan de dieren, legden hun nu een 
fijn gesponnen net, dat aan de schoonste gewaarwordingen 
van het menschelijk gemoed zijne werking moest ontleenen. 
De laatst voorgaan de direkteur der plantage K.^ namelijk, 
had langen tijd met eene slavin van dat eflekt geleefd. Uit 
deze verbindtenis waren drie kinderen geboren, die zoowel 
door de moeder als door den vader allerteederst werden be- 
mind. Bij het verlaten der plantage K. had de direkteur 
van de eigenaren verlof ontvangen om de slavin, waarmede 
hij leefde, en de kinderen, die hij bij haar verwekt had, 
mede te nemen. Hij beloofde, dat hij deze geliefde panden 
onmiddelijk zou vrij koopen, wanneer zijne omstandigheden 
hem daartoe in staat zouden stellen, iets, waartoe hij op 
dat oogenblik nog niet bij magte was. 

Nu deelden èn die slavin èn die kinderen bijzonder in 
de gunst en toegenegenheid van de overige negers. Op dat 
gevoel werd de berekening gegrond. Wanneer de gewezen 
direkteur genoodzaakt werd, om deze voorwerpen tijdelijk naar 
de plantage K. terug te zenden; wanneer men hen daar 
verpligtte, om den gewonen veldarbeid met de andere negers 
te verrigten, iets waartoe zij door hunne opvoeding en vroe- 
geren toestand geheel ongeschikt waren, dan zou dit waar- 
schijnlijk het medelijden der slaven opwekken. Men rekende 
er op, dat zij de arme vrouw en de lieve, aanvallige kin- 
deren zouden beklagen. Maakte men dan tot eene voor- 
waarde, dat de moeder en haar kroost aan den direkteur 
zouden teruggezonden worden, indien de slaven van de 
plantage K. er in toestemden, om naar J. te worden over- 
gevoerd, dan was 't mogelijk, dat zij in dien kuil zouden 
vallen! Helsche berekening! Hoe zij afliep is ons onbekend. 

In weerwil der strenge strafbepalingen en der met de 
uiterste wreedheid toegepaste strafien; in weerwil der waak- 



186 

zaamheid van de policie en der medewerking van alle inge- 
zetenen, worden de ontvlugte slaven niet altijd dadelijk 
gevangen. Aan sommigen gelukt het in de digte bosschen 
en wildernissen zich schuil te houden. Deze vormen dan 
de zoogenaamde -cwegloopers-kampen." Hoe vele zulke kam- 
pen er nog zijn, valt moeijelijk te bepalen; zeker is het 
echter, dat hun aantal niet gering moet geschat worden. 

De Surinamers beschouwen deze verblijven van wegge- 
loopen negers als buiten de wet, en hebben hunne bewoners 
vogelvrij verklaard. Tegen deze kampen, zoowel als tegen 
negers die ontvlugt zijn, worden nu en dan geregelde ex- 
pedities uitgezonden, als tegen eenen gemeenen vijand. Dat 
zijn de zoogenaamde //boschpatrouilles," ware menschenjag- 
ten, waarbij de wetten der menschelijkheid meestal met 
voeten worden getreden. Heeft men het geluk in de wil- 
dernis een //kamp" te ontdekken, waar de weggeloopen slaaf 
zijne schamele woning heeft opgeslagen, zijn sober voedsel 
verbouwt en met de zijnen, verscholen in het digte woud, 
stil en vreedzaam leeft, dan geschiedt op dit verblijf een 
aanval als op eene sterkte van een vijand. Te vuur en te 
zwaard wordt alles vernield; al wie tracht te ontvlugten 
wordt doodgeschoten, en die zich overgeeft wordt gevan- 
kelijk naar Paramaribo gevoerd, om eene vreesselijke straf 
te ondergaan. 

Eu wat is de misdaad? Men legt hun soms het stelen 
van levensmiddelen op de naburige plantages en het verlok- 
ken der slaven tot ontvlugting ten laste. Maar dikwijls is 
hun misdaad geene hoegenaamd, zelfs niet die van te zijn 
weggeloopen, als men dat eene misdaad durft noemen; want 
niet zelden vindt men daar slechts de nakomelingen van 
hen, die zich in vroegere jaren daaraan schuldig maakten. 
In den tegenwoordigen toestand der kolonie heeft men in 
den regel van hen volstrekt geen last of eenig gevaar te 



187 

duchten. Gelukkig in hunne vrijheid, leven zij stil en 
vreedzaam in de bosschen, vertoonen zich nimmer daar- 
buiten, en vermijden elke aanraking met de blanken. En 
toch worden zij als wilde dieren vervolgd, en zijn pretniën 
op hunne vernieling en uitroeijing gesteld ! 

Deze patrouilles worden dikwijls zamengesteld uit de ge- 
wapende burgermagt. Daartoe behoort ieder vrij ingezeten, 
boven de 18 en beneden de 55 jaren, in de divisie woon- 
achtig. Maar ook aan krijgslieden, aan Nederlandsche krijgs- 
lieden, die de montering van het Nederlandsche leger dra- 
gen, valt niet zelden de schande te beurt deze roemrijke 
veldtogten tegen weerlooze menschen te maken. Voor eiken 
weggeloopen slaaf, dien zij binnen het kordon van binnen- 
landsche defensie aanhouden, wordt hun eene belooning 
van f 25 toegelegd, en voor eiken weggeloopen slaaf, die 
buiten dat kordon door hen wordt gevangen, ontvangen 
zij f 50. Zoo dikwijls zij echter eenen slaaf vangen, die 
klaarblijkelijk het voornemen had, om uit de volkplanting 
te ontvlugten, wordt hun daarvoor de gewone premie van 
ƒ 100 toegewezen. 

Maar nu gebeurt het wel eens, dat de slaven, die zij in 
hunne schuilplaatsen overvallen, de vervolging op nieuw 
ontvlugten, zoodat zij dit niet anders kunnen verijdelen dan 
door op hen te vuren. Welnu, ook dan blijft de belooning 
niet uit. Art. 9 der publikatie, den 7 October 1839, in 
naam des Ko?iings, door den Gouverneur- Gegier aal uitge- 
vaardigd, voorziet er in. //Voor zooverre," aldus luidt het, 
//ter gelegenheid eener burger of militaire patrouille, de 
noodzakelijkheid zal bestaan, om op eenen of meer wegge- 
loopen slaven, ter zake van onwilligheid om te staan of 
zich over te geven, te moeten schieten, en het gevolg 
daarvan op de plaats zelve doodelijk mogt zijn, zal desniet- 
temin, op het vereisckte bewijs deswegens, aan de daartoe 



188 

geregtigden eene premie van/ 10 uit de Koloniale kas, ten 
burele van den Prokureur-Generaal , worden uitbetaald." 

En weet gij, waarin dit //vereischte bewijs" bestaat? Het 
is, Volgens eene vroeger uitgevaardigde Publikatie, de afge- 
houwen regterJiand van den om het leven gehragten slaaf. 
Bij de meest barbaarsche heidenen moge men met de afge- 
houwen hoofden, bij de Turken met de ooren der in den 
strijd gedoode vijanden pronken, te Paramaribo moet de 
regterhand van den onschuldigen, weerloos vermoorden, slaaf 
aan de bevoegde autoriteit worden vertoond, en dan betaalt 
men aan den bezitter dier trofee de premie van tien gulden 
uit voor de heldendaad, die hij verrigtte. Maar dikwijls 
heeft dit feit op groeten afstand, soms vele dagreizen ver, 
van Paramaribo plaats gehad. Om nu de hand van den 
verslagene in behoorlijken staat aldaar te kunnen brengen, 
wordt zij eiken avond op klein vuur geroost of //gebarbakot" 
gelijk de kunstterm is. 

Yoor het opvangen en dooden van tijgers werd vroeger 
een premie betaald, en dan moest de kop van het dier als 
bewijs worden geleverd. Bij Gouverneraents-resolutie van 
27 December 1852 zijn die zeer nuttige premiën inge- 
trokken; maar die voor het opvangen en dooden van slaven 
zijn gebleven ! 

En toch, aan de tijgerjagt zijn gevaren verbonden, maar 
aan de menschenjagt niet. Tot de eerste behoort de moed, 
om het woedende dier, dat zijn leven duur verkoopt, onder 
de oogen te zien; tot de laatste niet anders dan de moed, 
om op weerlooze vlugtelingen vuur te geven. Niet uit fei- 
tel ijken wederstand wordt, volgens het aangehaalde artikel 
zelf, de noodzakelijkheid van te schieten geboren, maar 
slechts uit onwilligheid om te staan of zich over te geven. 
Bij het doorbladeren der talrijke Gouvernements-resolutiën, 
waarbij premiën aan de menschenjagers worden toegekend, 



189 

vindt gij maar zelden eenig spoor, dat de slaven zich ver- 
dedigden. Van de groote menigte slagtoflers, die onder het 
moordend lood onzer militaire en burgerpatrouilles vielen, 
luidt de gewone formule bijna altoos : //en eene som van 
tien gulden voor een neger, die poogde te onivlugten en 
doodgeschoten is." 

Wilt gij nog een bewijs, dat de vlugtelingen aan geen 
tegenstand denken? Wilt gij officiëeel de barbaarschheid 
der vervolgers en de weerloosheid der vervolgden erkend 
zien? Sla dan uw oog in de Gouvernements-iesolutie van 
11 Junij 1830, No. 8: 

//Overwegende," zoo leest gij daar, //dat het doelmatig te 
oordeelen zij, met schroot te vuren op eenen vijand, die 
zich steeds zoo veel doenlijk achter struiken en kreupel- 
bosch verbergt, die niet dan bij volstreJcte noodzakelijkheid 
stand houdt, en met dewelke men zich hoogst zeldzaam 
anders dan op korten afstand kan engageren." 

Op grond van deze feiten, is in de negentiende eeuw, 
door de Nederlandsche regering een besluit uitgevaardigd! 
De Gouverneur-Generaal nam in overweging, dat degevlugte 
slaven, mannen, vrouwen en kinderen, zich zoo veel moge- 
lijk voor het oog hunner vervolgers, achter struiken en 
kreupelbosch verbergen; dat zij nimmer stand houden, dan 
bij volstrekte onmogelijkheid, om te ontvlieden; en dat het 
daarom verkieslijk is op dien vlugtenden vijand, die geene 
wapenen heeft om zich te verdedigen, die zich ook nooit 
anders dan door de vlugt verdedigen wil, met schroot te 
vuren. En wat besloot hij, in naam des Konings, op deze 
gronden? 

//Bat de patronen voortaan, in plaats van slechts éénen 
enkelen kogel, tevens van vier loopers zouden worden voorzien!'''' 

Maar de ondervinding leerde, dat dit nog niet genoeg 
was. Dat getal van vier is later tot negen opgevoerd ! 



190 

Welk eene barbaarschheid ! Wat onmenschelijke woede! 
Zoo schiet men op weerlooze schepselen , wier eenige misdaad 
is , dat zij voldoen aan den eersten pligt en roeping der 
menschelijke natuur: dat zij vrij willen zijn! 

Hoe afzigtelijk het schouwspel moge wezen, wij gevoelen 
ons gedrongen in eenige korte schetsen, enkele der in de 
laatste jaren gehouden bosch-patrouilles u voor te stellen. 
Het Nederlandsche volk moet weten, welke gruwelen er in 
zijne koloniën, door zijne vlag beschermd, op eene wettige 
wijze worden gepleegd. De bijzonderheden zijn opgeteekend 
uit den mond van ooggetuigen. 

In het jaar 1829 werd eene bosch-patrouille uitgezonden 
tegen een weggeloopen slaaf, die bekend stond onder den 
naam van //het koperen kanon." Hij was berucht door de 
behendigheid, waarmede hij zijne vervolgers wist te ontko- 
men. Alle pogingen der tegen hem te velde getrokken de- 
tachementen, had hij tot dus verre weten te verijdelen. 
Eindelijk was er een gelukkiger in zijn jagt, die het op den 
//booswicht" maakte. Daar stuit het plotseling op het //kamp" 
van den zoo lang gezochten neger, eene hut in het bosch, 
met een weinig teelgrond. Met de meeste voorzigtigheid 
was men 'genaderd, en toch ontdekte //het koperen kanon" 
de door takken en struiken voortkruipende militairen , vóór 
zij zijne woning bereikt hadden. 

— //Vlugtl" riep de neger zijne vrouw toe, //daarginds 
is onraad!" 

Maar eer nog de arme vrouw, die zich in de hut bevond, 
naar buiten kon snellen, hadden de soldaten de woning om- 
singeld, en lag de neger, die de daad met het woord had 
gepaard doen gaan en reeds in het donkere woud verdween, 
door een kogel geveld. Als de tijger op zijn prooi, schiet 
de soldaat, die 't schot had gelost, op den verslagene toe. 



391 

Zonder te onderzoeken, of zijn slagtoffer inderdaad reeds 
dood is, valt hij er op aan, grijpt den regterarm, en snijdt 
de hand van het ligchaam. 

De soldaat heeft zijn pligt gedaan. De soldaat van het 
Nederlandsche leger heeft beantwoord aan de verwachting, 
die zijne hoofden van hem koesteren. De soldaat zal voor 
zijn ijver en moed, in 's Konings dienst betoond, beloond 
worden. De hand, die hij als een zegeteek en naar zijne 
kameraden bij de hut brengt, is tien gulden waard. Maar 
ook dezen zijn gelukkig geweest. Zij hebben de slavin ge- 
grepen. 

— //Ziedaar, schoelje," roept de soldaat, die de hand 
bezit, de weenende toe : //neem dat mee, en zorg dat dit 
kostbaar brokje behouden in Paramaribo komt!" 

Men neemt den terugtogt aan, de arme, hoog zwangere 
vrouw in het midden. Men dwingt haar het afzigtelijk 
overblijfsel van haren man te dragen, en eiken avond boven 
een vuur te roosteren. 

— //Halt!" roept een der Nederlandsche krijgslieden, 
toen men naauwelijks eenige schreden ver gegaan was. 
//Daar valt mij iets in ! Voor de vangst van het //koperen 
kanon" krijgen wij stellig eene extra-belooning. Maar dan 
moeten wij kunnen ^bewijzen, dat wij dien kerel gepakt heb- 
ben. De eene hand gelijkt precies op de andere; maar aan 
den kop herkent hem iedereen. Den kop moeten wij ver- 
toonen!" 

Men keert terug, men snijdt het hoofd van den rompen 
ook daarmede belast men de vrouw. 

Ook het jaar 1830 leverde aan het Nederlandsche leger 
in West-Indië ruimschoots gelegenheid op, om zich, in het 
vervolgen der van bosch tot bosch verjaagde en vogelvrij 
verklaarde slaven, verdienstelijk te maken. Aanhoudend 
werden dan ook premiën, eenmaal voor dertien, een ander 



192 

maal voor zestien handen te gelijk, aan de overwinnaars 
uitbetaald. Nadat, op een dier patrouilles, het kamp der 
negers overrompeld was, vielen het opperhoofd en een van 
zijne aanhangers, wier poging om te outvlugten door de 
kogels der soldaten mislukt was, zwaar gewond in demagt 
hunner vervolgers. Zij smeekten om hun leven, maar 't 
werd hun niet geschonken. Daar 't moeijelijk was, hen 
door de wildernissen mede te voeren , meenden zij zich die 
moeite te kunnen besparen. Meedoogenloos werden zij af- 
gemaakt. Het getal zegeteekens (afgehouwen handen ! is 
het niet alsof men onder kanibalen zich bevond!) steeg dien 
dag tot zestien, behalve de ongelukkigen, die levend in de 
magt hunner vervolgers waren gevallen. Ook nu weder 
moesten dezen, waaronder zich de vrouw van het vermoorde 
opperhoofd bevond, die zegeteekenen dragen. Een snoer van 
afgehouwen handen werd vervaardigd en door de gevangenen 
naar Paramaribo medegenomen! 

Aan de waarheid dezer bijzonderheden valt niet te twijfe- 
len. De berigtgever heeft ze uit den mond van den kom- 
mandant der patrouille zelven. Uit diezelfde bron is ons 
het volgende feit bekend geworden : 

Bij een der in dien tijd gehouden patrouilles, ontdekte 
men, tegen den middag, een neger aan eene kreek. Men 
bekruipt hem, door het digte struikgewas beschermd, tot 
hij onder het bereik der vuurwapenen is. 

— //Geef u over!" schreeuwt een der soldaten hem toe, 
//of wij schieten u neder!" 

Verschrikt sprong de slaaf op, want hij was inderdaad 
een der wegloopers, die men vervolgde. Maar zijnen toe- 
stand begrijpende en ziende, dat ontkomen onmogelijk was, 
voldeed hij aan 't bevel. 

— //Waar zijn uwe kameraden .P" vraagt hem de bevelheb- 
ber. De slaaf siddert over geheel zijn ligchaam, maar zwijgt. 



193 

— //Maakt u gereed mannen!" roept de aanvoerder zijne 
manschaj)pen toe; "als hij niet onmiddellijk antwoordt, dan 
scliiet gij hem op de plaats dood." 

De slaaf, een jongeling in den bloei des levens, hechtte 
aan dat leven, hoe ellendig het mogt wezen. 

— //Ik zal gehoorzamen!" antwoordt hij, //volg mij; ik 
zal u het kamp aanwijzen." 

Hij sloeg den weg in naar een onafzienbaar, met biezen 
begroeid moeras, dat in zuidwestelijke rigting doorwaad 
moest worden. Men liep meestal tot aan de knieën in den 
modder door het riet, dat als koorn zoo digt in een stond 
en wel twaalf voet hoog was. Millioenen mieren kropen aan 
en door dat riet; zij vielen de manschappen op het lijf en 
veroorzaakten eene onverdragelijke jeukte. De slaaf kon 
weldra niet meer verder; een der soldaten moest vooruit, 
om met de sabel het riet af te hakken, ten einde zon eenen 
doortogt te banen. Zeer langzaam slechts ging het voor- 
waarts; zwaar en afmattend was de marsch; maar men troostte 
zich met het vooruitzigt van den rijken buit. Op verschei- 
den plaatsen was het moeras met boomen begroeid , die geheel 
met dorens bedekt zijn. Ook kleine, slechts omstreeks acht 
voet hooge, palmen versperden den weg, die eveneens met 
dorens bezet waren, wel vier duim lang en zoo scherp als 
een naald. Somtijds stonden zij zoo digt op elkander, dat 
men eenigen om moest hakken, om er door te komen. Gij 
kunt denken, hoe de soldaten door het steken en schrammen 
dezer scherpe dorens met wonden bedekt werden. Hunne 
kleederen waren weldra tot flarden verscheurd, en hunne 
ligchamen bloedend — maar geen nood ! zij bewandelen den 
weg, die tot den roem en de belooning leidt! 

— //Zijn wij er haast.-^" vroeg een der soldaten, die van 
vermoeijenis en uitputting bijna niet meer voort kon, aan 
den neger. 

IL 13 



194 

— //Zoo aanstonds!" was het antwoord. 

— //Neem u in acht, dat gij ons niet misleidt," aei de 
aanvoerder op gestrengen toon. 

— //Neen! masra! gij zijt reeds digt bij het kamp! 
Wacht een oogenblik! Ja, ik hoor hen reeds"". 

— //Voorzigtig dan, mannen," riep de aanvoerder. //Zorgt, 
dat men ons niet bemerke vóór wij de woning hebben af- 
gezet". 

Langzaam en in eene doodelijke stilte ging het nu voor- 
waarts, tot men aan de hut der gevlugte slaven kwam. Zij 
werd omsingeld, en in een oogenblik had men al de bewo- 
ners gevangen, een oud man en eene jonge vrouw met haren 
man en haar zuigeling. Maar in de worsteling der aanval- 
lers, om zich van al deze weerlooze wezens meester te ma- 
ken, stormde plotseling een jonge, gespierde neger, die zich 
tot op dat oogenblik in de woning schuil had gehouden, 
met bliksemsnelheid naar buiten en vlugtte in de wildernis. 
Drie schoten worden onmiddellijk op hem gelost; bij het 
derde wankelt hij. Een der soldaten, tot het bataillon guides 
behoorende, wordt afgezonden om te zien wat er van hem 
geworden was, want de avond begon reeds te vallen en men 
kon dat van verre niet goed meer zien. De guide verwij- 
dert zich. Kort daarna weergalmt in den omtrek een vrees- 
selijk gekerm. Een ander soldaat, een jager, wordt gelast 
naar de oorzaak onderzoek te doen. Spoedig na zijne ver- 
wijdering valt op nieuw een schot, en een oogenblik later 
ziet men den jager met de regterhand des gevlugten negers 
terugkomen. 

— //Wat was de oorzaak van dat gekerm?" vroeg de 
aanvoerder. 

— //De neger jammerde onder de handen van den guide, 
en 't is niet te verwonderen, kommandant. Bij 't eerste 
vuur had de kerel een schot in den ruggegraat gekregen. 



195 

Zwaar gewond was hij neergevallen. Zoo vond hem de 
guide, die toen zijn mes nam en den slaaf, bij de beenen 
beginnende, als een visch begon te kerven. Ik zag hem 
daarmede bezig, maar dat was mij te erg, en ik maakte met 
een kogel een einde aan zijn leven." 

— //Ellendeling!" riep de kommandant tot den guide, 
die nu ook terug was gekomen : //wat hebt gij gedaan? 
Waarom die marteling?" 

— //Och, kommandant, mij dunkt, dat had hij dubbel 
verdiend voor al de prikken en schrammen, die hij ons be- 
zorgd heeft. Had dat verwenschte volk niet in deze wil- 
dernis zich verscholen, dan hadden wij zooveel bloed niet 
verloren." 

Zoo waren en zoo zijn nog de bosch-patrouilles. De ne- 
gers, als wilde beesten vervolgd, worden ook, bij zulke 
ontmoetingen, als wilde beesten behandeld. Zuigelingen 
worden van de borst der moeder gerukt, en komen, bij 
gebrek van 't moederlijke voedsel, op de moeijelijke terug- 
marschen, niet zelden deerlijk om. Geen genade, noch voor 
ouden, noch voor zwakken, ziekelijken of gebrekkigen. Zij 
worden doodgeschoten, als zij anders niet gevangen kunnen 
worden. En vangt men hen, dan hebben wij gezien, welke 
barbaarsche strafl'en zonder mededoogen op hen worden toe- 
gepast. 

Ongelukkig de krijgsman in de kolonie Suriname! Zoo 
diep wordt hij daar vernederd, dat men hem dergelijke dien- 
sten laat verrigten. Daarom, ik bid n, wijt het niet aan 
die krijgslieden, 't Is waar, de gewoonte maakt hen som- 
tijds wreed; maar is dat hunne schuld? Is dat niet een 
natuurlijk gevolg van hun toestand? En er zijn ook velen 
onder, die, ofschoon verrigten de wat men hun beveelt, de 
wetten der mensclielijkheid waar 't hun slechts mogelijk is 
opvolgen. Zij handelen, omdat soldatenpligt eene volstrekte 

]3* 



196 

en blinde gehoorzaamheid gebiedt, en verbergen daarom voor 
de wereld den afschuw, dien zij voorde van hen gevorderde 
diensten in hun hart gevoelen. 

De kapitein S. is door geheel Suriname bekend wegens 
den ijver, waarmede hij gedurende meer dan twintig jaren 
de voortvlugtige slaven vervolgde. Als soldaat volbragt hij 
stiptelijk de hem gegeven orders. Eeresabels en dankbetui- 
gingen der slavenhouders waren zijn loon. Niet te bepalen 
is het getal slaven, dat op de door hem gemaakte patrouilles 
is gedood. Wij beschuldigen hem niet van wreedheid; wij 
houden het er voor, dat het vervullen van zijn last hem 
dikwijls walgde, en dat hij nimmer bloed heeft laten ver- 
gieten, dan wanneer hij meende dat de noodzakelijkheid het 
gebood. Wij gelooven dat te meer, dewijl hij op zijne 
togten eene ontmoeting heeft gehad, die hem leerde, dat 
de slaven , hoe ook vervolgd en als wilde dieren gedreven , 
dikwijls niet bloeddorstig zijn. Ongetwijfeld heeft dat 
voorval diepen indruk op hem gemaakt. 

Bij zekere patrouille, verwijderde hij zich tegen 't vallen 
vanden avond van de hoofd inagt, ten einde met meernaauw- 
keurigheid het terrein, waarop men zich bevond, te bespie- 
den. Weldra bevond hij zich, op eenen niet onaanzienlijken 
afstand van de zijnen, alléén in het eenzame bosch. Plot- 
seling ontdekt hij een der weggeloopen negers, die hij zocht. 
De ongelukkige had zich in een boom verscholen, maar de 
kapitein, gewoon aan al de middelen die de slaven in 't 
werk stellen om te ontkomen, had hem in de digte takken 
van het reusachtig woudgevaarte, waarin hij veilig meende 
te zijn, spoedig ontdekt. Hij naderde ongemerkt den boom, 
als of hij niet op den neger lette; maar naauwelijks had hij 
htm onder 't schot, of hij lei op hem aan : 

— /J-Kom naar beneden! en geef u over, of ik schiet u 
er uit!" 



197 

— «'Spaar mijn leven, masra, ik geef mij gevangen!" 
antwoordde de slaaf. 

— //Naar beneden dan kerel !" 

De kapitein hield het geweer op hem gerigt, tot hij be- 
neden was. De neger klom af, had weldra den grond bereikt, 
en naderde in gebogen houding den krijgsman. Toen hij 
vlak voor den kapitein was, zette deze zijn geweer tegen 
een boom, en haalde een touw voor den dag, om den weg- 
looper te binden. Maar hij had te veel gerekend op de 
gedweeheid van den slaaf. Er ontstond eene worsteling 
tusschen hem en zijnen vervolger, en de ijzersterke Afrikaan 
had weldra zijne tegenpartij op den grond geworpen en 
weerloos gemaakt. Nu sprong hij plotseling op en greep 
het geweer, dat tegen den boom was gezet. 

Wat deed hij met dat wapen? Nam hij wraak op den 
man, die het zoo even tegen hem had gekeerd en die hem 
geveld zou hebben, indien hij had getracht te ontvlugten? 
Nam hij wraak wegens het bloed zijner gevallen broeders? 
Hij kon het ongestraft in deze eenzaamheid, met zijnen van 
elk middel tot tegenweer verstoken tegenstander voor zich. 

Hij deed het niet; hij riep den kapitein toe : 

— //Masra, ik ben geen moordenaar! Verwijder u langs 
den w^eg, dien gij gekomen zijt. Ik zal gindsche zijde 
kiezen; maar uw geweer neem ik mede! Gij zult er mij 
dan geen kwaad mede doen, en evenmin mijne arme lotge- 
uooten, die gij misschien aantreft". 

De slaaf deed gelijk hij gezegd had, en de krijgsman ont- 
kwam het gevaar en behield zijn leven, om het verder aan 
het vervolgen en dooden van weggeloopen slaven te wijden. 

Geloof niet, dat dergelijke menschenjagten tegenwoordig 
afgescliaft zijn. 't Is waar, zij vinden niet zoo dikwijls 
meer plaats, omdat bezuiniging en gebrek aan troepen de 



198 

uitvoering moeijelijk maken. Desniettemin geschieden zij 
nog altoos en gaan zij soms met ongehoorde wreedheden 
gepaard. 

Blijkens de Gouvernements Resolutie van 2 October 1849, 
werden in 't laatst van dat jaar patrouilles uitgezonden, 
waarbij ongelukkige slagtofFers door het moordend lood der 
soldaten werden geveld. Immers bij die resolutie werd aan 
het detachement, uitgezonden ter opsporing van wegloopers, 
ingevolge art. 7 en 9 der Publikatie van 7 October 1839 
N». 13 toegestaan eene som van .ƒ 20 voor elk der vijf 
weggeloopen slaven, die men terug had gevangen, en tien 
gulde?i als premie voor de regterhand van een, die doodge- 
schoten was. 

Nog een tweede heldenfeit had in dat zelfde jaar 1849 
plaats. Tusschen de Suriname en de Casawinehreeh bevon- 
den zich onderscheiden kampen van weggeloopen slaven. 
Maar de meesten dier kampen hadden reeds sedert onheu- 
gelijke jaren bestaan. Zij hadden in de wildernissen altoos 
rustig geleefd, zich vergenoegd met hetgeen zij daar ver- 
bouwden, en de kolonisten nimmer de minste schade toe- 
gebragt. 't Grootste deel der bevolking van een dier kam- 
pen was zelfs in deze wildernissen geboren; hunne ouders, 
of misschien grootouders waren eenmaal aan hunne meesters 
ontvlugt, maar zij waren geheel onschuldig aan die mis- 
daad ! Toch moest een veldtogt tegen deze kampen worden 
ondernomen. De gelegenheid was te schoon, om haar onge- 
bruikt te laten voorbijgaan. Men had het geluk gehad 
eenen neger, wilijam genaamd, die van de plantage Z. 
ontvlugt was, weder op te vangen, en deze, die eenigen 
tijd in die kampen had doorgebragt, had, in de hoop daar- 
door zijn eigen straf verligt te zien, zijne lotgenooten ver- 
raden. De aanwijzingen van dien neger zouden het vinden 
van den vijand gemakkelijker maken. Bij Gouvernements 



199 

Resolutie van 7 November 1849 N». 1206, werd aan een 
detachement bevolen, om die kampen en de daarbij behoo- 
rende kostgronden zoo veel mogelijk te vernielen en tevens 
te trachten de //weglooper-slaven" op te vangen. 

Bij de overrompeling van een dier kampen had een voor- 
val plaats, dat als eene zeldzaamheid mag beschouwd worden. 
In den nacht, volgende op dien dag, toen de aanval had 
plaats gehad, trachtten een paar negers, die in den omtrek 
omz wierven, heimelijk door een sluipmoord den aanvoerder 
der patrouille te dooden, bij welke gelegenheid een soldaat 
gewond werd. Is het te verwonderen.? In ISJiO had men 
talrijke patrouilles op hen afgezonden, hunne verblijven ver- 
woest, menigeen hunner betrekkingen neergeveld en anderen 
gevangen genomen en weggevoerd. Zij waren het ontkomen, 
hadden zich dieper in de wildernis teruggetrokken en daar 
op nieuw hutten opgeslagen en kostgronden aangelegd. 
Nooit hadden zij sedert dien tijd gepoogd, zich te wreken; 
altijd waren zij rustig in hunne bosschen gebleven. Is 
het te verwonderen, nu men het treurspel van 1830 her- 
haalde, nu men weder het bloed hunner ouders, broeders, 
kinderen had doen stroomen, hunne ":erinfïe bezittino-en 

' DO o 

had verwoest en hen zelven bleef vervolgen, dat zij thans, 
al was het ook eene bloedige en verraderlijke poging aan- 
wendden, om het verder doordringen der soldaten te be- 
letten ? 

Het detachement keerde weldra in triomf terug en onder- 
vond, bij Gouvernements Besluit van 29 December 1849 
N^. 1408, de goedkeuring der Regering. Daarbij werd aan 
de helden van dezen togt toegekend eene som van f 20 
voor ieder der vier weggeloopen slaven, waarvan twee bij 
het transport naar Paramaribo waren overleden. 

Hoe kwam het, dat die slaven gedurende het transport 
naar Paramaribo overleden? Een mijner vrienden schrijft 



200 

mij : /^zij waren oud, zwak en gebrekkig. Toen heeft men 
hen met touwen aan stokken gebonden en zoo voortgesleept. 
Eindelijk werd ook dit te moeijelijk, en het was goed ; want 
een zoodanig vervoer moet erger d in de dood geweest zijn. 
Toen zijn zij geheel toevallig gestorven". 

Maar de belooning bleef niet bij die/" 20 voor elk der 
vier weggeloopen slaven, die men gevangen had. Men had 
meer gedaan; men had er ook één doodgeschoten; daarom 
luidt dan ook het besluit : //benevens f 10 voor één die 
doodgeschoten is'\ 

Dat gebeurde in 1849. Maar van nog later dagteekening 
kunnen wij dergelijke treurige heldenfeiten der Surinaamsche 
legermagt en burgermagt opteekenen. Op aandringen van 
onderscheiden administrateurs, werd, bij Gouvernements Re- 
solutie van 23 October ]852, bepaald, dat weder detache- 
menten tegen de //weglooper-slaven" en hunne kampen in de 
wildernis zouden optrekken. In 't begin der maand November 
werd aan dien last voldaan. Drie militaire en drie burger 
patrouilles kweten zich te gelijk van deze schandelijke taak. 
De resultaten dier togten zijn echter ongunstig geweest. 
Slechts de burgerpatrouille, onder den heer h., heeft zich bij 
hare terugkomst beroemd, een paar slaven te hebben //aan- 
geschoten". Dat is de kunstterm : als men in Suriname van 
slaven spreekt, zegt men niet //gewond," maar, even als van 
patrij zen , // aangeschoten ! " 

Maar den heer h. was nog een bijzonder voorregt te beurt 
gevallen. In den loop der maand November 1852 gelukte 
het hem, een weglooperslaaf te vangen, die tot een der kam- 
pen behoorde, op welke de uitgezonden patrouilles het ge- 
munt hadden. Dit was een onbetaalbare vangst. Hem zou 
men dwingen, om zijne kameraden te verraden en hunne 
verblijfplaats aan te wijzen. Alle deskundigen waren het 
eens, dat met zulk een gids de expeditie moest gelukken. 



201 

Eene nieuwe, gekombineerde militaire en burger patrouille 
werd gevormd, waarbij één sergeant, twee korporaals en 
vijftien manschappen van het bataillon jagers N^. 27 werden 
gevoegd. Aan het hoofd van deze geduchte magt werd de 
heer h. als burgerkapitein geplaatst. Onder zijne aanvoe- 
ring stak zij den '30 November 1852 weder de bosschen en 
wildernissen in. 

Ofschoon deze patrouille ongunstig afliep, 't geen betee- 
kent, dat er geen slaven zijn gevangen of gedood, werden 
toch bij die gelegenheid zulke afschuwelijke gruwelen ge- 
pleegd, dat wij, hoewel overtuigd dat al deze wreedheden 
den lezer met afgrijzen zullen vervullen, ons verpligt gevoe- 
len er een vlugtig geschetst tafereel van op te hangen. Bedenk 
daarbij wel, dat de burgerkapitein een der personen is, aan 
wien, volgens de Surinaamsche instellingen, de handhaving 
der reglementen is opgedragen. 

De weglooperslaaf, door den heer h. gevangen, diende als 
gids. Onder dat geleide drong men, met vol vertrouwen op 
eenen goeden uitslag, de wildernis in. 't Scheen, dat de 
gids bijzonder met de lokaliteiten bekend was en zijn pligt 
zou doen, want reeds den eersten dag stiet men, zijne aan- 
wijzingen volgende, op een kamp, dat echter verlaten was. 
Daar bragt het detachement den nacht door. Den volgenden 
dag wees de neger de kostgronden aan, die tot dat kamp 
behoorden. 

— //Maar dat helpt ons niet!" duwde men hem toe, 
//wij moeten de bewoners hebben. Aan deze ledige hutten 
en kale kostgronden hebben wij niets". 

— //Dat zal eene moeijelijke zaak zijn", antwoordde de 
neger, //hier heb ik met hen gewoond, en waren zij nog 
toen ik hen verliet; maar waar zij nu zijn heengetogen, kan 
ik natuurlijk niet weten". 

— //Allemaal gekheid! dat moet gij weten, of wij zullen 



202 

't u wel leeren. Vooruit maar, en den goeden weg ons aan- 
gewezen, of 't zal u heugen". 

— //Goed, masra!" zeide de gids, en leidde den troep ver- 
der het bosch in. Den ganschen dag liep men door deze 
onherbergzame streek, maar men vond niets. Toen het de- 
tachement "'s avonds bivakeerde, waren bijna allen, die er 
toe behoorden, toornig op den neger. Men meende, dat hij 
hen opzettelijk misleidde. 

— >/Hij moet het weten, waar de wegloopers zich bevin- 
den", zei een der soldaten. 

— //Wel zeker", antwoordde een ander, //en ik geloof, 
dat een duchtig pak slagen hem wel tot bekentenis zou 
brengen". 

— //Juist!" zei een derde, //komaan, die grap moeten 
wij hebben !" 

En onmiddellijk grepen eenige ruwe gasten den weerloozen 
neger aan, en gaven hem met een paar stokken vijftig slagen. 

— //Dat zal u tot les wezen, om ons morgen beter den 
weg te wijzen!" met die woorden liet men den armen mis- 
handelden man liggen. 

Vroeg in den morgen van den derden dag, zette het 
detachement den togt verder voort. De neger had vóór 
den afmarsch, toen men hem vroeg of hij zich nu beter 
zou gedragen, gedachtig aan de mishandeling van den vo- 
rigen avond, de belofte afgelegd, dat hij de patrouille op 
het spoor der wegloopers zou brengen. En toch was ook 
de poging van dezen dag te vergeefs. Meer dan zes uren 
lang marcheerde men door een diepen zwamp, 't geen de 
krijgslieden ongehoorde inspanning en afmatting kostte; maar 
's avonds bevond men zich weder op het bivak, dat men des 
morgens verlaten had, zonder eenig spoor te hebben aange- 
trofien. 

Gij begrijpt, dat de woede dier woeste horden thans nog 



203 

hooger was geklommen. Al de verzekeringen van den gids, 
dat het zijne schuld niet was, al zijn klagen en jammeren 
kon niet baten. Door nieuwe mishandelingen trachtte men 
de waarheid uit hem te persen ; want men hield zich over- 
tuigd, dat hij aan opzettelijke misleiding zich schuldig maakte 
De ongelukkige werd op een kleinen afstand van een 
vlammend vuur geplaatst. 

— //Als gij niet zeggen wilt, waar de beesten zijn, die 
wij vervolgen, dan wordt gij hier levend gebraden!" riep 
een der soldaten hem toe, en gaf hem een duw, waardoor 
hij nog digter bij de hitte van den vuurgloed gebragt werd. 
Maar de arme man huilde en schreeuwde, dat hij niets ont- 
dekken kon, want dat hij niets wist. 

Toen deze proef alzoo mislukt was, nam men tot eene 
tweede zijn toevlugt. 

— //Ophangen, zullen wij u!" schreeuwden de meeren 
meer verhitte en verwoede jagers. Een hunner haalde een 
eind touw en maakte een strik. 

— //Beken , of gij hangt binnen een minuut aan dien 
boom !" 

— //Ik kan niets bekennen, want ik weet niets!" jam- 
merde de neger. 

— //Hangen dan maar!" tierde de woeste menigte, en 
het touw werd om den tak van een boom geslingerd en de 
strop hem om den hals geworpen. 

— Voor 't laatst beken, satanskiad!" schreeuwde de ja- 
ger, die het eind van het touw in handen had, //of gij gaat 
naar boven 1" 

— //Genade! genade!" gilde de gids, //ik heb niets te 
bekennen, ik kan niet....!" 

Maar het vervolg zijner woorden werd gesmoord in een 
akelig gerogchel, want de jager had het touw opgetrokken. 
Een oogenblik liet men den 0)igelukkige hangen. Toen liet 



204 

men het touw plotseling los. De mishandelde viel halfdood 
ter aarde, en een regenbui van stokslagen besloot dezen 
avond dit afschuwelijk schouwspel. 

üen volgenden morgen werden de verlaten hutten der 
gevlugte slaven verbrand; de eenvoudige gereedschappen, 
waarmede zij hunne akkers bebouwden en het weinige huis- 
raad werd meegenomen, en de aard- en booinvruchten der 
kostgronden vernield. Een gedeelte van het detachement was 
echter uitgezonden in eene rigting, die men nog niet ge- 
volgd was. Maar het verdwaalde in het bosch, verloor de 
kaart naar welker aanwijzing het marcheren moest, enkeerde 
eerst den volgenden dag bij de hoofdmagt terug. Deze laatste 
had ondertusschen, behalve met de verwoesting van het kamp, 
zijn tijd doorgebragt met het verder mishandelen van den 
gids, //door wiens vervloekte koppigheid", gelijk een der 
jagers zich uitdrukte, //het vooruitzigt op een rijken buit 
in rook verdween". 

Eene patrouille wordt gemeenlijk vergezeld van eene me- 
nigte lastdragers, allen slaven. Bij deze waren er twee-en- 
dertig. Nu had men den armen neger aan een boom ge- 
bonden, en door elk dier twee-en-dertig lastdragers, ieder 
op zijne beurt, vijf stokslagen laten toebrengen. Maar ook 
deze proef mislukte; ook dit gedeelte van de pijniging, 
waaraan hij onderworpen werd, miste hare uitwerking; de 
gids verklaarde niets te weten. 

De terugtogt werd aangenomen. Men was teleurgesteld 
door den mislukten togt, en alleen aan den gehaten gids 
werd die mislukking toegeschreven. Weldra kwam het de- 
tachement op den houtgrond P. aan. Daar zou de nacht 
worden doorgebragt. Op nieuw werd de neger, het voor- 
werp van aller wrok en haat, aan de afschuwelijkste mis- 
handeling prijs gegeven. Den ganschen avond wijdde men 
aan dit gruwzaam spel. Nu eens werd hij met brandende 



205 

houten gepijnigd. Een ander liet brandend brievenlak op 
zijn naakte huid nederdruipen. Een derde doofde er de 
brandende sigaar op uit — maar mijne pen weigert langer 
al de martelingen en laagheden te schetsen, waartoe deze 
vrijen zich ten opzigte van eenen weerloozen slaaf vernederden. 

— //Maar is dat nu alles waarheid? Is dit niet over- 
dreven? Is zoo iets wel mogelijk"? Dit vroeg ik mijnen 
berigtgever, toen hij mij dit verhaal had medegedeeld. Zijn 
antwoord laat ik volgen : 

//Het bovenstaande is mij door iemand verhaald, die de 
gebeurtenis heeft bijgewoond, met afschuw en verontwaar- 
diging vervuld is over 't geen hij zag, maar in zulk eene 
afhankelijke positie verkeert, dat hij niet openlijk kan spre- 
ken en handelen, zonder zich zei ven aan vervolgingen en 
gevaren bloot te stellen. Dat verhaal heb ik echter, op 
zijne verzekering alléén, niet aangenomen. Ik heb nog meer 
navorschingen in 't werk gesteld, en zie hier met welken 
uitslag. Vier personen, wier inlichtingen ik heb ingewon- 
nen, ofschoon niets van elkander wetende, kwamen volkomen 
met mijnen eersten berigtgever overeen. 

//Nog: meer. De aanvoerder van het militaire "-edeelte der 
patrouille, de sergeant V., dien ik toevallig daags na de 
terugkomst der expeditie sprak, voegde mij toen reeds toe, 
voor ik nog iets van de zaak wist : //wij hebben alles gedaan 
wat mogelijk was; wij hebben den leelijken neger gebrand, 
gehangen en met stokken laten slaan, maar de schurk wou 
niets bekennen". 

//Eindelijk. Ik zelf heb den mishandelden neger, op den 
27^'^ December 1852, in het binnenfort Zeelandia gezien. 
Zijn rug was geheel bedekt met de half genezen likteekens 
van brandwonden; in zijn regterarm gaapte nog eengroote, 
etterende wonde; de sporen van degenwonden waren niet ver- 
dwenen, en zijne dijen droegen de bewijzen der ontvangen 



206 

slagen. Toen een officier der marine en ik hem afvroegen, 
wat er met hem was voorgevallen, antwoordde hij: ////de 
kapitein heeft mij een spaanschen bok laten geven en ge- 
brand;"" maar hij was te bevreesd, om in nadere verklarin- 
gen te treden." 

Wij eindigen onze beschouwing van onderscheiden pa- 
trouilles, die in den laatsten tijd hebben plaats gegrepen, 
met het verhaal der volgende trefl'ende gebeurtenis. 

Omstreeks den 12<ica ]>fovember 1S52 ontvlugtte de slaaf 
ARIE van de plantage S., dezelfde werwaarts met geweld de 
slavenmagt van JF. was overgebragt. Hij verschool zich in 
het digte woud, maar in plaats van daar verder eene veilige 
schuilplaats te zoeken, trok hij, zich over dag verbergen- 
de, des nachts, langs ongebaande wegen, naar Paramaribo. 
Twee dagen na zijne ontvlugting kwam hij er aan. Wat 
deed hij in die, voor weglooper-slaven zoo gevaarlijke stad. f* 
Waarom waagde hij zich daar aan het opvangen door hon- 
derden, die hem kenden? 't Was het edelste gevoel dat 
hem er heen dreef, 't Was de ouderliefde, die hem in de 
veilige wildernis geen rust liet en onwederstaanbaar naar de 
volkrijke plaats trok, waar duizend gevaren hem bedreigden. 
In het sla ven-hospitaal van den zoon des eigenaars der plan- 
tage, waartoe hij behoorde, werd zijne kranke dochter chae.- 
LOTTE verpleegd, en, hoewel //slaven geene bloedverwanten 
hebben", trotseerde hij toch de mogelijkheid, ja de waar- 
schijnlijkheid van zijne vrijheid weder te verliezen en eene 
wreedaardige straf te ondergaan, alléén om dat geliefde kind 
nog eens te zien en aan 't hart te drukken. 

't Gelukte hem ongemerkt in de stad te komen en het 
hospitaal te bereiken; 't gelukte hem zelfs dat verblijf lici- 
raelijk binnen te sluipen, 't Was nacht en donker in de 
ziekenzaal. In stilte naderde hij de rustplaats van char- 
LOTTE, en zonder dat iemand der aanwezigen, bijna allen 



207 

in diepen slaap gezonken, het bemerkte, kroop liij naar 
haar toe en fluisterde : 

//CHARLOTTE !" 

Het meisje schrikte op. 

— //Hou u stil, mijn kind! 't Is uw vader! hou u 
doodstil, of wij zijn verloren!" 

— //Mijn God! gij hier vader?" 

— //Ik ben van de plantage gevlugt. Nog eenmaal moest 
ik u ontmoeten, om u vaarwel te zeggen; dan ga ik naar 
de wildernissen". 

— //Maar, ik laat u niet alleen gaan; ik wil u verge- 
zellen". 

— //Doe dat niet mijn kind! De gevaren zijn te groot; 
de vermoeijenissen te zwaar. Bovendien, gij zijt krank, en 
gij zoudt...." 

— //Neen ! ik ben niet meer krank ! Ik vols: u ! Niets 
weerhoudt mij". 

Nog lang werd dit gesprek, fluisterend en zonder dat 
iemand het vernam, voortgezet. Eindelijk, ongeveer een 
uur voor het aanbreken van den dag, slopen zij naar de 
deur van het vertrek, wisten die te openen, en verdwenen in 
de duisternis. Zij spoedden zich buiten de stad en bereik- 
ten gelukkig, zonder ontdekt te worden, de hoop van alle 
vlugtelingen, de wildernissen eu bosschen. Daar, in het 
digtste van het woud, vestigden zij hun verblijf, en hoe 
groot ook de ontberingen mogten zijn, die dit onherbergzaam 
oord van hen eischte, toch leefden zij in deze eenzaamheid 
gelukkig, omdat zij elkander lief hadden en de dagelijk- 
sche kwellingen en pijnigingen der slavernij niet meer ge- 
voelden. O 't was voor hen een hemel, in vergelijking 
van de hel, die zij ontvlugt waren. 

Maar helaas ! dat geluk was van geen langen duur. Het 
verblijf, hoe ver ook van alle bewoonde streken, in het 



208 

digtste van het woud opgeslagen, hoe ook door eene bijna 
ondoordringbare tropische vegetatie van alle zijden omgeven, 
werd toch door een der veelvuldige patrouilles, die in dien 
tijd op de menschenjagt werden uitgezonden, op den 27 
November ontdekt. Onverhoeds deden de soldaten een on- 
stuinaigen aanval op de van boomstammen en bladeren op- 
gebouwde hut. Maar aiiie was hun te vlug. Hij wist be- 
hendig te ontsnappen en de kogels, die hem werden nage- 
zonden, raakten hem niet. Slechts de dochter, de nog niet 
geheel herstelde en daardoor in hare vlugt belemmerde 
CHARLOTTE, vicl in hunuc handen. Zegevierend voerde de 
patrouille het van angst en uitputting sidderende meisje naar 
de plantage S., waartoe zij behoorde, terug. Een vrolijk 
gezang werd door de jagers aangeheven, want zij waren 
verheugd over de goede vangst, die hun y 20 opbragt. 

En de vader? Hij doolde eenige dagen in de wildernissen 
rond — maar hij had, ofschoon veilig voor zijne vervolgers, 
geen oogenblik rust. Altoos, dag en nacht, stond zijne 
dochter hem voor den geest. Hij huiverde bij de gedachte 
aan de straf, die men haar bereidde. Onwillekeurig rigtte 
hij zijne schreden naar de plantage S. Hij zwierf op de 
velden en gronden, verborg zich in de suikertuinen, dwaalde 
's nachts om de slaven woningen, en eindelijk, vermoeid en 
afgemat, uitgeput van honger en ontbering, radeloos en 
wanhopend over zijne charloïtj;, wierp hij zich in een dier 
ledig staande Avoningen. Daar werd hij den volgenden 
morgen wezenloos en in stuiptrekkingen gevonden. 

Arie herstelde spoedig, en nu was de dag der wrake 
daar; er moest op de plantage een afschrikwekkend voorbeeld 
worden gesteld. Er heerschte een //slechte geest" onder de 
slaven, en die moest door eene buitengewone gestrengheid 
overwonnen worden. Beide gearresteerden werden ter be- 
schikking van den direkteur gesteld, om met hen te hande- 



209 

len naar behooren. De direkteur bleef niet achter in het 
plegen der uiterste gestrengheid. Hij maakte van de hem 
verleende vergunning zulk een gruwzaam gebruik, dat het 
arme meisje, ten gevolge van den vreesselijken spaanschen 
bok, dien zij, te gelijk met haar vader, ontving, nog vijf 
weken na de strafoefening in het hospitaal moest blijven, 
terwijl de vader, in zware ketenen geklonken, onder het 
naslepen van een groot houten blok, zijne taak moest ver- 
rigten. 



II. 14 



VUL 



VERDEDIGERS DER SLA\ER1\IJ. 



~-<-~CrfCfl»&-y-~ 



Gij hebt tafereelen gelezen van den toestand der slaven 
in West-Indië, wier waarheid den toets van een onpartijdig 
onderzoek kan doorstaan. Gij hebt gezien, dat de ongeluk- 
kigen, die buiten hunne schuld in dien staat zijn gesteld, 
alléén afhankelijk zijn van den wil hunner meesters, zonder 
dat eenig acht op htm wil wordt geslagen, ja, zonder dat 
zij tot hun dood iets mogen doen volgens eigen wil. Zonder 
toestemming dier meesters, mogen geene pogingen aangewend 
worden, om de eigenschappen, die de Schepper ook in hen 
heeft gelegd, te ontwikkelen, te volmaken en te heiligen, en 
hen tot menschen te vormen. De meesters kunnen altoos 
redenen vinden, om de slaven zoo streng te strafl'en als hun 
goed dunkt, want de reglementen, die den aarden de wijze 
der straffen bepalen, laten den ongelukkigen bijna geen regten 
en geven hen genoegzaam geheel prijs aan de willekeur dier 
meesters. Zij arbeiden alléén in het belang van anderen, 
zonder ooit door eenige belooning aangemoedigd te worden. 
Zij worden willekeurig door de meesters gekocht en verkocht, 
zouder dat dezen aan iemand verantwoording schuldig zijn, 



211 

in welke handen een getrouwe slaaf, die zijne krachten en 
gezondheid voor hen heeft opgeofferd, door hen wordt over- 
geleverd. Zij zien zelfs hunne kinderen in slavernij geboren 
worden, en voorbestemd voor hetzelfde lot, dat dagelijks de 
ouders pijnigt en martelt zonder dat de, duor Christenen 
vervaardigde , wetten het vaderschap of de wettigheid van 
het huwelijk erkennen. Ieder dag kan de vader van zijne 
kinderen en van de vrouw, die hij lief heeft, worden ge- 
scheiden, en geen enkele poging kan hij aanwenden, om 
deze wreedheid te beletten. Dagelijks moeten de moeders 
aanzien, hoe onbarmhartige meesters of meesteressen, als 
deze het goedvinden, hare kinderen wreedaardig kastijden 
en ien bloede slaan, zonder tusscheubeiden te mogen komen, 
want hare kinderen zijn niet haar eigendom maar de bezit- 
ting van haren meester. 

Dat alles, en nog veel meer vreesselijks en afschuwelijks 
hebt gij gelezen. En voor al dat lijden zaagt gij, dat de 
slaven niets anders ontvangen dan een ongezond en slecht 
voedsel, niet berekend naar de behoeften van hun ligchaam, 
maar naar het meeste voordeel van den eigenaar; niet be- 
schouwd als voorwaarde voor hun leven en arbeid, maar als 
een noodzakelijk kwaad, waaraan men daarom zoo karig 
mogelijk moet voldoen. Gij zaagt die ongelukkige menschen 
gelijk gesteld met het redelooze vee; gij zaagt, hoe hun 
leven en dood in de oogen der meesters juist zooveel waarde 
heeft, als de prijs bedraagt die voor hen betaald werd. De 
monsterachtige maatschappelijke toestand, waartoe de slaven 
veroordeeld zijn, zou medebrengen, dat ten minste al wat 
mogelijk is werd aangewend, om hun eenige vergoeding te 
schenken voor de edelste gaven van den Schepper, die men hun 
ontneemt, maar gij hebt gezien, dat de wetten in 't belang zijn 
van den meester, en de zweem van bescherming, die zij den slaaf 
aanbieden, door den meester zonder moeite wórdt óntdiaken. 

14* 



212 

Gij weet geen woorden te vinden, sterk genoeg om uw 
afschuw van eene maatschappelijke inrigting te kennen te 
geven, die 40,000 menschen gewelddadig gelijkstelt met zoo 
vele redelooze wezens, en bij die allen den raensch in den 
meusch uitbluscht en doodt; die alle begrip van eer en 
deugd bij hen vernietigt, omdat zij geene achting, waardee- 
ring, liefde, dank noch belooning kent en alleen vrees voor 
straf als drijfveer tot den arbeid laat gelden; eene inrigting, 
die, geene banden van bloedverwantschap erkennende, het 
hart verstaalt tegen ieder teeder en heilig gevoel , dat uit de 
betrekking van vader en zoon, moeder en dochter, broeders 
en zusters geboren wordt; die eiken prikkel tot deugd en 
reinheid verstompt en de schandelijkste zedeloosheid bevor- 
dert, zelfs door op haar het voordeel van den meester te 
bouwen; die het inderdaad tot een wonder maakt, dat die 
40,000 menschen nog niet tot lager peil van verdierlijking 
zijn gezonken, dat zij nog niet alle begrip van pügt en 
regt hebben verloren, dat onder hen zelfs betrekkelijk 
minder misdaden worden gepleegd dan in het beschaafde 
Europa. 

Eu toch (wie zou het gelooven?) zijn er nog verdedigers 
van dien toestand. Zij zijn zelfs in Nederland, maar zij 
zijn vooral in Suriname. Wij zullen eenige drogredenen, 
die gij bijna in alle fatsoenlijke kringen van Paramaribo 
dagelijks kunt hooren, kortelijk vermelden. 

Een eerste argument, dat met kracht van redenen wordt 
op den voorgrond geplaatst, is in de volgende redenering 
begrepen. 

// Voor de negerslaven , die in vroeger tijd uit Afrika 
'fwerden ingevoerd^ en die met hunne afstammelingen de 
1/ tegenwoordig e slavenhevolkingen uitmaken, was het eene 
i/weldaad^ dat gij in handen van Europeanen vielen; want 



213 

/nn hun eigen vaderland zouden zij vermoord, of althans 
ff oneindig wreeder dan in West-Indië behandeld zijn.''"' 

Vooreerst is het eene peiitio principii. Bewijs uwe stel- 
ling, dat de ingevoerde negers in hun vaderland //vermoord" 
of //oneindig wreeder behandeld" zouden zijn. Yeel valt er 
op af te dingen. Maar aangenomen dat het waarheid is, 
was niet juist de slavenhandel de aanleiding en voortdurende 
oorzaak dier eeuwenheu2;ende oorloo^en onder de Afrikaansche 
volksstammen, om door geroofde raenschen aan de aanvragen 
der handelaars in raenschenvleesch te voldoen? Eiep niet 
juist de hebzucht der kolonisten, die tot vermeerdering van 
produkten en winsten hunne slaven opofferden, de hebzucht 
der slavenhaalders en deze weder de hebzucht der slaven- 
jagers in Afrika in onzen tijd in het aanzijn? Wie geeft 
den Christen het regt, om hen, die van den dood waren 
gered, tot eeuwigdurenden dwangarbeid te veroordeelen , hen 
en hunne nakomelingen? Gaf het vrijkoopen van den dood 
hem de bevoegdheid, zijne medemenschen tot pen langzaraen, 
folterenden dood in zijn belang te doemen? De dood zou 
vaak verre te verkiezen zijn geweest boven de martelingen, 
die de slaveneigenaars gedurende eeuwen maar al te dikwerf 
aan de ongelukkige, in hunne handen gevallen, Afrikanen 
deden ondergaan. 

Gij hebt de ouders en voorouders u.wer regors uit hun 
vaderland naar uwe kolonie overgebragt, omdat in dat va- 
derland hunne ellende ten top v/as ge^'tegen? Gij eigent u 
de verdienste toe, van u hun lot te hebben aangetrokken? 
Welnu, dan zijt gij voor hen verantwoordelijk; dan hebt gij 
de verpligting op u genomen, om hen, die gij uit hun land 
voerdet en van u afhankelijk maaktet, te beschouwen niet 
als dingen, als dieren, maar als menschen, hen te verzorgen 
als wezens, voor Christelijke ontwikkeling en beschaving 
bestemd. Hoe hebt gij dien pligt volbragt? God eischt 



214 

van ons de verantwoording der zorg voor de opvoeding 
onzer kinderen — van u zal Hij bovendien de verantwoor- 
ding eischen van de zorg voor hen, die gij geheel afhan- 
kelijk van u hebt gemaakt! 

Gij beweert, dat de meester, die den slaaf regtstreeks uit 
de handen van den slavenhaler ontving, regt had vergoeding 
te vorderen voor zijne voorschotten en onkosten, om hem 
uit de ellende in zijn vaderland te verlossen. Dat is de 
titel, waarop gij uw regt hebt gebouwd. Maar gij vergeet, 
dat gij dezen slavenhaler eerst tot een dief hebt gemaakt 
en dezen weder anderen tot menschenroof hebben verleid; 
dat het eigendom, van welks regt gij gewaagt, met uw we- 
ten, door uw toedoen en medewerking, altoos een gestolen 
goed is geweest en onveranderlijk blijven zal. Wij willen 
echter dien gewaanden titel voor een oogenblik doen gelden. 
Maar dan de kinderen van dien slaaf, en zijne kleinkinderen 
en achterneven tot in het laatste nageslacht! Hebt gij of 
God hun het aanzijn gegeven? Waarop grondt gij het regt 
van veroordeeling tot eeuwigdurenden dwangarbeid, dat gij 
op al die wezens toepast? 

Het kind, dat heden geboren wordt in eene Christen- 
maatschappij onder Christenwetten, dat nimmer iets misdreef 
of kon misdrijven, is tot eeuwigdurenden dwangarbeid ge- 
doemd, omdat een zijner voorouders, eene eeuw geleden, 
door Christenen uit zijn vaderland werd gevoerd. 

Dat kind mag als eene zaak door hem, die de moeder 
voor geld tot een eigendom zich verwierf, naar willekeur 
worden verpand en verkocht. 

Dat kind, verstoken van elke opvoeding en opleiding die 
het tot mensch zou maken, moet, gedurende geheel zijn 
leven, de vruchten van zijnen arbeid missen, maar altoos 
arbeiden, als het redelooze dier. 

Dat heet regt! 



215 

Maar onregt zou het geoordeeld worden, indien de wet- 
gever verklaarde, dat de schuld, die de uit Afrika gevoerde 
slaaf voor zijne //verlossing uit zijn vaderland geacht wordt 
gemaakt te hebben, door hera zelven gedurende zijn leven 
reeds is afbetaald; dat niemand op zijn achterkleinzoon 
regt heeft; dat het zoo even geboren kind vrij is! 

t/De negers zijn gelukkiger in onze Koloniën als slaven, 
//dan zij thans nog in hun eigen land zouden weze7i, ja 
r/zelfs gelukkiger dan de vrije werklieden in Nederland.''"' 

Gij vereenigt hier twee begrippen, die nimmer te vereeni- 
gen zijn — slavernij en geluk. Geen geluk is mogelijk 
met slavernij. Er kan dus geen sprake zijn van meer of 
minder geluk, in welke omstandigheden hij overigens ook 
verkeere — alleen omdat hij slaaf is. De vrijheid, de per- 
soonlijke vrijheid, is de eerste onmisbare voorwaarde voor 
geluk. Maar bovendien, welk eene zedeleer! Gij hebt op 
haren grond het regt, om de slaven te mishandelen zoo veel 
gij wilt, indien uwe mishandeling maar altoos een graad 
minder is dan die, welke, in de maatschappij van ruwe 
horden, aan vorsten en aanzienlijken jegens zwakken en 
geririgen geoorloofd is. 

Maar indien eens de Afrikanen, die naar Suriname wer- 
den uitgevoerd, den aard hadden gekend van het lot, dat 
hen wachtte, en 't was hun in de keus gelaten, zijt gij er 
zeker van, dat zij vrijwillig hun vaderland zouden verlaten 
hebben? dat zij de slavernij in hun eigen land of een wan- 
hopigen strijd en roemrijken dood niet verre boven de 
martelingen der slavernij in West-Indië zouden hebben 
verkozen? 

Wij hebben beschaafde lieden hooren zeggen : //die luije 
negers hebben het beter dan de vrije werklieden in Neder- 
land." Voor enkele huisslaven mogen de uiterlijke omstan- 



216 

digheden misschien gunstiger zijn, maar wat de plantage- 
negers betreft, dan is het als eene bittere spotternij met 
den ongelukkigen slaaf. 

De Surinaarasche kolonist beschuldigt de slaven van lui- 
heid! Dat de invloed van het klimaat in warme landen wel 
eens eenen verdoovenden invloed op de morele en physieke 
krachten van den mensch uitoefent, is overbekend. Ons ech- 
ter is het onmogelijk geweest, die bewijzen van verregaande 
luiheid bij den neger in Suriname te vinden. Hadden zij, 
die deze beschuldiging zich veroorloven, de arbeiders op 
Java en elders in Oost-Indië gezien (en ook de Javaan is, 
den toestand, waarin hij verkeert, in aanmerking nemende, 
niet lui,) welligt zouden zij zich bedacht hebben, alvorens 
ze openbaar te maken. Maar bovendien : wat zou den slaaf 
aandrijven, om met vlijt en ijver en lust de hem opgedragen 
werkzaamheden te verrigten ? 

//Wel", hoor ik mij door een ouden Surinamer van den 
echten stempel toeroepen, //gij spreekt gedurig van volslagen 
gebrek aan aanmoediging en belooning, als prikkels tot den 
arbeid bij de slaven. Maar gij overdrijft. Wij geven hun 
danspartijen. Wij geven buitengewone uitdeelingen van 
swietie moffoï Wij schenken hun drank! Dat zijn beloo- 
ningen en aanmoedigingen tot pligtsbetrachting! Eu de- 
zulken alleen zijn geschikt voor den neger!" 

Maar meent gij dit in goeden ernst? Bescliouwt gij in- 
derdaad die jaarlijksche baljaar-partijen, welke reglementair 
aan de slaven moeten gegeven worden, als belooningen? 
Houdt gij die uitdeelingen van //swietie moflb", welke hoogst 
zelden op enkele plantagies, wier financiën buitengewoon 
goed staan, soms twee of driemaal 'sjaars plaatshebben, en 
zich dan tot een of twee vaten gezouten vleesch of spek 
voor 200 of yOO slaven bepalen — houdt gij dat inderdaad 
voor prikkels tot pligtsbetrachting? 



217 

Ons eenig antwoord is dan, dat wij een ander begrip aan 
het woord hechten. Ook in weerwil van die //swietie mof- 
fo", zijn wij van meening, dat het natuurlijk is, wanneer 
de slaaf het niets doen als eene wenschelijke zaak beschouwt. 

//Maar de slaaf', zoo voert men verder aan, //leidt een 
onbezorgd leven. Hij genist voedsel, kleeding, huisvesting, 
is voor niets verantwoordelijk, heeft niet te zorgen voor de 
opvoeding zijner kinderen, nocli voor zijne gebrekkige ou- 
ders. En dat alles veroorzaakt den werkman in Europa 
zoo veel zorg en moeite." 

Ja wij hebben gezien, wat dat voedsel en die kleeding 
en die huisvesting beteekent! En durft gij er u op beroe- 
pen, dat gij de slaven van de verzorging hunner kinderen 
ontheft — neen berooft? 

Gij vernietigt juist met die verzorging een der edelste 
drijfveren tot bevordering van deugd en arbeidzaamheid. 
Daardoor ontneemt gij den slaaf het laatste, dat in zijn le- 
ven nog een straal van genot kon doen schitteren. Gij ont- 
neemt hem het regt om vader te zijn; gij berooft hem van 
de vreugd, om in zijnen ouderdom door dankbare kinderen, 
die hij eens in het zweet zijns aanzijns brood wist te 
verschafïen , verpleegd te worden. Ook de tijgerin voedt 
zelve hare welpen, en zal de minste beleediging haar kroost 
aangedaan vreesselijk wreken. Maar de Surinaamsche slaaf 
wordt door zijnen meester van de zorg voor zijne kinderen 
bevrijd ! Maar de Surinaamsche slaaf ziet zich zijne kin- 
deren ontnemen, zonder zich daartegen te mogen verzetten! 
Maar de Surinaamsche slaaf moet de wreede lijfstraffen, zij- 
nen kinderen onder de oogen hunner ouders opgelegd, koel- 
bloedig aanzien ! En nu rekent gij hem die ontheffing der 
verzorging zijner kinderen aan als eene weldaad? En nu 
stelt gij daarom zijn lot boven dat van een werkman in 
Nederland? 



218 

Ik beweer niet, dat er geene huisgezinnen te Paramaribo 
zijn, waarin de slaven goed behandeld worden. Maar juist 
die goede behandeling kan later hun lot nog ondra '-elijker 
maken. Gij hebt er reeds bewijzen van gezien. Wilt gij 
er meer? 

De heer jabot was een der aanzienlijkste en rijkste in- 
gezetenen van Suriname's hoofdstad, en, 't geen niet altoos 
gepaard gaat, hij had eene voortreffelijke inborst en een 
eerbiedwaardig karakter. Zijne gade was mede eene lieve, 
beminnelijke vrouw, en zijne kinderen waren zulke ouders 
waardig. 

Zij waren in 't bezit eener slavenfamilie, die, door de be- 
handeling, welke zij ondervond, hare ketenen weinig voelde. 
Onder de leden dier slavenfamilie was een meisje, eene bijna 
blanke castiezin, in de Christelijke godsdienst door hare 
vrome meesteres opgevoed, dat in hare jeugd de speelgenoote 
van de dochters des huizes was geweest, in alle hare genoe- 
gens en lekkernijen had gedeeld, en later nimmer aan iets 
behoefte gevoelde, maar zoo van voedsel als kleeding altijd 
ruimschoots werd voorzien. Zij had niet alleen nimmer 
gebrek gekend, maar betrekkelijk in overvloed geleefd. Zij 
was aan zekeren overdaad gewoon, en, gelijk het gaat, die 
overdaad was behoefte geworden. 

Maar toch zij is slavin. Haar meester komt plotseling 
te sterven : zijne zaken zijn buiten zijne schuld achteruit 
gedaan. Veertien dagen later staat voor het huis, waarin 
de blanke Cristen-slavin woonde, een vendutafel. Daar om- 
heen verzamelt zich een gedeelte der Surinaamschs bevolking. 
^Natuurlijk ziet gij onder die schaar vele fatsoenlijke lieden, 
maar eveneens het schuim der maatschappij; menschen, bij 
wie alle gevoel voor het lijden hunner medemenschen is 
uit^T-edoofd; uitgemergelde wellustelingen, die met eenea 
beo-eerigen blik de bekoorlijkheden van iedere vrouw gade- 



219 

slaan; schraapzuchtigen, die alleen leven om zich te verrijlcen 
met het zweet en bloed hunner slaven. Het arme meisje 
wordt te voorschijn gebragt, beschouwd, betast en gewaar- 
deerd. Schreijende onderwerpt zij zich aan haar lot. Een 
hardvochtige woekeraar, die alle menschelijk gevoel had 
uitgeschud, maar die over ontelbare goudstukken had te 
beschikken, koopt haar, — een woekeraar, die niets anders 
beoogt, dan alle mogelijke voordeelen van zijne slaven te 
trekken. Is de opvoeding, de overvloed, het geluk inbare 
jeugd genoten niet de oorzaak, dat de ongelukkige dubbel 
de zedelijke en stofl'elijke ellende gevoelt, waaraan zij thans 
ten prooi wordt gegeven? 

Nog een ander voorbeeld. 

De slaaf winst genoot, wegens zijn ijver, zijne trouw, 
zijne eerlijkheid en bevattelijkheid, niet alleen het volle ver- 
trouwen van zijnen meester, maar zelfs de achting van al- 
len, die in de gelegenheid waren geweest, de voortreffelijke 
eigenschappen van dien braven neger te leeren kennen. On- 
verwacht komt zijn goede meester, de heer meerten, in 
't begin van 1852, te sterven, zonder dat zijne omstandig- 
heden hadden toegelaten, zijnen trouwen dienaar de vrijheid 
te geven. Weldra wordt zijn nagelaten inboedel verkocht. 
Met een beklemd gemoed, diep bedroefd, tot tranen geroerd, 
komt de arme winst voor de noodlottige tafel. 

— //'t Ts erger dan dat ik naar mijn dood ga!" riep hij 
snikkende uit. 

Maar er was iemand, die belang stelde in den neger, de 
huishoudster van den overledene. 

— //Vrees niet", had zij tot den slaaf gezegd, //gij zult 
vrij zijn". En zij had alles wat zij bezat er voor over. 
Zelfs hare lijfsieraden had zij te gelde gemaakt , want winst 
moest gered worden. 

Het noodlottige oogenblik is aangebroken. Met angstige 



220 

blikken ziet de slaaf onder de koopers in 't rond, maar 
nergens ontwaardt hij iemand, die hem hoop geeft, dat hij 
door de huishoudster is gezonden. 

De verkooping begint. Hij wordt opgeveild. Een Israë- 
liet, s. genaamd, wordt zijn meester. En naauwelijks is de 
noodlottige slag gevallen, of de zaakgelastigde van de huis- 
houdster, die hein voor hare rekening zijne vrijheid moest 
koopen, komt hijgende aanloopen. Maar 't is te laat. Door 
zijne nalatigheid is s. eigenaar van winst, bekend door 
de onbarmhartige behandeling zijner slaven. 

Zal die onbarmhartigheid den slaaf niet dubbel hebben 
gepijnigd en gemarteld, die aan eenen goeden meester en 
eene zachte bejegening sedert vele jaren gewoon was? 

Weinige maanden nadat winst op de plantage M. R. 
zwaren slavenarbeid verrigtte, werd hij krank, en 't laatste, 
dat wij van hem vernamen, was, dat hij zich aan den rand 
van het graf bevond. 

Zekere Surinamer, drijft de onbeschaamdheid zoover, dat 
hij poogt te beweren, dat eene Amsterdamsche dienstmeid 
oneindig minder vrijheid dan eene negerin in Suriname zou 
hebben. Deze bewering is in zekere mate juist. In de wijze 
van leven der negerin zelve stelt men geen belang hoegenaamd, 
en daarom bemoeit men zich ook alleen met haren arbeid. 
Overigens wordt zij aan haar lot overgelaten. Wij erken- 
nen gaarne, dat dit met de Hollandsche dienstmeid, onder 
belangstellende meesters, geenzins het geval is. Maar is nu, 
om de vergelijking verder voort te zetten, die dienstmeid eewe 
zaak^ welke geheel aan de willekeur van haren meester on- 
derworpen is? Kan die dienstmeid, bij iedere luim vanha- 
ren meester, op de vendu-tafel gebragt en verkocht worden? 
Is die dienstmeid onherroepelijk gedoemd, om haren mees- 
ter te blijven dienen, ook dan wanneer zij slecht behandeld 
wordt? Is die dienstmeid, eene goede dienst hebbende, 



221 

wanneer haar meester sterft of zijne zaken op zijde stelt, 
gedwongen in dienst van den eersten den besten, rijk of arm, 
goed of slecht, die eene zekere som gelds voor haar besteden 
wil, over te gaan? Kan die dienstmeid, bij den geringsten 
misslag, met zweepslagen gestraft worden? Is zij verpligt 
hare eer aan den eersten den besten weliusteling ten beste 
te geven, of gedurig aan de wreedste bejegening bloot te 
staan? In één woord, is die dienstmeid slavin, gelijk de 
rampzalige schepsels, wier gelukkig leven men ons in Suri- 
name uit eigenbaat wil opstrijden, den slaaf met een rede- 
loos dier, dat nimmer aan iets anders dan aan dierlijke be- 
hoeften gedacht heeft, gelijk stellende? Zijn die met zweep- 
striemen gemerkte plantage-slaven gelukkiger, wanneer zij 
hunne vrouwen en kinderen hooren kermen onder het sner- 
pen der slavenzweep, of wanneer men hunne regtmatige klag- 
ten, ter voorkoming van grootere aanmatigingen onder de 
slaven, met tamarinde-roeden smoort? In Suriname mag 
men het gelooven, of — zich zei ven wijs maken, dat men 
het gelooft. Daar buiten overtuigt men geen onpartijdige. 

// De negers zijn zóó slecht , dat zij geenen anderen staat 
dan dien der slavernij verdienend 

Ja, de bakra soema (blanken) durven de slavernij en de 
harde behandeling der negers met dit argument verontschul- 
digen ! //Die leelijke negers!" — //Die zwarte beesten!" — 
//Die schurkenkoppeu!" — Ziedaar de gewone uitdrukkin- 
gen van de meeste slaveneigetiaars. //Zij zijn diefachtig en 
brutaal; gezweept moeten zij worden, anders zitten zij ons 
weldra op den kop." — //Men moet ze" ('t is de woorde- 
lijke herhaling eener uitdrukking, die een Surinaamsch sla- 
veneigenaar tegen ons bezigde) //met tamarinde-stokken roode 
broeken aanmeten!" — //'t Zal niet goed worden" (een mij- 
ner vrienden heeft het in Suriname een hoog geplaatst per- 



222 

soon hooren zeggen) //voor er eenigen gehangen zijn". — 
//Het vee is zoo lui" (dit waren de woorden van een plan- 
tage-eigenaar) //dat zij alleen met de zweep tot den arbeid 
kunnen gedreven worden, — en dan vreten zij aarde, en 
maken zich uit louter luiheid van kant. Bij het aandra- 
gen van koiïïj moet ik er den geheelen dag met de zweep 
achterstaan". — //Neen, spaansche bokken, zweepslagen en 
kettingboei, dat is de regte manier, om met hen klaar te 
komen; maar gij kent ze niet, mijnheer! anders zoudt gij 
mij gelijk geven". — //De Herrnhutters zullen met hun 
christendom nog maken, dat alles spaak loopt, even als de 
onlangs overleden Prokureur-Generaal, die, toen hij den 
dood voelde naderen, philanthropische idees kreeg." 

Tot antwoord op zulke redeneringen vragen wij : aange- 
nomen dat de slaven werkelijk zoo slecht zijn, wat is de oor- 
zaak, en wat hebben de blanken gedaan om hunne ontaar- 
ding te verliiuderen? Ban uit 'smenschen ziel het gevoel 
van menschenregt en menschen waarde, de hoop en het ge- 
voel van eer, en gij vernietigt te gel ijker tijd de edelste 
beweegreden tot deugd. Waar is aan den slaaf hoop of ge- 
voel van eer overgelaten? //Slavernij", (zegt reeds monïes- 
QiEu) //is noch nuttig voor den meester, noch voor den 
slaaf; niet voor den laatsten, omdat hij niels door deugd 
kan uitvoeren; noch voor den eersten, omdat hij met zijne 
slaven alle soorten van kwade hebbelijkheden verkrijgt, en 
zich zei ven ongevoelig de verwaarloozing van alle zedelijke 
deugden inprent, en verwaand, driftig, ongevoelig, hevig, 
wellustig en wreed wordt". 

Gij beschuldigt de slaven van luiheid, maar gij doet niets, 
om hun lust tot den arbeid op te wekken; integendeel, gij 
doet alles wat mogelijk is, om ze te verstikken. Moedigdet 
gij uwe slaven aan, bij voorbeeld door een zeker gedeelte van 
den opbrengst der produkten aan hen af te staan, in plaats 



233 

van hen, als zij niet werken, met de zweep testrafl'en, of al- 
thans liet gij dien prikkel met de straf hand aan hand gaan, 
de opbrengst der plantages zou niet verminderen; maar (en 
enkele, door verstandige eigenaars bestuurde effekten be- 
wijzen het) integendeel vermeerderen. 

Thans zijn rust en ledigheid de eenige genietingen, die 
de slaaf na al hetgeen men hem ontnam , nog kent en 
zoekt. 

Wat zou den slaaf, in zijnen tegenwoordigen toestand, tot 
vlijt, ijver en lust tot den arbeid kunnen aanzetten? Is het 
de hoop van zijn lot, door de vruchten van zijn arbeid, te 
verbeteren? Neen, wantal wat hij verdient is het eigendom 
van zijn meester. Is het de zorg voor zijn dagelijksch 
onderhoud? Neen, want zijn meester geeft hem zoo veel 
als hem te beurt valt. Is het de zucht, om iets voor zijne 
kinderen te sparen? Neen, want zijne kinderen behooren 
hem niet; de meester straft, verkoopt, voedt ze, doet er 
mede wat hem goed dunkt; de slaaf heeft niets met zijn 
kroost te maken. Zal het dan de liefde tot den arbeid als 
zoodanig zijn? Neen, want hij kent dien arbeid alleen in 
verband met de zweep; hij weet dat hij juist om dien arbeid 
in slavernij wordt gehouden, en dat men hem onmiddellijk 
de vrijheid zou geven, indien deze arbeid onnoodig werd. 
Ja, dat is misschien de grootste, voor de toekomst onher- 
stelbare, jammer der slavernij, dat de arbeid zelve, pligt en 
zegen Gods voor den mensch, door de slavernij eene scliande 
en vloek is geworden. 

Uit den aard der zaak kan de slaaf meestal niet anders, 
dan zijnen meester haten. Ik zeg niet, dat dit een algemeene 
karaktertrek is der Surinaamsche slaven; maar dat het na- 
tuurlijk zou zijn, kan niemand ontkennen, en dat er onder 
zijn, die inderdaad zulk een gevoel jegens hunnen heer, 
dikwijls hun beul, in het hart koesteren, moet niemand 



224 

verwonderen. Hij die haat, peinst op middelen om zijnen 
vijand te benadeelen. Dat doet ook menig slaaf. En wat 
ligt nu meer voor de hand, om zijnen meester schade toe te 
brengen, dan niet te werken? Daardoor wondt hij hem in 
de meest gevoelige plaats, in zijn eigenbelang. 

Zoo is de zucht om niet te werken mede een gevolg der 
slavernij. Zoo is zij dat zelfs bij de vrije bevolking. Men 
meent er, dat de vrijheid van den mensch bestaat in niet 
te werken. Van zijne vroegste jeugd ziet men, dat de ar- 
beidende klasse tot een stand van verworpelingen in de 
maatschappij bshoort. Anderen zijn vroeger zelven slaven 
geweest, en weten dus, op welke wijze men tot den arbeid 
wordt aangezet. De voorregten van den vrijen arbeid kent 
niemand. De vrije blanken ziet men nimmer handen-arbeid 
verrigten. Is het te verwonderen, dat men //vrij zijn" en 
//niets doen" als synonym beschouwt? Is het vooroordeel 
niet natuurlijk, dat men zich vernedert, door op het veld 
te werken en zich met den verachten, door de zweep voort- 
gedreven slaaf gelijk te stellen? De baron van kaders 
heeft eene edele poging in 't werk gesteld, om dien afkeer 
van den arbeid uit de Surinaamsche maatschappij te ver- 
bannen. Zij is mislukt door tegenwerking. Maar wij vree- 
zen, dat elke poging altoos schipbreuk zal lijden op de 
slavernij. 

Elke morgen wordt op den Heiligen weg te Paramaribo 
markt gehouden van bananen, groenten, kokosnoten enz. 
't Is het werk der slaven, om het gekochte huiswaarts te 
dragen. Met dat werk mag zich geen vrije bezoedelen. En, 
zoudt gij het gelooven? zoo ver gaat het vooroordeel, dat 
vrije vrouwen en meisjes, die geene slavinnen bezitten om 
dien arbeid te verrigten, alvorens zich marktwaarts te bege- 
ven hare schoenen uittrekken. Het dragen van schoenen 
is het zinnebeeld van vrijheid. Slaven loopen blootsvoets. 



225 

En nu schamen zich die vrouwen, om voor vrijen te worden 
aangezien, alléén omdat zij hare waren zelve naar huis dra- 
gen. Zij zouden bij hare //matie's" (vriendinnen) in opspraak 
komen, indien zij op deze wijze haren stand van vrijen be- 
zoedelden. 

Een gezonde, sterke, vrije kleurling vroeg aan een mijner 
vrienden om een aalmoes. 

— //Waarom werkt gij niet?" was de natuurlijke vraag 
van den aangesprokene. 

— //Ik kan niet masra!" antwoordde de bedelaar. 

— //Gij kunt niet? en waarom niet? Gij zijt sterk en 
gezond". 

— //Ja wel, masra, dat is zoo — maar ik heb geene 
slaven". 

Zoo bederft de slavernij alle standen der zamenleving door 
hare vervloekte werking. Is het dan geen onregt de slaven 
te verwijten, dat zij lui zijn. En toch zijn er, die men 
vlijtig moet noemen; getuigen zij, die jaren gewerkt heb- 
ben, omdat zij het vooruitzigt hadden van zich vrij te 
kunnen koopen; getuigen zoovele huisbedienden, die met 
Europesche bedienden wedijveren. 

Maar luiheid is niet het eenige bewijs voor den slechten 
aard der slaven, dat men in Paramaribo bijbrengt. Dat zij 
oneerlijk zijn, dat zij stelen, dat men ze nimmer kan ver- 
trouwen, is eene gewone beschuldiging. 

Ik ontken het. Ik houd het integendeel voor onbegrij- 
pelijk, dat in eene stad als Paramaribo zoo weinig aanran- 
dingen van eigendommen voorkomen; in eene stad, waar 
algemeen deuren en vensters zoo slecht worden voorzien en 
zelfs gedeeltelijk blijven openstaan. 

Maar gij, strenge zedemeester, durft gij over uwe slaven 
het vonnis vellen ? Wie geeft hun het eerste voorbeeld van 
oneerlijkheid? Zijt gij het niet, die hem zelfs de door de 

II. 15 



226 

natuur aan ieder redelijk wezen verleende regten ontneemt ? 
En wanneer gij den armen slaaf het noodige onthoudt, ja, 
hem niet meer dan een ongenoegzaam voedsel geeft, en zelfs 
daarin nog zoo karig mogelijk te werk gaat; wanneer gij 
den slaaf, door hem nimmer eenio-e veredelende beloonin^ 
toe te kennen, alle redelijk genot, alle gelegenheid tot 
edeler ontspanning afsnijdt — is het dan te verwonderen, 
dat hij zich soms aan uwe levensmiddelen vergrijpt? De 
meeste diefstallen, die plaats hebben, zijn van de eerste 
levensmiddelen! 

Algemeen is het verwijt tegen den slaaf, dat hij zich aan 
verregaande onzedelijkheid schuldig maakt. Maar hoe is 
het mogelijk, dat Surinaamsche blanken dien steen op hem 
durven werpen, zij die spekuleren op de kuischheid zijner 
vrouw, op de onschuld zijner dochter; zij die, geen wettig 
huwelijk tusschen hunne slaven erkennende, hem noodzaken 
altijd in ontucht te leven; zij die hem zoo na mogelijk tot 
het redelooze dier trachten te verlagen, door aan alle regten 
der ouders, vooral die der vaders, den bodem in te slaan; 
zij die zich niet schamen onder de middelen, waarvan zich 
de slavinnen in Paramaribo kunnen onderhouden, of week- 
geld aan hare meesters moeten opbrengen, prostitutie op 
den voorgrond te stellen. 

//De slaven zijn brutaal en onwillig; het is onmogelijk 
hen zonder zweepslagen te regeren." 

//De slaven zijn brutaal en onwillig." Zoo schijnt het 
u toe, omdat gij niets anders dan eene blinde onderwerping 
van hen vordert, en zelfs hunne meest gegronde klagten 
als verregaande onbeschaamdheid beschouwt. Maar wanneer 
een vreemdeling in gezelschappen te Paramaribo komt, en 
de slaven, die tot huisarbeid gebruikt worden, ziet, of des 
avonds alleen door de straten van Paramaribo wandelt, ter- 
wijl iedere slaaf hem vol eerbied groet, of op zijne wenken 



227 

vliegt, dan zal hij weinig sporen van die onwilligheid be- 
speuren. Neen, wat gij met den naam van brutaliteit be- 
stempelt, is niet meer dan een bewijs, dat nog niet alle 
energie bij de slaven is uitgedoofd. Gij durft de slaven 
//brutaal en onwillig" noemen ! maar hoe is het dan mogelijk, 
dat er nog een enkele blanke in de kolonie Suriname leeft? 
Hebben dan de ongestrafte, Godtergende gruwelen, welke 
vroeger vooral jegens de slaven door de vrije bevolking 
gepleegd werden, die vrije bevolking nog niet genoegzaam 
geleerd, dat de slaven gedwee en onderworpen zijn? Vraag 
naar de geheimen van het binnenfort, — maar gij behoeft 
naar 't geen daar gebeurd is niet te vragen, want het te- 
genwoordige geslacht was er nog ooggetuige van, en voor 
een groot gedeelte medepligtig aan de gruwelen die daar 
gepleegd zijn — vraag er naar, en zeg mij, of de beschul- 
diging niet volstrekt ongerijmd is. Herinner u den toen- 
maligen cipier dier gevangenis, en de uitgezochte wreedheid 
waarmede hij de pijnigingen der slaven wist te vergrooten, 
en erken, dat alleen slaven dat alles konden verdragen. 

Maar tot beschaming van hen, die deze beschuldiging 
van //brutaliteit en onwilligheid" durven volhouden, zullen 
wij wel eenige feiten, waarvan de muren van het binnenfort 
Zeelandia stomme getuigen waren, moeten vermelden. Het 
doet mij leed hier martelingen te moeten bekend maken, 
waarbij ook den ongevoeligsten mensch de haren van afgrijzen 
zullen te berge rijzen. 

Vroeger, dat is te zeggen, voor de verplaatsing van het 
piket der justitie naar de Wagenstraat, nu slechts weinige 
jaren geleden, ging er geen dag voorbij, waarop niet het 
gekerm van ongelukkige slaven door het fort Zeelandia 
weergalmde; ja, er zijn op een middag van 10 tot 12, wat 
zeg ik? enkele malen van 30 tot 40 en meer //spaansche 
lohheir , behalve de zweepslagen en kettingboeijen, toege- 

15* 



228 

bragt. Al die ongelulckigen waren bij elkander gebragt; dan 
wentelden de reeds gestraften zich bloedend op den grond 
rond, terwijl de nog ongestraften de pijniging hunner lot- 
genooten aanschouwden en de nog ijsselijker marteling van 
het wachten moesten uitstaan. En wat waren de misdaden 
die hier geboet werden? Niet zelden geringe overtredingen, 
niet meer dan bij voorbeeld het breken van een stuk huis- 
raad. Meer dan eens is het gebeurd, dat ongelukkigen aan 
hunnen beul aan den ingang der strafplaats ontsnapten en 
zich in de rivier verdronken. 

Er zijn er geweest, die eenen gewonen spaanschen bok 
van 150 slagen voor het verliezen van eenen trekpot of 
dergelijke achteloosheden lieten geven. Men verhaalt, en 
er is geen reden om het niet te gelooven, dat de cipier, 
bij de uitoefening van zijn beulen-handwerk, soms de lijders 
sarde en met hun toestand den spot dreef, dat hij met jonge 
slavinnen, bij het ontkleeden vóór de strafoefening, den 
draak stak, de schoonheid harer gestalte en de rondheid 
harer vormen roemde, en op gekscherenden toon zijn leed- 
wezen te kennen gaf van dergelijke aanvalligheden met ta- 
marinden-roeden te moeten ontsieren. Wanneer dan, naafloop 
der strafoefening, de ongelukkige slagtoffers kermend op den 
grond rondkropen, omhelsde hij ze en vroeg haar of het 
goed gesmaakt had. Er zijn ongelukkige plantage-slaven 
geweest, die, niet wetende dat zij hunnen beul na afloop 
der strafoefening nog moesten bedanken, twee en drie malen 
achter elkander aan den martelpaal gebonden werden, tot 
dat het een der omstanders inviel, hun de oorzaak hunner 
vernieuwde afstraffing mede te deelen. Ooggetuigen aan 
wier geloofwaardigheid geen oogenblik te twijfelen valt, 
hebben ons verhaald, dat zij arme slavinnen, die door de 
zonen harer meesters ter strafplaats gevoerd werden, onder 
het ontvangen van eenen spaanschen bok, de belofte hebben 



229 

hooren afleggen, dat zij die zonen zouden te wille zijn, 
zonder zich langer tegen hen te verzetten. Ooggetuigen 
hebben ons verzekerd, dat zij ambtshalve tegenwoordig waren 
geweest bij de executie van arme negerslaven, die van 
St. Martin ingevoerd en vervolgens weggeloopen waren, op 
het galgeveld dubbele spaansche bokken en brandmerken 
ontvingen, en in zware ijzeren boeijen geklonken werden, 
terwijl zij, in zuiver Engelsch, geene afgoden maar den God 
der Christenen om ontferming smeekten. 

//De slaven zijn brutaal en onwillig". Als 't waar was, 
weet gij, wat er de oorzaak van zou zijn? De wijze, waarop 
gij hen behandelt en waarop zij vooral vroeger behandeld 
werden; die zoogenaamde //huisselijke jurisdiktie", thans af- 
geschaft, maar die gij zoo gaarne terug zoudt hebben en 
waarvan gij de afschaffing als een ramp voor de kolonie be- 
schouwt. Zal ik u uit den goeden ouden tijd herinneren 
de beruchte mevrouw du plessis, die het kind harer slavin, 
dat haar door zijn schreeuwen verveelde, verdronk? Zal ik 
u den naam noemen van den administrateur wolf, die zijne 
negers, bij de feestelijke inwijding eener sluis, toen zij om 
vleesch voor //swietie moffo" (versnapering) vroegen, het 
ligchaam der door hem doodgeschotene dochter des eersten 
bastiaans aanwees? Zal ik u op die slaven wijzen, die voor 
//weglooperij" met het afzetten van een hunner beenen, of 
het doorsnijden van de Achilles-pees gestraft werden, en van 
welke, volgens eene, in den Surinaamschen almanak voor 
1830 geplaatste, redevoering, ter dier tijde nog één op eene 
naburige suiker-plantagie in leven was? Ik ga dat alles met 
stilzwijgen voorbij; het behoort tot een gesloten tijdvak. 

Maar ook later zijn in Suriname dingen voorgevallen, die 
ongeloofelijk schijnen, en waarvan de waarheid, al is zij dan 
ook niet bij regterlijk vonnis gestaafd, echter niet te be- 
twijfelen valt. Aan u, die de slaven //brutaal en onwillig" 



230 

noemt, aan u zal ik er een enkel voorbeeld van verhalen, 
om u te kunnen vragen: zou het te verwonderen zijn, in- 
dien dergelijke Godtergende handelingen door de slaven met 
wat anders dan //brutaliteit en onwilligheid" werden beant- 
woord ? 

Er was, naauwelijks tien jaren geleden, een Suriuaamsch 
echtpaar, dat uitmuntte in het vinden van middelen tot 
mishandeling hunner slaven; een echtpaar, dat aanhoudend 
kocht en verkocht, en waarvan de man geen grooter genoe- 
gen kende, dan de slavenzweep tot uitspanning, in plaats 
van den degen des krijgsmans, die in zijne hand paste maar 
hem welligt te zwaar was, te hanteren. Die goede lieden 
moeten eenmaal eene bijna blanke, nog op ditoogenblik in 
leven zijnde, slavin gehad hebben. Zij was onlangs bevallen 
en had eenen zuigeling. Op zekeren tijd haalde zij zich, 
verdiend of onverdiend, de ontevredenheid harer meesteresse 
op den hals, en eene gewone afstraffing door de politie 
volgde. Maar dit was niet genoeg. Naauwelijks was de 
slavin te huis gekomen, of de wreede meesteresse wilde 
eene nieuwe marteling bij de reeds ontvangene voegen, en 
nogmaals ontvangt de slavin eene dragt zweepslagen , waarna 
men haar gelast aan haar werk te gaan. Maar nog is de 
wraakzucht niet voldaan. Nog hooger zijn hare eischen. 
De verfijnde wreedheid der meesteresse vindt een nieuw 
middel tot pijniging der ongelukkige slavin. Zij weet, dat 
de arme moeder haren zuigeling teeder bemint. Om niet 
alleen haar ligchaam te pijnigen maar ook haar hart te ver- 
scheuren, wordt het onnoozele wicht gedurende den nacht 
in eene eenzame negerwoning opgesloten, ten einde demoe- 
der, bij haar eigen lijden, het gekerm van haar kind te 
laten hooren, zonder het ter hulp te kunnen snellen. Al 
heviger wordt het huilen van het kind; — 't gaat eindelijk 
in een zacht gekreun over; 't wordt stil. De moeder hoort 



2Ö1 

haar lieveling niet meer. Misschien is het in slaap geval- 
len — maar horrih'de dlctu! — den volgenden morgen was 
het kind door de ratten verslonden. 

Het feit is van algemeene bekendheid te Paramaribo — 
en toch, de meesteresse is ongestraft gebleven. Maar — 
was het een vonnis van hooger regter? — kort daarna zijn 
beide echtgenooten aan de vreesselijkste aller ziekten, na 
een afgrijsselijk lijden, ellendig gestorven. 

Wij herhalen de vraag : waar zulke gruwelen gepleegd 
zijn, waar de bekendheid dier gruwelen algemeen is, waar 
zij ieder oogenblik althans nog hunnen plaats grijpen : zou 
het daar te verwonderen zijn, indien men aan de slaven 
wat anders dan //brutaliteit en onwil" te verwijten had? 
Zouden er geen landen zijn, waar, indien men zich zulke 
wreedheden veroorloofde, de getergde bevolking zich zelve 
regt zou verschaflen, vooral indien de verdrukkers tegenover 
de verdrukten stonden als twaalf tegen veertig? 

Maar hoe is het dan eigenlijk gesteld met die //brutali- 
teit en dien onwil"? Is het onnatuurlijk, als de slaven 
gevoelen, dat zij onbillijk behandeld worden; als zij begrij- 
pen, dat men geen regt heeft datgene te verlangen waartoe 
zij gedwongen worden; als zij ondervinden, dat ook de ijve- 
rigste krachtsinspanning hun geen verbetering in hun toestand 
brengt, terwijl het geringste vergrijp hun.eene ligchamelijke 
kastijding op den hals haalt, — is het te verwonderen, dat 
zij niet méér verrigten dan de hun opgelegde taak, en geen 
opgewektheid en lust maar slechts volgzaamheid en niets 
meer aan den dag leggen? Is het te verwonderen, dat 
geene liefde jegens hunne meesters maar ten hoogste on- 
verschilligheid hen bezielt, en hunne woorden daarvan de 
bewijzen dragen? En dat noemt dan liij, die meent alles 
te mogen vorderen en niets verschuldigd te zijn : /-brutaliteit 
en onwil!" 



232 

Die //brutale en onwillige" slaven moeten gestraft wor- 
den. Men kent geen andere straf dan zweepslagen of o-ee- 
seling met tamarinde-roeden. Opsluiten zou te nadeelio- 
wezen voor den meester zelven en voor den slaaf, die , om- 
dat hij niet voor zich zelven werkt, rust boven arbeid ver- 
kiest, eigenlijk geen straf. Men heeft den toestand van den 
slaaf zoo ellendig gemaakt, dat hem van het weinige dat hij 
ontvangt, niets meer tot straf kan worden ingehouden. Men 
ontnam hem zijne vrijheid; zijn voedsel is zeer karig en 
slecht; loon voor den arbeid ontvangt hij niet; bij zulke 
ellendige wezens blijft er dan geen ander middel van kor- 
rektie over, dan 'tgeen ook bij de dieren wordt gebruikt, 
slagen en pijnigingen. 

//En bovendien," zegt men dikwijls in Paramaribo, //wan- 
neer wij slaan, doen wij niet meer dan hetgeen gedurig 
met matrozen en in Suriname ook met soldaten geschiedt". 

't Is waar, maar is er geen hemelsbreed onderscheid tus- 
schen den toestand van hen en van den slaaf.? Zij traden 
vrijwillig in dienst; zij wisten, dat de stand dien zij aan- 
vaardden, in sommige gevallen strengere straffen mede- 
brengt; zij kunnen zich niet beklagen, als de wetten, waar- 
aan zij zich geheel naar verkiezing onderwierpen, op hen 
worden toegepast; slechts bij bepaalde overtredingen of mis- 
drijven mogen zij gestraft worden, en in de toepassing dier 

wettelijke straffen wordt meestal ten minste de refftvaardio-- 

o 

heid in acht genomen. En toch heeft men reeds lang het 
ondoeltreffende en verderfelijke van zulke lijfstraffen voor 
soldaten en matrozen begonnen in te zien. Reeds is de straf 
van stokslagen bij het Oost-Indische leger, voor 't grootste 
gedeelte uit inboorlingen van den Archipel zamengesteld, 
eenigen tijd geleden afgeschaft. Maar bovendien, bij den 
soldaat gaat men tot de toepassing niet over, dan nadat 
overtuigend is gebleken, dat de personen onverbeterlijk zijn 



233 

en vooraf in eene afzonderlijke klasse van korrektie zijn 
geplaatst. 

Hoe wil men hiermede nu den toestand van den slaaf 
vergelijken? Hij werd niet geraadpleegd, toen men hein tot 
slavernij veroordeelde. Zijne geboorte, de kleur van zijne 
huid, of welke andere van hem onafhankelijke omstandigheid 
doemde hem tot slavenketenen. Hem treffen knellende zweep- 
slagen, zoo dikwijls de luimen van zijnen meester of van 
den over hem gestelden het goedvinden. En nooit is er 
voor hem een einde in dien toestand te voorzien — hij 
eindigt eerst in het graf. 

f/Maar van het al of niet voortdurend hestaan der slavernij 
nhangt de welvaart af of de ondergang onzer kolonie''''. Zoo 
roepen om strijd de bevoorregte vrije ingezetenen van Su- 
riname. 

Wij antwoorden : treurige toestand van een land, dat 
alléén zou kunnen bloeijen door het handhaven van een 
onmenschelijk onregt jegens veertig duizend Nederlandsche 
onderdanen ! door het voortdurend verlagen van veertig dui- 
zend menschen tot lastdieren, ten behoeve van de eigenaars, 
administrateurs en direkteurs van 200 plantages! Maar wij 
ontkennen het; wij noemen het een jammerlijk vooroordeel, 
op het meest kortzigtige en kleingeestige eigenbelang ge- 
grond. Maak die slaven vrij, en zij zullen, indien al niet 
dadelijk dan toch met er tijd, leeren werken tegen eene 
belioorlijke belooning voor hunnen arbeid; maak hen vrij, 
verhef ze tot menschen en het voordeel, dat de kolonie van 
hen trekt, zal grooter zijn dan thans. 

Gij klaagt, dat nu reeds uwe plantages zoo weinig ople- 
veren, en gij vraagt : hoe zou het dan gaan wanneer er geene 
slaven waren? Zal de neger zich niet, in plaats van te 
werken, in de bosschen en wildernissen vestigen? Is het- 



234 

geen hij in Demerary deed niet de voorspelling van 'tgeen 
hij hier zal doen? 

Ook die tegenwerping heeft slechts kracht voor het meest 
onbillijke eigenbelang, niet voor het regt en de mensche- 
lijkheid. Al ware dat zoo zeker, ook dan nog zou die 
zekerheid het voortduren van een erkend onregt nimmer 
wettigen. Maar hebben zich de negers in Demerarj eigenlijk 
wel in de bosschen teruggetrokken? Heeft niet het lang- 
durig ü!jo/9rd^2i!ïce-.s/iijö de latere betrekking tusschen eigenaars 
en vrijgewordenen bedorven en slechts wederzij dsche verbit- 
tering en verwijdering voortgebragt ? Hebben niet vaak na 
de vrijwording de planters arbeid geëischt van de negers, 
tegen een loon, waarvan deze onmogelijk konden bestaan, 
en hebben zij daarom niet de voorkeur gegeven aan het 
verbouwen van hunne eigen gronden, boven den zwaren 
en ongezonden arbeid bij dezelfde personen, die vroeger 
hunne beulen waren, al werd hun ook soms daarvoor een 
hooger loon aangeboden? Dat, voorwaar, pleit niet tegen 
hun gevoel van eigenwaarde en in hun nadeel. 

Wij weten het, gretig hebben in der tijd de Surinaamsche 
onderteekenaars van een adres, ingediend aan de Tweede 
Kamer der Staten-Generaal, tegen art. 92 van het voorge- 
dragen Reglement op het beleid der Regering van West- 
Indië, gebruik gemaakt van een rapport over den toestand 
van BritsqJ;^ Guyana, na de emancipatie der slaven. Maar 
het volgende uittreksel uit eene aanspraak door den gouver- 
neur van Britsch Guyana, op den 25sten Januarij 1853, 
tot het gekombineerde hof dier kolonie gehouden, zouden 
zij waarschijnlijk niet zoo gaarne hebben aangehaald : 

//Sedert de laatste bijeenkomst der beide hoven, is de 
voortgang der kolonie in ieder opzigt voldoende geweest. 

//De uitvoer van suiker bereikte gedurende het jaar 1852 
bijna 56,000 okshoofden (ongeveer 112,000,000 Amsterd. 



235 

ponden) , welk cijfer eene vermeerdering in den loop der 
twee laatste jaren aantoont van 50 pr.Ct. boven den oogst 
van 1849 en dien van 1850. 

//Dit feit is echter nog niet zulk een gunstig teeken van 
vooruitgang, als de toenemende vermindering van misdaden , 
het ordelijke gedrag en de verm.eerderde nijverheid der ar- 
heidende klassen in 7 algemeen; eene toenemende nijverheid, 
welke uit verschillende omstandigheden blijkt, doch het 
duidelijkst zigtbaar is in 't zoo even vermelde cijfer van 
uitvoer, dat niet alleen aan gunstige saisoenen, verbeterde 
wijze van kuituur of invoer van emigranten kan toegeschre- 
ven worden. 

//De groote uitgaven, door het Gouvernement aan vroegere 
en tegenwoordige invoering van arbeiders besteed, en die in 
1852 tot bijna "/„ van het geheele bedrag der lasten van de 
kolonie gestegen waren, kunnen met regt beschouwd worden 
als eene tegemoetkoming aan den landbouw voor de schade, 
welke de planters in het bijzonder geleden hebben bij die 
groote maatschappelijke omwenteling, welke zulke voordeden 
aan het overblijvend deel der bevolking heeft aangebragt", 

't Valt niet te ontkennen, ook in Suriname loopt men, 
bij eene onvoorwaardelijke en onmiddellijke emancipatie, 
groote kans, dat de plantage-slaven, in de eerste daarop 
volgende jaren, als hunne broeders in Demerary zullen doen. 
Immers men heeft hen niet zoo behandeld, dat zij veel be- 
lang in den omgang met blanken kunnen stellen; men heeft 
hen aan zoo weinig behoeften gewoon gemaakt, dat het hun 
slechts weinig arbeid en inspanning zal kosten, ora aan die 
behoeften te voldoen; men heeft hen kunstmatig op zulk 
een lagen trap van beschaving gehouden, dat er volstrekt 
^'^.QXi geneigdheid bij hen bestaat, ora de genoegens der 
zaraenleving in eene beschaafde maatschappij te genieten; 
men heeft bovenal den veldarbeid, waardoor de planters 



236 

moeten bestaan , voor de slaven tot een schande en straf, tot 
het onderscheidend kenmerk van hunne diepste verlaging, 
van de slavernij , gemaakt. Maar wilt gij nu de ongelegen- 
heden en nadeelen, die daaruit voor de eigenaren van plan- 
tages zullen voort vloeij en, trachten te ontgaan, welnu werk 
dan mede tot de emancipatie. Maar gij wilt niet, anders 
zoudt gij er u niet tegen verzetten, als men den slaven 
meer regten wil toekennen, uitgaande van het beginsel, dat 
zij menschen zijn, en als raenschen, niet als lastdieren 
moeten behandeld worden. Gij zoudt het stelsel van beloo- 
ningen naast dat van strafTen invoeren. Gij zoudt hen doen 
ondervinden, dat de arbeid voordeelig is voor den arbeider, 
door hen vruchten van dien arbeid te laten genieten. Gij 
zoudt hen tot hunne taak in staat stellen, door in hunne 
materiële behoeften behoorlijk te voorzien, in de eerste 
plaats in eene betere voeding. Gij zoudt hen in de gele- 
genheid stellen , om banden van bloedverwantschap aan te 
knoopen, en alzoo het menschelijk gevoel ook in den slaaf 
eerbiedigen. Gij zoudt die banden niet willekeurig ver- 
scheuren en de echt zou ook bij hen u heilig zijn. Ook 
voor hen zoudt gij onderwijs, opvoeding en godsdienst als 
eerste behoeften beschouwen, en die weldaden zoudt gij aan 
hunne kinderen schenken. Gij zoudt hen in de gelegenheid 
stellen, om zich zelve en hunne kinderen, door de vruchten 
van eigen vlijt, den algeheelcn vrijdom te bezorgen. 

Maar gij wilt niet! De geschiedenis van Suriname, sedert 
de invoering der slavernij tot op dezen dag, heeft het be- 
wezen. Alle pogingen tot het langzamerhand verbeteren 
van het lot der slaven, tot eene voorbereiding voor hunne 
vrijverklaring, lijden altoos schipbreuk op den onwil van 
eigenaars, administrateurs en direkteurs, die, aan hun ver- 
meend regt wanhopend vasthoudend, zich altoos openlijk of 
in 't verborgen daar tegen verzetten. Van de zijde der 



237 

eigenaars is geen ware, welgemeende, krachtige medewerking 
tot trapsgewijze voorbereiding te wachten, en daarom blijft 
alleen eene dadelijJce onvoorwaardelijke emancipatie mogelijk. 
De nadeelige gevolgen voor den landbouw zullen de kort- 
zigtige belanghebbenden bij de plantages zich zelven te 
wijten hebben. 

Dan blijft eene dubbelde taak op de regering rusten. Zij 
moet zulke wetten maken , als voor eene pas uit de slavernij 
verloste bevolking noodig zijn. En zij moet, gelijk in 
Britsch Guyana, den invoer van vrijwillige arbeiders krach- 
tig bevorderen en langs dien weg de produktieve krachten 
van het land verhoogen. 

i/Het AetJiiopiscJie menschenras staat op zulk een lagen 
trap van verstandsontwikkeling ^ dat het eene7i overgang 
van den mensch tot het dier uitmaakt', weshalve het, dom 
en verstandeloos gelijk het is, alleen door de zweep en de 
vrees ka7i geregeerd worden''\ 

Al was deze bewering, die gij in goeden ernst in Suriname 
zult hooren verkondigen, niet in strijd met de lessen van 
ervaring en christendom : zou daarmede het plegen van on- 
barmhartigheden, als waarvan wij eenige tafereelen u hebben 
voorgesteld, kunnen worden vergoelijkt? Heeft niet zelfs 
het redelooze dier, dat volgens uw eigen stelsel nog iets 
lager staat, aanspraak op eene goede behandeling? 

Maar geloof niet aan dit gebrek van verstandelijke ver- 
mogens bij het negerras. In tegendeel. De neger moge al 
op eenen lageren trap van geestontwikkeling dan Europeanen 
gesteld moeten worden; altijd staat hij in aanleg boven het 
Maleische, Araerikaansche en andere menschenrassen. Het 
is waar dat b. v. de Maleijers en Chinezen (de Amerikanen 
komen hier in het geheel niet in aanmerking) eenen zekeren 
trap van beschaving bereikt hebben, maar op dat standpunt 



238 

zijn zij ook eeuwen blijven staan; de eersten zijn zelfs zeer 
terug gegaan; terwijl de neger, uit Afrika verwijderd, be- 
wijzen heeft gegeven in staat te zijn van ook met Europea- 
nen te kunnen wedijveren. Dat het Aethiopische ras, zelfs 
op dit oogenblik in zijn oorspronkelijk vaderland, nog in 
eenen aan woestheid grenzenden maatschappelijken toestand 
verkeert, is niet te verwonderen. De natuur zelve schijnt, 
en door de ongezondheid van het klimaat, en door de on- 
metelijke zandwoestijnen, die het reizen in Afrika moeijelijk 
ja bijna onmogelijk maken, en door onze onbekendheid met 
de landen waarin de neger te huis behoort, een slagboom 
tegen het voortdringen der beschaving in die gewesten 
gesteld te hebben. Maar desniettemin legt het negerras 
allen mogelij ken aanleg tot het verkrijgen van intellektuele 
ontwikkeling aan den dag. Alleen het noemen van den 
naam toussaint louverïure, een neger die alle eigen- 
schappen, welke den beschaafden man kunnen versieren, als 
vaderlandsliefde, dankbaarheid, menschlievendheid, vastheid 
van karakter, godsvrucht, en edelmoedigheid in ruime mate 
bezat, zou genoeg zijn, om de waarheid van ons beweren 
te staven. Maar duizende andere voorbeelden zijn bekend, 
die evenzeer voor de geschiktheid der negers om zich 
nuttige kundigheden eigen te maken, pleiten. — Wie zal 
durven beweren, dat de afgevaardigden, die in de laatste 
Pransche nationale vergadering de West-Indische bezittingen 
vertegenwoordigden, domooren en weetnieten waren? 

Maar wij behoeven de bewijzen voor de geschiktheid der 
nesüers tot het aanleeren van alles, wat den blanke onder- 
scheidt, niet bij onze naburen te zoeken. Wij behoeven niet 
te wijzen op de geschriften van h. gregoire en anderen. 
Wie herinnert zich niet de twee Ashantijnsche Prinsen, die 
in Nederland hunne opvoeding ontvingen, en uit zuiver 
negerbloed gesproten waren. Welnu, één van hen bekleedt 



239 

thans in Oost-Indië eene betrekking, waarin hooge weten- 
schappelijke bekwaamheid een eerste vereischte is, en doet 
in beschaving voor geen' Europeaan onder. Even zoo kunnen 
onze Afrikaansche soldaten in Oost-Indie ten bewijze strek- 
ken, hoe spoedig de neger voor ontwikkeling vatbaar is, 
en zich in aanleg boven andere menschenrassen onderscheidt. 
Toen zij van de kust van Guinea op Java werden ingevoerd, 
stonden zij in beschaving verre bij onze iulandsche troepen 
ten achter, ja geleken naar halve wilden; en hoe spoedig 
hebben zij zich juist door de energie van hun karakter 
boven die inlanders verlieven, zoodat deze thans met ontzag 
tegen hen opzien. Groot zijn de diensten, welke die negers, 
ofschoon zij dan ook, in den eersten tijd van hun verblijf 
in Indie, wederspannig en onhandelbaar waren, later in 
ieder gevecht en bij iedere expeditie, aan het moederland 
hebben bewezen. Uitstekend zijn hun trouw en de gehecht- 
heid aan hunne officieren, waardoor zij in den laatsten tijd 
uitblonken. Verscheidene zijn er onder die Afrikanen, die 
zich, behalve het Maleisch, in betrekkelijk korten tijd het 
spreken en schrijven van het Hollandsch, tevens met eenige 
kennis der rekenkunde, hebben eigen gemaakt. 

In Suriname zelf vindt men overvloedige bewijzen voor 
den hoogeren aanleg der negers. Maar men wil die bewijzen 
daar niet zien, want het is daar de gewoonte, om alles wat 
hen aangaat met vooringenomenheid te beschouwen. Nooit 
hoort de slaaf door de vrije lieden anders dan met de meeste 
minachting over hem en zijne lotgenooten spreken. 

— //Leelijke neger!'' voegt wel eens een vrouwenmond 
hem toe, die jegens dieren zelfs zacht, maar jegens slaven 
hard en wreed is. 

— //'t Is alleen goed voor een neger!" is eene zeer ge- 
wone algemeene uitdrukking. 

— //Hij steelt als een neger," en zoo is hij het voorwerp 



240 

van elke vergelijking, die iets slechts of verachtelijks moet 
te kennen geven. 

In zulk een land is natuurlijk het vooroordeel algemeen. 
Maar daarom rigt ik mij tot onpartijdigen. Doe vrij on- 
derzoek, en gij zult het met mij eens zijn, dat de Schepper 
eenen goeden aanleg in de negers heeft gelegd. Bezoek, 
bij voorbeeld, de stads armenscholen, en gij zult verbaasd 
staan over de bewijzen van vlijt en ijver, die de kinderen 
der vrije negers aan den dag leggen. Treed op gewone da- 
gen de kerk der Moravische broeders binnen, en gij zult 
negerkinderen met vrucht het onderwijs dier voortreffelijke 
mannen zien ontvangen, die in geenen deele bij hunne blanke 
medescholieren ten achter staan. Zoo geven diezelfde Mo- 
ravische broeders de verzekering, dat zij , bij het onderwijs 
der slavenkinderen, dikwijls sporen van eene buitengewone 
vatbaarheid en leergierigheid opmerken; en dan bejammeren 
zij het te meer, dat zij gedwongen zijn, zich, bij het onder- 
wijs dier kinderen, tot het leeren lezen van den Bijbel en 
eenige kleine geschriften in de Neger-Engelsche taal te bepa- 
len, en dat er zoo weinig onderwijzers zijn die hen door 
hunne medewerking ondersteunen. De openbare prijsuitdee- 
ling, in Julij 1852, leverde voorbeelden te over van 't geen 
wij beweren. Onderscheidene negerkinderen werden met 
prijzen bekroond. Bewees dit tevens niet op een treffende 
wijze, dat de ouders dier kinderen, hoewel van de banden 
der slavernij bevrijd, geenzins geneigd waren om hen in 
onwetendheid groot te brengen? Gij hebt slechts de lieve, 
geestvolle en aanvallige gezigtjes van de meesten dier neger- 
kinderen te zien, waaronder er zijn met sprekende gelaats- 
trekken , met een krachtigen, beteekenisvollen en toch goed- 
aardigen en zachten oogopslag, om u te overtuigen, dat gij 
hier niet met //halve apen" te doen hebt. Let op de goed- 
gevormde gestalte, en den open blik vol uitdrukking van 



241 

de meeste volwassen negers, wanneer hun gevoel, bij eene 
eenigzins goede behandeling, niet geheel door het ziel en 
ligchaam doodende der slavernij verstompt is. Wanneer gij 
dan het kleingeestige vooroordeel tegen de kleur ter zijde 
stelt, dan dringt zich de overtuiging bij u op, dat deze 
raenschen voor iets anders geschikt zijn, dan om als bloote 
werktuigen gebezigd te worden. Dikwijls zult gij verwon- 
derd staan over het gezond verstand, waarvan hunne ant- 
woorden en gesprekken den stempel dragen, en daarbij heb- 
ben zij zeer goed besef van het onbillijke van hunnen toe- 
stand. Onder die zoo verachte negers vindt gij zeer goede 
timmerlieden, metselaars en andere handwerkslieden; op 
bijna alle suikerplantages, die van stoomwerktuigen voorzien 
zijn, is het bestuur over de machinerie aan gewone planta- 
ge-negers opgedragen; onder anderen zijn o^^ Sus anno' s daal, 
bij reparaties aan de machine, niet alleen de teekeningen 
van modellen voor remontstukken, maar ook die remont- 
stukken zelve door een armen plantage-slaaf vervaardigd. 

Nog iets. Hoe muzijkaal zijn zij niet. Naauwelijks 
hooren zij eene melodie of zij fluiten die uitmuntend met 
den mond na. Hoe geestig, hoe bijtend, hoe natuurlijk 
zijn hunne geïmproviseerde liedekens, waarbij zij de voetmaat 
meesterlijk in acht nemen. Ik spreek hier van stads-negers. 
Een mijner vrienden heeft een voeteboi, die niet alleen flink 
Hollandsch heeft leeren spreken, maar u excuus vraagt als 
een blanke zou zeggen //het is een leugen" of //het is niet 
waar". Men ontmoet er, die goed Engelsch en anderen die 
Hollandsch en eenig Eransch spreken. Is dit het werk van 
//halve apen?" 

Geloof dan ook niet, dat de Surinaamsche slaveneigenaars 
door eenige andere reden dan die van het eigenbelang wor- 
den aangezet, om de ongeschiktheid der slaven voor hoogere 
geestontwikkeling te betoogen. Zij kennen de negers te wel, 

IL 16 



242 

en zij weten te goed, hoe groot het onderscheid is tusschen 
den partikulieren neger uit Paramaribo, die veeltijds in 
aanraking met blanken komt, en den plantage-neger, die 
nimmer met een anderen Europeaan , dan met den direkteur 
en blank-officier, en dat nog wel meestal op eene gevoelige 
wijze, te doen heeft, dan dat zij niet zouden inzien, dat de 
negers geenzins zoo ongeschikt en verkeerd zijn, als zij 
hen afschilderen. Integendeel, zij beklagen zich dikwijls, 
onbedachtzaam met zich zelve in tegenspraak komende, 
dat de slaven, door de ijverige bemoeijingen der Moravische 
broeders, te slim en van dag tot dag moeijelijker te regeren 
worden. 

Maar er is een nog grooter bewijs voor de waarheid, 
dat alleen eigenbelang, niet de overtuiging hunner onge- 
schiktheid voor de vrijheid, de betere behandeling en de 
emancipatie der slaven in de kolonie Suriname tegengaat. 
Volgens het reeds meermalen aangehaalde Verslag van het 
beheer en den staat der koloniën in 1849, door den Minis- 
ter van Koloniën aan de Tweede Kamer der Staten-Gene- 
raal ingediend, bedroeg de vrije bevolking der kolonie een 
getal van 11,860 zielen. Wij meenen onze raming niet te 
groot te maken, wanneer wij onderstellen, dat de helft dier 
bevolking uit kleurlingen, dat is te zeggen, uit afstamme- 
lingen van Europeanen en negers, in de verschillende graden 
van vermenging, van den bijna zwarten -t/Karboeger" tot 
den, zoo in de kleur zijner huid als in de vorming van zijn 
ligchaam, weinig of niet van den geboren Europeaan ver- 
schillenden //Poesties" bestaat. Welnu onder die kleurlin- 
gen vindt gij zeer beschaafde en kundige menschen, die noch 
in geestontwikkeling, noch in eenig ander opzigt bij den 
Europeaan ten achter staan, menschen, die met eere betrek- 
kingen bekleeden , waartoe wetenschappelijke vorming vereischt 
wordt, en waarvan sommigen regtsgeleerden , geneesheerenen 



243 

gouvernements-ambtenaren, anderen officieren bij de marine 
en het leger, weder anderen plantage-eigenaars en kooplieden, 
en nog anderen bekwame ambachtslieden zijn. Zoo heeft een 
lid van het geregtshof, zelf kleurling en slaaf geboren, 
eene brochure geschreven over de emancipatie der slaven. 
Zoo behoort tot diezelfde kleurlingen en geboren slaven 
een kundig botanist in Suriname, die zelfs eene Europesche 
vermaardheid bezit. Zoo was een onlangs overleden genees- 
heer, die het algemeene vertrouwen genoot, in zijne jeugd 
slaaf en //voeteboi" bij een geneesheer geweest. Aan dit ras 
zal men dus, zonder zich aan het verdedigen eener onwaarheid 
en ongerijmdheid schuldig te inaken, eenen voortreflelijken 
aanleg niet mogen ontzeggen. 

Men zou van die brave en edelmoedige slaven-eigenaars, 
die het doen voorkomen als of zij den neger alleen in sla- 
vernij hielden, ten einde hem, dien zij als een onmondig 
kind beschouwen, tekleeden, te voeden, te verzorgen en in 
zijne zedelijke en ligchamelijke behoeften te voorzien, en 
die door geene bijoograerken hoegenaamd tot het in stand 
houden der slavernij worden aangezet — men zou van die 
voortrefielijke menschenvrienden mogen verwachten, dat zij 
dezulken van deze minderjarigen, die bewijzen van ge- 
schiktheid voor meerderjarig- verklaring gegeven hebben, 
eindelijk de voorregten dier meerderjarigheid zouden doen 
genieten. 

Maar hij, die dit verwacht, bedriegt zich. Tot schande, 
duizendvoudige schande der vrije bevolking van Suriname, 
moet het gezegd en duizend maal herhaald worden : er 
zijn hijna blanke slaven in Suriname! afstammelingen van 
Europeanen, menschen die Nederlandsch bloed in hunne 
aderen hebben, ongelukkigen , die ook gedoopt zijn en in 
CHRISTUS gelooven. Die blanken, die Nederlanders, die 
Christenen worden, als het redelooze vee, te koop geveild, 



244 

gekocht en verkocht door hunne kleurgenooten , landgenoo- 
ten en medechristenen ! 

En geloof niet, dat het getal dier kleurlingen-slaven ge- 
ring is. Officiële statistieke opgaven bezitten wij niet; maar 
TEENSTBA, de bekende schrijver en voorstander der eman- 
cipatie, stelt hun getal op een vijftiende der geheele slaven- 
bevolking, en is zeker nog beneden het werkelijke cijfer 
gebleven. Het bedraagt op dit oogenblik zeker 2700. Te 
regt zegt teenstra : //De kleurlingen-slaven zijn het on- 
gelukkigste. In voeding en kleeding heeft hij het niets 
beter dan een negerslaaf; hij is zwakker en ziekelijker en 
toch vordert men evenveel en even zwaar werk van hem, 
terwijl de snerpende zweep hem op de dunne huid gevoeliger 
treft, dan den neger; en ofschoon onder de negers werkende, 
zal hij hun vertrouwen nimmer deelachtig worden". 

Alleen bij sommige voorname farailiën , maar geenzins bij 
de mindere klassen, worden de kleurlingen alléén tot huis- 
bedienden gebezigd, en daar de wet hun geene voorregten 
boven de negers toekent, kunnen zij even goed in handen 
van wreede, schraapzuchtige, gierige, hunne slaven uitput- 
tende, als in die van meer regtvaardige lieden vallen. Wee 
hen! wanneer vrije kleurlingen hunne meesters worden, en 
dubbel wee ! wanneer die meesters soms nog donkerder van 
kleur dan hunne slaven zijn. Dan zijn de eersten er op 
uit, om de mishandelingen, door hunne voorzaten van de 
blanken ondergaan, op de afstammelingen dier blanken, die 
thans in hunne magt zijn, te wreken. 

Vraagt gij mij, of ik dan geheel ontken, dat vele slaven 
werkelijk dom zijn en strafwaardig handelen? dan zal ik 
antwoorden : Neen; 't is hetzelfde geval als met ons blan- 
ken, en met alle menschen. Maar wie denkt er aan, dat 
de door of buiten zijne schuld domme en onkundige onder 
ons daarom zijne menschelijke vrijheid zou moeten verliezen? 



245 

Bovendien zal ik blijven beweren, dat de slaven, als gij 
hunne onnatuurlijke maatschappelijke positie in aanmerking- 
neemt, niet voor slechter, en als gij op alle omstandigheden 
let, misschien voor beter moeten gehouden worden, dan gij 
van blanken in hunnen toestand zoudt mogen verwachten. 
Tot bewijs van de ongeschiktheid der negers, om in eene 
beschaafde maatschappij te kunnen leven , is men nog gewoon 
het gebrek aan beschaving bij de Boschnegers aan te voeren. 
Maar hebt gij wel overwogen, dat die Boschnegers oorspron- 
kelijk slaven waren, die, ten gevolge der wreede behandeling 
hunner meesters, wegliepen, en zich in de bosschen van 
Guyana vestigden? Na jaren lang hunne herwonnen vrij- 
heid verdedigd, ja, zelfs het bestaan der kolonie in gevaar 
gebragt te hebben, mogten zij eindelijk, tot loon hunner 
volharding, de zelfvoldoening smaken, dat de Surinaamsche 
kolonisten met die zoo diep verachte slaven een verbond 
sloten, 't welk de kolonisten verpligtte, behalve de erken- 
ning der door hen bevochten vrijheid, te gelijker tijd eene 
j aarlij ksche schatting aan de Boschnegers op te brengen. 
De geschiedenis pleit dus niet tegen hen als het op energie 
aankomt, en het traktaat was niets minder dan vereerend 
voor de kontraktanten ter eenre zijde. 

Die Boschnegers, met hunne krachtige ligchamen, waarin 
fiere en onafhankelijke karakters wonen, zijn een nieuw be- 
wijs voor de gebrekkige voeding en den ellendigen toestand 
der negerslaven. Want zij zijn hetzelfde ras, maar met 
hen in ligchaamssterkte en uiterlijk voorkomen niet te ver- 
gelijken. De voorouders der Boschnegers hebben ^'^^wo, an- 
dere aanraking met de blanken gehad, dan dat zij allerlei 
wreedheden en onregtvaardigheden zich van hen moesten 
laten welgevallen, zonder dat immer iets tot hunne bescha- 
ving werd gedaan. Zij leerden den arbeid alleen kennen, 
in verband met de tamarinde-roeden en slavenzweep. Op 



246 

dit oogenblik zijn zij nog dagelijks in de gelegenheid, om 
den weinig benijdenswaardigen toestand der slaven te zien. 
Is het van zulke menschen te verwachten, dat zij gretig 
de gebruiken der blanken zullen aannemen, of den arbeid, 
dien zij alleen van eeue schandelijke zijde leerden kennen, 
zullen beminnen. Kunnen wij Christenen, die toen zij onder 
ons waren, de uitbreiding van het Christendom onder 
hunne voorouders niet bevorderden, kunnen wij hen ver- 
oor deelen, wanneer zij nog altijd gehecht zijn aan hunne 
afgodische eeredienst? 



Op den 12tlen Mei 1849 prijkte de Nieuwe kerk te Am- 
sterdam met feestelijken dos, om luister bij te zetten aan 
de inhuldiging van willem III. Op een der wapenborden, 
die aan de pylers en wanden waren aangebragt, viel het oog 
van eenen bezoeker, en te huis gekomen schreef hij aldus 
den indruk op, dien dat wapenbord, op die plaats, in die 
omgeving op hem gemaakt had (1). 

//Zie, daar ginds, — de middagzon werpt daarop haar helder 
licht, — ter linkerzijde van den troon, aan dien naasten pyler 
hangt een schild. Helder en vrolijk lacht het u tegen, niet 
gelijk de overigen in de omarming van Hollands driekleur 
bedolven, maar sierlijk omkranst; en is eens uw oog daarop 
gevestigd, het lokt en boeit u steeds meer en meer. Daar 
is een beeld, steeds liefelijk voor den Nederlander, een schip, 
dat de golven klieft; wel zweven er enkele wolken, maar 



(1) De inhuldiging en een toapenschild , door h, c. milliesj zie de 
Gids voor 1849, I, 721 enz. 



247 

daarboven is het helder, en met volle zeilen spoedt de ranke 
kiel voorwaarts : het zinnebeeld van de bron van Neêrlands 
opkomst en van de zenuw van Neêrlande welvaart. Rondom 
prijken de woorden : justitia, pietas, pides, — gereg- 
tigheid, godsvrucht, trouw, — wat de menschelijke taal als 
de drie hoogste zegeningen, de kostbaarste schatten noemen 
kan; en onder dat schild lezen wij : suriname! 

//Kon ik weten, of de blik van willem III, toen hij dien 
eersten weg betrad naar den troon, die hem daar voorbij 
voerde, ook op dien pyler, op dat schild is gevallen. Is 
het hem gegaan, als mij, als velen welligt, dan heeft die 
aanblik hem het bloed in het aangezigt gejaagd, zijn hart 
sneller doen kloppen. Dit schild, dat daar naast 's konings 
troon, het verre westen, gelijk ter regterzijde dat met lau- 
weren omkranste zwaard van Batavia het rijke oosten, die 
anderen de Nederlandsche provinciën moesten vertegenwoor- 
digen; schaamte vervulde mij, toen ik daar tegenoverstond; 
daar had ik het liever niet gezien, of bedekt, met rouwfloers 

omhangen; ik had het weggewenscht ! Neen! niet weg, 

maar voor aller oogen, in aller ziel, opdat het iets anders 
dan zijn bedriegelijk vernis en leugenachtig opschrift vertoone; 
opdat het luide en dringend aan Neêrlands koning en volk 
eene heilige roeping, een langvergeten , zwaar geschonden 
pligt verkondigd 

//Vlak onder dat schild, aan denzelfdeu pyler, is de arme- 
lijke steen, door een op zijne grootmoedigheid pronkend 
dichtgenootschap aan de nagedachtenis van vondel gewijd. 
O! koude ik een oogenblik met uwe kracht, oude Bard! de 
snaren tokkelen, of liever uwe schim oproepen, om, bestraald 
met het licht der negentiende eeuw, uwe verontwaardiging 
lucht te geven over dat schandbord boven uw lijksteen 
opgehangen; met hoeveel zieldoorvlijmenden ernst en hart- 
verbrij zelen de kracht zoudt gij, de nevelen van onverschil- 



248 

ligheid eu bedrog verdrijvende, waarheid en regt handhaven 
en de zaak der menschheid bepleiten ! 

//Wie het dorst wagen, zoo walging en ontzetting hem 
niet deed afbreken, uwe geschiedenis, Suriname! naar waar- 
heid te ontvouwen : in bloed en slijk zou hij beurtelings 
de pen moeten doopen. Sedert het octrooi van 1682, dat 
als grond-charter der kolonie kan aangemerkt worden , tot 
op dezen dag, wat al jammeren en ellende door menschelijke 
verblinding en boosheid in dat aardsch paradijs voortgebragt! 
Inwendige verdeeldheid en voortdurende twisten onder de 
Europesche bevolking; langdurige tweespalt tusschen deze 
en het Bestuur; oorlogsrampen van buiten, van binnen de 
welige ontwikkeling van al de gruwelen der slavernij, tot 
dat nu hier, dan daar, als de verdrukte bevolking tot wan- 
hoop is gebragt, gedurige opstanden uitbarsten en de gefol- 
terde slaven in moord en brandstichting hunne dolle woede 
koelen; vernieuwde onderdrukking door Europesche magt 
en verzwaring van het juk der dwingelandij; de schrik en 
verderf verspreidende invallen der boschnegers en geregeld 
wederkeerende jagten op hen, die hunne ketenen outvlugt, 
al de ellende, armoede en ontberingen der ondoordringbare 
wouden, moerassen en woeste bergen boven de slavernij 
verkozen, jagten, door de ongehoordste gruwelen vergezeld, 
door de ijzingwekkendste wreedheden gevolgd of met schande 
geëindigd 



//Slechts nu en dan, als de vlammen hoog uitslaan, gelijk 
in 1832, bij het levend verbranden van drie jeugdige negers 
te Paramaribo, breekt een bloedig licht door den donkeren 
nacht, waarin ofiRciële geheimhouding en partikulier belang 
die ongelukkige kolonie dompelen. En bij dat alles herhaalde, 
en altoos te vergeefs voorgestelde en ingevoerde wetten en 
reglementen, die openlijk worden geschonden en overtreden; 
regelmatige vermindering in de arbeidende bevolking; ver- 



249 

warde finantiën, achteruitgang in welvaart, algemeene klag- 
ten en ontevredenheid, talrijkeen vruchtelooze palliatieven, 
menigte van plannen zonder krachtige uitvoering — één 

doodelijJce hanJcer, dit; ten grond ligt aan al die jammeren, 
die alles verlamt, alles met zijn p»sttoalm doordringt : de 
slavernij , door geweld geliandhaafd; de slavernij de tergend- 
ste V er Jcr achting der geregtigJieid, de zwartste hoon der 
godsvrucht, de openLaarste schending van alle trouw. Dat is 
de treurige heteehenis van uw logenschild : Suriname! — 
ffjustitia, pietas, fidesV 



EINDR VAN HET TWEEDE EN LAATSTE DEEl,.